Parlement komt van parler, wat spreken betekent. Helaas heeft men er in Nederland een lirement van gemaakt. (lire = lezen)
De ‘redevoeringen’ van de meeste dames en heren afgevaardigden worden thuis achter het schrijfbureau geboren, d.w.z. op papier gezet. Die rede wordt vermenigvuldigd en tijdig aan de pers ter hand gesteld. Iedere rechtgeaarde parlementariër haalt nu eenmaal graag de krant.
De ‘geachte afgevaardigde’ zit na die distributie, als het eenmaal haar (zijn) beurt is op het spreekgestoelte, uit de aard der zaak wel met handen en voeten, in dit geval: met lip en tong, aan dit op papier neergelaten geesteskind vast. Er zijn meer negatieve aspecten. De serene sfeer waarin dit studeerkamerprodukt tot stand kwam, wijkt meestal nogal af van het klimaat in de plenaire zaal op het ogenblik van voorlezen. Daar zit een stukje kortsluiting. Vaak blijken collega's die met dezelfde stof aan hun schrijftafels worstelen, vergelijkbare episoden uit de pen te hebben laten vloeien. De diverse lezingen vertonen forse repetitie-elementen. Dat komt de aandacht in de bankjes en op de tribunes niet ten goede. Lollies waaraan al eerder is gelikt, hebben geen hoge verkoopwaarde. Wie voor-fabriceert is bepaald niet in een positie om ad rem in te haken op wat voorgangers achter het katheder ten beste gaven.
Toen ik de parlementaire arena binnentrad, was ik vastbesloten om, eenmaal op het sprekersbankje staande, zonder papier, uit het hoofd te opereren. Op de oppervlakkige toeschouwer kan dat de indruk maken dat de geachte spreker zijn betoog uit de mouw staat te schudden. Dit nu is een vergissing. De voorbereiding van zo'n rede vraagt veel meer tijd dan het uitschrijven van een tekst. Het dwingt de spreker om een kernachtig, logisch sluitend verhaal te componeren dat om een beperkt aantal spillen draait. Vlak voortkabbelende, breed uitwaaierende verhalen met de diepgang van een bierplas op de stamtafel zijn in geen enkel hoofd te proppen. Wie uit het hoofd werkt moet beperking tot hoofdzaken en discipline bij de compositie opbrengen. Het is ermee als met die professor die verzuchtte: het verhaal is lang geworden, ik had geen tijd om een kort te maken. Overigens moet hij die iets beknopt wil zeggen, wel over een ruime woordenschat beschikken.

De spreker

De zaak Aantjes

Boerenbruiloft in Noordeloos

Op bezoek bij president Marcos van de Filippijnen

Ridder Nederlandse Leeuw.
Anne Vondeling speldt de versierselen op.

Op de afscheidsborrel met Joop den Uyl en Ruud Lubbers
Mijn wijze van optreden bleef niet onopgemerkt onder de parlementaire journalisten, maar nooit heeft er één in een interview naar mijn werkwijze gevraagd. Merkwaardig! De veronderstelling van één hunner, dat ik de tekst volledig uitschreef, dan uit mijn hoofd leerde en voor de spiegel repeteerde, was naïef. Aan mijn optreden bij de replieken, ook dan zonder papier, was dat al na te gaan. Hier volgt mijn recept.
Ik bouwde in de periode van voorbereiding een zo volledig mogelijk dossier op. (Dit strekte zich niet zelden over verscheidene jaren uit.) Twee weken voor de plenaire vergadering nam ik het dossier stuk voor stuk door. Op de blanco achterkant van kamervragen - vaak niet eens het meest onnutte gebruik van dat papier - schreef ik in de volgorde waarin zij mij onder ogen kwamen, de notities op die mij van belang leken. Het dossier kon afgelegd worden. Aan het slepen met dikke stapels stukken had ik een broertje dood. Het stapeltje kamervragen-achterkant liep ik vervolgens aandachtig door. Daarin zat immers de body van mijn verhaal. Maar nog ongeordend. Tussen de inleiding en de slotconclusie was er plaats voor maximaal vijf, liever vier, nog liever drie tussenhoofdstukken - op de achterkantjes kregen de notities de nummers 1 tot maximaal 5. Schaar en Gimborngom zorgden voor de eerste ordening (geleding). Het plenaire verhaal was grosso modo gecomponeerd. Maar het was nog niet toegesneden op een rede-zonder-papier. Daarvoor is een kapstok met ophanghaken nodig. Nu: die zette ik aan de hand van het dan voorhanden materiaal op papier en in mijn hoofd.
Hier en nu past een dankgebaar in de richting van mijn goeie ouwe ar-kamerclub. Die nam namelijk genoegen met een vóór-opvoering van het verhaal op de dinsdagmorgen van de week waarin het plenair moest worden gebracht. Bijstelling van de concepttekst behoorde tot de onvervreemdbare rechten van de fractie. Niet een last, maar een lust. Mijn ervaring was, dat het verhaal in de fractie alleen maar beter werd. Niemand heeft namelijk de politieke wijsheid exclusief in pacht. De inbreng van politiek-cultureel-geestelijk gelijk ingestelde collega's van diverse maatschappelijke pluimage is een kostelijk ‘Mitgift’ voor het staatkundig niet van verantwoordelijkheid ontblote individu, dat de eigen geestesrichting in die week in politiek Madurodam moet vertegenwoordigen.
Ik vrees dat oratorische talenten in fracties van omtrent vijftig leden schipbreuk zullen lijden. Daar wil men tijdig een uitgeschre-
ven tekst ter tafel hebben. Daar winnen de schriftgeleerden en de letterknechten het van de orateurs.
Maar terug naar mijn persoonlijke ervaringen op het spreekgestoelte - het kapstokschema bood voordelen:
a. In herhalingen behoefde de geachte afgevaardigde zich niet te verliezen.
b. Het inhaken op door voorgaande collega's gemaakte opmerkingen, behorende tot de uitdagingen van het vak, liet zich in de kapstokmethodiek zeer wel invoegen.
c. De voordracht won aan levendigheid en bijgevolg appreciatie bij de verplichte en vrijwillige toehoorders.
Deze methode van opereren uit het hoofd is door twee gevaren omringd. Men kan een deel van de eigen inbreng door geheugenvermoeidheid achterwege laten: een mineur euvel (het is mij tweemaal overkomen), aangezien parlementaire interventies aan het vaderlandse Binnenhof eerder te uitgebreid dan te beperkt zijn, en niemand kan natrekken wat de geachte afgevaardigde nog meer te berde had willen brengen.
Door interrupties - wie uit het hoofd spreekt, trekt een onevenredig aantal aan - kan men de draad van het eigen verhaal kwijtraken. In dit opzicht heb ik mij altijd voor ogen trachten te houden dat een geïnterumpeerd man voor twee moet gelden. Men dient bij de start van de interruptie nauwkeurig te registreren waar het eigen betoog onderbroken wordt.
Op 6 juli 1965 - de verjaardag van mijn Anna - stond de Nota betreffende het omroepbestel van excellentie Vrolijk, de kersverse minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, op de agenda voor de plenaire vergadering.
Naar de traditie van ons gezin zongen wij de jarige voor het ontbijt toe en tijdens het ontbijt bracht de post bericht dat dochter Carla op de christelijke hbs in Gorinchem bleef zitten, dochter Lia mocht uit de afwezigheid van een brief afleiden dat ze over was. Zoon Maarten, van dat overgaan-gedoe ontheven, reisde mee naar Den Haag.
In de middagvergadering, direct na de theepauze, kwam ik als derde na Geertsema (vvd) en Burggraaf (psp) aan het woord. Ik sprak vijfentwintig minuten, gebruikte geen snipper papier, had het oor van Kamer en volledig bezette tribune.
Toen wij om half één in de nacht thuiskwamen, was Anna aan de afwas van een drukke verjaarsvisitie bezig.
Voorzitter van Thiel en Vondeling getuigden in interviews van hun waardering voor deze manier van optreden.
Leuk vond ik de reactie van directeur André en onderdirecteur Boon van de Stenografische Dienst, die bij het 125-jarig bestaan van die dienst in 1974 in een interview met het Algemeen Dagblad (30-9-1974), ‘Noteren in de vuurlinies’, als kortschriftkundigen hun mening over minister en parlementariërs gaven. Volgens hen ‘zijn de communist Bakker en ar'er Schakel het best te volgen in hun betogen. Mensen die op een rustige manier goed gebouwde zinnen laten horen.’ Als afsluiting van dit hoofdstuk een citaat van de journalist Bert de Jong in Trouw van 15 november 1969.
Als Schakel spreekt, ook al is het laat, wordt de Kamer weer voller. Het is ook de moeite waard. De afgevaardigde heeft wat je noemt singuliere gaven en heeft zelfs geen aantekening voor zich. Wat oppositieleider Den Uyl deed opmerken: ‘U wijkt van uw tekst af.’ Iets later plaatste drs. Den Uyl weer een interruptie en toen was het de beurt aan Schakel: ‘U grijpt op mijn tekst vooruit.’ Aan het slot van het betoog tovert Schakel altijd een snippertje papier voor de dag om te zien òf hij niets heeft vergeten.
Op het laatste ogenblik dreigde de afgevaardigde van de arp nog vast te lopen. Daarom zei hij: ‘Ik weet niet hoe mijn zin begon, maar ze moet wel met een werkwoord eindigen.’
Zo zien we maar weer. Er mag een domper op zitten. Maar de vreugde is, gehoord de beraadslagingen, nog niet uit de arp geweken.
de J.