[p. 14]
[p. 15]
Een nedrig kind
ziet zich bemind.
Ziet, hoe net het glazen muiltje
Past aan Asschepoetsters voet;
't Scheelt geen duimpje, ja geen haartje,
Zoo als elk erkennen moet.
O, nu zal ze ras prinses zijn!
Kijk, dat maakt me waarlijk blij;
Want geen meisje vindt men ergens
Dat zoo nedrig is als zij.
'k Wensch thans aan haar trotsche zusters,
(Want die zijn het dubbel waard,)
Voortaan Asschepoetsters plaats toe
In het hoekje van den haard.