[p. 4]
Luistervinken deugen niet.
Foei, Klein Duimpje! 't is niet aardig,
Dat ge stil uw bed verlaat,
Om te luistren, wat uw vader
Hier bij 't vuur met moeder praat;
Zoo zij 't een van beiden wisten,
Wachtte u zeker zware straf,
Want met knaapjes zoo nieuwsgierig,
Loopt het meestal zeer slecht af;
Kijk, ge moest u waarlijk schamen
En zijt waardig dat men 't ziet;
Want mijn pa-tje zeî nog gistren:
‘Luistervinken deugen niet!’
[p. 5]