[p. 12]
[p. 13]
De slimme kat.
Ziet ge daar die kat wel staan,
Met twee hooge laarzen aan?
Stout dorst zij haar meester raden,
In dit water zich te baden,
Als de koning herwaarts rijdt,
En o, zie, hoe zij zich kwijt.
‘Helpt,’ zoo roept ze, ‘helpt toch ras
Den Markies van Carabas,
Zorgt dat hij naar huis kan keeren,’
‘Brengt hem spoedig nieuwe kleêren!
Neen, gewis - een slimmer beest
Is er zeker nooit geweest.