den mond gebracht en daar ons kereltje honger heeft, gaat met graagte vrij wat van den inhoud van de kalabas naar binnen.
Volgens onze begrippen moest de maaltijd als geëindigd worden beschouwd nu het ventje zijn bekomst heeft, door niet alleen niet meer te willen slikken, maar zelfs door een deel weer uit te spuwen. Maar mama denkt er anders over en ‘hem béré moe foeroe’3).
En daar begint een worsteling!
Aan de eene zijde een strijder tegen overmaat, aan de andere een kampioen voor hare overtuiging, die vast besloten is niet anders dan als overwinnares uit het strijdperk te treden.
Zij brengt de kalabas dieper in den mond - hij weerstreeft, zij maakt den stroom van stijfsel grooter - hij schreeuwt en slikt niet.
Op deze wijze zou de strijd lang kunnen duren, maar nu past mama een radicaal middel toe: het neusje wordt toegeknepen. Nu is de strijd spoedig beslist: het kind schreeuwt - de neus blijft toe - en als bij instinct, om zijn leven te redden, wordt onder een soort gerochel de kalabas tot op den laatsten droppel geledigd.
Hemel, kijk dat buikje eens: elke tamboermajoor zou trotsch zijn op een trom die zoo gespannen is.
Het ventje is dol blij nu hij van de marteling verlost is, en mama is dol gelukkig daar haar ventje zoo goed gezond is en zoo'n hoeveelheid naar binnen heeft gekregen.
Nu volgt het bad, want het spreekt van zelf, dat aannemende dat het geen badtijd was, zulks toch noodzakelijk moest geworden zijn, door vele droppels van de congotee op mond, wang en borst.
Hij wordt flink gezeept, en al is mama zelfs arm, een stukje reukzeep vindt ze altijd voor haar lieveling.
Hij komt in een kuip en binnen weinige oogenblikken is hij van zeepsop ontdaan, en ziet hij er zoo helder uit, als 't maar kan.
Nu volgt de badoperatie.
Mama legt hem eerst op den rug dan op zijn buik, vervolgens wordt hij een paar malen de hoogte ingegooid en weer opgevangen dan pakt mama hem aan de enkels beet, en geeft hem zóó gelegenheid voor enkele seconden om naar zijn tegenvoeter te zoeken; en als zij daarna de beide polsjes heeft omklemd, zoodat het volle gewicht van het lichaam door de armen wordt gedragen dan is de bewerking klaar.
Dat alles wordt gedaan ‘om het eten door het lichaam te doen gaan’ en om de ‘schroeven’ (gewichten) ‘los’ (lenig) te maken.
Op 't ventje is niets in het nadeel van de kunstbewerking te