Er is mogelijk geen land in de wereld, waar muziek zooveel invloed op 't volk uitoefent als Suriname. Is 't volk in opstand - geef het muziek - alles is gedaan! Heeft het volk honger - sla op de Turksche trom - het gevoelt zich, alsof het pas van eene welvoorziene tafel is opgestaan! Om kort te zijn: muziek is in staat om ons volk alles te doen vergeten: honger, armoede, gebrek, ellende.... alles! Wie hieraan twijfelt lette slechts op als het militaire of schutterijmuziekcorps een marsch door de straten doet. Menschen, die over honger klagen, zult ge als razenden langs de straten zien dansen en springen, alles om en in zich vergetende, om eerst dan weer aan hun toestand herinnerd te worden, als de laatste tonen der muziek zijn uitgestorven.
't Is een feit! Vreemdelingen, die ons volk niet kennen, zouden niet aarzelen te verklaren, dat het volk ‘bon af’ is, terwijl zulk eene verklaring toch ver bezijden de waarheid zou liggen. Slechts als een bijdrage tot staving van mijne bewering herinner ik aan eene gebeurtenis onder Gouverneur van Seypesteyn, toen bij een opstootje de hulp der militaire macht werd ingeroepen. Papa van Syp., die land en volk door en door kende, viel den vrager om de gewapende macht in de rede met: ‘Niets van aan! Laat het muziekcorps uitrukken!’ En het gevolg? Dat was verrassend! Bij de muziek sloot zich de gansche schare aan! Het corps marcheerde een paar uren door de straten en, na zooveel jaren ben ik mogelijk de eenige die aan den ‘opstand’ denk
Vele neringdoenden, die het karakter van het volk kennen, slaan er munt uit: een weinig inlandsche muziek bij de opening van een nieuwe zaak, doet het volk toestroomen, en maakt meer reclame dan alle mogelijke advertenties in twintig dagbladen tegelijk!
Ook de slagers begrijpen dat zeer goed, en dezen hebben datgene in het leven geroepen, waarover ik nu schrijf. Jaren reeds bestaat de gewoonte dat wanneer een buitengewoon fraai exemplaar zal geslacht worden men het beest opgetooid langs de straten leidt, soms met begeleiding van een of ander muziek-instrument, soms zonder. In het laatste geval wordt de aandacht
toch meer dan gewoon op het dier gevestigd doordien talrijke geleiders - of liever vervolgers - uit het volk voor de muziek zorgen in den vorm van.... zang! Laat ons de algemeenheden weglaten en bespreken wij slechts een geval uit de laatste dagen.
We zijn in de binnenkamer en worden door een brullend gezang op straat naar onze vensters aan de straat getrokken. Een woorvoerder laat zich hooren: ‘Kau verjari!’ (de koe, de os, het rund is jarig), waarop het koor invalt met: ‘Hori em téré!’ (houdt zijn staart vast).
Het voorwerp der algemeene belangstelling is een groote os, aan dikke touwen door twee man begeleid. Om den hals en aan de horens heeft hij een krans van groene bladeren, aan de punt van den staart een ruikertje en rondom het voordeel van het lichaam een breede oranjesjerp. Rechts van het beest gaat een jongen met een bel - de persoon van wien het ‘kau verjari’ uitgaat, waarop van het volk het ‘hori em téré’ volgt. Links een man, in de hand een langen stok, waarop een soort reclamebord is bevestigd met het opschritt: Amerikaansche os!
Slachterij ‘De STIER’
Zaterdagavond.
De prijzen der verschillende deelen van het beest per pond zijn ook vermeld maar wij hebben geen tijd om hierop te letten en wij vestigen onze aandacht op het dansende en joelende volk dat zonder ophouden aanvult met: ‘hori em téré’ op het soms eentonig wordende ‘kau verjari’ van den belleman. Ha, zie! Daar komt eenige verandering! De school is uit en de school-jeugd sluit zich bij den optocht aan. De Oranjesjerp schijnt een overweldigenden indruk te maken, want het ‘kau verjari’ wordt voor een oogenblik tot zwijgen gebracht en het weergalmt uit volle borst op de bekend melodie:
waarop de ‘belleman’ die veroordeeld was zijn gewoon gezang op te geven spoedig invalt met ‘kau verjari’ en de gemeente hem weer bijstaat, om het reeds genoemde deuntje wel tienmaal te herhalen voordat de schooljongens weer aan de beurt komen, om hunne liefde voor het Oranjehuis te luchten. In eene heel kleine pauze - als 't ware een tijd van overweging voor ‘kau verjari’ of van ‘Oranjeboven’ - vindt een jonge geleerde gelegenheid, om uit te leggen dat Willem Drie reeds dood is en dat men het ‘Leve Willem Drie’ moet weglaten.
De redeneering vindt ingang, en na een klein overleg vindt de vindingrijkheid een uitweg en als uitgelaten door de nieuwe uitvinding worden de stemmen uitgezet en dreunt de straat van:
Er zit iets als ironie in het denkbeeld ‘Leve de Amerikaansche os’ terwijl hij naar het slachthuis geleid wordt maar daar denkt men er niet aan. Het volk wil zingen en het zingt-onverschillig wat! Hiermee is alles gezegd! Men zou zich anders gaan inbeelden, dat het volk met de omzetting van ‘Willem Drie’ tot ‘Amerikaansche os’ een beleediging van ons vorstenhuis op het oog had. Zulks is het geval niet! Ik heb zelf de overtuiging dat men dadelijk de vuisten gebruiken zou als deze of geene zich een niet gepaste uitdrukking veroorloofde aan het adres van den Koning maar men ziet in de samenstelling van het nieuwe lied geene beleediging: men wil zingen - men moet zingen - en men zingt! Dat Willem Drie of het Oranjehuis er bij gehaald wordt is de schuld van de oranjesjerp!
En het lied moet eerder beschouwd worden als een teeken van gehechtheid aan het huis van Oranje, dan als eene beleediging!....
Zoo gaat het dan voort tot het slachthuis waar het volk afscheid neemt van den gevierden os, die zich bewierookt zag, voor den laatsten adem uit te blazen! Ik gun aan het volk de kleine uitspanning, maar aan de heeren slagers geef ik in bedenking om oranjesjerpen door andere te vervangen.
Ik heb de overtuiging dat niet aan moedwil of beleediging moet gedacht worden - mogelijk juist aan het tegendeel - maar zij hoeven koebeesten geen oranjesjerpen om te hangen.