Na Woensdag te half vijf te zijn aangekomen en officieel met Indisch decorum te zijn ontvangen, thans twee werkdagen achter den rug, waarin drie vergaderingen van de commissie-generaal plaatsvonden.
Mag ik als den eersten indruk de sterke bevestiging geven van al mijn Indische ervaring, nl. dat de denkwijze in Nederland en die in Indië hopeloos verschillend is. Meet ik de practijk van deze twee dagen af aan den inhoud zoowel van de instructie1. als aan die van de discussies rondom het wetsontwerp2., dan zijn wij reeds thans zeer ver afgedwaald en is voor de zooveelste maal het bewijs geleverd welk een hopelooze en misschien hulpelooze formalisten de Nederlanders eigenlijk zijn. Kijkend naar de wijze, waarop wij de gesprekken voeren, geloof ik voor de historie de commissie-generaal voor de grootste belachelijkheid gespaard te hebben door uit de instructie het voorschrift weg te nemen voor de wijze, waarop wij ons aan de tafel hebben neer te zetten.
Dit is trouwens slechts de buitenkant. Ik heb sterk den indruk, dat wij, voor het geweld van de feiten geplaatst, vanzelf tot zeer radicale beslissingen zullen moeten komen. Beslissingen, die mij persoonlijk echter buitengewoon weinig moeite kosten, omdat ik een onverwoestbaar vertrouwen heb in de juistheid van hun strekking. Ik weet dat de grootste verguizing door een deel van het volk ons, en in het bijzonder mij, te beurt zal vallen. Ik ben echter vast besloten hiervoor geen millimeter op zij te gaan.
Gisteren is in de tweede vergadering het direct om het kernprobleem gegaan: het recht op afscheiding. Hierbij bleek duidelijk, dat er tusschen Van Poll en mij een theoretisch verschil is te construeeren, omdat Van Poll niet het theoretisch recht tot afscheiding van een willekeurig deel uit een gegeven staatsverband kan aanvaarden.
Indien hij echter meent na een bepaald aantal jaren op een concreten toestand te kunnen aansturen en dan den Indonesiërs de ruimte laat om over hun eigen lot te beschikken, daarbij dan verder zegt dat, indien tegen zijn verwachtingen in de Indonesiërs afscheiding wenschen, hij onder geen omstandigheid dit volk met wapengeweld daarvan wenscht terug te houden, dan wil het mij voorkomen dat wij practisch toch in ieder geval vrij dicht bij elkaar staan en er op dezen grondslag een mogelijkheid voor een gemeenschappelijke practische politiek aanwezig moet zijn. Zelf begin ik hoe langer hoe meer te voelen voor een gemeenschappelijk orgaan, dat continu de gemeenschappelijke problemen van beide landen zal behandelen en dus bij voortduring de relatie tusschen deze beide landen vlottend houdt.
De grootste verrassing leverde vanmorgen het verslag van het gezelschap, dat de afgeloopen week Djokja bezocht1.. De optimistische kijk, die Goedhart op de republiek had en die vrijwel ongeloofwaardig klonk en op het congres van de Partij van den Arbeid2.
eigenlijk niet werd aanvaard, vond hier op volkomen deskundige wijze bevestiging. De deskundigheid en gevarieerdheid van het gezelschap versterkte den indruk van dit reisverslag. Van een man als Honig, die zeker geen medestander van Van Mook mag heeten, een uiterst gunstig verslag over de industrieele activiteit van de republiek te hooren, is voor mij een feit van groote politieke beteekenis. Ik heb aangedrongen op het samenstellen van een uitvoerig rapport over deze reis. Ik beschouw dit rapport, dat onderteekend dient te worden door de zes heeren, als een contra-memorie op het rapport der commissie-Van Poll1.. De Indonesiërs zijn zich bewust van hun mogelijkheden, zij hebben plaatsen bezet, die zij niet vrijwillig meer te onzen bate zullen afstaan. De sociale aanpassing van het Indonesische en Nederlandsche element na een eventueel accoord zal de grootste practische moeilijkheid in de toekomst van hun samenwerking zijn. In een sigarenfabriek, die goed draait, vraagt men niet de zegen terug van de Nederlandsche bedrijfsleiders.
De reactie van De Boer op dit verslag was uiterst spontaan en hij aanvaardde de consequenties, die hieruit voor de toekomst voortvloeien, volledig. Toen hij echter vanmiddag met het voorstel kwam om met z'n drieën te trachten tot een concreet voorstel te geraken, dat aan de republiek zou kunnen worden voorgelegd, heb ik dit als te vroegtijdig afgewezen. Het komt mij voor dat het onjuist zou zijn den heer Van Poll, terwijl hij zich midden in een ontwikkelingsproces bevindt, thans te dwingen tot formuleeringen, die hij, op grond van deze ontwikkeling, zeer waarschijnlijk later anders zou stellen en waarvan het inslikken slechts moeilijkheden oplevert. Het is uit dit rapport duidelijk, dat de republiek in het gevoel van het Javaansche volk leeft en niet meer doodgemaakt kan worden zonder enormen terugslag, die waarschijnlijk noch Indonesië, noch Nederland, behoorlijk kan doorstaan zonder levensgevaarlijke schade op te loopen.
Vanmorgen had ik een particulier gesprek met Van Mook over de politieke situatie in Nederland, waarin ik de samenstelling van de commissie-generaal en de geschiedenis er van heb verteld. Dit gesprek draaide vrijwel volledig uit op een klacht betreffende de weinige ondersteuning, die hij van de regeering in Nederland tot heden genoot. Hoewel ik den indruk heb, dat hij door de komst van de commissie-generaal er toch misschien beter aan toe is dan tot heden toe, maakte hij opnieuw den indruk van een door het verleden verbitterd mensch, die wel bereid is om te trachten nog aan het eerste accoord mee te werken, maar die er dan verder schoon genoeg van heeft. De Hetze tegen hem, ook hier in Batavia, schijnt hem toch te hebben aangegrepen.
Vanavond een door den heer Abdulkadir gearrangeerde visite van Soedarsono, die den wensch te kennen had gegeven mij te bezoeken. Volgens Van Mook was dit de eerste keer, dat een republikeinsch minister het paleis1. bezocht. Op zichzelf vind ik dit een goede uitwerking van de komst van de commissie-generaal. Ik vond den man merkwaardig veranderd sedert de Hooge Veluwe2.. Daar had hij een verbeten trek en vanavond vond ik een openhartig en vriendschappelijk man terug, met een zelfbewustheid, die hem een natuurlijke houding tegenover ons beiden verschafte. Het was duidelijk, dat ook hij graag een regeling wenscht niet alleen, maar er vast op rekent dat deze thans voor elkaar komt. Wij voerden nog een gesprek over twee practische punten: nl. de onderhandelingen over het staken der vijandelijkheden, waarbij de republiek roet in het eten gooide door politieke eischen aan de voorwaarden te verbinden. Wij hebben hem duidelijk gemaakt, dat dit een slecht systeem was, en werk, dat aan de commissie-generaal is voorbehouden, in handen brengt van de militairen. Verder hebben wij hem duidelijk gemaakt, dat de verwisseling van de Engelschen door een Nederlandsche divisie geen versterking, doch hoogstens een verzwakking van onze militaire positie beteekent en als zoodanig dus nooit door hen mag worden afgewezen. Het tweede punt was de samenstelling van de delegatie, die straks op de eerste vergadering onder voorzitterschap van Lord Killearn3. de republiek zal vertegenwoordigen. Het bleek
ons, dat zoowel Soekarno als Hatta en Sjahrir er aanwezig zullen zijn. Tegenover de commissie-generaal plaatst de republiek dus alle hoogste gezagdragers.
Het is duidelijk, dat de aanwezigheid van Soekarno opnieuw groote moeilijkheden zal opleveren. Zoowel Van Mook als ik zijn echter niet van plan om hiervoor uit den weg te gaan. De reis naar Djokja1. heeft overduidelijk bewezen hoe groot de invloed van Soekarno is. Wij kunnen dezen man onmogelijk misloopen, tenzij wij in het geheel geen accoord wenschen. Morgenochtend op de vierde vergadering zal ik dit punt ter sprake brengen en wij zullen Den Haag moeten voorbereiden. Het is de vraag of Jonkman daarbij tijd krijgt om de Kamer nog in comité-generaal voor te lichten. De eerste bespreking zal waarschijnlijk Woensdag kunnen plaatsvinden. Het reisrapport van Djokja en Malang kan misschien bijdragen tot het overwinnen van de moeilijkheden, d.w.z. tot het bijbrengen van het inzicht in Den Haag, dat wij over Soekarno geen spektakel meer kunnen maken.
Ik heb gisteren medelijden gehad met den heer Van Poll. In het gesprek met Soedarsono was nl. gebleken, dat de republikeinsche delegatie waarschijnlijk Soekarno als hoofd zal hebben. Het probleem Soekarno komt dus oogenblikkelijk aan de orde en in de vergadering van de commissie-generaal van gistermorgen is dit probleem dan ook uitvoerig behandeld. Van Poll was bang, dat dit aanleiding zou geven tot repercussies in Nederland en dat hij weliswaar het vertrouwen had van de K.V.P., maar dit zou verliezen, indien hij te ver ging. Wel meende hij dat, indien eenmaal aanvaardbare resultaten zouden zijn bereikt, er geen sprake van kon zijn, dat dan de zaak zou moeten afspringen op het al of niet aanvaarden van Soekarno. Wij hebben echter, zooals uit de notulen blijkt, zooveel argumenten tegen het afwijzen van Soekarno aangevoerd, mede met hulp van Abdulkadir en Idenburg, waarbij ook het internationale aspect nogal zwaar woog, dat hij er ten slotte mede heeft ingestemd een telegram aan de regeering2. te zenden, waarin uit den aard der zaak de wenschelijkheid
om hem niet te ontmoeten slechts summier is opgenomen, terwijl de voordeelen van de aanvaarding breed zijn uitgemeten. Dit telegram maakt op mij den indruk dat de commissie-generaal, d.w.z. inclusief Van Poll, voorstelt om Soekarno te aanvaarden. De verantwoordedelijkheid ligt nu bij het Kabinet, maar de meening van de commissie-generaal is volmaakt duidelijk.
Gisteravond cocktail-party te onzer eere op het paleis Rijswijk, waar nogal wat menschen uit de ondernemerswereld waren. Een vrij bont gezelschap, maar de gesprekken hadden voor mij door hun oppervlakkigheid niet veel beteekenis. Om half 9 diner in het paleis met de Engelsche autoriteiten ter eere van Lord Killearn. Na afloop van het diner voerde Lord Killearn een gesprek met Van Mook en ondergeteekende over de te volgen procedure. Hij heeft van de republiek nog geen antwoord. Lord Killearn toonde begrip voor onze situatie, maar gaat, zoals ieder Engelschman, van de noodzakelijkheid van een overeenkomst uit, omdat hij geen hanteerbaar alternatief ziet. Op dat punt heeft hij in het gesprek zeker wel drie keer gewezen. Lord Killearn zendt vandaag een brief naar Djokja, waarin hij de republiek herinnert aan de toezegging, dat bij de wapenstilstandsbesprekingen van het aanvoeren van Nederlandsche troepen geen kwestie zal worden gemaakt. Hij wil de heeren daaraan binden.
Vandaag, Zondag, het eerste vreemde persavontuur. Associated Press heeft een persgesprek gehad met Soedarsono, die verklaard zou hebben, dat de commissie-generaal zich in een informeel gesprek bereid zou hebben verklaard tot de-factoerkenning van de republiek voor Java en Sumatra. Dit is volkomen nonsens. Het eenige punt, dat ik in dit opzicht heb aangeroerd, is de stand van zaken op de Hooge Veluwe, waarbij ik mijn spijt tot uitdrukking heb gebracht, dat bij de betrekkelijk geringe verschillen, welke er toen tusschen ons bestonden, de republiek deze onderhandelingen later eenvoudig heeft genegeerd. Ik heb hem gezegd, dat wij het toen over Java eens waren en dat ik er op had gerekend, dat er uit democratisch oogpunt over Sumatra nog een verdere discussie zou hebben plaats gevonden. Dit is al hetgeen over Java en Sumatra in dit gesprek te berde is gebracht en van een stellingname van de commissie-generaal op dit oogenblik is in het heele gesprek geen sprake geweest. Het gevolg van een en ander is echter, dat United Press ook nijdig is, omdat zij niets weten en waarschijnlijk de rest van de heeren ook loopt te briesen. Sanders had volgens United Press aan Aneta een ontkenning gegeven, terwijl hij onder het motto, dat hij nergens van af wist, aan United Press
geen nadere inlichtingen had willen geven. De correspondent van United Press1. behoort intusschen tot het heel kwalijke soort journalisten en, wanneer deze man onbeschoft blijft, voel ik er op zijn minst voor aan zijn directie een klacht te zenden. Intusschen is er vanavond een officieel dementi uitgegaan, waarin de inhoud van het gesprek, zooals het wel is gevoerd, is weergegeven. Intusschen zal de commissie-generaal zich een spokesman dienen aan te meten, die ons het journaille van het lijf houdt en toch tegelijk voorkomt, dat er al te groote onzin wordt geschreven alleen om news te kunnen presenteeren. Of heeft Soedarsono hier een klein vuil spelletje willen spelen door te trachten de onderhandelingen in te leiden via de wereldpers, welke houding ik hem straks stellig onder de neus zal houden. In verband met deze rel is het duidelijk, dat het plan van de procedurecommissie2. om straks gemeenschappelijke persconferenties te doen geven, door ons en door de republikeinen, zeker aanbeveling verdient. Dan vermijdt men in ieder geval elke discussie via de pers. Intusschen maakte Van Poll zich, niet heelemaal ten onrechte, over deze grap ook al weer eenigszins ongerust en verwachtte hij verwijten uit Holland, op grond van het collegiale karakter der commissie.
Eenige deining verwekte het Aneta-bericht dat, volgens een publicatie in De Tijd3., Prof. Romme naar Indië zou gaan. Wij hebben gekscherend gevraagd of dit het eerste lid is van de commissie van toezicht op de commissie-generaal. Ik heb onomwonden gezegd, dat ik dit tegenover Van Poll een vrij ellendig gebaar vind. De wereld kan hieruit niets anders lezen dan dat Romme de zaak toch eigenlijk niet aan Van Poll in zijn eentje toevertrouwt. Van Poll vindt het kennelijk ook niet erg aardig. Hij nam aan dat het verband hield met het feit, dat mijn voorzitterschap door de Katholieken was aanvaard op een oogenblik, dat Romme nog in Engeland zat. Hij zou dit dus achteraf hebben ontdekt en misschien zou deze reis daarmede verband houden. Ik kan mij dat nog niet voorstellen, want hij kan er toch niets aan doen: ik ben nu eenmaal bij K.B. benoemd. Bovendien zijn de besprekingen in de commissie-generaal geheim en heeft Van Poll dus niet eens de kans om Romme volledig in te lichten. Hij rekent daar natuurlijk wel op, maar ik zal zoo vrij zijn den heer Van Poll op dit punt van de instructie4. duidelijk opmerkzaam te maken. Het kan
natuurlijk ook zijn, dat, nu er geen sterveling meer in de Katholieke fractie zit, die van Indië eenig benul heeft, Romme hier komt om dat benul op te doen, voor zoover dat op een dergelijke reis mogelijk is.
Overigens moet ik eerst nog afwachten of het juist is dat de voorzitter van de grootste fractie in de belangrijkste periode van de parlementaire activiteit, nl. bij de behandeling van de begrooting, afwezig zou zijn. Wij hebben Van Mook gevraagd om aan de regeering telegrafisch inlichting te vragen over de beteekenis van deze publicatie.
Vanmorgen eerst bespreking met Lord Killearn over een aantal ondergeschikte punten. Tijdens de conferentie kwam van Pringgodigdo via Dr. Koets het bericht, dat de republikeinsche voorbereiding nog zeker veertien dagen in beslag neemt. Merkwaardige verrassing van een soort, waarvoor men hier telkens staat.
Trouwens, het gekkenhuis, dat Batavia heet, gaf vandaag nog een nummertje weg. Het gesprek van Soedarsono met Associated Press heeft groote opwinding veroorzaakt. Het is door de geheele wereldpers gegaan en ook over de B.B.C. Helaas vrees ik dat de kracht van de ontkenning, die wij gisteravond gaven, niet voldoende zal zijn geweest. De republikeinsche pers heeft wel het eerste bericht, maar niet de ontkenning gepubliceerd, hetgeen voor de hand ligt. Verder groote opwinding over het feit, dat Sanders tegenover U.P. ontkent een dementi te hebben gegeven, terwijl deze correspondent bij Aneta een afschrift van zulk een ontkenning zou hebben gezien en Sanders derhalve van leugens beschuldigt. Verder zou Aneta ook een bericht op mijn naam hebben verspreid, terwijl ik persoonlijk van Aneta geen sterveling heb gesproken. Ten einde raad hebben wij tegen vanavond zeven uur de buitenlandsche pers plus de R.V.D. uitgenoodigd. Daar hebben Van Mook en ik de zaak uit de doeken gedaan en laten zien, dat Soedarsono kennelijk aan wishfull thinking heeft gedaan, want dat mijn opmerking over Sumatra uitsluitend betrekking had op het verschil in het verleden, nl. bij de conferentie op de Hooge Veluwe. Over den stand van zaken in de toekomst hebben wij ons geen seconde uitgelaten. Ik heb alleen betreurd, dat wij bij het betrekkelijk geringe aantal verschilpunten op de Hooge Veluwe de contactdraad toch zijn kwijt geraakt. Een volgende gekheid van dezelfde zijde werd door Van Mook gememoreerd, nl. het voorbereidend comité van
zes1. was overeengekomen, dat de eerste bespreking zou plaats vinden in een Engelsch gebouw te Batavia, terwijl nu in den brief, dien Soedarsono vandaag aan Lord Killearn stuurt, in de eerste plaats wordt gesproken over 27 September, hetgeen sterk afwijkt van het verhaal van Pringgodigdo, doch bovendien wordt beweerd dat de commissie-generaal geen bezwaar zou maken tegen Malang als conferentieplaats. Ook hierbij is voor Soedarsono de wensch kennelijk de vader van de gedachte. Hij had dat in ons gesprek wel geopperd en Van Mook had hierover een mop getapt en er verder niet op gereageerd. Vermoedelijk zit hier achter dat Soedarsono en zijn medestanders, die graag tot een accoord willen komen, zoo dicht mogelijk bij Soekarno willen gaan zitten om hem bij de besprekingen te kunnen betrekken. Voor ons niet gemakkelijk, maar toch ook met groote voordeelen. Wij meenen intusschen dat hier niets van komen kan en wij ons bij de oude plaatsbepaling hebben te houden. Vanavond bezochten Idenburg en Koets Soedarsono, die min of meer in alle staten was en gezworen heeft, dat er geen journalist meer over zijn drempel zal komen.
Ten aanzien van Sanders is de zaak recht getrokken, omdat ik openlijk den hoofdredacteur van Aneta, den heer Wansink, de schuld heb gegeven dat hij een communiqué had opgesteld, waarin hij den naam van Sanders had vermeld, zonder dat hij dezen had gesproken. Hij had dit bij voorbaat opgemaakt en zou het hebben uitgeseind, indien hij Sanders tot deze ontkenning had kunnen brengen. Dat is niet gebeurd en het telegram is dus niet in dien vorm weggegaan. Helaas had U.P. het inmiddels met vermelding van den naam van Sanders toch gekregen.
Zo werkt de publiciteit in Batavia. Wij zullen trachten hier zooveel mogelijk orde in te brengen en deze menschen iets geven, anders gaan zij fantaseeren en beschouwen zij automatisch ieder nieuws, hoe onzinnig ook, als een gegeven, dat zij de wereld moeten overseinen. Alleen de man van de Times2. had begrepen, dat voor een verstandige commissie-generaal - en daarvoor versleet hij ons toch blijkbaar - een dergelijke nonsens-opmerking als Soedarsono ons had toegeschreven niet te verwachten viel. Vandaar, dat de Times van dit nieuws verstoken bleef.
Naar aanleiding van dit alles slaakte Idenburg vanavond de verzuchting: Wee het land, welks Koning een kind is!
Jonkman wenscht blijkbaar meer materiaal om den ministerraad en wellicht ook een aantal partij-leiders plat te krijgen inzake Soekarno. Hij vroeg ons gisteren telegrafisch een aantal adviseurs te raadplegen, o.a. den adviesraad van Malino en verder de vaste adviseurs van Dr. van Mook1.. Uit de notulen blijkt voldoende, dat er geen enkele stem tegen het betrekken van Soekarno bij de onderhandelingen werd gehoord. Mij trof in het bijzonder een uitlating van den heer Abdulkadir, die er op wees dat in de oogen van den Oosterling een regeering zich niet vergist. Wanneer wij dus eerst Soekarno afwijzen en hem later toch meenemen, dan betekent dit zonder twijfel niet alleen verlies aan prestige, maar, hetgeen erger is, ook een zeker verlies aan vertrouwen in het woord, dat eenmaal is gesproken. Het spreekt vanzelf dat ondergeteekende in het gezelschap de eenige was, die zich dit regelrecht moest aantrekken. Dit gaat kennelijk van de veronderstelling uit, dat een regeering zich altijd onthoudt van het hier in het Oosten zoo populaire loven en bieden. Ik wil er toch met den heer Abdulkadir nog eens nader over spreken. Intusschen vertrouw ik dat het telegram, dat een uittreksel geeft van de notulen dezer bespreking2., Jonkman thans voldoende materiaal geeft om de overtuiging, die hij ook zelf in dit opzicht is toegedaan, door te drukken en de publieke opinie voor te bereiden. Overigens twijfel ik er sterk aan of Soekarno voor den draad zal komen.
Een gesprek met den Chineeschen consul-generaal3. leverde betrekkelijk weinig nieuwe gezichtspunten op. Hij vreest dat, bij de op handen zijnde ontwikkeling, de Chineezen door de Indonesiërs op den duur als handelaren op de onderste trap van het distributieapparaat zullen worden gedrongen. Voorloopig hebben zij alleen maar belang bij een herstel van de veiligheid. Toch staat de Chineesche wereld volgens hem van nature achter de republiek. Alleen bedenkingen van practischen aard, in verband met hun bestaansmogelijkheden, beperken deze houding.
Gisteren om half zeven cocktail bij den Engelschen commander-in-chief Mansergh. Eigenlijk een volmaakte operette en een beeld van
den toestand! Aanwezig waren o.a. onze legercommandant, de generaal Spoor, de T.R.I.-generaal Soedibio, de commissie-generaal tegenover Hadji Agoes Salim, den republikeinschen minister van buitenlandsche zaken, Lord Killearn, enz., alle partijen vriendschappelijk bij elkaar, alsof er buiten nooit wordt geschoten. De generaal Soedibio was trouwens ook wel zoo, dat hij openlijk tegen De Boer zijn spijt betuigde dat er nog altijd geschoten wérd. Zelf heb ik een lang onderhoud met Hadji Salim gehad, een uitermate merkwaardig scherpen man, die echter niet heel moeilijk is in het gesprek, omdat hij het heelemaal niet erg vindt om alleen aan het woord te zijn. Typeerend was zijn uitlating: ‘Wel, wanneer wij straks aan de conferentietafel zullen zitten, dan zullen er zeker harde woorden vallen, maar dan moet U goed bedenken dat wij toch nooit wegloopen moeten’. Er leeft dus blijkbaar de gedachte bij deze menschen, evenals bij mij, dat wij inderdaad tot een accoord moeten komen. Op mijn opmerking, dat er een draad door de geschiedenis loopt, die de nationale staten tot al moeilijker verschijningsvormen maakt en wij hier dus in Indonesië tegen den draad in werken, antwoordde hij dat elk volk ten slotte, prettig of niet, goed of kwaad, de ervaring van de vrijheid wil verwerven. Hij had daar heel mooie beelden voor. Een uiterst interessante man, waarvan wij duidelijk ontdekten dat hij bij de Engelschen in zeer hoog aanzien staat. Trouwens, dat geldt ook zeer duidelijk voor andere Indonesiërs dan de republikeinen.
Gisteren avond hadden wij direct daarna het bestuur van de Progressieve Groep op bezoek: Mevrouw Brouwer, de heer Stibbe, de heer Van Straten (lid van den Raad van Justitie), de heer Schrader (een geograaf, die mij de atlas leende van Tropisch Nederland) en de heer De Graaff, vroeger van Oog en Oor1.. Met deze menschen, die aansluiting zoeken bij de Partij van den Arbeid, hebben wij een lang gesprek gehad. Tot op zekere hoogte zien zij de zaak van Indonesischen kant te gemakkelijk en vooral bij Mevrouw Brouwer meende ik te ontdekken dat zij niet altijd met de beenen op den grond staat. Ik heb mijn standpunt uiteen gezet. In plaats van het Rijksverband heb ik gesteld de noodzakelijkheid van het scheppen van organen, die de gemeenschappelijke functies vervullen, enz. Een interessant gesprek, dat tot half elf heeft geduurd. Zij komen nog bij mij speciaal terug om te spreken over de partij.
De sterkste indruk van de laatste twee dagen is ongetwijfeld, dat aan republikeinsche zijde een vrij onmogelijke tactiek wordt gevolgd. Misschien is het beter te zeggen, dat er nauwelijks van een tactiek kan worden gesproken. Wanneer men vandaag iets afspreekt, dan schiet een van de heeren den volgenden dag een andere prettige gedachte door het hoofd, met het gevolg dat zij zonder blikken of blozen op de gemaakte afspraak terugkomen. Het sterkste is misschien in dit opzicht het feit, dat Lord Killearn bij zijn bezoek in Djocja had bereikt, dat men voor het verkrijgen van het staken der vijandelijkheden (truce) de eisch zou laten vallen, dat de 7-Decemberdivisie niet binnen zou mogen komen. Nu op het militaire niveau de onderhandelingen worden gevoerd, komt men daar heel rustig op terug en voegt er nog een aantal andere punten aan toe. Op deze wijze is er met de heeren niet te werken. De voorbereidingscommissie voor de besprekingen1. had vastgesteld, dat de eerste bespreking zou plaats vinden op neutraal terrein, waarvoor dan het Britsche consulaat-generaal in aanmerking kwam. Daarna heeft Soedarsono blijkbaar de gedachte gekregen, dat Malang zou zijn te verkiezen en daar borduren de heeren nu weer verder op voort. Gistermiddag hebben wij een bespreking met Lord Killearn en Wright gehad, waarin wij in vrij krasse termen hebben gezegd, dat deze methoden onaanvaardbaar zijn. Bovendien heb ik ook gezegd, dat de argumentatie, die Wright had geproduceerd om de Nederlandsche delegatie rechts van Lord Killearn te zetten, nl. de afstand welken wij hebben afgelegd, voor ons volstrekt onaanvaardbaar is. Nederland is de internationaal erkende souverein. Daaraan en aan niets anders ontleenen wij dit recht. Er behoort trouwens ook niet eens over te worden gepraat. Wij hebben er bij hem op aangedrongen eenvoudig zelf het heft in handen te nemen en te dicteeren hoe hij meent, dat de zaak in de eerste zitting dient te worden getracteerd. Gelukkig bleek Lord Killearn vrij gemakkelijk te overtuigen, dat de weg, die men blijkbaar tot heden met de republikeinsche heeren heeft bewandeld, niet bevorderlijk is voor het verkrijgen van een accoord.
Gisteravond laat werd, tijdens het eten bij Lord Killearn, medegedeeld, dat Sjahrir vannacht uit Djocja vertrekt en vanmorgen, tegen de lunch, in Batavia hoopt aan te komen. Er zal dan worden geprobeerd een gesprek tusschen hem en mij te arrangeeren, waarbij het
dan toch misschien wel noodzakelijk zal zijn een aantal dingen eenigszins kras te zeggen. Wij hopen nu, dat de openingsvergadering kan plaats vinden op a.s. Zondag, 29 September. Ik hoop, dat dat lukt, want dan zou dat samenvallen met den verjaardag van Dirk1. en kan ik dat begin goed onthouden. Afgesproken is, dat dan verder de beide hoofden der delegaties, dus dat zullen waarschijnlijk Sjahrir met ondergeteekende zijn, de procedure van de verdere vergaderingen met elkander vaststellen. Hier blijkt uit den gang van zaken vanzelf nog weer eens, dat het voorzitterschap van deze Commissie toch niet zulk een onschuldige zaak is als sommige lieden in Nederland dat aanvankelijk blijkbaar hebben gedacht. Toch zal ik mijn best doen de verantwoordelijkheid, die hieruit voortvloeit, niet grooter te maken dan strikt noodzakelijk is.
Woensdag vond de perslunch plaats, waarbij ik ook een onderhoud had met den republikeinschen onder-minister van voorlichting, den heer Tanzil, die mij herinnerde aan zijn bezoek aan Delft. De buitenlandsche journalisten hier schijnen mij door elkaar genomen op de hand van de republiek te zijn. Een man als Clurman van U.P., die kennelijk eenig negerbloed in zich draagt, lijkt mij voorbeschikt om op de hand van de republiek te zijn. Een gesprek, dat ik later met Robert Kiek had, die er behoefte aan voelde om zich schoon te wasschen van de smet, die op hem als oorlogscorrespondent in den winter van '44-'45 was gevallen2., bevestigde mij dit in sterke mate. Een Australiër als Jenkins, die hier voor de B.B.C., optreedt, schijnt ook niet heelemaal zuiver op de graat te zijn, hoewel de man zich tegenover mij redelijk gedroeg. Dat was misschien, omdat hij ook van onzen kant faciliteiten wenscht om met Morrison van de Times samen een reis door Sumatra te maken. Hij legde nog weer eens den nadruk op de beteekenis der objectiviteit van het verslag, dat hij zou produceeren. Nu heb ik een flauw vermoeden, dat de objectiviteit van dit soort heeren bij ons den indruk maakt, dat zij nogal pro-republikeinsch zijn. Enfin, daar is niet veel aan te doen. Wij zullen de heeren onder de kin strijken zoo goed als wij dat kunnen. De aanstelling van
Samkalden tot public relation officer schijnt wel een behoorlijken indruk gemaakt te hebben.
Een soort herrie tusschen Aneta en de buitenlandsche persagentschappen werkt ook niet erg prettig. Aneta beschuldigt A.P. en U.P. nu weer van het uitzenden van het bericht omtrent Malang, niettegenstaande ik hierover aan de heeren had medegedeeld hoe deze begripsverwarring bij Soedarsono was ontstaan. Van den kant van den R.V.D. werd mij met stelligheid ontkend, dat zooiets zou zijn uitgezonden. Zoek het nu maar uit!
Het intieme diner bij Lord Killearn gisteravond samen met Van Mook was uiterst pleizierig. De Engelschen zijn toch wel merkwaardige opportunisten.
Gisteren bezoek gehad van de heeren Mas Slamet, Gerke en 's middags van den Amerikaans den consul-generaal Foote. Van Poll zag in Slamet een beschaafden Javaan; ik ben meer geneigd den nadruk te leggen op het kruiperige in dezen man. Hij zit nu eenmaal vierkant tegenover zijn volk, maar op een mij heel wat onsympathieker manier dan een man als Abdulkadir. Van het heele verhaal betreffende de afvaardiging van den Democratischen Bond naar Pangkal-Pinang1., waarvoor hij door den luitenant-gouverneur-generaal zou zijn gewraakt, bleef natuurlijk niets over2.. Zijn positie is door deze rel weer niet versterkt. Zijn betoog tegen de besprekingen met de republiek was gebaseerd op het feit, dat men daardoor de positie van de republiek versterkt. Zijn alternatief was geleidelijke militaire uitbreiding van bruggenhoofden. Over de consequenties van deze aardigheid had deze groote man blijkbaar nooit gedacht. Volgens mij zit er in
zeer sterke mate achter, dat hij bang is voor zijn huid, wanneer de republiek de baas wordt. Wij hebben hem betuigd, dat het natuurlijk noodzakelijk is, evenals bij een staking, wederzijds van rancunemaatregelen af te zien.
Het gesprek daarna met den heer Gerke was belangrijk leerzamer. Hieruit bleek mij, dat deze ex-hooge bestuursambtenaar toch ook op het standpunt staat, dat wij moeten trachten tot een accoord te geraken. Ook in zake Soekarno was bij hem geen seconde twijfel.
Merkwaardig was het gesprek met den Amerikaanschen consulgeneraal, die eigenlijk het standpunt van de militairen kwam verdedigen. Hij wees in het bijzonder op berichten, die hij uit Soerabaja had van een zekeren Meneer Van den Arend, een Amerikaansch burger van Hollandsche afkomst, die bestemd is om straks consul in Soerabaja te worden. Foote interpreteerde deze berichten aldus: ‘You are preparing a first class disaster in Soerabaja’. De republikeinen zouden troepen in zeer gunstige posities rondom onze stellingen hebben geconcentreerd. Hij meende, dat wij zonder meer de sluizen moeten bezetten in de Brantas, welke de irrigatie van het gebied rondom Soerabaja beheerschen en die door de republiek gesloten worden gehouden, zoodat de oogst rondom Soerabaja verdroogt. Wij wezen hem op het standpunt, dat Amerika officieel tegenover ons inneemt. Hij deed zeer optimistisch, meende dat hierin een wijziging zou ontstaan en beriep zich daarbij op zijn tallooze berichten, o.a. op een uitvoerig rapport, dat hij in antwoord op een particuliere vraag van Byrnes aan dezen zou hebben gezonden. Wij hebben getracht hem duidelijk te maken, dat er officieel nog weinig van een veranderde houding viel te ontdekken. Ik geloof, dat wij moeten bedenken dat deze man, die hier twintig jaar in de koloniale sfeer heeft geleefd, toch nog moet worden beschouwd als een old-colonial. Intusschen is zijn activiteit jegens Amerika voor ons natuurlijk nooit verkeerd. Hij doet een poging hier verstandige journalisten heen te krijgen. Hij memoreerde de reis van Gunnison, inderdaad een prima man, dien ik ook in Den Haag indertijd ontmoette, maar waarvan de berichten gisteravond meldden, dat hij bij een vliegtuigongeluk helaas is omgekomen. Dat beteekent één vriend van Nederland in deze wereld van hyena's minder.
Verder kreeg ik gisteravond via Sanders de ontwerp-toespraak van Lord Killearn voor de openingsvergadering. Gisteravond heb ik mijn speech geproduceerd en zal zien deze vandaag goedgekeurd te krijgen.
Sjahrir is gisteravond om vijf uur te Batavia gearriveerd, echter al-
leen in gezelschap van den minister van verkeer1.. Het wil mij toeschijnen, dat dit alleen is gebaseerd op het dringende verzoek van Lord Killearn, maar dat er Zondag van de eerste zitting nog niet veel zal komen, want dan zouden er toch ook andere figuren hier aanwezig moeten zijn. Indien de heeren het Zondag of Maandag niet voor elkaar krijgen, gaan wij rustig naar Pangkal Pinang2. en dan moeten zij in vredesnaam maar wachten. Persoonlijk betreur ik deze volgorde echter ten zeerste.
Van Mook heeft gistermorgen een nota opgesteld, waarin hij zijn gedachten over verleden en toekomst der onderhandelingen op een buitengewoon knappe wijze heeft geformuleerd. De Boer zei gisteravond, mede naar aanleiding van deze nota, half gekscherend, half ernstig: ‘Er zal eenmaal voor dezen man toch een standbeeld worden opgericht’. Hij prees zich gelukkig, dat hij met het schelden op Van Mook, ook in het verleden, nooit had meegedaan; helaas kan Van Poll dat van zichzelf niet getuigen3.. Toch gaat ook de samenwerking tusschen deze twee op het oogenblik lang niet slecht.
In de afgeloopen dagen is er zooveel gebeurd, dat ik aan dit verslag nauwelijks toekwam.
Zondagmorgen was Sjahrir bij Lord Killearn. Wright kwam Sanders halen voor een verslag over dit gesprek; aangezien de heeren echter blijkbaar een prettige borrel hadden gedronken, vond Sanders het verstandig mij regelrecht op Killearn los te laten en hem aan mij zijn verhaal te laten doen. Ik ben daar toen geweest en heb daarna met de Engelsche party in Hotel des Indes rijsttafel gegeten. Het gesprek Killearn-Sjahrir had betrekkelijk weinig opheldering gebracht. Wel had Sjahrir de uitnoodiging aanvaard voor de lunch bij Lord Killearn met mij voor Maandag.
Killearn vertelde mij ondertusschen, dat de Engelsche regeering accoord ging met het verstrekken van steenkool ten behoeve van
rijsttransport uit het binnenland voor de uitvoering van het accoord Sjahrir-Nehroe1..
Ten aanzien van Madoera had Sjahrir zich beroepen op moeilijkheden door het afsnijden van het vervoer van levensmiddelen uit den Oosthoek naar Madoera door onze marine. Hij zei: ‘I do not believe that Dr. Van Mook knows anything about this’. Later ontkende admiraal Pinke, dat dit in de laatste maanden zou zijn gebeurd. Er is eenmaal een prauw in den grond geschoten, maar daarna zijn slechts wapens aangehouden en zelfs rijst voor de T.R.I. is doorgelaten. Dit verhaal van den heer Sjahrir klopt dus niet best. Wordt hem wat wijs gemaakt?
Mijn aanwezigheid bij het gezelschap van Lord Killearn in de eetzaal van des Indes viel allerlei lieden nogal duidelijk op. Ik kan niet zeggen, dat ik den indruk kreeg van een prettige verstandhouding tusschen talrijke van de overige gasten en ondergeteekende.
Maandagmorgen voor de lunch met Sjahrir vergadering van de commissie-generaal over de nota, waarin Van Mook zijn algemeene beschouwingen had gegeven2.. Van Poll had een soort contra-memorie geschreven, die hij voorlas. Ik kan mij niet onttrekken aan den indruk, dat hij zich in een lastig parket gevoelt, maar toch zijn way out heeft gevonden. Deze bestaat in feite uit een scherp onderscheid tusschen de theoretische grondslagen van het recht, ook van het recht op revolutie, en de modus voor het practische handelen. Dit culmineert misschien in de stelling, dat hij ook na een overgangsperiode het recht tot uittreding niet erkent, maar er direct achteraan zegt: indien zij het toch doen, dan zullen wij hen niet met wapengeweld daar van af houden. Het lijkt mij toe, dat dit een prachtig uitgangspunt is voor een debat in de Tweede Kamer en nog mooier misschien als grondstelling voor een proefschrift, maar ik meen dat de commissie-generaal verstandig doet deze uitspraak als orakeltaal te aanvaarden, dankbaar erkennend dat men in de practijk, zooal niet hetzelfde zegt, dan toch wel hetzelfde doet. Het zou kunnen zijn, dat dat voor de Indonesiërs precies datgene is, waar het eigenlijk om gaat. Het slot van de vergadering was dan ook, dat wij de geheele beschouwing haar eigen plaats hebben gegeven en met vreugde hebben geconstateerd, dat wij hierover geen ruzie zullen krijgen, omdat wij dien theoretischen grondslag in alle gemoedsrust buiten beschouwing kunnen laten. Het komt er
dus op neer, dat waar Van Mook in de nota uitgaat van de redeneering, dat den Indonesiërs een soort theoretisch recht op zelfbeschikking wordt toegekend, Van Poll daartegen zijn bezwaren tot uitdrukking bracht. De vergadering heeft dit als zoodanig aanvaard, maar heeft zich van harte aangesloten bij de practische voorstellen, zooals Van Poll die ten slotte heeft gedaan en zooals die in zijn nota zijn neergelegd. Ik twijfel er geen seconde aan of dit zal ons mede-lid Van Poll een maximum aan bevrediging schenken, meer dan de afwijzing van zijn theoretisch uitgangspunt aan onvoldaanheid zou kunnen scheppen.
Noch De Boer, noch ik hebben verder wezenlijke critiek op de beschouwing van Van Mook geleverd; het was alsof wij er bij voorbaat zeker van waren, dat de discussie langs andere lijnen zou loopen.
Ten aanzien van het gesprek, dat ik met Sjahrir zou voeren, werden maar een paar practische punten naar voren gehaald. Van Mook heeft terecht gevraagd hem er op te wijzen, dat wij voor den toestand in Soerabaja geen enkele verantwoordelijkheid wenschen te aanvaarden. Zoolang zij het water in de sluizen van Modjokerto tegenhouden, bestaat een groot gevaar voor militaire botsingen, waarvoor zij in dit geval a priori de verantwoordelijkheid krijgen. Het tweede punt betrof de vergadering onder Lord Killearn, waarbij vastgehouden moet worden aan den eisch deze te houden in het Britsche consulaat-generaal.
Ten aanzien van de lunch en het gesprek met Sjahrir moet ik toegeven, dat ik deze met wat meer dan gewone nieuwsgierigheid tegemoet zag. Immers, ik had den indruk en heb dezen nog, dat van dit gesprek wel het een en ander zou afhangen. Voor den Oosterling zijn personen vaak belangrijker dan staatsbladen en hoezeer deze Oosterlingen ook onder Westerschen invloed mogen staan, uit allerlei uitingen uit het vorige jaar was mij bekend dat deze oude Oostersche waarheid ook voor hen nog nooit heelemaal is verbleekt. Ik wist o.a. uit een brief van Goedhart, waarin hij mij voorstelde Sjahrir in Cairo te ontmoeten, dat ook Sjahrir voor dit gesprek meer dan gewone belangstelling moest hebben. Aan den anderen kant zat er voor mij de moeilijkheid in, dat ik eenerzijds geneigd was tot ronduit en op den man af spreken, doch tegenover dezen Oosterling in de noodzaak verkeerde mijzelf in dit opzicht sterker in de hand te houden dan ik normaal geneigd ben als nuttig te beschouwen en ook te doen. Merkwaardig was, dat ik mij van te voren ook betrekkelijk weinig in mijn gedachten had vastgelegd. Of dit een soort geestelijke luiheid was,
die ik wel vaker in mijzelf voel, of een gevoel van een zeker vertrouwen dat op het moment zelf de juiste reactie op de andere persoonlijkheid zou volgen, weet ik niet. Achteraf geloof ik, dat het goed was, dat ik mij niet al te veel had geprepareerd en daarmede de natuurlijke vanzelfsprekendheid in het gesprek niet werd kapot gemaakt. Ik kende dezen man niet en het was daarom natuurlijk, dat ik uitsluitend afging op de mogelijkheid in het gesprek de juiste houding tegenover hem te vinden. De hoofdzaak zou daarbij zijn hem tot een zekere openhartigheid te brengen, althans voor mijzelf een meening te krijgen over de vraag of deze man oprecht is of niet.
De lunch met Killearn en Wright verliep voortreffelijk. Deze Engelschen verstaan hun vak en hebben genoeg beheersching van de techniek der conversatie om den toon te treffen, waardoor zij hem los kregen. Hun vroegere ervaring met hem bracht blijkbaar mede, dat zij het in de lijn van de humor zochten en ik moet zeggen, dat dit behoorlijk gelukte. Sjahrir is dan goedlachs en drinkt een goed glas wijn. Het eenige zakelijke gedeelte van dit gesprek ging over Soerabaja en Lord Killearn gaf hem den indruk, dat dit ook den Engelschen een doorn in het oog is. Ten aanzien van den gang van de conferentie draaide Killearn op diplomatieke wijze om de problemen heen.
Om half drie deponeerde Killearn Sjahrir en mij op zijn platje. Het gesprek begon onmiddellijk in het Nederlandsch, dat ook Sjahrir kennelijk gemakkelijker ligt dan het Engelsch. Ik heb het twee en een half uur durende gesprek eigenlijk in twee stukken verdeeld. Het eerste gedeelte, dat het langste was, van volstrekt persoonlijken aard, het tweede in mijn kwaliteit. In het persoonlijke gedeelte gaf ik hem in de eerste plaats een kijk op de ontwikkeling van de politieke verhoudingen in Nederland en in het bijzonder op de plaats van de Partij van den Arbeid. Ik memoreerde, dat, zoowel hij1. als ik, ieder op eigen wijze, ons socialisten noemen en dat wij uit dien hoofde mogen zeggen, dat, indien het aan ons, als politieke geestverwanten, niet gelukt het probleem Nederland-Indonesië tot een oplossing te brengen, er waarschijnlijk niet zoo iets bestaat als wat wij beiden als een oplossing beschouwen. Ik drukte hem op het hart, dat uit dien hoofde op ons beiden persoonlijk een historische verantwoordelijkheid rust, die ons er toe moet brengen een oplossing te scheppen. Deze zou pas dan een oplossing zijn in onze oogen, indien de eer van beide volkeren, ook van het mijne, zooals ik hem met nadruk zei, zou kunnen worden
gered. Ik ben hier gekomen in de vaste overtuiging, dat dit met Sjahrir mogelijk moet zijn. Mocht dit niet gelukken, dan meen ik, op grond van de geheele situatie, dat de verantwoordelijkheid voor die mislukking, historisch gezien, op hem zou komen te rusten, tenzij duidelijk zou zijn dat zijn volk hem in den steek zou laten. Ik heb hem duidelijk gemaakt, dat de toestand in Nederland thans politiek zoodanig is, dat wij als commissie-generaal onnoemelijk veel sterker staan dan het Kabinet van verleden jaar1.. Dit immers is toe te schrijven aan de parlementaire regeering én voor een deel ook aan het feit, dat het probleem Indonesië geen specifiek R.K. probleem is. Met het bekende opportunisme van de Roomsch-Katholieken op ieder gebied, dat niet specifiek R.K. is, kan men gerust aannemen dat de Roomsch-Katholieken de oplossing, die door de commissie-generaal, met Van Poll als lid, zal worden voorgesteld, zullen aanvaarden en de regeering daarbij niet zullen laten springen. Dat is de kracht van den politieken toestand aan Nederlandsche zijde. Ik wees op het congres van de Partij van den Arbeid2., dat met grote eenstemmigheid tot een zeker inzicht was gekomen en dat m.i. den weg wijst naar een oplossing in den zin, zooals ik boven bedoelde.
Aan het slot van deze beschouwing heb ik hem gevraagd mij nu te zeggen hoe de politieke kracht aan Indonesische zijde ligt en of zijn delegatie er op kan rekenen, dat een afspraak zal worden gehonoreerd door de politieke partijen. Hij begon met in algemeenen zin bevestigend te antwoorden en motiveerde daarna de uitzondering van het communistisch-anarchistisch blok. Hij schatte de kracht van het georganiseerd communisme, waarvan Alimin de leider is, niet al te groot. Veel van hetgeen er tegenaan hangt is eigenlijk meer anarchistisch; zij behooren echter ook tot de tegenstanders van het nieuwe Kabinet3.. Dit heeft echter groote innerlijke kracht, omdat volgens hem in dit geval de partijen er niet bij gesleept zijn, maar uit zichzelf hebben gevraagd om aan de regeering te mogen deelnemen. De Masjoemi is
een groote partij, die echter over weinig prominente figuren beschikt. De P.N.I. is de partij van de intelligentsia en van al diegenen, die op een of andere wijze bij het bestuur waren betrokken. Hij typeerde deze partij door te zeggen: sociaal-politiek zijn zij de liberalen van 1880. De derde groote partij is de socialistische, de Pesindo, die weer zeer aan kracht gewonnen heeft door het feit, dat de partij Boeroeh, de tot partij geworden vakvereeniging, zich onder de leiding van Setyadjit bij de Pesindo heeft aangesloten, hetgeen ook trouwens voor de hand lag1..
Deze drie groote partijen dragen thans de regeering, met de communisten als eenige politieke oppositie. Op mijn vraag, hoe dan menschen als Soetomo2. bestaan, antwoordde hij dat wij ons daarop niet moeten verkijken. Deze man is nog wel met de regeering mee te krijgen. Volgens Sjahrir is de eenige moeilijkheid, dat hij zichzelf opwindt als hij spreekt. Daarna kwam ik vanzelf op de vraag hoe elementen, die, buiten de sfeer van het politieke, als militair of als pemoeda3., zich tegen de regeering verzetten, tot rede zullen moeten worden gebracht. Ik merkte op, dat mijn persoonlijk uitgangspunt daarbij is, dat die plicht in de allereerste plaats op zijn regeering rust en dat wij dit aan hem zullen overlaten, maar dat hij er toch wel rekening mee moet houden, dat, indien ik op de fiets van Batavia naar Bandoeng ga en daar nooit aankom, mijn vrienden waarschijnlijk toch langs militairen of politioneelen weg op eigen gelegenheid een onderzoek zullen instellen naar wat met mij gebeurd is, m.a.w. indien de republiek geen mogelijkheid biedt voor het practisch handhaven van de veiligheid, hoogere organen zich verplicht zullen zien in te grijpen. Politiek gezien zal het daarom het verstandigste zijn, indien - zelfs bij lichten twijfel - de republiek zelf hulp zou inroepen. Sjahrir achtte dit inderdaad de beste en ook voor hem aanvaardbare ziens-
wijze. Nu had ik den indruk, dat zijn instemming sterker sloeg op het overlaten van de orde-handhaving aan de republiek dan op het laatste gedeelte van mijn betoog, hoewel hij dat niet tegensprak. Trouwens, het was heelemaal mijn indruk, dat het soms wel eens moeite kostte om hem op bepaalde punten tot tegenspraak te dwingen.
Zoo hebben wij een aantal punten besproken. Ik heb hem ook mijn zienswijze gegeven van personalistisch1. standpunt uit, dat practisch voert tot de toepassing van het federatieve beginsel. Ik heb den nadruk gelegd op het feit, dat ook functies zullen moeten worden vervuld door organen, die door Indonesië en door Nederland gemeenschappelijk worden gecreëerd; dat voor mij daarin de geheele aanvaarding hunnerzijds van het samengaan was gelegen en dat daarvoor, ook indien beide deelen een eigen grondwet hebben, een gemeenschappelijk statuut zal moeten worden gemaakt. Met dezen gedachtengang heeft hij onomwonden zijn instemming betuigd en gezegd, dat langs deze lijnen zeker kon worden gewerkt.
Op een gegeven oogenblik maakte ik in het verlengde van deze discussie min of meer gekscherend de opmerking, dat wij hier niet bij elkaar zaten om al vast een regeling te maken. Daarmede was hij het natuurlijk eens, maar intusschen waren er van weerskanten toch een aantal gedachten gelanceerd, die met deze regeling verband hielden.
In dit gesprek en eigenlijk ook al tijdens de lunch heb ik telkens den indruk gekregen, dat de figuur van Soekarno ook voor dezen man zekere moeilijkheden in zich bergt. In het Engelsche gesprek over de ziekte van Soekarno merkte ik heel duidelijk, dat er van een intieme vriendschap tusschen deze twee waarschijnlijk geen sprake is. Hij sprak ten minste met erg weinig warmte over deze figuur. Ik heb er ook niet achter kunnen komen of Soekarno nu de leiding van de P.N.I. heeft. Ik kreeg den indruk, dat dat zeker niet het geval is en dat men hoogstens kan zeggen, dat hij op de P.N.I. steunt.
Geleidelijk is dit gesprek overgegaan naar het tweede gedeelte, waarin ik de mij opgedragen zakelijke bespreking als voorzitter der commissie-generaal heb gevoerd. Ik heb hem in zeer duidelijke termen over Soerabaja gesproken en gezegd, dat deze situatie in normale omstandigheden, zonder besprekingen in het vooruitzicht, al lang haar oplossing zou hebben gevonden door militaire actie onzerzijds. Wij doen dit niet om den psychologischen achtergrond voor de onder-
handelingen niet te bederven. (Ik verzweeg maar, dat de Engelschen het verbieden.) Daar hoort echter als parallel loopende daad van de republiek bij, dat men water geeft en niet toegeeft aan die elementen, die hun machtsgevoelens botvieren in de gedachte, dat zij de Nederlanders nu eens ergens goed in de knel hebben. Bovendien voegde ik er aan toe, dat, zoowel hij als ik, ja zelfs zijn generaals en ook onze generaals, om dit conflict in Soerabaja geen hap minder eten, maar dat dit geval uitgevochten wordt op de ruggen van enkele honderdduizenden Indonesiërs, wier rijstoogst verdroogt. Hij heeft mij beloofd hier direct maatregelen te zullen nemen. Het is een beetje vervelend, dat ik bij een dergelijke toezegging dan eigenlijk het gevoel krijg: Wat stelt dat voor? Grijp ik hierbij niet in de watten? Killearn zou Dinsdagmorgen 10 uur met kracht op deze zaak terugkomen.
Het volgende punt betrof de komende conferentie. Wij waren het er snel over eens, dat die in twee gedeelten moet uiteenvallen: zeer snel een accoord over de beginselen en daarna een zeer uitvoerige, in vele gemengde commissies uiteenvallende, technische onderhandeling over de republikeinsche en ook de gemeenschappelijke organen, die in dit land zullen moeten worden geschapen. Voor het eerste noemde ik als einddatum 1 November, het tweede gedeelte schatte ik op een jaar. Met het eerste ging hij accoord, van het tweede gedeelte meende hij dat het misschien nog wel langer zou kunnen duren. Bij dit laatste was het opmerkelijk, dat hij er direct op wees, dat dan voor de militaire vraagstukken het eerst een commissie zou moeten worden gevormd, en dat hij meende, dat dit misschien het lastigste onderwerp zou zijn. Ik heb dit onderschreven onder het motto, dat militairen nu eenmaal in de wereld gehuurd worden om te schieten en dat zij daar op het oogenblik blijkbaar moeilijk van af te brengen zijn; dat zij in de politiek soms gevaarlijk zijn: zie de heeren, die de republiek op de wapenstilstandsbesprekingen heeft losgelaten. Ik herinnerde hem daarbij aan een opmerking uit het eerste gedeelte van ons gesprek, waarbij ik er sterk den nadruk op had gelegd, dat iemand, die van de overtuiging uitgaat, dat er een oplossing zal komen, op allerlei details anders onderhandelt dan iemand, die hierin niet gelooft of er misschien zelfs heimelijk tegen is. De onderhandelingen over den wapenstilstand van de zijde van de republiek geven een typisch voorbeeld van lieden, die niet met vrede rekenen. Wanneer wij straks een basic agreement hebben gesloten en wij gaan spreken over de militaire en politieke organisatie, dan mag dit soort lieden wel behoorlijk in de gaten worden gehouden.
Vervolgens kwam het meest concrete en daarom moeilijkste punt: de vergadering van volgende week. De bedoeling was om de openingsvergadering te houden met een delegatie, aan welker hoofd Soekarno en Hatta zouden staan. Dit zou voor ons de noodzaak meebrengen naar het binnenland te gaan. In dit opzicht was wel merkwaardig, dat hij mij vertelde, dat Soekarno niet in Batavia durft te komen en dat, indien Hatta het wel zou durven en zou gaan, talloozen in het binnenland hem dit zouden beletten, omdat algemeen de overtuiging heerscht dat wij deze beide heeren niet ongemoeid zullen laten. Ik heb hem gezegd, dat bij den huidigen stand van zaken Soekarno waarschijnlijk in zijn huis te Batavia minstens even veilig zou zijn als ik in Djokja, indien beide regeeringen voor deze veiligheid instaan. Ik heb hem duidelijk gezegd, dat er onzerzijds in het begin van de onderhandelingen geen sprake van kon zijn, dat de commissie-generaal een reis naar Djokja zou ondernemen. Ik begreep dit ook niet uit het oogpunt van de republiek. Waarom zou deze op de eerste vergadering, onder leiding van de Engelschen, waar niets dan formeele kwesties worden behandeld, alle zeilen bij de mast trekken? Ik gaf hem als mijn persoonlijke meening te kennen, dat de commissie er heel wat minder bezwaar tegen zou hebben om de overeenkomst in Djokja te onderteekenen; wij zouden dan immers toch de handteekening van Soekarno noodig hebben. Bovendien zou na het bereiken van een formeele overeenstemming voor ons de toestand ook principieel een andere zijn geworden. Ik wist hiermede ook het standpunt van Van Poll te hebben weergegeven.
Het moeilijke met Sjahrir is, dat hij in zoo'n geval zegt: ‘Ik ben het volkomen met U eens, maar begrijp goed, dat wij allerlei menschen achter ons hebben, die Djakarta niet vertrouwen.’ Ik wees hem er op, dat deze stad toch met groote waarschijnlijkheid de federale hoofdstad zal worden en dat het dus volkomen logisch is, dat wij elkander daar ontmoeten en dat op hem de plicht rust dergelijke overwegingen dan maar aan zijn menschen duidelijk te maken, zooals wij dat ook doen op het oogenblik. Gaan wij telkens uit den weg, dan is het zeker dat wij geen resultaat bereiken. Hier ergens plaatste hij de opmerking, dat, indien ik dat zoo betuig, zij dit volledig kunnen aanvaarden, omdat zij 100 % vertrouwen in mijn persoon hebben, maar dat hij voor de moeilijkheid staat deze dingen aan anderen duidelijk te maken. Ik heb hem aangeraden de consequenties van zijn uitspraak te trekken en zich te dier zake op mijn stellige meening te beroepen. Bovendien meende ik dat de eerste vergadering nu toch niet zal
plaats vinden voor de publicatie van de nieuwe ministerslijst1.. Dat beteekent, dat de republiek een delegatie kan samenstellen, waarbij de bevoegdheid van Soekarno vanzelfsprekend op Sjahrir wordt overgedragen.
Het slot van deze discussie was, dat hij als conclusie aanvaardde, dat volgende week Maandag, 7 October, de eerste vergadering zal plaatsvinden, die gedeeltelijk openbaar zal zijn. Zij zal worden gehouden in het Britsche consulaat-generaal onder voorzitterschap van Lord Killearn. Tegenover de Nederlandsche delegatie, die bestaat uit de commissie-generaal, met Dr. Idenburg als plaatsvervanger van den luitenant-gouverneur-generaal, plaatst de republiek een delegatie met aan het hoofd Soetan Sjahrir, verder Amir Sjarifoedin met als plaatsvervanger Soedarsono, Dr. Roem als vertegenwoordiger van de Masjoemi en Soesanto, oud-burgemeester van Madioen, als vertegenwoordiger van de P.N.I. Idenburg kwalificeerde deze later tegenover mij als een sterke republikeinsche delegatie. Zoowel Roem als Soesanto schijnen voor ons zeer aanvaardbare figuren te zijn.
Ten slotte bracht Sjahrir naar voren of het niet gewenscht was in zooverre van het plan van de voorbereidingscommissie2. af te wijken, dat ook de verdere vergaderingen onder voorzitterschap van Lord Killearn zouden plaats vinden. Ik heb mij daar ten stelligste tegen verzet en hem gezegd, dat het bij ons beiden, over tien jaar terugziend op geslaagde besprekingen, een gevoel van schaamte zal moeten wekken, dat wij niet in staat zijn geweest deze zaak als verantwoordelijke partijen samen te regelen, zonder er een derde in te betrekken, dien wij er liever niet in hebben. Hij gaf mij toen wel weer een merkwaardige tegenmotiveering: in allerlei kringen in het binnenland gelooft de meerderheid heelemaal niet in de mogelijkheid van een accoord. Dezulken meenen, dat het toch weer op niets zal uitloopen. Is er dan een neutrale Engelschman bij geweest, dan kan men aan den onzij-
digen derde vragen een verklaring te geven van den gang van de onderhandelingen en van de gronden, die tot mislukking hebben geleid. Het was ons beiden duidelijk dat het uitgangspunt van deze lieden en van ons volstrekt verschillend is en dat wij in dit opzicht aan ons standpunt moeten vasthouden.
Hij zal Woensdag of Donderdag naar Djokja gaan en trachten dit voorstel aanvaard te krijgen. Hij rekent er op Zaterdag of Zondag weer terug te zijn en het zal goed zijn, indien ook de commissie-generaal dan terug is1., ten einde een laatste definitieve afspraak te kunnen maken. Of de zaak lukken zal, hangt er dus heelemaal van af of Sjahrir het nieuwe Kabinet van de juistheid van onzen ge dachtengang kan overtuigen.
Bij vijven was het gesprek ten einde. Ik heb er in korte woorden Killearn de zakelijke kanten uit medegedeeld en heb ook verder tegenover de commissie-generaal geen uitvoerig en systematisch verslag uitgebracht.
Vraagt men mij nu of Sjahrir in dit gesprek volkomen eerlijk is geweest, dan moet ik zeggen dit uitermate slecht te kunnen beoordeelen. Waar het zijn persoonlijke instelling betrof, had ik den indruk dat dit stellig wel het geval was. Sluyser zei mij later, dat hij op hem een nogal leugenachtigen indruk had gemaakt. Ik kan dat niet bevestigen. Veel zal afhangen van de resultaten, die hij aan het eind van de week meebrengt. Gaat alles volgens het afgesproken programma, dan is dat een gunstig verschijnsel, niet alleen omdat hij mij dan blijkbaar niet belogen heeft, maar vooral omdat hij kans ziet zijn Kabinet mee te krijgen. Komt er een kink in de kabel, dan is er ruimte voor twee veronderstellingen, nl. dat hij tegen mij ja zegt en ook in Djokja ja zegt, maar anderen neen zeggen; het is dan echter ook mogelijk, dat hij tegen mij ja zegt en zelf in Djokja ook neen zegt. Mocht dat laatste waar zijn, dan ziet de toekomst er uiterst somber uit. Het zal alleen moeilijk zijn om hiervoor een bewijs in handen te krijgen. Voorlopig ben ik geneigd deze somberste van alle veronderstellingen ter zijde te leggen.
Verder had ik Maandagavond een interview met den vertegenwoordiger van U.P., Clurman. Samkalden had hem geïntroduceerd voor een paar vragen; het bleek een formeel exclusief interview te moeten worden. Ik heb hem dat gegeven, omdat hij zich bereid verklaarde
den tekst onmiddellijk uit te werken en aan mij ter goedkeuring voor te leggen. Dat geschiedde niet alleen, maar ik had bovendien de gelegenheid den tekst door de geheele commissie-generaal te laten goedkeuren.
In dit gesprek zijn wel een paar dingen weggegeven en Clurman gevoelde zich kennelijk in zijn schik met dit resultaat. Van Mook meende - zonder dat hij daar overigens bezwaar tegen maakte - dat Den Haag misschien wel eenig protest zou aanteekenen. Ik heb hem echter gezegd, dat ik dan met kracht terug zou slaan. Wij hebben nu bijna een jaar kwaad gesproken van de voorlichting, die de hier aanwezige journalisten aan de wereld geven. Ik wil een poging doen om met deze menschen op beteren voet te komen en er voor zorgen, dat zij ons minstens even goed gelooven als de republiek. Daarvoor is het noodig, dat wij hen in hun beroepsuitoefening behulpzaam zijn en nieuws verschaffen, dat, zonder ons in de vingers te snijden, voor hen minstens even waardevol is als de verhaaltjes van de republiek. Dat kan vrij gemakkelijk, omdat het mogelijk moet zijn hen te laten zien, dat wij geloofwaardiger zijn. In dit gesprek met Clurman kreeg ik voor het eerst den indruk, dat deze knaap nu bereid is mij meer te gelooven dan Soedarsono. Ik beschouw dit als een waardevolle overwinning.
Van Mook had groot pleizier om dit betoog. Hij zei: ‘Nu zie je het zelf eens, zoo zit ik al een jaar.’
Maandagavond kwart voor twaalf verscheen Sanders aan mijn bed met de ontwerp-toespraak voor de openbare eerste zitting, waarin Killearn en Wright een paar wijzigingen voorstelden, beide natuurlijk kleine verzwakkingen, zoowel naar de zijde van de Engelschen als naar die van de republiek. Ik had daartegen geen bezwaar. 's Nachts zou dit nog in orde worden gemaakt en Dinsdagmorgen een Engelsche en Nederlandsche tekst ter hand worden gesteld aan Sjahrir. Ik ben benieuwd naar zijn toespraak.
Dinsdagmorgen om half zeven start naar Pangkal Pinang1.. Een groote verzameling Nederlanders van allerlei slag en politiek, Chineezen, Arabieren en ook Indonesiërs, wat deze laatsten betreft in
hoofdzaak in de delegatie van Van Mook. Dinsdagmorgen om tien uur openingszitting met een toespraak van Van Mook. Ik vond het een knap stuk van een man, die zich hier verdedigt tegenover zijn scherpste oppositie. Uit Chineesche kringen verneemt men duidelijk het bezwaar tegen publieke uiting van hun meening met het oog op het groote gevaar, dat de Chineezen in de republiek loopen. Dit is natuurlijk niet denkbeeldig, omdat hier ook republikeinsche journalisten zijn, die in Rajat en dergelijke bladen de mogelijkheid hebben om ieder soort vuil over de Chineezen in de republiek uit te storten.
Gistermiddag verder excursie naar de Banka-tinmijnen, zeer interessant, maar doodelijk vermoeiend met het oog op de vier uur slaap, die wij in het laatste etmaal hadden genoten.
Vanmiddag om half drie begint de volgende vergadering, waarin algemeene beschouwingen worden gehouden, een slaapverwekkende bezigheid.
Pangkal-Pinang is voor ons achter den rug. Zaterdag om half een kwamen wij weer in Batavia aan ter voorbereiding van de conferentie van vandaag. Het eerste punt was, dat Clurman Sanders er op opmerkzaam maakte, dat het zeer ongewenschte reacties zou hebben, indien Van Mook de conferentie van heden niet zou bijwonen. Men zou daar van alles uit kunnen fantaseeren: achteruitstelling van de beteekenis van deze conferentie of oneenigheid tusschen Van Mook en de commissie-generaal. Aanvankelijk steigerde ik tegen dezen gedachtengang, misschien een beetje, omdat wij zelf niet op de gedachte waren gekomen in onze bespreking van Zaterdagmorgen in Pangkal Pinang. Overleg met Idenburg leidde toch tot toegeven aan deze overwegingen en om half zes telefoneerde ik met Van Mook, die er direct mee instemde. Ik kreeg tusschen de regels door het gevoel, dat hij dit bij de zaak betrekken van zijn persoon in den grond toch niet onaangenaam vond. Gezien het vele, dat hij op het gebied van onderhandelingen met de republiek reeds heeft doorstaan, kan ik mij deze reactie ook eerlijk gezegd wel begrijpen.
Zondagmorgen had ik een gesprek met Idenburg en generaal Spoor op verzoek van deze beide heeren. Ik kreeg den indruk, dat het Spoor er om te doen was mij eens den militairen gedachtengang goed duidelijk te maken. Ik maakte hem natuurlijk ook het verwijt, dat wij den stelligen indruk hebben dat er in het leger, weliswaar misschien
geen eigen politiek wordt gevoerd, maar dat er toch een zoodanig volume van het officierscorps tegen de regeeringspolitiek is, dat onwillekeurig het effect hetzelfde is. Ik noemde hem het voorbeeld van den man, die uit Indië kwam en in Nederland voordrachten hield voor de troep en zijn college aanving met de mededeeling, dat leden van de Partij van den Arbeid verzocht werd maar weg te gaan. Ik vertelde hem dat wij hiertegen hadden geprotesteerd, maar dat het kennelijk niet gelukt was om dezen man te ecarteeren. Hij klaagde van zijn kant er over, dat er van regeeringswege weinig inzicht was gegeven in de te volgen politiek. Ik neem aan, dat dat gedeeltelijk wel juist is. Toch is ook dat geen willekeur van de politieke leiding, maar een gevolg van den gang van zaken. Thans is de tijd aangebroken, dat er in dit opzicht meer mogelijkheden voor de voorlichting bestaan. Hij wees er op, dat voor den gewonen officier in het veld en ook voor den soldaat het conflict hieruit bestaat, dat hij aan den eenen kant ziet onderhandelen met de republiek en aan de andere zijde militair het gevoel heeft, dat de republiek bezig is in elkaar te zakken. Hij denkt dus vanzelf: politici zwijg nog even, dan knappen wij straks dit zaakje in een handomdraai op. Trouwens ik moet toegeven, dat deze plausibele redeneering aan alle kanten telkens opduikt. In het bijzonder Van Poll wordt hiermede kennelijk regelmatig van buiten af bewerkt. Ik plaats hiertegenover, dat dit, internationaal gezien, short view policy is; dat wij bij de onderhandelingen van deze wijsheid wel degelijk gebruik moeten maken, maar dat het ons beleid in de hoofdlijn niet kan beïnvloeden. Gelukkig is De Boer het met dezen gedachtengang altijd eens. Ten slotte sprak ik met generaal Spoor af, dat, zooals De Boer al eens eerder had voorgesteld, binnenkort een vergadering zal plaatsvinden van de commissie-generaal met de militaire leiding, waarin beide gelegenheid krijgen hun standpunt uiteen te zetten en wij ook van onzen kant een poging kunnen doen om eenig inzicht te geven in de politieke gedachtenlijn van dit oogenblik.
Daarna, van kwart over een tot vier uur, lunch en gesprek bij Lord Killearn met Wright en Sjahrir. Wij maakten de agenda op voor de vergadering van vandaag en bespraken een aantal punten. In het algemeen was deze bespreking zeer bevredigend. Ook bevredigend, omdat Lord Killearn Sjahrir ten aanzien van een paar militaire punten duidelijk onder druk zette. Ik heb Sjahrir uiteengezet, dat, indien wij niet slagen in het treffen van een overeenkomst inzake het staken der vijandelijkheden, de soort eenzijdige wapenstilstand, die nu door het Britsche hoofdkwartier aan ons is opgelegd, niet kan worden ge-
handhaafd. Zoowel het verbod tot patrouilleeren vijf mijl voorbij de frontlijn als de situatie in Soerabaja, waarbij de republikeinen ondanks de belofte van Sjahrir van verleden week1. nog altijd geen water geven, kan niet worden gehandhaafd. Dan zal ook militaire actie onzerzijds onherroepelijk aan de orde komen. Lord Killearn bevesstigde wholeheartedly deze zienswijze. Het resultaat was in ieder geval, dat Sjahrir beloofde Zondagavond nog met Soekarno te zullen telefoneeren. Ik geloof, dat het mij gelukt is hem duidelijk te maken, dat ook zijn gezicht met deze zaak is gemoeid. Wij kunnen hierover naar buiten niet blijven zwijgen, wanneer geen bevredigende oplossing wordt bereikt. Het zal dan voor de wereld duidelijk zijn, dat zelfs op dit niveau door allerlei krachten in de republiek een zelfstandige politiek wordt bedreven, die door de republikeinsche regeering kennelijk niet kan worden doorbroken.
Nadat ik 's middags een beetje had gerust, vertelde Sanders mij om zes uur, dat Van Poll kennelijk nerveus was. Hij schreef dit toe aan het gevoel, dat hij er naast stond en de zaken door mij werden behandeld. Zoo ging hij blijkbaar van de veronderstelling uit, dat ik Spoor had uitgenoodigd en hij zou daar graag bij zijn geweest. Met Sanders besprak ik ook de kwestie, wie er in de verschillende commissies voor ons zitting zouden moeten nemen. Hij raadde zeer sterk aan Van Poll daarin zooveel mogelijk te betrekken. Ik moet toegeven, dat bij mij even een zekere kriebeligheid opkwam bij dezen gedachtengang. Toch geloof ik, dat het politiek gezien volkomen juist is om Van Poll zooveel mogelijk in de boot te krijgen. Ook het geval Maassen, die er nog altijd op een vreemde manier bijhangt, irriteert Van Poll kennelijk een beetje. Ik kan niet anders zeggen dan dat dat mijn schuld niet is. Ik heb niet het voorstel gedaan om menschen mee te nemen, waarvoor kennelijk geen duidelijke functie was aan te wijzen. Toch geloof ik, dat wij op den duur voor Maassen wel een oplossing vinden. Tot op zekere hoogte kan ik mij de geprikkeldheid van Van Poll over dit geval wel voorstellen. Het moet echter niet vergeten worden, dat er ook een stukje zelfverwijt in zal schuilen, omdat hij dezen man kennelijk dingen beloofd heeft in zijn gesprek met hem, die nu niet worden gerealiseerd.
Het gevolg van dit gesprek is in ieder geval geweest een bepaalde tactiek mijnerzijds in de vergadering van 's avonds negen uur, waarin ik de heeren Van Poll en De Boer verslag heb gedaan en waarin wij de
toekomstige werkwijze met openhartigheid hebben besproken. Ik heb ronduit gezegd, dat ik eigenlijk Van Poll graag overal bij zou hebben en hem dus op die gronden ook in de commissie voor de truce (staking der vijandelijkheden) zou willen opnemen. In den loop van het gesprek werd het echter duidelijk, dat wij na iedere zitting van deze commissie in eigen kring met de deskundigen en alle leden van de commissie-generaal het besprokene nader zouden moeten behandelen en onze gedragslijn uitstippelen. Toen werd het aan ieder duidelijk, dat de aanwezigheid van Van Poll in de commissie zelf in belangrijk mindere mate noodzakelijk was. De heeren kwamen toen zelf tot de conclusie, dat in dit geval een afvaardiging onzerzijds van Van Mook en ondergeteekende voldoende was te achten.
Met betrekking tot de richtlijn voor de bespreking, die Sjahrir en ik vanavond om vijf uur zullen hebben, hebben wij algemeen aanvaard dat het verstandigste is om de republikeinen nu maar eens te laten zeggen op welke punten zij een zekere vrees koesteren voor de ontmoeting tusschen het Nederlandsch bestuur en de organen van de republiek. De gedachtengang is om dan te trachten, nadat zij hun verlangens hebben uiteengezet, een beeld te ontwerpen van de wijze, waarop de Nederlandsche organen met de republiek kunnen samenwerken. Geen algemeene staatsrechtelijke theorie, maar liever beginnen met den practischen kant om dan ten slotte te eindigen met een op deze practische methode passende staatsrechtelijke formule. Gelukkig zagen wij dat ook Sjahrir in zijn openingstoespraak een appèl doet op het gezonde verstand. Zoo is het inderdaad. De delegaties zullen langs den weg van het gezonde verstand tot oplossingen moeten komen, die zij vertalen in woorden en beelden, die in de emotionele sfeer van het binnenland van Java zoowel als in die van Nederland verkoopbaar zullen moeten zijn. In deze formuleering ligt taak en werkwijze van de commissie-generaal bij de komende onderhandelingen vast.
Vanmorgen de eerste vergadering van de commissie voor de truce1..
Het resultaat is voorloopig uitermate bevredigend. Maandag, vóór het groote diner, had ik een bespreking met Sjahrir hier in mijn kamer, waarover ik niet erg gelukkig was. Ik had het eigenaardige gevoel, dat ik met een botte afwijzing van een of andere gedachte erg gelukkig zou zijn geweest. Het duwen in een hoop watten is een vermoeiende bezigheid. Hij was niet erg onpleizierig, maar om een of andere reden buitengewoon ver af van de neiging om ook maar op eenigerlei kwestie een antwoord te geven, waaraan consequenties waren verbonden. Ik stelde hem de vraag, waar wij volgens zijn meening de zaak moesten aanpakken, maar ik kreeg daarop slechts ontwijkende antwoorden. Ik heb hem toen nog eens duidelijk en positief gezegd wat ik van den toestand dacht, maar ook dat bracht weinig uitkomst. Ik had Maandagavond op het diner van Killearn een beetje een beroerd gevoel en vertrouwde die gedachte ook even aan Killearn toe.
Dinsdagmorgen kwam ik bij Sjahrir en had toen een onderhoud, dat een volstrekt ander karakter droeg. Wij kwamen toen te spreken over de truce-commissie en daarmede schoten wij plotseling veel sneller op, toen hij eenmaal de opmerking had gemaakt dat er aan zijn kant altijd groote vrees bestond, omdat men eigenlijk in het geheel niet wist welke militaire bezetting wij op Java en Sumatra hadden en welke plannen daarmede bestonden. Hij vroeg mij of wij bereid zouden zijn cijfers te produceeren. Ik heb hem toen direct geantwoord, dat dit de logische consequentie was van de wederzijdsche stabilisatie van de militaire positie en dat hij die getallen zonder meer kon krijgen. Bovendien werden wij het direct eens over het scheppen van een gemeenschappelijk orgaan1., dat op het hoogste niveau alle regelingen van technischen aard, die uit de wapenstilstand voortvloeien, zou moeten maken en bovendien als arbitrageorgaan zou kunnen dienen bij geschillen, die uit de toepassing daarvan mochten ontstaan.
Na over allerlei dingen nog een tijdje te hebben doorgepraat, waarbij ik in mijn indruk van een zekere bereidwilligheid alleen maar werd versterkt en na het bekijken van de mooie schilderijenverzameling in dit huis van Soekarno, verdween ik na ruim anderhalf uur met een kennelijk opgelucht gemoed.
Daarna in den loop van den dag besprekingen gevoerd in de commissie-generaal met de militairen, waarvan de notulen een beeld geven. Spoor was in deze besprekingen uiterst pleizierig. Alleen begon

De Commissie-Generaal in paleis Rijswijk (begin oktober 1946).

Batavia, 7 oktober 1946
Lord Killearn opent te 10 uur de eerste bijeenkomst van de Nederlandse en republikeinse delegaties, ten einde tot een politiek akkoord te geraken inzake de toekomstige status van Indonesië.
Van links naar rechts: Van Mook, Schermerhorn, Killearn, Wright en Sjahrir.

Lord Killearn tijdens zijn openingstoespraak in het Britse consulaat-generaal. Batavia, 7 oktober 1946

Openingswoord van Schermerhorn, die aldus eindigde: ‘Laat ons bedenken dat de oogen van ontelbaren op ons zijn gericht. Moge het ons gegeven zijn, niettegenstaande dat, in het volle besef onzer verantwoordelijkheid, in het aangezicht van Hem, Die ook het lot van volkeren richt, zonder omzien den weg te gaan, die leiden zal naar het herstel van vrijheid en voorspoed, van vrede en recht, in Indonesië en in Nederland beide.’
Van links naar rechts aan de tafel: Van Poll, Van Mook, Schermerhorn en Killearn.
hij met te zeggen, dat de kwestie van die getallen toch eigenlijk larie moest zijn, omdat hij al vaker getallen had genoemd. Toch heb ik later van Sjahrir den indruk gekregen, dat deze onwetendheid aan zijn kant in ieder geval wel bestond.
De laatste dagen is er van dit verslag helaas niet veel gekomen. Toch is er wel het een en ander gebeurd. Woensdagmorgen om 10 uur hadden wij de eerste vergadering van de truce-commissie1.. Ik had den vorigen avond de bespreking met de militairen besloten met de opmerking, dat ik nieuwsgierig was welk verschil er zou bestaan tusschen de uitlatingen van Sjahrir in ons particulier gesprek en op de vergadering. Tot mijn groote vreugde kon ik vaststellen, dat er eigenlijk heelemaal geen verschil was. Lord Killearn was volledig ingelicht en de heele vergadering werd dus geleid overeenkomstig den inhoud van het gesprek met Sjahrir en, omdat hij kennelijk nog op hetzelfde standpunt stond, liep alles volkomen vlot en glad. Op een gegeven oogenblik, toen duidelijk bleek dat wij het kennelijk eens waren, formuleerde Killearn plotseling de resolutie No. 12., waarin vastgesteld werd dat wij besloten tot een wapenstilstand op de basis van een stabilisatie van de huidige militaire kracht, aan den eenen kant de Indonesische en aan den anderen kant de geallieerde, dat wil dus zeggen de som van Engelschen en Nederlanders. Daarmede was voor ons het probleem van het binnenbrengen van de 7-December-divisie ook van de baan. Alleen was op dat moment reeds besloten om in een middagvergadering de getallen te produceeren. Verder werd vastgesteld, dat drie generaals 's middags om half vier bij elkaar zouden komen, nl. Spoor, Forman en Soedibio, om the terms of reference (reglement) voor de technische subcommissie3. op te stellen.
Wij reden verheugd naar huis en het was te mooi om waar te zijn. Het eenige punt was, dat Sjahrir op een oogenblik opmerkte, dat hij deze zaak toch wel in de plenaire vergadering aangenomen wenschte
te zien. Wij hebben dit natuurlijk direct aanvaard, maar het was volkomen duidelijk dat de oorzaak van deze overweging lag in het feit, dat Sjahrir de verantwoordelijkheid over een zoo breed mogelijk vlak wenschte uit te spreiden. 's Middags kwamen wij weer bij elkaar. Ik had den indruk, dat Sjahrir werkelijk schrok van de getallen van onze militaire kracht op 30 November1.. Nu moet ik eerlijk zeggen dat ook ik nooit gedacht had, dat wij hier thans in West-Java in totaal 56 000 man zouden hebben. 4 000 man aldaar dan helemaal. Ik kon mij zijn schrik dus best voorstellen. Bovendien ben ik er wel achter gekomen, dat hét probleem voor hen ligt in de meening van de militairen. Agoes Salim vertelde mij Vrijdagavond op de cocktailparty van den Chineeschen consul-generaal o.a. dat deze zaak in het Kabinet was besproken en wel was aanvaard, maar, zei hij, generaals zijn natuurlijk overal hetzelfde op de wereld: die achten zichzelf onmisbaar. Hieruit was te verstaan dat Sjarifoedin en in het bijzonder Soedirman waarschijnlijk tegen deze zaak zijn geweest.
Op dezelfde coctailparty gaf Sjahrir later uitdrukking aan zijn vrees, dat deze groote getallen in West-Java toch agressieve bedoelingen verrieden, omdat, als wij b.v. zoo bevreesd waren voor de situatie te Medan, een bezetting van 4000 man aldaar dan helemaal niets voorstelde, terwijl die 56 000 man in West-Java daartegenover ongemotiveerd zou zijn.
Op de vergadering van Woensdagmiddag eindigde Sjahrir dan ook met vrij koppig vast te houden aan de noodzakelijkheid van uitstel, ten einde hem gelegenheid te geven een paar hooge militairen uit Djokja te laten overkomen, o.a. den chef staf Oerip. Eigenlijk had Soedirman natuurlijk moeten komen, maar het is wel duidelijk dat die meent zijn huid in Batavia niet veilig te kunnen achten. Sjahrir verontschuldigde zich en zei, dat dit nu eenmaal tot de nadeelen behoorde, die verbonden waren aan het vergaderen in Batavia.
Hoewel ik niet kan verheelen, dat er eenige teleurstelling heerschte op de vergadering, begreep toch ieder eigenlijk de redelijkheid van dit verzoek. Zooals Sjahrir mij later zei, vond hij het verstandiger om de militairen te voren te overtuigen in plaats van ze voor een fait accompli te stellen, in welk geval hij dan vrijwel de zekerheid zou hebben gehad van moeilijkheden later. Hij heeft Oerip direct getelegrafeerd, maar een beeld van de situatie kan misschien zijn, dat Oerip en zijn vriendjes pas Zaterdagavond uit Djokja wenschten af te reizen,
zoodat zij pas vanmorgen in Batavia konden arriveeren. Nu moet vandaag de slag vallen. Ik had Sjahrir aangeboden om, indien hij dit nuttig achtte, eventueel ook Zondag bij hem thuis met deze heeren te spreken en hun een inzicht te geven in onze opvattingen. Hij greep dat met twee handen aan, dus ik vermoed dat ik vandaag wel zal moeten optreden.
Belangrijk is in dit verband ook de houding van generaal Spoor. Ik moet zeggen, dat ik daarover alle lof heb en dat deze man meer is dan alleen een militair. Hij behoort tot de weinigen, die ook politiek besef hebben. Zooals Dr. Idenburg mij gisteravond zeide, het schijnt dat Spoor op het oogenblik duidelijk de politieke lijn voor zich ziet, deze aanvaard heeft en nu met zeer groote bekwaamheid met ons mee speelt. Inderdaad is dit een feit. Donderdagavond op de cocktailparty deed Spoor mij uit zichzelf het voorstel of het misschien niet verstandig zou zijn, indien ook hij eens een gesprek met Sjahrir zou hebben en hem volkomen inzicht zou geven in de militaire situatie. Ik heb dat toegejuicht en Zaterdagmorgen heeft dat gesprek gedurende anderhalf uur plaats gehad bij generaal Mansergh. Spoor was hierover zeer tevreden. Zij hadden ook reeds gesproken over de latere inpassing van de beide militaire organisaties. Sjahrir had rondweg gezegd, dat hij vermoedde, dat Spoor daar meer over had nagedacht en inzicht in had dan dat dat op het oogenblik met zijn generaals het geval was. Bovendien heeft Spoor 's middags ook de 15 journalisten uit het binnenland ontvangen, hetgeen de commissie-generaal Dinsdag had gedaan. Wij hadden deze lieden uitgenoodigd aan een loopende lunch en zoowel Spoor als ons is deze ontmoeting niet slecht bevallen. Een merkwaardige belangstelling voor Nederland werd er getoond. Natuurlijk een behoorlijke portie wantrouwen, maar toch een eigenaardige kinderlijke openheid aan den anderen kant. Deze vreemde mengeling van tegenstrijdigheden werd overstraald door een zekere vreugde en opgewektheid over het feit, dat zij voor vol worden aangezien en op een dergelijke wijze op het paleis worden ontvangen. Spoor deed een soortgelijke ervaring op. Tegenover hem, die hier natuurlijk als het groote monster geldt bij deze lieden, kan het effect misschien nog nuttiger zijn, want, zooals De Boer tegen de heeren al had gezegd: zij zouden dan wel ontdekken dat de generaal geen kindertjes eet, zooals bij hen misschien wel het geval was.
Gisteravond hadden wij een bespreking met Killearn, Wright, Mansergh, Spoor, Idenburg en Van Bylandt over het protocol voor
de truce. Daarvoor hadden Sanders en Wright een ontwerp gemaakt, nadat wij er 's morgens met Sanders over hadden gesproken. In het algemeen konden wij ons daar wel mee vereenigen. De eenige lange discussie ontspon zich over de wijze, waarop wij eiken twijfel konden buitensluiten dat de republiek ook maar iets zou hebben te zeggen in de buitengewesten. Toch wilden wij niet letterlijk opnemen, dat deze truce zich beperkt tot Java en Sumatra, omdat er dan kans op was, dat daar weer een lange discussie over ontstond. Het feit, dat beide partijen in een bijlage uitsluitend militaire formaties op Java en Sumatra vermelden, leek ons afdoende om straks in de joint committee elke discussie over acties buiten Java en Sumatra buiten te sluiten.
Daarna kwam echter het groote punt van den avond, nl. de situatie in Soerabaja. Dit is een merkwaardige discussie geworden. Het werd duidelijk dat generaal Mansergh al van den tijd af, toen hij in Soerabaja zat, er op heeft aangedrongen om meer militaire actie rondom die stad door te voeren en o.a. ook de sluizen te Modjokerto te bezetten. Dit is hem door de Engelsche politieke leiding rondweg verboden. Hier kwam dus voor het eerst uit Engelschen mond de tegenstelling tusschen Engelsche militairen en Engelsche politici duidelijk op tafel. Ik heb daarop tegen Killearn gezegd, dat deze Engelsche politiek voor het bereiken van hun eigen doeleinden eigenlijk catastrophaal is geweest. Zij hebben de posities van de redelijke elementen verzwakt in plaats van versterkt. Zie b.v. hoe nu op het oogenblik geageerd wordt. Sjahrir geeft toe aan onze verlangens, Soekarno telegrafeert naar Soerabaja en krijgt de smoes terug, dat er, indien het water wordt verdeeld, voor beide partijen te weinig is om van te leven en te veel om te sterven. Dit moet volgens technici bepaald niet juist zijn. Het beteekent, dat de plaatselijke grootheden het gevoel hebben, dat zij ongestraft ook hun eigen regeering kunnen dwars zitten. Hier is slechts één antwoord mogelijk, nl. een militaire actie. Natuurlijk voelen wij wel dat op het oogenblik, in het aangezicht van den wapenstilstand, dit een onmogelijke geschiedenis is, maar wij zijn met z'n allen in deze positie gemanoeuvreerd ten gevolge van de stommiteiten van de Engelschen in een vroegere phase. Nu zat Lord Killearn zelf kennelijk ook vast. Aan den eenen kant ziet hij de onredelijkheid van deze situatie in en aan den anderen kant wil hij natuurlijk den wapenstilstand niet in gevaar brengen, evenmin als wij dat graag willen. Idenburg ontplofte over deze zaak heel acuut en Spoor ging zoover, dat hij zei bereid te zijn tot militaire actie op eigen gelegenheid om er zich daarna door de regeering te laten uitsmijten. Killearn moet
door deze beide uitlatingen onder den indruk zijn gekomen van het feit, dat deze affaire ons wel buitengewoon hoog zit. Ik heb natuurlijk later tegen Spoor gezegd, dat deze opmerking van hem onzin was. Wij kunnen hem niet tot den rang van een T.R.I.-generaal verlagen; het Nederlandsche leger mag niet op deze wijze gezagsondermijnend werken, ook al is het nog zoo goed bedoeld.
Voor het geval, dat geen wapenstilstand wordt bereikt, zullen wij Maandag de situatie opnieuw onder het oog zien. Eigenlijk had ik liever gehad, dat er besloten was, overeenkomstig den inhoud van een gesprek tusschen Mansergh, Lord Killearn en mij op Vrijdagavond, nl. dat er in dat geval beslist een militaire actie zou plaats vinden. Ik vind in die militaire actie, indien er geen wapenstilstand komt, bovendien het voordeel, dat de militaire heeren van de T.R.I. dan ontdekken, dat zij niet ongestraft de zaak op sleeptouw kunnen houden. Want de weerstand komt zeer duidelijk van dien kant. Voor het geval wij Maandag wel slagen, moet dit punt op de agenda van de plenaire zitting komen, technisch worden bekeken en binnen enkele dagen tot een oplossing worden gebracht. Besluit nl. de plenaire zitting tot een eerlijke verdeeling van het water over de verschillende gebieden en zal daaraan geen gevolg worden gegeven, dan is daarmede een inbreuk gemaakt op de truce en is een militaire actie van onzen kant volkomen gerechtvaardigd. Zoo ver is het echter nog niet, maar het was gisteravond wel een typeerende bespreking, omdat ik nog nooit zoo duidelijk de rol van de Engelsche politieke leiding in dit land naar voren heb zien komen en ik ook nog geen gelegenheid heb gehad om die intern zoo scherp te bestrijden als gisteravond is gebeurd. Killearn leek mij kennelijk onder den indruk van onze motiveering, al zegevierde hij ook min of meer, omdat de eindbeslissing omtrent hetgeen wij feitelijk gaan doen wel min of meer in overeenstemming was met zijn aanvankelijke denkbeelden.
's Avonds, na het eten, kwam Idenburg bij mij oploopen en had ik met hem een lang en zeer bevredigend gesprek. Hij verklaarde, waarom hij zoo ontploft was en meende dat dit nuttig was om de Engelschen te laten voelen, dat deze zaak ons buitengewoon hoog zit. Daarna zijn wij gekomen tot een theoretische beschouwing van staatsrechtelijken aard. Het slot was, dat wij ons konden vereenigen op de stelling, zooals Logemann die in Trouw heeft ontwikkeld1., nl. dat,
indien een revolutionaire situatie ontstaat, zooals hier, de souvereine staal inderdaad het recht en de plicht heeft tot beoordeeling van de situatie en dat deze beoordeling niet uitsluitend aan den kant van de revolutie mag geschieden. De beoordeelende souvereine staat heeft echter de plicht om bij de keuze van de middelen, die hij noodig acht om van de revolutionaire situatie in een reguliere te geraken, rekening te houden met waarden van allerlei aard, die aan het ontstaan en aan het voortduren van de revolutie ten grondslag liggen.
In een gesprek met Van Poll, naar aanleiding van deze uitspraak van Logemann, kwam ook hij heel dicht bij, zoo al niet geheel tot, de erkenning van de juistheid van dit uitgangspunt en hij meende, dat Logemann verleden jaar dit standpunt nooit zoo helder had verkondigd als hij thans heeft gedaan. Ik heb hem gezegd, dat Logeman precies den theoretischen grondslag van mijn politieke houding in dit conflict tusschen Nederland en Indonesië heeft aangeduid. Ook Idenburg heb ik dit gisteravond ronduit gezegd.
Zo juist waren De Boer en Sanders even bij mij in de kamer en De Boer maakte toen de opmerking, dat hij over gisteravond toch een slechten indruk had behouden. De heeren Van Bylandt en Idenburg, die gelegenheid hebben gehad om met de Engelsche politici deze zaak in het reine te brengen, namen gisteravond plotseling een uiterst flinke houding aan. De Boer had daarvoor weinig waardeering. Ik krijg inderdaad den indruk, dat, vooral bij een figuur als Van Bylandt, er een mengeling van slapheid en flinkheid is, waarvan de verhouding niet juist is gedoseerd, noch naar de hoeveelheid, noch naar het tijdstip, waarop ieder der beide zich manifesteert. Ik moet ook eerlijk zeggen, dat ik Van Bylandt voor de behandeling van de
problemen met de Engelschen geen geslaagde figuur vind. De Boer maakte terecht de opmerking: wij zijn ten slotte veel harder dan deze lieden, ook al doen ze op een oogenblik erg flink.
De eerste stap op een langen weg, waarvan ik het einddoel alleen vaag kan vermoeden en ook, eerlijk gezegd, in details niet in mijn hoofd heb, hoe het er uit zal moeten zien, is vandaag gezet. De truce is vanavond om ongeveer 6 uur onderteekend. Hetgeen mij hierin bijzonder verheugt, is de wijze, waarop deze tot stand is gekomen. Zij geeft mij vertrouwen in het gezag van de tegenpartij en boven alles in de persoonlijke betrouwbaarheid van Sjahrir. Gisteren zat ik te wachten op het resultaat van de bespreking van Sjahrir met zijn militairen. Ik had hem aangeboden in geval van nood eventueel met deze menschen bij hem aan huis te komen spreken1., ook al meende ik dat het goed zou zijn om deze bespreking thans in het geheim te houden, zoowel voor hen als voor mij. Zoover is het echter niet gekomen. Gistermiddag om een uur of vijf kreeg ik van Boediardjo, den secretaris van de Indonesische delegatie, bericht dat de vergadering van de truce-commissie vanmorgen om 9 uur kon doorgaan en daarna om tien uur dan de plenaire zitting. Dat leek dus alles nogal goed, maar ik vertrouwde de zaak niet al te best en zei tegen hem, dat ik beslist toch nog wel voor vandaag een persoonlijk onderhoud met Sjahrir wilde hebben, omdat ik wenschte te weten hoe de kaarten precies op tafel lagen en wat ik op die vergadering had te verwachten. Dat bleek ook wel juist te zijn. Om half zeven was ik bij hem en wij hebben tot bij acht uur gepraat. Er waren natuurlijk, zooals ik had verwacht, bij zijn militairen groote weerstanden. Zij voelden zich bedreigd en zagen aan den anderen kant van ons geen enkele concessie. Ik heb hetzelfde verhaal tegen Sjahrir nog weer eens afgestoken, nl. dat er geen sprake was van versterking van de bedreiging ten gevolge van een wapenstilstand op zichzelf2., omdat, wanneer de militairen dezen weigerden, wij natuurlijk met onze voorbereidingen op precies dezelfde wijze zouden doorgaan, maar dat, indien zij toestemden, de situatie voor hen hoogstens makkelijker zou worden. Ten slotte zei Sjahrir: ‘Als U nu maar op een of andere manier op die vergadering van
morgenochtend een daad kunt stellen, waaruit wij vertrouwen kunnen putten. Dit zou dan moeten zijn een zekere vermindering van de militaire kracht op Java’. Ik wees hem er op, dat er heel wat mannen bij het K.N.I.L. in dienst zijn, die wij zoo gauw mogelijk weg moeten hebben, zoodat wij het zouden kunnen zoeken in een verklaring in deze richting. Van een gebaar ten aanzien van de troepen uit Nederland kon natuurlijk geen sprake zijn: deze machinerie is in bedrijf en het is voor dit land minstens even goed deze versche Nederlandsche soldaten hier te hebben als het K.N.I.L., dat uit menig oogpunt een kwalijk element is. Wij hebben ook gedacht aan een mogelijke andere dislocatie van troepen door verplaatsing van een deel naar de buitengewesten. In ieder geval zal ik dit punt nader met Van Mook en Spoor bespreken en trachten in deze richting een verklaring te vinden, zoodat hij in ieder geval iets heeft, dat hem kan versterken tegenover zijn eigen tijgers.
Later op den avond besprak ik deze gedachte met De Boer, die er zeer enthousiast voor was en met mij eens kon zijn, dat een verklaring in zake demobilisatie van de Nederlandsch-Indische militie vier voordeelen zou hebben. In de eerste plaats, dat de Indonesiërs er een zekere bevrediging in vinden; in de tweede plaats dat men deze menschen, die in Nederlandsch-Indië al een harden tijd achter den rug hebben, daarmede een grooten dienst bewijst, zoodat bovendien dan een groot deel van hen, waaronder veel Indo-Europeanen, met het idee van den wapenstilstand verzoend zouden raken. Het derde voordeel is, dat het onze internationale goodwill zeker zou versterken en ik acht het in de vierde plaats een belangrijk voordeel, dat de communistische propaganda in Nederland, behalve door den wapenstilstand op zichzelf, hierdoor nog een extra klap zal worden toegebracht. Immers de uitzending van de 7-Decemberdivisie zou dan mede gemotiveerd kunnen worden door het geven van een kans op demobilisatie van deze menschen, die eigenlijk stuk voor stuk allemaal oorlogsslachtoffers zijn.
Van Mook bleek later echter zeer huiverig voor iedere té concrete toezegging op dit gebied. Wij zouden wel kunnen aanknoopen bij de 7e motie van Pangkal Pinang1., maar wanneer wij té positieve naar

Ondertekening der truce-overeenkomst op 14 oktober 1946 in het Britse consultaat-generaal te Batavia.
Van links naar rechts: M. Wright, Lord Killearn en Sjahrir.

Ondertekening der truce-overeenkomst op 14 oktober 1946 in het Britse Consulaat-Generaal te Batavia.
Van links naar rechts F. de Boer, M.J.M. van Poll, Dr. H.J. van Mook, Prof. Schermerhorn, Lord Killearn.

Batavia, 14 oktober 1946
F. de Boer ondertekent op het Britse consulaat-generaal de overeenkomst in zake het staken der vijandelijkheden.
buiten komende toezeggingen zouden doen, zou dit niet anders dan groote onrust onder deze menschen veroorzaken, die dan in de meening zouden verkeeren dat zij direct naar huis zouden kunnen gaan. Vanmorgen, vóór den aanvang van de vergadering met Spoor, legde deze er nog den nadruk op dat dit op den duur wel mogelijk is, maar op het oogenblik en in de eerstkomende maanden zeker niet, omdat hij geen kans ziet om deze menschen, die dienst doen in de buitengewesten en daar patrouille-arbeid verrichten, te vervangen door ongetrainde, althans niet volkomen met het terrein vertrouwde troepen uit Nederland. Het was dus duidelijk, dat wij hieromtrent slechts uiterst voorzichtig te werk zouden kunnen gaan en dat wij desalniettemin toch zouden moeten probeeren met een zachtzinnige verklaring, die vrij vaag moest blijven, aan de door Sjahrir geuite wenschen tegemoet te komen. Verder had deze mij gezegd, dat hij een aantal vragen zou stellen, waarvan hij vurig hoopte dat daarop zoowel van Engelsche als van Nederlandsche zijde een bevredigende beantwoording zou kunnen volgen. Dit waren in hoofdzaak vragen van zuiver informatorischen aard.
Zoo begon dan vanmorgen om 9 uur de vergadering van de truce-committee. Killearn had de resoluties1. gesplitst en stelde ze stuk voor stuk aan de orde, wetende dat bij de eerste2., waaraan de cijfers waren gehangen, een discussie zou ontstaan. Deze is dan ook prompt gekomen. Maar ik kan niet anders zeggen dan dat ik uiterst tevreden ben over de wijze, waarop Sjahrir dit heeft gespeeld, volkomen in overeenstemming met hetgeen hij mij den vorigen avond had gezegd. Hij is van de door hem genoemde punten geen millimeter afgeweken. Dat vind ik het belangrijke verschijnsel, dat ik nu voor de tweede maal waarneem en dat mij vertrouwen geeft in de samenwerking met hem.
Natuurlijk was de discussie vanmorgen vrij moeilijk. Er werden talrijke militaire verklaringen gegeven. Sjahrir zat ongelooflijk taai te trekken en wij waren vriendelijk, maar even hardnekkig tegenover hem. Om ongeveer elf uur waren de standpunten tegenover elkaar volkomen afgebakend en tot slot meende ik toen te moeten opmerken, dat de Indonesische militairen goed moesten begrijpen, dat de eenzijdige truce, zooals die nu op het oogenblik bestond en door de Engelschen met politieke oogmerken was ingesteld, niet zou kunnen
blijven bestaan, indien de Indonesische militairen op de gronden, die wij thans hoorden, weigerden een wapenstilstand te aanvaarden. De beperking van onze militaire bewegingsvrijheid op elk gebied, die op het oogenblik onze menschen het leven zuur maakt, in het bijzonder het verbod om in een strook van meer dan 2 K.M. voorbij ons front te patrouilleeren, zou zeker niet gehandhaafd blijven, zoodat de heeren zich niet moesten verbeelden dat zij het bij afwijzing van de truce even gemakkelijk zouden houden als dat zij het op het oogenblik blijkbaar meenen te hebben. Met deze opmerking mijnerzijds trok de Indonesische delegatie zich voor een half uur terug. Van Mook formuleerde in dat half uur een soort verklaring onzerzijds, waarin wij beloofden bij welslagen van de truce en opheldering van den politieken hemel het eerst te zullen beginnen aan demobilisatie van de K.N.I.L.-miliciens, die nu al zoo lang in militairen dienst zijn of krijgsgevangen waren. Verder met nog een paar algemeenheden er bij. Ik vond het een knappe verklaring, die naar den geest de Indonesiërs prettig in de ooren moest klinken en waar onzerzijds toch eigenlijk niet veel mee werd gezegd, anders dan hetgeen wij toch uit onszelf van plan zouden zijn. Na het halfuur kwam Sjahrir binnen met zijn heeren en begon direct met de mededeeling, dat zij bereid waren de truce te aanvaarden, indien wij bereid waren een paar punten in een verklaring vast te leggen, welke punten eigenlijk dezelfde waren als die Van Mook had geformuleerd, uitgezonderd het eene punt, dat de joint-truce-commission bevoegd zou zijn om kennis te nemen van de problemen der reductie van de wederzijdsche militaire macht en bovendien aanbevelingen aan de plenaire conferentie zou mogen doen. Wel, toen wij deze laatste toevoeging opnamen, waarin volgens mij nog wel een beetje vergif kan schuilen, omdat de heeren van de republiek dan natuurlijk telkens in die truce-commission met gezanik kunnen komen, was de zaak meteen beklonken1..
Vanavond ten slotte om half zes de tweede plenaire vergadering, die als resultaat kon boeken het tot stand komen van de truce. Deze vergadering leverde uit den aard der zaak geen enkele complicatie op. Alles verliep naar wensch en niemand toonde neiging een spaak in het wiel te steken. Op deze vergadering werd ook een nieuwe subcommissie ingesteld voor de toepassing van de truce op politiek gebied ten aanzien van uitwisseling van gevangenen, propaganda e.d.
Van Mook had te kennen gegeven er prijs op te stellen in deze commissie te zitten, omdat dit natuurlijk vrij diep ingrijpt in zijn apparaat en hij de beslissingen hiervan direct op het terrein van het algemeen bestuur kan overbrengen. Toen bij een kleine discussie in de commissie-generaal de vraag rees, wie daar onzerzijds in moest worden opgenomen en het mij bleek, dat zoowel De Boer als Van Poll nogal opzagen tegen het feit, dat dit steeds de voorzitter van de commissie-generaal zou moeten zijn, heb ik vlot voorgesteld om in dit geval Van Poll te nemen. Als consequentie daarvan is ook van Indonesische zijde niet het hoofd van de delegatie in deze subcommissie gaan zitten, doch zijn de menschen, die deze zaak in de Indonesische regeering zelf in handen hebben, daarin opgenomen. Ik meen daaraan goed te doen langs verschillende lijnen, nl. mijzelf niet al te zwaar te belasten, Van Poll een zekere bevrediging te schenken en naar buiten, naar Nederland, ook niet de schijn te wekken, dat ik alles alleen doe. Die indruk is even goed al sterk genoeg.
Ik beschouw dezen wapenstilstand ten slotte als een grooten stap. Zeker, het is feitelijk, in verhouding tot het politieke probleem, dat ons nog wacht, een zijspoor, maar de psychologische zijde er van acht ik uitermate belangrijk. Iedereen in regeeringskringen alhier beschouwt dit dan ook als een groot succes. Toen ik tegen Lord Killearn vanavond zei: ‘I am happy’, zei Killearn tegen mij: ‘I am very happy with this enormous success’. Ik heb den indruk, dat wij nu verder even rustig aan moeten doen en van onzen kant niet tegen de Indonesiërs gaan zitten duwen. Er is een zeker proces aan den gang, dat wij tijd moeten laten. Overmorgen, dus Woensdagavond, is er een groot diner op het paleis, waar van ieder der partijen acht personen aanwezig zullen zijn. Donderdag zullen wij met de Indonesiërs gaan eten op het nieuwe vrachtschip van de Rotterdamsche Lloyd, dat hier ligt, de Overijssel. Bij beide gelegenheden hebben wij de mogelijkheid tot onderhandsch persoonlijk contact over allerlei zaken. Ik geloof, dat ik mij in de komende paar weken zelf ga beperken tot het onderhouden van een persoonlijk contact met Sjahrir en misschien met nog een paar van zijn menschen. Ik denk in dit verband ook in het bijzonder aan Salim, dien ik eens hier op het paleis wil uitnoodigen. Deze buitengewoon slimme oude heer, die op zichzelf een talengenie is, zeker minstens negen talen perfect spreekt en schrijft, en slechts als zwak heeft, dat hij zijn leven lang court d'argent was, speelt op het oogenblik zeer duidelijk in onze richting. Ten slotte is hij onder-minister van buitenlandsche zaken en dus
tweede man, naast Sjahrir, in de onderhandelingen met ons. Verder waarschijnlijk verreweg de knapste van het heele stel.
Inzake de publiciteit van een en ander is er natuurlijk weer gezanik geweest. U.P. schijnt vanmiddag al te hebben getelegrafeerd, dat de zaak beklonken was, maar erger is, dat naar het schijnt de B.B.C. vanavond heeft omgeroepen, dat ik tijdens de onderhandelingen een verklaring zou hebben afgelegd, dat Nederland geen verdere troepen meer in Indonesië zal laten komen. Dergelijke nonsens van een officieel Engelsch apparaat is toch eigenlijk ontoelaatbaar. Ik heb Samkalden opgedragen om er met de Engelsche heeren een hartig woordje over te spreken en ik zal het Killearn persoonlijk dezer dagen ook nog wel eens vertellen. Dit is geen manier. Natuurlijk voelen wij voor tegenspreken niets. Er is een zeer uitvoerig communiqué en ieder, die hersens heeft, kan zelf uitrekenen hoe dit probleem ligt.
Na den emotioneelen Maandag is de rest van de week tot heden rustig verloopen, zooals ook eigenlijk wel te verwachten was.
Dinsdag hebben wij alleen het incident met United Press inzake de publicatie van het militair bestand verder afgewerkt. Clurman, door ons ontvangen, meende, dat hij slechts zijn beroepsplicht had vervuld. 's Middags heeft De Boer dit zaakje verder afgewerkt. Clurman had nl., op grond van hetgeen ik de vorige week met hem had besproken, een soort statement opgesteld, waarin hij niet alleen de afgesproken verklaring van onze werkwijze had gepubliceerd, maar ook verder allerlei fraaiigheden, die hij aardig vond, had verwerkt. De Boer heeft toen zelf een publicatie opgesteld, die daarna aan alle journalisten is verstrekt. Clurman vond dat wel vervelend, maar hij begreep dat hij zich als verslagen moest beschouwen. Wij hebben 's avonds toen aan Swinton van Associated Press een lange of the record-talk toegestaan, waarin wij een zeer openhartig gesprek hebben gevoerd. Merkwaardig was, dat hij aan het slot toch als zijn indruk samenvatte, dat wij waarschijnlijk niet ver genoeg gaan met onze gedachten om de republiek te kunnen bevredigen. Hij is een zeer redelijke knaap, maar in deze uitlating zat naar mijn overtuiging niet alleen de meening van de republiek, maar ook de meening van Swinton zelf verdisconteerd.
Dinsdagavond hield Van Mook een radiorede, die ook naar Neder-
land is uitgezonden en daar gerelayeerd. Merkwaardig was, dat hij daarover te voren met geen woord tegenover ons had gerept. Dat feit is slechts een symptoom van een heel stel verschijnselen, die alle in dezelfde richting wijzen. Het feit, dat Anneke Vos, zijn secretaresse, aan juffrouw Lenderink zegt, dat het eigenlijk gek is dat Van Mook geen hoofd is van de delegatie, gepaard aan dit verschijnsel en aan nog een aantal andere, grootere en kleinere dingen, laat duidelijk zien, dat in deze eerste week van volledige aanwezigheid van Van Mook in de commissie-generaal, zich de moeilijkheden, die in zijn persoon verscholen liggen, duidelijk beginnen te manifesteeren. Voor ieder plannetje, dat wij hebben, ontwerpt hij zelf zoo snel mogelijk een resolutie of formuleert voorstellen. Dat is natuurlijk de beste methode om de zaak zelf in handen te houden. Hij staat daarbij vrij sterk, omdat hij natuurlijk volledig in de geheele materie zit, meer dan een van ons. Ook op de vergadering van de commissie-generaal van Woensdagmorgen is dit zeer duidelijk tot uitdrukking gekomen. Hij houdt er een eigenaardige methode van gedachtenwisseling op na, waarbij hij toont vrij slecht te luisteren, althans de uitgesproken meeningen eerst in een bepaalde richting tracht om te buigen en er dan tegen te ageeren. Ik heb op deze vergadering daar twee maal zeer scherp tegen geprotesteerd en gezegd, dat ik deze methode van gedachtenwisseling niet lust. Merkwaardig is ook, dat op die vergadering het voorstel is besproken om nu een commissie voor civil affairs1. in te stellen. Ik had hem medegedeeld dat wij er prijs op stellen, dat daarin De Boer voor ons zitting neemt. Gisteren stopt hij mij een voorstel voor de plenaire zitting van Maandag a.s. in handen, waarin De Boer en de commissie-generaal netjes zijn weggelaten en alleen departementshoofden en eventueele andere autoriteiten worden genoemd. Het spreekt volkomen duidelijk, dat hij in dat geval de zaak volledig onder zich zou hebben en wij er naast staan.
Ik zie hierin nog groote moeilijkheden voor de toekomst. Het zou wel eens kunnen zijn dat Hare Majesteit gelijk had, toen zij tegen mij zeide: ‘U zult dan wel zeer snel een conflict met Mijnheer Van Mook krijgen’. Ook de beide andere leden van de commissie-generaal hebben dit geval in de gaten. Gisteravond sprak ik er met Van Poll over, wien dit ook al was opgevallen. Ik heb er de verklaring
van dezen geestestoestand bij gegeven. Deze man had als directeur van economische zaken een absolute autoriteit bij Van Starkenborgh, die hem zonder eenigen twijfel als groot deskundige vrijwel de vrije hand zal hebben gelaten. Ik trek deze conclusie uit een opmerking van Idenburg over de benoemingspolitiek in het leger, waar Van Starkenborgh meende geen invloed op te kunnen uitoefenen, omdat de militaire voorstellen nu eenmaal door deskundigen waren opgemaakt. Hoeveel te sterker moet dat dan nog gelden op het gebied van de economie, waar Dr. Van Mook terecht een groot gezag bezat! Daarna kwam de tijd in Australië en die in Londen. In de eerste plaats was hij zéker de Koning en, indien ik eens naga wat Gerbrandy van Indische zaken blijkt af te weten, kan het niet anders dan waarschijnlijk zijn dat Van Mook in Londen de Indische zaken heeft behandeld zonder zich veel van de opmerkingen, die daar gemaakt zullen zijn, aan te trekken, misschien zelfs wel zonder het Kabinet er eigenlijk in te kennen. Dat moet ook wel het geval zijn. Men proeft hier in Indië bij ieder, die verantwoordelijkheid draagt, het gevoel, dat men er in Nederland toch eigenlijk niet veel van weet, althans niet veel van terecht brengt. Dat kan nooit anders dan ten gevolge hebben, dat men meent het zelf te moeten doen en indien mogelijk zelf te beslissen.
Ziedaar een stuk van den geestelijken achtergrond van een man als Van Mook, die in zijn aanleg al in dezelfde richting gepraedisponeerd was. Ziedaar een bron van moeilijkheden, die wij scherp in het oog zullen hebben te houden. Ik ben den aanval begonnen door hem na afloop van de vergadering op Woensdag, in aanwezigheid alleen van Van Poll en De Boer, duidelijk te zeggen, zij het ook op welwillenden toon, dat wij tegen zijn toespraak op Dinsdagavond geen bezwaar hadden, maar het onjuist achtten dat hij daarover met geen woord overleg met ons pleegde. Toen hij zeide, dat er wel eens wordt vergeten dat hij ook nog luitenant-gouverneur-generaal is in dit land, heb ik hem gevraagd mij daar een voorbeeld van te geven. Dat bleef natuurlijk uit. Ik wees hem er op, dat deze toespraak als weerslag o