terug  begin  verder
[p. 10]

Het spinnewiel.

 
'k Wil het spinnen nimmer leeren,
 
'k Mogt mij eens aan 't wiel bezeeren,
 
Als de jeugdige prinses,
 
Die, zoodra het wiel haar raakte,
 
In geen honderd jaar ontwaakte,
 
Door de magt der tooveres.
 
Zulk een slaap zou mij niet lijken;
 
't Is geen kleinigheid, o neen!
 
Honderd jaren achtereen
 
Slapen, zonder op te kijken;
 
'k Spring veel liever vlug uit 't bed;
 
't Lange slapen geeft geen pret.
[p. 11]



illustratie

terug  begin  verder