Bidden en danken.
Niet bidden en niet danken!?..
Kaba! waar moet dat heen?...
Al wat wij eten, drinken,
Komt toch van God alléén.
Gaf hij geen milden regen,
Geen wind en zonneschijn,
Troe! troe! er zou niets groeijen,
Er zou niets te eten zijn.
[p. 8]
Wat zou men dan beginnen?
Hoe kwam men dan aan brood?..
Wij leden dorst en honger,
En gingen spoedig dood.
Foei! 't zou ondankbaar wezen,
Als men dien God vergat.
't Past ons Hem steeds te danken,
Voor 't geen men dronk en at.
Wie zou niet nedrig vragen:
‘O God! vergeet ons niet!
En blijf ons altijd schenken,
Wat ge ons tot heden biedt.’
Neen, 'k zal Hem nooit vergeten,
Wanneer ik drink of eet.
'k Wil Gode dankbaar wezen,
Daar Hij mij niet vergeet.