De mier.
Kijkt eens, jongens! komt eens hier!
O de mier
Is zoo'n ijvrig, vlijtig dier.
Heel veel kunt gij van haar leeren;
Ziet eens, hoe zij loopt en draaft,
Zwoegt en slaaft,
Om haar voorraad te vermeeren.
En zoo gaat zij ongestoord
Altijd voort;
[p. 19]
Schoon door niemand aangespoord.
Zegt! betracht ge ook zoo uw plichten?
Of hebt gij uw tranen klaar,
Als gij maar
't Een of ander moet verrichten?
Hoort eens, jongens! 'k hoop het niet!
Want verdriet
Wachtte u zeker in 't verschiet.
Eenmaal zoudt gij 't u beklagen.
Luiheid brengt op 's levens baan
Armoede aan,
Doet gescheurde kleêren dragen.
Daarom, jongens! hoort eens hier!
Is de mier
In uw oog een leelijk dier?
Leert van haar uw plicht betrachten.
Niet, als luiaards, stil gestaan!
Voort gegaan!
Dan kunt gij op voorspoed wachten.