|
|
|
| |
| | | |
Moraal en karakter: lezingen van Moortje
*
M.A. Schenkeveld-van der Dussen
Bredero's
Moortje is een van de spaarzame klassiek te
noemen toneelstukken uit onze letterkunde, met een zekere traditie van
opvoeringen die tot in de recente tijd heeft voortgeduurd - de jongste
opvoering dateert van 1965. Gelukkig dus dat er eindelijk weer een uitgave van
het stuk tot stand is gebracht. De vorige editie met inleiding en commentaar,
die van F.A. Stoett, dateert uit 1931 en is alleen voor zeer hoge prijs
antiquarisch verkrijgbaar. In vergelijking met de editie-Stoett is de uitgave
van Zaalberg - hij heeft verreweg het grootste aandeel in de bezorging van dit
deel gehad - veel meer letterkundig gericht. Van Stoetts inleiding van ruim 18
bladzijden waren er 17 aan Bredero's taal gewijd. Verder werd er alleen kort
aandacht aan de bronnen besteed. Zaalberg daarentegen wijdt in zijn 84
bladzijden tellende inleiding o.m. beschouwingen aan de manier waarop Bredero
met zijn bronnen is omgegaan, aan plaats en tijd van handeling, aan de lering
in het stuk, aan taal en stijl ervan en geeft tevens een karakterschets van de
personages Moy-aal en Writsart. Ook de geschiedenis van de waardering en een
overzicht van de voorstellingen betekenen een vernieuwing ten opzicht van
Stoetts werk. De woordverklaringen van Zaalberg-Damsteegt zijn weliswaar veel
minder uitgebreid dan het befaamde commentaar van Stoett waarin veel
bewijsplaatsen uit andere 17de-eeuwse teksten waren opgenomen, maar zijn mijns
inziens geheel adequaat. In de bredere ‘Aantekeningen’ achterin
worden uitbreidingen, aanvullingen en soms verbeteringen van Stoett geboden. Zo
verdient deze editie een eigen plaats naast die van de grote voorganger.
Hoe moet het stuk gelezen worden?
Moortje bevat de typische ingrediënten
van een comedie. Er komt een courtisane/bordeelhoudster in voor die met haar
gunsten moet equilibreren tussen een oliedomme opschepperige kaperkapitein en
een smoorverliefde koopmanszoon; er is een rol voor een eertijds ontvoerd mooi
meisje dat op slinkse wijze wordt overweldigd door een oververhitte jongen en
later met hem zal trouwen; er is sprake van verloren gewaande en toch weer
teruggevonden familieleden; er is een verkleedpartij. Al even stereotiep zijn
de personages: de kaperkapitein is het type van de domme snoever; de
koopmanszoon dat van de verliefde jongeman; stereotiep is ook de courtisane; de
optredende oude vader heeft alle bekende trekjes van zijn soort; voor de
parasiet Kackerlack geldt hetzelfde.
Toch is het niet gemakkelijk het stuk onbekommerd op dat niveau van
een vrolijke co- | | | | medie te lezen. Daarvoor bevat het iets te veel
morele problemen.
In zijn inleiding brengt Zaalberg daar enkele van naar voren (p. 64,
85). Het slot van de comedie is voor menigeen moeilijk te verteren geweest: uit
materiële overwegingen besluit een van de jeugdige minnaars uit het stuk
zijn rechten op de courtisane te delen met zijn medevrijer.
1 Nog
minder acceptabel lijkt het dat de andere held van de comedie van plan is te
trouwen met het meisje dat hij eerst op hardhandige wijze verkracht heeft,
terwijl bovendien van de betrokken jonge man bekend is dat hij - op 18-jarige
leeftijd - al half blind is van de syfilis.
Wie zijn aandacht eenmaal richt op dit soort onaangename trekjes kan
er heel wat meer tegenkomen.
Laten we even uitgaan van de situatie in het eerste bedrijf. We
ontmoeten daar een bedroefde en gekrenkte minnaar, Ritsart, die kort tevoren
bij zijn geliefde Moy-aal, een Amsterdamse vrouw van lichte zeden, de deur
gewezen heeft gekregen maar nu weer door haar is opgecommandeerd. Hij klaagt
zijn nood bij zijn knecht Koenraat en krijgt van deze heel wat wijze lessen te
horen: zo'n geile hartstocht is slecht voor een mens, hoeren zijn niet te
vertrouwen, ze zijn alleen maar op je geld uit, probeer je van haar los te
maken. Inderdaad ziet Ritsart in dat hij zijn onkuise lusten moet laten varen.
Maar pas op, waarschuwt Koenraat nog, laat je niet inpakken; met een gemaakt
traantje heeft ze je zo weer te pakken. Moy-aal komt op en er gebeurt precies
wat Koenraat had voorspeld. Moy-aal weet haar optreden helemaal goed te praten:
noodgedwongen moet ze even een andere minnaar de voorkeur geven omdat die haar
een meisje cadeau wil doen - op voorwaarde dat ze hem enkele dagen het
alleenrecht gunt - een meisje, van wie ze het sterke vermoeden heeft dat het
haar pleegzusje is, bovendien een meisje van goede familie. Ze hoopt de
dankbaarheid van de verwanten te krijgen wanneer ze haar goed behandelt en
teruggeeft. Ritsart vindt het weliswaar buitengewoon pijnlijk dat hij zijn
beminde tijdelijk moet afstaan, maar stemt er, om het goede doel, toch maar mee
in, op voorwaarde dat het werkelijk om niet meer dan een paar dagen zal gaan.
Moy-aal maakt hem vleiend duidelijk dat ze alleen van hèm houdt, onder
andere door te herinneren aan een heerlijke liefdesnacht.
Uit dit begin laten de personages zich als volgt karakteriseren.
Moy-aal wordt door Koenraat ‘hoer’ genoemd en als een
lichtzinnige, onbetrouwbare en geldzuchtige vrouw afgeschilderd. Veel tegenweer
wordt hier niet tegen geboden. Moy-aal zelf deelt mee dat ze aan een
kleinigheidje als ‘een by-slapen’ met een ander niet zo zwaar tilt.
Ritsart vindt dat ‘een onbeschaamtheyt groot’ (195). Moy-aals
verlangen om het meisje te verwerven bergt een grote dosis eigenbelang in zich.
Ook op Ritsarts verwijt dat ze hem - en zijn vaders kas - handen vol geld
gekost heeft, gaat ze niet in, waarmee het op waarheid lijkt te berusten. Al
eerder had Koenraat trouwens al iets dergelijks over haar gezegd. Haar
uitspraak dat ze beter is dan ‘straathoeren’ die zich verkopen
heeft in elk geval moreel weinig inhoud: ook zij verkoopt haar gunsten. Wel
lijkt ze oprecht in haar verliefdheid op Ritsart.
| | | |
Ritsart is krankzinnig van verliefdheid. Hij laat zich inpakken door
zijn beminde, maar lijkt een brave jongen te zijn, die zich in principe aan de
geldende moraal wil houden.
Koenraat, de knecht, vertolkt de geldende moraal en het gezond
verstand, maar weet niets te bereiken.
Aan het eind van het stuk is het probleem van het meisje na veel
verwikkelingen opgelost en staat niets de relatie tussen Moy-aal en Ritsart
meer in de weg. Maar ziedaar: zoals gezegd, laat Ritsart zich met het grootste
gemak overhalen om Moy-aal met zijn medeminnaar te delen, alleen omdat die dan
mooi voor overvloedig levensonderhoud kan zorgen. Koenraat hebben we
ondertussen ook van een andere kant leren kennen. Dezelfde wijze knecht die in
het eerste bedrijf zijn jonge meester bij de hoeren weg probeert te houden,
helpt in het tweede bedrijf zijn andere jonge meester aan een goed idee: zich
via een verkleedpartij toegang tot Moy-aals huis verschaffen opdat hij daar op
zijn gemak zijn lust aan het cadeau gegeven jonge meisje kan boeten. Inmiddels
hebben we dan ook mogen vernemen dat de brave knecht het met het bezit van zijn
oude meester niet zo nauw nam. Hoe groter overigens de boef, hoe mooier zijn
morele praatjes. Koenraat blijft maar uitpakken over het slechte hoerenleven,
en Writsart, de hoerenloper (1516 vv), de verkrachter, en syfilislijder (1524)
roept uit
Wat zijn de hoeren meer als fenijn voor de jeucht
En putten des bederfs, en pesten van de deucht (vs. 1133-4)
En wil dan, toppunt van onbeschaamdheid, wel trouwen met het door
hem verkrachte meisje mits ze van goede familie is ‘en deuchd'lijck van
ghemoet’ (vs. 2548).
Zo blijkt op het niveau van de hoofdintrigue eigenbelang en winzucht
de enige drijfveer voor de personages. Alles in de wereld is te koop en
iedereen doet mee met loven en bieden, het normbesef met een cynische blik
beschouwend.
Op microniveau vallen allerlei ogenschijnlijk slecht passende
stukjes nu ook op hun plaats. Men kan zich erover verbazen dat Ritsart het ene
ogenblik klaagt over de verdorvenheid van de slavenhandel, terwijl hij zelf
voor zijn geliefde een Moorse slavin heeft aangekocht: cynisme.
2
Dezelfde Ritsart wordt, voordat de geile lust hem tot een ander mens maakte,
getekend als een nijver koopman. Koenraat beschrijft hem vol geestdrift bezig
in zijn negotie. Hij is zelfs nog nooit failliet gegaan. En trouwens, zou dat
wel gebeurd zijn, dan was hij na een handzame surséance-regeling zo weer
‘een man met eeren’ waarna Koenraat in één adem
doorgaat met te schelden op dergelijke valse bankroetiers: cynisme (vs.
491-524).
Wanneer vader Lambert een wandeling bij de bevroren Amstel maakt, is
hij boos op de mannen die proberen voorbijgangers wat geld af te troggelen door
eerst het ijs open te breken en er dan overtocht over aan te bieden; hijzelf
echter schept op dat hij, in samenwerking met sommige Amsterdamse reders, zeer
profijtelijk met de vijand | | | | handelt en ongehoord hoge woekerrente
berekent (vs. 2883-86 en vs. 2969-2984).
3 Als hij hoort wat zijn zoons aangericht hebben is
hij wèl ontsteld om het vele geld dat voor de Moor is betaald, maar de
verkrachting door zijn zoon doet hij met ‘sulcken luer’ (zo'n
kleinigheidje) af (vs. 3032).
De snoevende kapitein Roemert, kapitein van een kaperschip dat een
Spaans schip heeft veroverd, schept, in het Amsterdam van nà de
Alteratie, op over zijn goede relatie met de hertog van Parma (vs. 1157 en vs.
2053). Ten Brink vindt dat ongeloofwaardig: er zat wel veel gespuis onder die
geuzen, maar zó erg?
4 Ook
Zaalberg zit er een beetje mee (p. 45). Maar ook hier is gemakkelijk een
cynische interpretatie aan te dragen.
Werkelijk overal zit de dialectiek van de ondeugd en (beleden) deugd
verborgen. In één adem zegt Frederyck - behoorlijk aangeschoten -
dat hij niet bij de mannen hoort die over hun ‘beestigh drincken’
opscheppen, èn dat hij veel van een man houdt ‘die hem op den
dronck verstaat’. En zo losjesweg wordt dan hier en daar nog wat
gesproken over een omkoopbare schout (door Roemert vs. 2347-48) en knoeiende
wijnkopers (door de zelf niet brandschone Koenraat vs. 2753-58).
Zo doemt een interpretatie van
Moortje op als een zwarte comedie waarin er
niemand is die goed doet, allen uit eigenbelang handelen en ieder normbesef
verloren hebben, al kennen ze de taal van de deugd nog wel. Dat is naar mijn
gevoel ook een sluitende interpretatie voor wie het stuk met moderne
lezersconventies beschouwt. Zo'n moderne lezer zoekt naar consistentie. Met
personages die, zonder dat daar enige verklaring voor wordt gegeven, het ene
zeggen en het andere doen, kan hij slecht overweg. Een blij einde waarin een
verkrachter-syfilislijder met een onschuldig meisje trouwt, kan zij niet voor
zoete koek appreciëren. Men gaat dan op zoek naar consistentie en vindt
die in de cynische interpretatie. Ineens klopt alles: het stuk wil laten zien
hoe iedereen, of hij nu op het eerste gezicht sympathiek of onsympathiek lijkt,
een keiharde egoïst is, zijn medemensen gebruikt, en dat alles met een nog
maar nauwelijks hypocrisie te noemen sausje overgiet. De openlijk-amorelen
komen er nog het beste af. Moy-aal pretendeerde niets anders dan ze was,
hetzelfde geldt voor de parasiet Kackerlack, aanvoerder van de sekte der
Kackerlackisten, waar in feite ieder bij blijkt te behoren. De zogenaamd
sympathieken vallen door de mand: Ritsart, Writsart, Koenraat. De onschuld is
slachtoffer al wordt dat verbloemd met het cynische zogenaamd gelukkig einde
voor de arme Katrijntje.
En zo verschijnt
Bredero in het gezelschap van Albee en Freek de Jonge.
Vrolijk word je niet van Moortje, maar je kunt er wel nerveus om lachen.
Zo'n interpretatie is voor een moderne lezer ook mogelijk omdat die in de
literatuur aan cynisme, hypocrisie en immoreel gedrag voldoende gewend is, en
erin is getraind dubbelzinnig menselijk gedrag kritisch te beoordelen. De
gegeven interpretatie doet de tekst geen geweld aan. Er hoeft niet gecoupeerd
te worden, zoals dat bijvoorbeeld wel nodig was bij de recente voorstelling
door het Publiekstheater om Vondels
Adam in ballingschap tot | | | | een modern
stuk van vervreemding te maken. Zelfs het slot, waarin anders dan bij
Terentius en
Bredero's bron
Bourlier nadrukkelijk op een moraliserende intentie
gewezen wordt (‘En leer gy lacchend' Duecht’), kan zijn plaats
krijgen in de interpretatie van
Moortje als een spiegel der ondeugden.
Een heel andere vraag is echter of de gegeven interpretatie ook
geldig is voor de 17de eeuw, en dat is de vraag van de
literatuurhistoricus.
Contemporaine reacties op Moortje zijn schaars. Op een losse
notitie van
Cats na, die het blijkbaar niet op het personage Moy-aal
begrepen heeft, hebben we op het ogenblik alleen de beschikking over de
uitlatingen van de dichters uit het voorwerk.
5 Een anoniem
‘Clinkdicht aen den Leser’ ziet in het stuk ‘der hertstochten
afbeelde’ geschilderd. Met name wordt gesproken over ‘gul en
stantvaste min’, ‘eens trouwe knechte raat’, ‘eens
Hoeren loose sin (Die om het sno genot heur warsche pol oock streelde)’,
‘des malle Roemers trots’, ‘de macht van heete lust, (die
schielijck 'thert doet branden, Van die te gierigh eens het schoon ter sluyck
bespiet)’ en ‘de lichte vleyers aart’. Dit rijtje laat zien
dat de drempeldichter geen consistente, convergente interpretatie biedt, maar
een rij losse lessen releveert die min of meer ad hoc aan de personages is
gebonden. De gulle en standvastige min zal bij Ritsart horen, de raad van de
trouwe knecht zal die van Koenraat zijn - die in het eerste bedrijf wel te
verstaan. De loze zin van de hoer is die van Moy-aal - het specifieke verwijt
dat zij te horen krijgt is overigens niet juist; immers het initiatief voor de
‘oplossing’ aan het einde van het stuk is zeker niet van Moy-aal
uitgegaan en het verhaal meldt zelfs niet of ze op de fraaie ideetjes van
Roemert en Ritsart is ingegaan. De hete lust hoort bij Writsart - dat die in
feite beloond wordt, krijgt geen commentaar. De lichte vleier is uiteraard
Kackerlack. Met andere woorden: de lofdichter richt zich op de lessen die te
trekken zijn uit de hartstochten die bij bepaalde typen behoren: de meretrix,
de jeugdige minnaar (in twee gedaanten), de knecht, de parasiet. En die lessen
zijn niet aan de intrigue van het stuk te ontlenen. Daaruit zou immers blijken
dat de standvastige minnaar Ritsart om snood gewin ook wel tot delen bereid is,
dat àndere wijze lessen van Koenraat tot bedrog en verkrachting leiden,
dat hete lust beloond wordt, dat de parasiet een gouden toekomst tegemoetziet
en zelfs de malle kapitein Roemer nog een graantje geluk kan meepikken. De
lessen behoren niet bij de intrigue, maar worden ontleend aan de
uiteenzettingen die in het stuk gegeven worden. Ritsarts gulle en standvaste
min is aantoonbaar door wat hij daarvan zegt in het eerste bedrijf als hij over
zijn hartstochtelijke liefde en zijn royaliteit spreekt. De raad van de trouwe
knecht Koenraat is eveneens vervat in de lessen die hij in het eerste bedrijf
aan zijn jonge meester geeft over de liefde en tevens in wat hij in de vss.
2737-2792 te berde brengt over het hoerenleven.
Kortom, de interpretatie in dit clinck-dicht is een
retorisch-geïnspireerde interpretatie, gebaseerd op wat er gezegd wordt,
los van de context, los van wie het zegt.
Op dezelfde wijze spreken ook de andere lofdichters.
Karel Quina, Bredero's goede vriend, heeft het er
eveneens over hoe gevaarlijk voor de jeugd het roekeloos minnen is, en hoe
hoerengunst met schade en schande teloorgaat en hoe je jezelf tekort doet als
je pluimstrijkers gelooft. En nogmaals: dat leert het stuk als geheel
allerminst, inte- | | | | gendeel, dat leren alleen losse redevoeringen
eruit. De derde lofdichter die de moraal analyseert, doet al niet anders.
Behalve het ons nu al bekende rijtje voert hij ook nog als lichtend voorbeeld
op dat men kan zien ‘hoe een Vader trou zyn kint oock niet verlaet / In
't uyterst van syn noot’. Dat slaat op vader Lambert die een beetje
verkrachten maar ‘leuren’ vond en als gezeten burger onverschrokken
een bordeel ingaat om zijn zoon te redden (vs. 3033-34).
Origineel zijn de lofdichters overigens niet met de soort lessen die
ze uit
Moortje leren.
Bredero zelf was hen voorgegaan door aan het eind van de
‘Inhoudt’ een paragraaf te wijden aan de leringen die een
verstandig man aan het stuk kan ontlenen, te weten de ‘breyneloose
dulheyt der Minnaren’, de ‘vleyinghen en oorsmeeckery vanden
pluymstrijckende Kackerlack’, ‘de liefdeloose Liefde der lichter
Vrouwen, die in gheender manier te vertrouwen zijn’ en de ‘meer als
sotte vermetelheyt van den hovaerdigen en overdwaalschen Kapiteyn’
(Zaalberg, p. 122). En op zijn beurt zal Bredero dat mogelijk ontleend hebben
aan de eerste Nederlandse vertaler van
Terentius,
Cornelis van Ghistele, die op zijn titelpagina liet
afdrukken
Der glorieuser sotten arm hoouerdye
Der loeftuyters onaerdighe pluymstrijckerye
Der benauder minnaers ialoursye
Der onbehoorlijcker liefden rasernye
En der hoeren treken, die menighen hoonen
Sal u Eunuchus opelijc bethoonen.
6
Nog interessanter in dit verband is echter de werkwijze van
J. Bourlier in zijn Franse vertaling van Terentius'
stuk,
L'Eunuque, Bredero's voornaamste bron.
7 Deze gaf, zoals ik uit Zaalbergs inleiding heb
geleerd (p. 41-42), behalve een ‘argument’ voor iedere scène
ook een ‘exposition morale’ na de scènes, waarin de leerzame
conclusies zijn vervat die de lezer/toeschouwer steeds moet trekken. Nadere
bestudering van die uiteenzettingen leert het volgende. Zoals te verwachten is
bij een dergelijke, per scène aangeboden lering, is die broksgewijs en
niet altijd consequent. In het ‘Argument’ voor I,1 wordt gesproken
van een ‘Exposition (…) d'un serviteur bon conseiller et fidelle
comme celuy qui bien enseigne’. We herkennen ‘eens trouwe knechte
raat’ van de drempeldichter. Maar in de ‘Exposition morale’
na II,3 (de scène waarin Koenraat advies geeft aan Writsart i.v.m. de
verovering van Katrijntje) wordt als derde les genoemd: ‘Un serviteur est
maintenant fidelle, maintenant mauvais conseiller’. Ook hier geldt dus:
er wordt niet een consistent personage Koenraat/Parmenio aangeboden, maar een
type ‘knecht’ waarmee men verschillende kanten uitkan. Dat klemt te
meer wanneer men overweegt dat in het ‘Argument’ vóór
dezelfde scène de ‘moeurs aspres, temeraires, ardentes et
inconsiderées’ van Cherea/Writsart worden gecontrasteerd met de
[moeurs] ‘bonnes et timides’ van de (immers enigszins
aarzelende en bange) knecht. Tenslotte nog een heel sterk voorbeeld van een
losse les: wanneer Thais | | | | (de courtisane) de verkrachter Cherea
ontmoet voegt ze hem toe: Cherea, je hebt niet fatsoenlijk gehandeld, want
zelfs als ik een dergelijk schandelijk gedrag waardig zou zijn, dan was het
niet aan jou om het me aan te doen (‘car iaçoit que ie sois bien
grandement digne d'un tel outrage, toutes fois il n'appartenoit pas à
vous de le faire’). Koeltjes luidt les drie van de ‘Exposition
morale’: La Putain est digne de beaucoup d'iniures.
Het is waarschijnlijk niet toevallig dat zowel
‘Argument’ vóór, als ‘Exposition morale’
nà de laatste scène van het laatste bedrijf ontbreken. Van deze
goede afloop kan zelfs Bourlier niets meer maken, en dat wil eigenlijk zeggen:
uit de intrigue als geheel valt geen moraal te trekken. Maar evident doet dit
laatste niets af aan het leerzame karakter van dit zo waardevolle stuk. De
auteurs geven derhalve een ‘retorische’ interpretatie aan,
berustend op talige gegevens en passend bij de diverse typen van
de personages, en de lezers nemen die aanwijzingen over.
Bredero's
Moortje is zeker niet uitzonderlijk in dit
opzicht. Het hier geschetste procédé is niet exclusief in de
comedie aanwezig en ook niet exclusief door
Bredero gehanteerd. Vergelijkbare interpretatieproblemen
doen zich voor in het werk van Bredero's dichtervriend en bondgenoot
Samuel Coster. In diens treurspel
Polyxena bijvoorbeeld treedt een koning op die
een hem toevertrouwde zoon van een naburige vorst - die onlangs een nederlaag
had geleden - vermoordt om daarmee de nieuwe grootmacht ter wille te zijn. In
dezelfde claus als die waarin hij tot dat besluit komt, houdt hij ook een heel
vertoog over de zegeningen van de vrede, het leed dat onderdanen wordt
aangedaan door woest soldatenoptreden, het feit dat onderdanen zo vaak het
slachtoffer zijn van twistzieke vorsten. Een modern interpreet kan dit bijna
niet anders dan als hypocrisie ervaren. Toch is het wel degelijk Costers
bedoeling dat het publiek lering trekt uit de lessen van de koning die ad hoc
als het type van de wijze vorst fungeert - afgezien van zijn laaghartig
optreden kort daarop. In hetzelfde drama treedt ook een bedriegelijke priester
op. Maar de passage waarin deze betoogt dat de mens in waardigheid het dier ver
overtreft door zijn redelijk verstand en betreurt dat er mensen zijn die door
kwade gewoonte de lessen van de goede natuur niet volgen, is geheel in
overeenstemming met Costers eigen denkbeelden en is als zodanig een
behartigenswaardige les.
8
Ook in de ernstige spelen van Bredero vindt men het verschijnsel
steeds weer terug. In
Griane is het bijvoorbeeld vast te stellen in de
reacties van de rei. Als men die mag opvatten als denkbare of zelfs ideale
publieksreacties, demonstreren ze treffend het blijkbaar verwachte ad
hoc-karakter van de reacties van de toehoorders. Griane zit in de gevangenis en
verwacht het kind van haar beminde Florendus, die ze echter niet mag trouwen
omdat haar vader, de keizer, haar aan een ander heeft beloofd. In de gevangenis
krijgt ze een visioen dat haar treft als Gods oordeel over haar weerspannigheid
te- | | | | gen haar ouders. Ze besluit met de voor haar gekozen man te
trouwen en laat het kind te vondeling leggen. Het choor geeft een lange
uiteenzetting over valse eergevoelens en past dat toe op Griane
O ghy stiefmoeder quaat, bastaart van medelyen
Er wordt dus ad hoc gereageerd op een situatie: namelijk die van een
moeder die haar kind afstaat. Direct daarop begint het volgende bedrijf met een
lang verhaal over het leed van Griane over het afstaan van het kind. De
sympathieke verteller van dit verhaal zal aan het publiek, dat zojuist Griane's
optreden als wreed en slecht heeft afgekeurd, nu een gevoel van medelijden
ontlokken.
En ook anderszins veranderen de visies op de gebeurtenissen
voortdurend. De ene keer krijgt het publiek de treffende sententie te horen
Die raat van ouders volght, die doet oprecht en wel
en wordt de indruk gewekt dat Griane met haar verzet op de verkeerde
weg is. Maar als ze gehoorzaamt en met Tarisius trouwt, heet ze een trouweloze
vrouw die haar trouwe vriend Florendus op een valse manier heeft behandeld.
Alles strijdt met het slot waarin Griane en Florendus elkaar krijgen door
toedoen van de te vondeling gelegde zoon waarmee ontrouw, liefdeloosheid etc.
weer beloond worden. Het heeft mijns inziens bij deze stukken geen zin om naar
een consistente auteursvisie te vragen of van het publiek een consistente
reactie te verwachten.
De enige eis die gesteld wordt wat betreft de waarschijnlijkheid van
de personages is dat ze - zoals door
Horatius voorgeschreven - binnen hun type blijven. De
keizer is een machthebber, wijs, gehoorzaamheid afdwingend. Griane is een
vrouw, liefhebbend met de plicht tot gehoorzaamheid. Om de beurt wordt aan het
ene of het andere facet van het type aandacht gegeven, maar naar een consistent
karakter wordt niet gestreefd.
Mijn laatste voorbeeld ontleen ik aan Bredero's
Stommen ridder. De afloop, dat de christenridder
Palmerijn trouwt met de sultansdochter, heeft al vaker tot het verwijt geleid
van onwaarschijnlijkheid. In elk geval is er een morele inconsequentie. In vs.
626-30 had Palmerijn met veel overtuiging beweerd dat hij in dit heidense land
met volle overtuiging zijn christelijke identiteit zal handhaven. Aan het eind
- en er is heus niet vergeten dat het om een mohammedaans land gaat: de keizer
roept Mohammed aan - wordt over deze christelijke kant van de zaak met geen
woord meer gerept. Alweer: in de eerste situatie kan het publiek van harte
instemmen met Palmerijns christelijke gevoelens. Aan het eind zal het al
evenzeer tevreden zijn geweest met de happy ending. De consistentie zit in het
type christen-ridder: nu eens is het christelijke dominant, dan weer het
ridderlijke. Met dat laatste heeft hij dan zijn prinses terecht gewonnen. Zo is
het dunkt me ook met andere passages uit het drama. Nog één
voorbeeld. Twee prinsessen houden een lang discours (vs. 658-762) over de
kracht van de liefde en de neiging tot het schone, in de toen modieuze,
platoniserende toonzetting. Juist het feit dat die uiteenzetting wordt gevolgd
door een parodiërende lof van de lelijkheid maakt duidelijk dat de lessen
van de dames serieus genomen moesten worden, en door het publiek als waardevol
zullen zijn ervaren. Maar evenzeer zal het publiek wat verderop met het
‘choor’ hebben ingestemd toen dat de christenridder zag als een | | | | held die tegen de wereldse lusten van de liefde had te strijden. Het
ene is waar, het andere niet minder: het hangt van de directe context af.
9
Terug naar
Moortje. Men kan de vraag stellen hoe het komt
dat de morele inconsistenties in Moortje zo de aandacht trekken, terwijl
over
Terentius'
Eunuchus lang niet zoveel problemen zijn gemaakt.
Een antwoord op die vraag wordt soms gezocht in het feit dat
Bredero de handeling van Athene naar Amsterdam verplaatst
heeft, en dat allerlei situaties die in de context van de sociale situatie in
Athene nog wel enigszins begrijpelijk zouden wezen, in het
Amsterdam van de 17de eeuw volstrekt onaanvaardbaar zijn.
10 Die factor
zal inderdaad een rol spelen: morele verontwaardiging wordt minder gauw
opgewekt door iets dat zich ver van hier en heden afspeelt, dan door iets uit
de eigen omgeving en bijna in de eigen tijd. Maar ik geloof dat een andere
factor van groter belang is.
Zaalberg heeft er in zijn inleiding meer dan eens op gewezen hoezeer
Bredero's bewerking van de Eunuchus een sterk amplificerend karakter
heeft (p. 51-55, 63). Voor het probleem dat hier aan de orde is, heeft dat
duidelijke gevolgen gehad. De typen die bij Terentius voorkwamen, heeft Bredero
gehandhaafd, maar ze zijn bij hem wel veel meer ingevuld. Chaerea, het
prototype van Writsart, is bij Terentius een onbesuisde jongen die zonder
nadenken zijn kansen grijpt. Maar nergens in Terentius' stuk wordt over hem
verteld dat hij een hoerenloper is, en een syfilislijder. Evenmin wordt verteld
dat hij de gewoonte had Koenraat om te kopen met bezit van zijn vader, en bij
Terentius geeft hij ook geen beschouwingen weg over de verkeerdheid van het
hoerenleven.
11
Wat Ritsart betreft, de uiteenzetting van Koenraat over diens
ijverig koopmansleven vroeger en zijn eventuele slimheid om aan een eerloos
bankroet te ontkomen, ontbreekt bij Terentius totaal. Bredero is derhalve op
weg om van de typen herkenbare personen te maken; alleen is hij er nog niet in
geslaagd die personages zó te creëren dat ze tegelijk de hun
toegedachte functie in het toneelstuk probleemloos kunnen ver- | | | | vullen en evenmin is het hem al gelukt ze uitspraken in de mond te leggen
die in de gegeven context bij hen passen.
12
Dat is een constatering achteraf. En een formulering als:
‘Bredero is er nog niet in geslaagd’ moet ook geen
misverstand wekken. Ik wil er niet mee zeggen: hij kon niet beter, maar eerder:
hij hoefde niet meer.
Hij had een grote stap vooruitgedaan. Wat hij, eerst in zijn
kluchten, toen in de komische intermezzo's van zijn treurspelen en nu in een
volledige comedie op het toneel had gezet, was iets buitengewoons: mensen die
in een zeer herkenbare omgeving, een gedetailleerd getekend
Amsterdam, zeer herkenbare ‘gewone’ mensen zijn, met
hun herkenbare besognes, hun herkenbare ontspanning, passend in de wereld van
het publiek. Men heeft het prachtig gevonden: blijkens Costers verdediging van
de dichter zorgde zijn werk voor een grote toeloop en hoge inkomsten.
13 Bredero moet geweten hebben dat dit
werk hem lag, en na de kortere pogingen in de kluchten en intermezzo's naar een
weg gezocht hebben om deze specialiteit van hem verder te exploiteren. Die weg
heeft hij gevonden, het lag voor de hand in zijn tijd, in de imitatie van een
antieke comedie. Bij zijn volgend stuk, de
Spaanschen Brabander, wilde hij hetzelfde, maar
vond hij een andere weg. Anders dan Zaalberg geloof ik niet zozeer dat de keuze
voor
Terentius'
Eunuchus veel te maken heeft gehad met Bredero's
meegesleept worden door het geloof in het voorbeeldige van de Klassieke
Oudheid.
14 Wat hij deed was, met bruikbaar materiaal als
uitgangspunt, personages en situaties uitbouwen, met een nieuw en geniaal
begrip ervoor dat het voor mensen leuk en boeiend is naar soortgenoten te
kijken.
Misschien is een vergelijking met de beeldende kunst verhelderend.
E.H. Gombrich heeft meer dan eens de stelling geponeerd dat het bereiken van
natuurgetrouw- | | | | heid in schilder- en beeldhouwkunst een
Popperiaans veroveringsproces is geweest, gekenmerkt door trial and error, door
schema plus correctie.
15 Zo is ook
natuurgetrouwe literatuur over gewone mensen, anders dan men naïef zou
denken - want wat lijkt gemakkelijker dan zo maar vertellen wat je om je heen
ziet -, pas aan het einde van een lang ontwikkelingsproces bereikt.
Het schema dat
Bredero van
Terentius kon overnemen, was dat van een komisch stuk
dat zich in een nauwelijks uitgewerkte stad afspeelde tussen conventionele
personages. Het was een uiterst belangwekkende correctie van Bredero dat hij
van die typen ingevulde mensen maakte en ‘een stad’ ombouwde tot
Amsterdam. Die vernieuwing bracht ‘error’ met zich
mee: ethische inconsistenties tussen personages en intrigue. Die
‘error’ ontstond o.a. doordat er een andere conventie was waaraan
de dichter moest voldoen, namelijk dat toneel leerzaam moest zijn. Daaraan
voldeed hij, op de toen gebruikelijke wijze, door de personages leerzame dingen
te laten zeggen. Bij Bredero zeggen ze veel meer leerzaams dan bij Terentius.
16
Het publiek kreeg wat het steeds al hebben wou: moraal. Het kreeg
ook de door Bredero gebrachte vernieuwing die zo was aangeslagen:
herkenbaarheid van medestadsbewoners in het contemporaine Amsterdam. En met die
combinatie was het publiek gelukkig: Bredero's werk had succes.
Men mag een vernieuwer niet verwijten dat hij niet met
één reuzenstap de hele weg aflegt. Giotto wordt bewonderd omdat
hij erin is geslaagd figuren in een ruimte op te stellen en men verwijt hem
niet dat hij niet tegelijk ook het perspectief heeft uitgevonden, zoals ook
zijn opdrachtgevers eenvoudig nog niet konden zien hoe een eeuw later
schilderijen met perspectiefwerking nog een veel natuurgetrouwer effect zouden
weten te bereiken.
De ‘error’ van een bepaalde inconsequentie in
Moortje is althans door één
tijdgenoot al snel ingezien en gecorrigeerd. In Hoofts
Warenar komt ook een verkrachting voor die op een
huwelijk uitloopt, maar in dat stuk wordt min of meer gesuggereerd dat het
meisje niet al te afkerig van haar overweldiger was; de jongen krijgt flink op
zijn kop en pas dan komt alles goed.
Het zou een interessant en belangrijk onderzoek zijn na te gaan hoe
het proces van consequente karakterisering van toneelpersonages in de 17de eeuw
is verlopen. Sporen van inconsequentie blijven nog lang zichtbaar en zelfs bij
een klassicistisch achttiende-eeuws auteur als
Huydecoper - die over het probleem van de
karakterisering van personages heeft nagedacht - is nog te zien hoe moeilijk de
opbouw van consistente figuren voor hem was.
17
|
*n.a.v.
G.A. Bredero's Moortje Waar in hy Terentii Eunuchum heeft
Nae-ghevolght. Ingeleid en toegelicht door P. Minderaa en C.A.
Zaalberg met medewerking van B.C. Damsteegt. Martinus Nijhoff, Leiden 1984. 404
blz. Prijs: f 69,50.
1J. ten Brink,
Gerbrand Adriaensen Brederoô.
Historiesch-aesthetische studie van het Nederlandsche blijspel der zeventiende
eeuw. Rotterdam 1871 2, verwoordt op p. 399 niet alleen
zijn eigen bezwaren tegen dat slot maar citeert ook uitvoerig Mme Dacier die
dat maar ‘une chose très-vicieuse’ vond, ‘n'en
déplaise à Térence ou à Menandre’.
2Recent gesignaleerd door A.N. Paasman,
Reinhart: Nederlandse literatuur en slavernij ten tijde
van de verlichting, Leiden 1984, p. 116; cf. Zaalberg p. 47.
3Zaalberg: ‘Ironie was Bredero niet
vreemd’ (p. 48).
4J. ten Brink a.w. p. 407.
6Ik citeer naar noot 1 op p. 401 in Ten
Brink a.w.
7Me vriendelijk ter beschikking gesteld door
prof.dr. C.A. Zaalberg.
8Vergelijk mijn opmerkingen daarover in een
recensie van de editie van dat stuk door G. van Eemeren in TNTL 96,
1981. p. 316-17.
9Met het oog op het voorafgaande sta ik - met
alle bewondering - toch sceptisch tegenover totaal-interpretaties van Bredero's
toneelstukken zoals gegeven door F. Veenstra in de inleiding van zijn editie
van
Griane (Culemborg 1973) en door S.F. Witstein
in haar studie over
Stommen ridder in Ntg 67, 1974. p.
439-448. Beide auteurs moeten om tot een consistente interpretatie te komen
nogal wat oneffenheden onbesproken laten. Dat laat onverlet dat, minder
consistent, wel degelijk veel van de door hen besproken lering in de stukken te
vinden is.
10Ten Brink a.w. p. 394-400.
11Cf. ook Zaalberg p. 62-64.
12Vanuit dit perspectief valt het me dan ook
moeilijk volledig in te stemmen met Zaalbergs sympathieke beschouwing van
Moy-aal, een vrouw die ontzag verdient (p. 60), ja zelfs een vrouw van wie we
geneigd zijn te houden (p. 62). Met zo'n sympathiserende visie op een als
consistente persoonlijkheid beschouwde vrouw komt Zaalberg in de problemen bij
de moraal. ‘Bredero zal zich toch niet in ernst verbeeld hebben dat hij
in haar “de liefdeloose Liefde der lichter Vrouwen” vertoond had,
“die in gheender manieren te vertrouwen zijn”?’ Ik denk het
toch wel, net zoals ook
Bourlier en
Van Ghistele (‘der hoeren treken’) dat
gedaan hebben. Ook Moy-aal is een type waarmee een auteur verschillende kanten
uit kan. Als type hoer is ze inhalig, bedrieglijk (en ik denk dat Zaalberg de
hoeren-kant wat onderbelicht), als zakenvrouw alert en gewiekst, als jonge
vrouw (een beetje) verliefd. Maar dominant is het type meretrix en daaraan
wordt de moraal opgehangen.
13Afgedrukt in
Memoriaal van Bredero, samengesteld door G.
Stuiveling. Culemborg 1975. p. 155.
14Zaalberg p. 89. Liever de formulering zoals
op p. 15: ‘zijn riskant doel is, aan de hand van de plot van een
Terentiuskomedie zijn eigen Amsterdamse wereldje in de spiegel van het blijspel
te tonen’.
15Cf. Art and illusion. A study in the
psychology of pictorial representation, 1960 (in het Nederlands vertaald
als
Kunst en Illusie; de psychologie van het beeldend
weergeven. Zeist-Antwerpen 1964). The image and the eye. Further
studies in the psychology of pictorial representation. Oxford 1982. spec.
‘Visual discovery through art’ p. 11-39, Tributes. Interpreters
of our cultural tradition. Oxford 1984. p. 15.
16Zaalberg (p. 49) wijst erop dat vrijwel
alle passages waarin Bredero op specifieke zaken kritiek laat spuien,
toevoegingen aan de oorspronkelijke tekst zijn.
17Zie Huydecopers bespreking van zijn
personages in de ‘Voorrede’ voor Arzases, ed. M.A.
Schenkeveld-van der Dussen, 's-Gravenhage 1982. p. 43-51, plus de bespreking
ervan p. 6-11.
|
|