De reis terug naar Batavia heeft weinig bijzonderheden opgeleverd. Meer dan op vorige vliegtochten heb ik gelezen en wel dit keer in het Indisch Memorandum van Du Perron1.. Met welk een critischen blik heeft deze schrijver de Indische samenleving bezien. Voor hen, die thans nog propageeren dat het koloniale tijdperk al vóór 1940 voorbij was, is het lezen van dit werk uitermate nuttig. Het toont hoe zelfs de blanke samenleving heeft geleden, meestal zonder het zelf te beseffen, onder de cultuurloosheid van een koloniale wereld. Ik ben er een beetje door teruggekomen van mijn bittere opmerking aan het adres van den oud-procureur-generaal Vonk2.. Een gesprek met De Boer bevestigde mij dat. Immers, het vooroorlogsche regime in Indië was er op berekend dat men liever voorkwam dan genas, d.w.z. elk nationalistisch grassprietje, dat men zag opkomen, werd uit den dorren grond getrokken, alvorens het kon opschieten en zaad voortbrengen. Het is duidelijk, dat men zulk een stelsel alleen consequent kan toepassen en nooit op gematigde of verlichte wijze. Of men oefent exorbitante rechten uit, óf men schaft ze af. Daar tusschenin woont eigenlijk geen volk. In zooverre moet ik ook een man als Vonk verontschuldigen. Hij is slechts de armzalige exponent van een stelsel geweest. Van het standpunt van vandaag uit gezien, vertegenwoordigt hij een stem van over het graf.
Buitengewoon treffend is in dit boek de brief aan Sjahrir3., waarin hij zijn terugkeer naar Nederland rechtvaardigt4.. Dezer dagen vroeg ik aan Sjahrir of hij Du Perron persoonlijk kende. Dit bleek niet het geval te zijn, omdat Sjahrir in dien tijd in de verbanning
leefde1.. Deze brief is verschenen in het blad Kritiek en Opbouw2..
Het eenige politieke moment werd ons op deze reis bezorgd door een uitnoodiging van Killearn om een dag in Singapore te blijven en dus een vliegtuig over te slaan. Wij kregen deze uitnoodiging telegrafisch in Bangkok, doch hebben daarvoor vriendelijk bedankt. Wij namen aan, dat het goed bedoeld was, maar zonder twijfel zou dit in Nederland een uiterst slechten indruk hebben gemaakt. Toen wij echter Woensdagmorgen in Bangkok vier uur vertraging hadden ten gevolge van mist en daardoor toch in Singapore moesten overblijven, hebben wij de uitnoodiging van Lord Killearn, ons op het vliegveld door zijn adjudant overgebracht, aanvaard en bij hem gelogeerd. Het was zeer prettig, hoewel de gezondheidstoestand van het echtpaar Killearn slechts zeer matig was. Natuurlijk was het de bedoeling van den ouden heer om ook op politiek gebied wat wijzer te worden. Vandaar, dat hij na de thee het zoo draaide dat Van Poll met Lady Killearn uit wandelen ging en ondergeteekende met hem, terwijl De Boer zich op zijn kamer had teruggetrokken. Killearn had met Nieuwjaar van Soekarno een brief gehad en van Sjahrir een meer uitvoerige. Deze had daarin zijn nood geklaagd over den gang van zaken. Ik heb hem het een en ander verteld over de behandeling in het parlement en over onze toelichting, doch hij bleek reeds door Sir Neville Bland van een en ander op de hoogte te zijn gesteld. 's Avonds na het diner heb ik hem in aanwezigheid van de beide andere leden nog gezegd, dat er groote kans zou zijn, dat wij, indien het tot onderteekening kwam, zouden afzien van een plechtige onderteekening in een plenaire zitting onder zijn voorzitterschap3.. Ik motiveerde dat met de militaire situatie, zooals die op het oogenblik is.
Het andere politieke gesprek op deze reis hadden wij in Bangkok gevoerd met den tijdelijk zaakgelastigde aldaar, den heer Steenstra Toussaint. Wij informeerden ons omtrent Indo-China en Frankrijk. Hij had een paar maanden tevoren Frankrijk verlaten en bevestigde ronduit den indruk, dien ik van de Fransche politiek in Indo-China had gekregen en waaraan ik op Schiphol voorzichtig uitdrukking
had gegeven. Hij stelde vast dat op het oogenblik het Fransche volk in groote massa bepaald anti-militairistisch is en dat in Fransche families de neiging om hun kinderen offlcier te laten worden, zooals voor den oorlog nog vaak het geval was, vrijwel niet meer bestond. Hiertegenover leefde er natuurlijk, in de eerste plaats in de sfeer van de legerleiding en daarnaast ook in de departementen, nog een groote groep lieden, die voortwerken op de vooroorlogsche traditie. De admiraal d'Argenlieu, die in Augustus was teruggeroepen en waarvan het vaststond, dat hij niet meer zou terugkeeren, behoort tot deze conservatieve groep. Het feit echter, dat Frankrijk eenigen tijd geen Kabinet heeft gehad, heeft aan de ambtenarij de gelegenheid gegeven om d'Argenlieu weer terug te sturen. Het wantrouwen aan Annamietische zijde is daardoor op zichzelf reeds versterkt, maar eveneens door allerlei conservatieve maatregelen. Van een werkelijk accoord, zooals in ons geval is gesloten, is daar verder eigenlijk geen sprake geweest, zoodat het niet zulk een groot wonder is dat de zaak in Indo-China is mis geloopen. Foster Haily, een Amerikaansch journalist van de New York Times, die zoo juist uit Indo-China is aangekomen en thans in Djocja vertoeft, heeft dan ook dezer dagen tegen Van Mook verklaard dat, naar zijn stellige overtuiging, de Franschen in Indo-China niet meer overhouden dan de steden Hanoi en Saigon en verder hun invloed in dat land vrijwel kwijt raken. Dat klinkt misschien wat somber, maar het is in ieder geval aan Nederland een waarschuwing om geen politiek met een dubbelen bodem te voeren.
Nu onze aankomst op Donderdag, 9 Januari, 's morgens om 11 uur in Batavia. Wij werden natuurlijk afgehaald door onze vrouwen en Dr. Van Mook, vergezeld van een belangrijk gedeelte van zijn medewerkers. Ik reed betrekkelijk snel met mijn vrouw en Van Mook in diens auto weg. Al vrij gauw kwam de opmerking: ‘Deze weken hebben mij drie jaar van mijn leven gekost’. In dit zinnetje lag alle spanning en alle verwijt over ons wegblijven tegelijk opgesloten. Tegen twaalf uur ben ik daarom even naar hem toegegaan om in een gesprek onder vier oogen over en weer wat uit te praten. Ik heb hem in de eerste plaats gezegd, dat wij, behalve het Kamervotum, buitengewoon weinig positiefs hebben meegebracht naar Batavia. Ik heb tegenover hem ook aan onze teleurstelling daarover wat lucht gegeven. Dat het achteraf niet heelemaal verkeerd is geweest om op 5 Januari maar weg te gaan, is heden ten dage duidelijk, omdat wij van al de ons beloofde stukken, nu, op 15 Januari, nog
geen enkel hebben ontvangen. Ook op den door hem gezonden brief over zijn persoonlijke positie1., aangevuld door mijn mondelinge mededeeling namens hem aan Jonkman, kon ik hem geen ander antwoord geven dan dat Jonkman zijn brief en de wijze van behandeling van dit vraagstuk zeer op prijs had gesteld. Ik heb hem toen als mijn persoonlijke indruk gezegd, dat ik niet verwachtte dat dit Kabinet er toe zou overgaan hem uitdrukkelijk te vragen na een verlofperiode aan te blijven. Zijn antwoord hierop was heel duidelijk: ‘Dan doe ik ook later niet meer mee en ga mijn eigen wegen’. Bovendien verlangde hij wel eenigszins naar het schrijven van het door hem beraamde boek, waarin alle objectieve informaties over de geschiedenis van Nederlandsch-Indië tusschen Mei 1940 en dit oogenblik aan de hand van de stukken een plaats zullen vinden2.. Wij kregen het in dit verband ook over Gerbrandy. Weliswaar verheugde hij zich over de actie van de regeering3., maar hij meende dat, indien de stukken op tafel zouden komen, dit voor Gerbrandy bepaald vernietigend zou worden. Hij liet mij o.a. het telegram zien, dat hij in 1944 in Brisbane had ontvangen en waarin Gerbrandy mededeeling deed van het besluit van het Kabinet om de functies van minister van koloniën en luitenant-gouverneur-generaal, zooals er staat: ‘overeenkomstig Uw wensch’, weer te scheiden. Wel drie keer staat er in dat telegram, dat het de wensch van Van Mook was om niet gelijktijdig luitenant-gouverneur-generaal en minister te zijn en de klap op de vuurpijl is dat het aan Van Mook werd overgelaten in welke functie hij wenschte aan te blijven. De redactie van het telegram verraadt duidelijk een zekere vrees dat Van Mook dit maar beroerd zou vinden en misschien wel zou wegloopen. Vandaar, dat er drie maal in dit telegram wordt gememoreerd, dat Van Mook zelf deze oplossing eigenlijk wilde. Nu, twee jaar later, doet Gerbrandy het Nederlandsche volk er mededeeling van, dat hij in 1942 al wist dat deze zelfde Van Mook politiek onbetrouwbaar was. Men moet maar durven!
In dit gesprek met Van Mook kwamen wij ook even op de politieke situatie in de republiek, doch dat was slechts een eerste aanloop voor een gesprek met de volledige commissie, waarvan wij afspraken dat dat 's middags om half vijf zou plaats vinden. Tijdens dit onder-
houd kwam De Boer ook even om den hoek van de deur kijken, maar Van Mook gaf hem te kennen dat hij eerst met mij persoonlijk wilde praten. Ik heb dit later aan De Boer uitgelegd en ik geloof, dat hij dat wel begreep.
In de middagbespreking kwamen de toestanden in Nederland, zoowel als in Indonesië, ter sprake. In welken zin wij de gebeurtenissen in Nederland beschreven, behoeft hier niet te worden herhaald; op vorige bladzijden van dit verslag1. ligt dit voldoende vast. Ten aanzien van Indonesië vertelde Van Mook ons het een en ander over den achteruitgang in den militairen toestand, vooral na de rede van Soedirman op 26 December. Terwijl vóór dien datum op Sumatra alles betrekkelijk nog rustig was, schijnt het dat deze redevoering, waarin een tirade voorkomt: ‘Wij zullen niet enkel antwoorden met een protest op papier, maar ook met daden’, verder: ‘Wij moeten tegenover de realiteit ook realiteit plaatsen’, en eindigend met de woorden ‘Geeft acht, voorwaarts, marsch’, op Sumatra is opgevat als een bevel om den strijd te hervatten. Aangegane overeenkomsten werden opgezegd en in Medan, Palembang en Padang werden wij op zoodanige wijze aangevallen, dat hierop slechts één ondubbelzinnig antwoord mogelijk was. In Palembang is van deze gelegenheid gebruik gemaakt om de geheele stad te bezetten en een gebied rond er om heen met een straal van 20 K.M. Daardoor is daar ter plaatse een onhoudbare toestand, dien de Engelschen er hadden achtergelaten, tot een uit militair oogpunt houdbare gemaakt. Nu komt echter als belangrijke punt achteraan, dat Van Mook overal order heeft gegeven om het contact met het republikeinsche civiele bestuur te bewaren. In Palembang is daarom de republikeinsche resident Isa weer in zijn functie hersteld. In Medan geschiedde hetzelfde. Het belangrijke is gelegen in het feit, dat daardoor tot uitdrukking komt dat de strijd niet gaat tegen de republiek als staatkundige verschijningsvorm, doch slechts tegen hen, die de samenwerking zooals die is geprojecteerd, wenschen te saboteeren. De luitenant-gouverneur-generaal wees er op dat slechts deze politiek ons kan behoeden voor verschijnselen, zooals thans in Indo-China zichtbaar worden.
Het spreekt vanzelf, dat wij in dit gesprek ook zeer breedvoerig terugkwamen op hetgeen in de Tweede Kamer is gebeurd, en vooral op het gebrek aan contact tusschen Nederland en Batavia gedurende
de weken, dat wij afwezig waren. Van Mook zette uiteen waarom hij geen andere houding kon aannemen dan beslissingen van politieken aard zooveel mogelijk uit te stellen. Den Pasar was om die reden verschoven1. en hij moest tot zijn spijt zeggen, dat, toen hij in Den Pasar arriveerde, de stemming van de verschillende afgevaardigden uitermate slecht was. Slechts geleidelijk is het gelukt deze te verbeteren. Er was in Den Pasar een vrij sterke republikeinsche inslag, doch de kregelige stemming ter plaatse, die bij deze groep vanzelfsprekend is, was - als gevolg van de ontvangst van Linggadjati in Nederland - ook op anderen overgeslagen. Wel was merkwaardig, dat het bericht van de aanneming van Linggadjati door de Tweede Kamer in Den Pasar zulk een enthousiasme had gewekt. Van Mook vermoedde wel dat het niet tot ons was doorgedrongen, dat dit bericht daar aankwam 's avonds om elf uur en dat toen verschillende van de afgevaardigden nog uit hun bed waren gekomen om hem geluk te wenschen met dit resultaat. Deze aanneming gaf in Den Pasar een groote opluchting en er is ook practisch geen enkele stem tegen Linggadjati vernomen2..
In deze bespreking werd overeengekomen, dat de voorzitter den volgenden dag Sjahrir zou telefoneeren. Inderdaad deed ik dat op Vrijdag. Het bleek mij, dat zijn gezondheid niet al te best was. Wij maakten een afspraak, dat hij 's avonds om negen uur bij mij zou komen. De bedoeling was niets anders dan een persoonlijke ontmoeting. Hij vroeg of hij een aantal van zijn menschen mee zou nemen, doch ik wimpelde dat af en zei dat ik het liever eerst particulier deed en dat ik ook van mijn kant alleen zou zijn.
Nu had Vrijdagmorgen de commissie-generaal onderling een soort bespreking, vergadering kon men het niet noemen. Het werd mij daarin volkomen duidelijk, dat de commissie er als zoodanig op dat moment nog niet erg veel lijn in zag. De Boer was kennelijk in een stemming dat wij er maar op moesten slaan, een stemming, die naar mijn overtuiging voor een gedeelte ook veroorzaakt wordt door een zekere teleurstelling over den gang van zaken niet alleen, maar ook door de critiek, die op de commissie-generaal en haar leden, inclusief De Boer, wordt uitgeoefend. Ook ikzelf was in een eenigszins geprikkelde stemming en toen Van Poll plotseling de rede van Romme als het ideaal van de Indonesische politiek scheen voor te
staan, ontplofte ik en zei dat ik het van den man, die in April het artikel schreef over ‘De week der schande’1., onmogelijk kon aanvaarden dat hij nu als zedemeester optrad tegenover al diegenen, die op het standpunt staan dat Linggadjati niet zuiver een ideaal representeert, maar ons min of meer is afgeperst. Ik voelde daarin een vorm van schijnheiligheid, die ik onmogelijk voor mijn rekening zou kunnen nemen. Na afloop van de bespreking heb ik aan Van Poll nog eens duidelijk gezegd dat ik in deze heele houding een element voel, dat mij persoonlijk uitermate sterk raakt. Immers verleden jaar had ik het spreken met de republiek mede voor mijn verantwoordelijkheid en vandaag zeg ik dat wij nu eigenlijk, door de feiten gedrongen, verder gaan dan technisch-organisatorisch verantwoord is. Hetgeen wij doen is, naar mijn vaste overtuiging, wel degelijk de weg van het kleinste kwaad, al ben ik dan ook bereid om dezen term in de toekomst niet meer te gebruiken.
Een tweede uitlating mijnerzijds in deze bespreking, die de heeren niet konden aanvaarden, was dat ik meende de republikeinsche delegatie er op te kunnen wijzen dat het Nederlandsche volk een koloniale oorlog, zooals zij ons in de schoenen schuift, niet zou aanvaarden, omdat naar mijn stellige overtuiging een algemeene staking, op zijn minst in Amsterdam, daarvan het resultaat zou zijn. Alleen de series stommiteiten en provocaties, die de republikeinen op het oogenblik bedrijven, zouden Nederland er toe kunnen brengen militair in te grijpen, zonder dat dit, behalve dan misschien bij de communisten, reacties te voorschijn zou brengen. Het bleek mij dat mijn collega's deze openhartigheid niet konden aanvaarden en van deze gedachte kennelijk schrokken. Ik vind dat eenigszins kinderlijk, omdat het natuurlijk vast staat dat de republikeinsche delegatie van de Nederlandsche politiek in dit opzicht vrij behoorlijk op de hoogte is. Ik memoreerde nog een brief van Slotemaker de Bruïne aan Setyadjit, die ik zelf had meegenomen en waarvan ik zeker was, dat deze informaties bevatte over de politiek in Nederland, in het bijzonder aan de linkerzijde. Trouwens, daar ben ik niet als koerier voor noodig. Toch zouden deze paar ontboezemingen mijnerzijds later vrij vervelende gevolgen blijken te hebben.
's Middags hadden wij een gesprek met Dr. v.d. Velde, den coördinator voor Sumatra, die ons een gedetailleerd overzicht gaf van al hetgeen er in de paar laatste critieke weken op Sumatra is
voorgevallen. Hierbij bleek weer eens, hoe moeilijk het voor onze menschen is om een goede maatregel ook goed uit te voeren. Indien het aan den militairen commandant zou hebben gelegen, zou de actie in Medan op een zoodanig tijdstip zijn ingezet, dat wij daardoor een belangrijk gedeelte van ons gezicht zouden hebben verloren. Nu kon het via de civiele lijn en een telegram van Van Mook juist nog worden gestuit. Over kleine dingen, als over het verbod tot dragen van iets, dat op een uniform lijkt en het zich laten uitkleeden van Indonesiërs, die zulke kleedingstukken dragen, spreek ik daarbij nog maar niet en evenmin van misselijke maatregelen als het laten inslikken van republikeinsche insignes en dergelijke dingen. Nog altijd komt dat voor en het Chineesche veiligheidscorps in Medan, dat uit den aard der zaak vol wraakgevoelens is, speelt in dit opzicht een bedenkelijke rol. Ik kreeg voor de zooveelste maal bevestigd dat deze Dr. v.d. Velde tot het beperkte aantal ambtenaren behoort, dat de politiek, zooals die gevolgd wordt, met overtuiging in toepassing brengt, terwijl hij daarnevens toch de tact heeft om ook met de militaire autoriteiten op redelijken voet te blijven. Het oordeel, dat ik echter al vroeger van Engelsche zijde over den kolonel Scholten in Medan kreeg, wordt in een onderhoud als dit wel bevestigd.
's Avonds na den Delftschen borrel in de Harmonie, waar ik met een club Delftenaren gezellig heb gegeten en ook de politieke stemming bij sommige menschen mij belangrijk meeviel, kwam om negen uur Sjahrir. Wie schetst echter mijn verbazing en ergernis, toen, zonder daarover tevoren met één woord met mij te hebben gesproken, de heeren De Boer en Van Poll het hoofd om de deur staken en zichzelf introduceerden. Ik heb mijn ergernis blijkbaar een beetje laten merken, want den volgenden avond, toen ik bij Sjahrir was, zei hij tegen mij: ‘Je vond het kennelijk niet pleizierig, datje beide collega's zonder meer de deur instapten’. Ik heb hem toen inderdaad geantwoord, dat dit tegen de afspraak was en dat ik vond, dat zij mij tegenover hem een figuur lieten slaan, omdat wij hadden afgesproken dat het een particulier gesprek zou zijn onder vier oogen.
Nu werd het natuurlijk min of meer een politiek gesprek met beschouwingen over den toestand, waarin Sjahrir zich in zijn eentje in een onpleizierige positie moest voelen. De stemming was echter tegenover hem geenszins onvriendelijk. Ook hij was voor ons precies dezelfde als tevoren. Ik moet eerlijk zeggen, dat ik mij van de details van dit gesprek op het oogenblik, na enkele dagen, betrekkelijk weinig positiefs meer herinner. Wij hadden natuurlijk al wel eeniger-
mate een overzicht van hetgeen was geschied, maar geen van de heeren bevond zich toen nog in een alarmistische stemming.
Eén ding stond bij mij natuurlijk wel vast. Ik kon deze vertooning onmogelijk op mij laten zitten en daarom sprak ik bij het uitlaten van Sjahrir met hem af, dat ik den volgenden dag, dus Zaterdag tegen zessen, bij hem een tegenbezoek zou brengen.
Ik begrijp in de wereld niet, waarom mijn beide ambtgenooten zich tot dezen stap hebben laten verleiden en niet hebben begrepen dat het in de omstandigheden, waarin zij zich bevonden, ook voor hen ging om de keuze van het kleinste kwaad. Dat zij tegenover den Oosterling hun voorzitter zijn gezicht onder geen enkele omstandigheid mochten laten verliezen, had hun vóór alles duidelijk moeten zijn. Dat zij dat niet hebben begrepen, is misschien de grootste fout naast die, welke schuilt in het feit, dat zij tegenover de tegenpartij openlijk een verschil in de Nederlandsche delegatie hebben weggegeven. Ook al zouden zij overtuigd zijn geweest, zooals zij inderdaad waren, dat particuliere gesprekken van Sjahrir en mij in de huidige omstandigheden ongewenscht zijn, dan nòg hadden zij het risico van dit eerste gesprek moeten aanvaarden, omdat de kwade kansen, die daarin zaten - gezien het verleden - bepaald belangrijk kleiner waren dan de zekerheid van het ongeluk, dat zij thans hebben aangericht. Zij hebben nu ongewild het vreemde effect bereikt, dat zij mij psychologisch dichter bij Sjahrir hebben gebracht, omdat er door de vertrouwelijkheid tusschen hem en mij inzake dit eene punt, dat een tegenstelling vormt tot mijn beide collega's, een element van gemeenschappelijkheid is geschapen. Natuurlijk zal ik mij hiertegen weten te verzetten, maar het bewijst hoe slechte psychologen de beide andere heeren in wezen eigenlijk zijn op het moment, dat de omstandigheden een zekere hoeveelheid tegenwind produceeren.
Het gesprek op Zaterdagavond met Sjahrir was openhartig en wel goed. Ik heb hem vooral nog eens op het hart gebonden, dat ik van de reactie van een man als Sjarifoedin meer onder den indruk ben dan van eenige andere akeligheid, die in dezen tusschentijd heeft plaatsgevonden. Hij zelf staat op het standpunt, dat zulke dingen niet zouden zijn gebeurd, indien de commissie-generaal in dit land zou zijn gebleven en indien wij regelmatig contact hadden kunnen behouden. Het wantrouwen is aan republikeinsche zijde hoog opgelaaid en bepaalde elementen hebben iedere gelegenheid, die er van onzen kant voor het aanwakkeren er van werd geleverd, dankbaar aangegrepen.
In datzelfde gesprek met Sjahrir, dat dus nu een week geleden plaats vond, heb ik nog eens nadrukkelijk ook op zijn verantwoordelijkheid gewezen voor hetgeen er gebeurt. Het blijft voor mij vandaag meer dan ooit waar, dat de goede gang van zaken in dit land berust in de handen van slechts enkele menschen, waarbij er dan naast ons nog allerleilieden staan, die bereidzijn om deze handen te binden. In de afgeloopen week ben ik over dat feit wel eens wanhopig geweest, maar eerlijk gezegd ben ik daar op het oogenblik weer volkomen overheen en weet ik zeker, dat, tusschen al deze weifelende menschen, opnieuw de kans groot is om zelf, indien ik slechts de uiterste zelfbeheersching aan den dag leg, weer de kaarten van dit spel volledig in handen te krijgen.
Toen ik met Sjahrir over Sjarifoedin sprak, zei hij het op prijs te stellen, indien ik eens met dezen een gesprek onder vier oogen zou willen hebben. Hij verwachtte daarvan een verbetering van de stemming van Sjarifoedin. Ik controleerde bij hem ook nog even de verhoudingen aan militaire zijde. Hij bevestigde inderdaad, dat Soedirman uit militair gezichtspunt ondergeschikt was aan president Soekarno en alleen administratief en uit budgetair oogpunt aan den minister van oorlog. Dit is dus de zuiver autoritaire constructie. Hiermee bracht ik ook in verband de verwarring omtrent de vraag of het cease fire nu is afgegeven of niet. Sjahrir vertelde dat drie dagen, nadat Soedirman in het publiek had ontkend, dat hij deze order zou hebben gegeven, Sjarifoedin deze zou hebben uitgevaardigd. Ik moet eerlijk zeggen, dat ik dat een twijfelachtige geschiedenis vind en dat de heeren dan toch worden uitgenoodigd om ons een afschrift van dat bevel en liever nog het origineel te toonen. Is echter de bovenvermelde verhouding juist, dan kan deze order van Sjarifoedin ook geen enkele kracht hebben gehad en lijkt het mij daarom onwaarschijnlijk, dat hij deze zou hebben gegeven. Ik zou dan hoogstens de algemeene verwarring in de gezagsverhoudingen aan republikeinsche zijde als verklaring kunnen aanvoeren voor deze daad, waarmede Sjarifoedin zijn bevoegdheid zou hebben overschreden.
Sjahrir uitte tegen mij overigens meer bezwaren over den gang van zaken in Buitenzorg, dan over die in het bijzonder in Palembang en Medan. Aan de hand van hetgeen ik 's morgens in de vergadering van de commissie-generaal met Spoor en Pinke had gehoord, leek
mij dat niet heelemaal onwaarschijnlijk, maar ik heb mij daarbij van verder commentaar onthouden, omdat ik uit den aard der zaak de details onvoldoende ken.
Wij zijn in dit gesprek tot de conclusie gekomen, dat er maar één weg is, die weer uit het moeras kan voeren, nl. de Nederlandsche en Indonesische instanties samenbrengen en de wederzijdsche verwijten aan de hand van de feiten verifieeren en trachten aldus tot een oplossing te komen. Hij aanvaardde dit volkomen. Merkwaardig was wel, dat hij niet sprak over bemoeienis van de Engelschen en dat ook in de geheele publieke discussie, die in de afgeloopen dagen over de schendingen van het bestand van republikeinsche zijde heeft plaats gevonden, op deze mogelijkheid evenmin is gezinspeeld. Ik heb eenig vermoeden, dat de heeren dan toch in het gedrang zouden komen en dit wat al te duidelijk inzien.
Op Zaterdagmorgen, 11 Januari, had de commissie een vergadering met de militaire heeren, generaal Spoor, generaal Buurman van Vreeden, vice-admiraal Pinke en de kapiteins ter zee Willinge en zijn opvolger Kist. De bedoeling van deze vergadering was om de commissie-generaal een inzicht te geven in de militaire situatie, zooals die is gegroeid en, indien mogelijk, een richtlijn voor toekomstig handelen vast te stellen. De discussie draaide hoofdzakelijk om de activiteit van het leger. Alle besprekingen over demarcatielijnen zijn vrijwel op een mislukking uitgeloopen. Na heel veel gepraat heeft generaal Spoor deze op een gegeven moment eenzijdig moeten vaststellen. De Indonesiërs hebben zich daaraan echter niet gehouden. Naar aanleiding daarvan is er weer gepraat en heeft de bekende reis van Dr. Idenburg en generaal Buurman van Vreeden met Sjarifoedin en Oerip op Java plaats gevonden. Ook dit leverde niets op en Sjarifoedin heeft moeten erkennen, dat hij zijn menschen niet heeft kunnen overtuigen. Uit dezen gang van zaken blijkt, dat wij ten slotte tot een eenzijdige vaststelling van demarcatielijnen hebben moeten overgaan, nadat wij zonder resultaat gedurende twee en eenhalve maand hadden gepraat en zonder dat in dien tijd het cease fire van Indonesische zijde was gegeven. Generaal Spoor merkte terecht op dat het bestand zelf een lichtpunt is geweest, de uitvoering er van was echter nagenoeg over de geheele linie teleurstellend. Over de te volgen politiek was de vergadering het geheel eens. Wij zullen de republiek duidelijk moeten waarschuwen, dat wij in een geval als Soerabaja de agressie niet langer wenschen te verdragen en dat, indien deze niet ophoudt, van Neder-
landsche zijde militaire maatregelen zullen worden genomen, die aan zulk een activiteit een gewelddadig einde bereiden.
De Boer bracht aan het slot van deze vergadering al wel even de mogelijkheid ter sprake van een volledige bezetting van Java, die noodzakelijk zou kunnen worden, indien Soedirman in zijn scherpe houding zou blijven volharden. Generaal Spoor antwoordde, dat met de voorbereiding van zulk een actie toch minstens twee maanden te voren moet worden begonnen, doch dat - m.i. zeer terecht - t.z.t. een operatie met beperkte doelstelling voldoende zal kunnen zijn. De bezetting van Malang en Modjokerto van Soerabaja uit zou reeds een zeer groote uitwerking hebben. Met betrekking tot deze politiek is het vermeldenswaard dat ik vandaag, dus 18 Januari, als voorzitter der commissie-generaal, aan de Nederlandsche en Indonesische hoofden van de delegaties in de bestandscommissie, Idenburg en Sjarifoedin, een brief heb gezonden, met de mededeeling dat de republikeinsche regering de constante beschieting van Soerabaja en Semarang met artillerie tot een einde moet brengen en dat anders de commissie-generaal aan den landvoogd in overweging zal geven langs den weg van militaire maatregelen aan dezen toestand een einde te maken. Deze brief is in afschrift gezonden aan Van Mook en aan Sjahrir, waarbij laatstgenoemde verzocht wordt Sjarifoedin zoo snel mogelijk van den inhoud van dezen brief in kennis te stellen. Ik vermoed, dat dit wel a.s. Maandag zal gebeuren als Sjarifoedin uit Djokja hier komt. Zonder twijfel zal deze brief bij de republikeinen eenige opschudding veroorzaken, maar het is de consequentie van hun eigen daden en van de politiek, zooals wij die in de vergadering van 11 Januari hebben uitgestippeld en die ook persoonlijk mijn volledige instemming heeft. Aan de hand van deze bespreking zal Van Mook een legerorder opstellen voor de commandanten, die deze politiek toelicht, terwijl een uitvoeriger memorandum zal worden opgesteld voor de legerleiding. Dit stuk heeft Van Mook in het begin van deze week inderdaad gemaakt en hebben wij daarna eenigszins omgewerkt en wat overzichtelijker gemaakt. Het wil mij voorkomen, dat het nu een duidelijk document is geworden. Het is ook aan Jonkman gestuurd als bijlage bij een brief, waarop ik hieronder misschien nog terug kom.
In het algemeen moet ik zeggen, dat Spoor in besprekingen als deze blijk geeft van opvattingen, waarmee ik het van harte eens kan zijn. Het is best mogelijk, dat hij tegen zijn eigen mannetjes een eenigszins ander geluid laat hooren. Ieder mensch wordt nu een-
maal min of meer mede bepaald door zijn omgeving, maar bij de vaststelling der richtlijnen, zooals in onze vergadering geschiedt, is hij zeker geen oppositioneel element. De huidige bewering van de republiek, dat er twee politieke lijnen zijn, die van Van Mook en die van Spoor, zijn aan de hand van een vergadering als deze met volle overtuiging tegen te spreken.
Ten aanzien van Pinke ligt deze zaak volkomen anders, zooals ook trouwens wel is gebleken uit de Kerstboodschap van beide heeren, waarvan die van Spoor heel goed en die van Pinke miserabel dom was. De Marine is in dit opzicht nu eenmaal belangrijk lastiger.
Den volgenden Zondagmorgen werd ik op de voorgalerij aangeschoten door De Boer, die tegenover mij begon over mijn bezoek aan Sjahrir. Hij meende, dat dit onjuist was. Ik heb hem daarop natuurlijk geantwoord, dat de wijze, waarop zij het Vrijdagavond tracteerden, nog onjuister was en dat zij mij eenvoudig gedwongen hadden om Zaterdagavond een tegenbezoek aan Sjahrir te brengen. Ik heb hem bij deze gelegenheid gevraagd of dit misschien een nieuwe tactiek was, die de heeren toepasten op order van Den Haag. Hij heeft dit ten stelligste ontkend. Ik ben wel bereid om dat te gelooven, maar een zekere hoeveelheid gestook tegen ondergeteekende kan misschien toch wel eenigen invloed hierop hebben gehad. Immers, vóór ons vertrek hebben de heeren er nooit een enkele opmerking over gemaakt, zoodat het mij nu bepaald onbegrijpelijk voorkwam, tenzij zij het vertrouwen in den voorzitter om een of andere reden hadden verloren. Toen kwam De Boer met dat verhaal over mijn uitlating in de eerste bespreking met betrekking tot de kans op het staken. Later zou ik in een vergadering van de commissie-generaal dit argument ook van Van Poll nog eens te hooren krijgen. Het wil er bij mij onmogelijk in, dat dit het eenige argument is. In ieder geval maakte een gesprek als dit mij ook wel weer duidelijk, dat ook binnen de commissie-generaal de situatie belangrijk moeilijker is dan voor ons vertrek. Het is uitermate lastig precies vast te stellen, welke daarvan eigenlijk de oorzaken zijn. Veel haalde dit gesprek niet uit; mijn indruk was toen al, dat De Boer met de geheele zaak min of meer om de hals zit.
Maandag, 13 Januari, was de groote dag voor den staat Oost-Indonesië. 's Middags om vier uur in het gebouw van den Raad van Indië in het Hertogspark een plechtige zitting van het Kabinet met een soort inaugureele rede van den president Soekawati, van den premier Nadjamoedin en daarna een rede van Van Mook. 's Avonds
receptie in het receptie-paviljoen van Hotel des Indes. Persoonlijk was de geheele plechtigheid mij wat te Nederlandsch. Ik kan mij voorstellen, dat, met het oog op het publiek, de meerderheid der gesproken woorden Nederlandsch was, maar het feit, dat er geen enkel Indonesisch zinnetje is uitgesproken, maakte op mij toch een eenigszins bedenkelijken indruk. Tegenover de republiek is de staat Oost-Indonesië even goed al een zwak geval en staan zijn bestuurders onder verdenking een functie te vervullen bij de gratie van het Nederlandsch-Indisch gouvernement. Dat is slechts ten deele juist, want dat zij deze functie vervullen wordt voor een gedeelte ook veroorzaakt door de motorische kracht, die de nationalistische en gedeeltelijk republikeinsche beweging in het gebied van Oost-Indonesië zelf veroorzaakt. Met het oog op deze laatste omstandigheid is het voor deze bestuurders noodzakelijk hun nationalistisch Indonesisch karakter vooral niet te verloochenen. Zeker, de toespraak van Soekawati was in dit opzicht wel goed. Hij sprak over het groote Indonesische vaderland, waarvan ook Oost-Indonesië een deel uitmaakt. Vraagt men zich af of deze man dit werkelijk meent, of dat hierin een stuk tactiek schuilt, dan zal waarschijnlijk beide wel eenigszins het geval zijn. In ieder geval vind ik het zeer juist van hem op begrip voor dit vaderland ook in zijn gebied een appèl te doen. Toch is natuurlijk de verhouding van zulk een bestuur, met alle zelfstandigheid, die wij het toekennen, tegenover ons een geheel andere dan die van de republiek. Van vijandigheid is bij deze menschen geen sprake en plannen, die wij hun voorleggen voor de ontwikkeling van dit gebied, zoowel op economisch als op bestuursterrein, worden gaarne aanvaard. Bij de republiek zou ditzelfde gebaar onzerzijds alleen maar wantrouwen wekken en het vermoeden, dat wij er iets ten eigen voordeele mee bedoelen. Van Mook legde er bij een bespreking in de commissie zeer terecht den nadruk op, dat onze kracht er in moet zitten, dat wij deze menschen het gevoel geven, dat wij te hunnen bate piekeren en plannen maken. Wij moeten als het ware voor hen denken en hun het resultaat daarvan toch in zoodanige vormen aanbieden, dat zij er op zijn minst een werkzaam aandeel in hebben gehad en misschien zelfs het gevoel hebben, dat zij het zelf hebben uitgevonden. Dat is trouwens een menschelijke trek, die niet alleen geldt voor Indonesiërs, maar ook vaak binnen de Nederlandsche gemeenschap opgeld doet. Ik heb in mijn leven van deze tactiek tenminste al vrij vaak genoegen beleefd. Ten aanzien van dit volk
geldt dit echter op groote schaal en zal systematisch moeten worden toegepast, zonder dat wij daarbij ook maar eenigszins een blijk van geringschatting aan den dag leggen.
's Middags bij de plechtige zitting waren er wel republikeinsche journalisten, maar ik heb geen offlcieele vertegenwoordiging van de republiek gezien, 's Avonds op de receptie is de republiek wel aanwezig geweest, zij het ook niet vertegenwoordigd door ministers, want die waren allen in Djocja.
Nadat prof. Romme - die, nu de begrootingsdiscussies zijn afgeloopen, uitvoering heeft kunnen geven aan zijn voornemen hier eens te komen kijken1. - Zondagavond met de leden der commissie-generaal bij ons had gegeten, had ik Dinsdagmorgen een vergadering belegd met de bedoeling om aan Romme een zoo goed mogelijk inzicht te geven in den stand van zaken. Ik vermoedde, dat in zulk een vergadering Van Mook meer op de zaak zou ingaan en ook beter tot zijn recht zou komen dan in een particuliere audiëntie aan Romme, waarin, naar te vermoeden viel, hij zich weinig zou geven. Ik heb den indruk, dat deze veronderstelling juist is geweest, want ik begreep van Romme, die Zondagmorgen om 11 uur bij Van Mook zijn opwachting had gemaakt, dat het eerste gesprek slechts zeer oppervlakkig was geweest. Dit staat zeker in tegenstelling tot de vergadering van Dinsdagmorgen2.. Van Mook heeft daarin de ontwikkeling van de laatste weken zeer duidelijk geschetst, zooals hij dat in de vorige vergaderingen ook aan ons had gedaan. Ik wil uit deze uiteenzetting in het bijzonder een punt naar voren halen, dat m.i. van groot belang is. Van Mook wilde er nl. op een of andere wijze den nadruk op leggen, dat de politiek, zooals die is neergelegd in de overeenkomst van Linggadjati, in stand zal moeten blijven, ook in het geval dat de republiek ten onder zou gaan. Dit is natuurlijk een gedragslijn, geheel in overeenstemming met hetgeen hij zelf in Palembang en in Medan heeft bevolen3.. Zij is echter in strijd met de wenschen van tallooze conservatieven in Nederland, die van de schoone gelegenheid, dat de republiek zou verdwijnen, gaarne gebruik zouden maken om weer een heel stuk in de oude richting terug te keeren. De gedachte van Van Mook is echter volkomen logisch en sluit volstrekt aan bij de rechtvaardiging, die wij zelf voor deze politiek hebben gevonden. Linggadjati, en al hetgeen
er aan vast zit, is in beginsel niet opgedrongen door de republiek, doch de practische consequentie eener groeiende nationalistische beweging, die haar tijdelijken uitdrukkingsvorm in de republiek Indonesia heeft gevonden. Mocht deze republiek verdwijnen, dan kan er geen sprake van zijn, dat daarmee ook de nationalistische beweging zou zijn verdwenen. Het kan nl. heel goed zijn, dat het langs militairen weg elimineeren van de republiek de nationalistische beweging alleen maar zou versterken.
De Boer lokte ik uit zijn tent door de opmerking, dat hij in zijn somberste oogenblikken het meest voelt voor een systeem van militaire actie over het geheele land. Zelf wees ik dat direct af ten gunste van incidenteele actie. Ik deed dit met opzet om ten aanhoore van Romme deze discussie te ontketenen, die ik toen reeds zag hangen, mede naar aanleiding van het gesprek, dat ik op Zondagmorgen met De Boer had gehad. Inderdaad bevestigde deze dit als zijn meening en gebruikte daarbij ook het argument, dat in 1947 de zaak hier in groote trekken voor elkaar moest zijn. Van Mook bestreed dit natuurlijk door te betoogen, dat het wel zou kunnen zijn dat wij bij den door De Boer voorgestelden weg hier in 1948 nog meer dan vijf divisies moeten hebben, terwijl bij een voorzichtig optreden wij misschien eind 1947 met drie divisies kunnen volstaan. Van Mook hoopte in Oost-Indonesië binnen enkele maanden de militaire bezetting tot de sterkte van voor den oorlog terug te kunnen brengen, omdat de zaak daar thans politiek is opgelost. Vóór deze oplossing werd de situatie er steeds slechter en hebben wij er iederen keer meer troepen moeten inzetten. Ook Van Poll maakte de opmerking, dat dit probleem niet volgens algemeene beginselen kan worden opgelost. Verder drong De Boer op dit punt niet meer aan en viel het onder de tafel.
Prettig was, dat Romme zeer duidelijk liet blijken en ook uitsprak, dat wij de lijn van Linggadjati inderdaad hebben te volgen, ongeacht hetgeen de republiek doet. In het gesprek hierover stelde Van Mook de wenschelijkheid, dat de regeering op een geschikt moment ondubbelzinnig zou verklaren, dat Linggadjati ons politieke richtsnoer zal blijven, wat er ook met de republiek gebeurt. Ik ben het daarmee van harte eens en het gevolg van deze vergadering is dan ook geweest, dat ik een brief heb opgesteld aan Jonkman, waarin twee zaken zijn behandeld, nl. vooreerst de voorgestelde tactiek op militair gebied, waarbij ter toelichting de nota voor de militaire leiding en de legerorder voor de militaire com-
mandanten1. als bijlagen werden opgenomen. In de tweede plaats heb ik een pleidooi gehouden voor het afleggen van zulk een regeeringsverklaring. Zulk een verklaring zal gunstig werken naar de zijde van de Nederlandsche reactie, die zal begrijpen, dat, ook al zakt de republiek in elkaar, er in feite toch niet al te veel verandert, en naar Indonesische zijde is zulk een verklaring gunstig, omdat allerlei elementen, die tegen de republiek in den huidigen verschijningsvorm wel bezwaren hebben, er uit kunnen leeren, dat het niet de bedoeling is om, wanneer Soedirman c.s. mochten worden geëlimineerd, de zaak weer op den ouden voet voort te zetten. Ik heb de mogelijkheid gesteld om deze verklaring namens de regeering door de commissie-generaal te doen afleggen of door de regeering zelve op een tijdstip, dat telegrafisch door de commissie-generaal aan de regeering wordt kenbaar gemaakt. Van Mook en ik achtten het nl. beiden een noodzakelijkheid de keuze van het tijdstip aan Batavia over te laten.
De heer Romme juichte deze daad nog toe, omdat dat in Nederland een gevoel van ‘verder afglijden’ zou kunnen wegnemen. Het vertrouwen te dier zake zou in ons land nu eenmaal zoek zijn. Ik ben toen in deze discussie zelf nog wat nader op dat punt ingegaan. Het lijkt mij een van die dingen, die historisch van het grootste belang zijn om straks te begrijpen, wat er van 1945 tot 1947 in dit land precies is gebeurd. Wil men de gedachte van het afglijden analyseeren, dan moet men m.i. onderscheid maken tusschen de ontmoeting met de republiek eenerzijds en de geheele staatkundige conceptie anderzijds. Nu is mijn overtuiging, dat het gevoel van afglijden in het Nederlandsche volk vooral is veroorzaakt door het feit, dat wij met de aanvaarding van de republiek, inclusief die van den persoon Soekarno, uit den aard der zaak van 1945 tot 1947 steeds verder zijn geschreden. Wie bedenkt, dat op 17 Augustus 1945 van de republiek alleen nog maar een proclamatie bestond en misschien een vaag idee over haar organisatie in de hoofden van een beperkt aantal jonge en zeer jonge nationalisten, en wie verder bereid is om te erkennen, dat de verschijningsvorm van de republiek in den loop van bijna 18 maanden al tastbaarder is geworden, ook voor de groote massa der Indonesiërs, die kan er waarachtig de Nederlandsche regeering geen verwijt van maken, dat zij met het bestaan van deze republiek in sterkere mate rekening is gaan houden dan zulks
in Augustus 1945 het geval was. Men kan dat afglijden noemen - men kan dat echter ook beschouwen als de uitingsvorm van een zekeren werkelijkheidszin.
Ik geef echter oogenblikkelijk toe, dat in het bijzonder onze houding tegenover Soekarno dit gevoel van afglijden bij het Nederlandsche volk uitermate sterk heeft beïnvloed. Misschien is dat het ergste gevolg van de fout, die mijn Kabinet in de laatste maanden van 1945 heeft gemaakt1.. Beziet men daarentegen de staatkundige conceptie, dan staat de zaak volkomen anders. Zeker, in onze verklaring van 6 November 1945 vindt men weinig concrete punten. Dat was dan ook haar gebrek, en Van Mook heeft ons daar indertijd ook direct slechts matige resultaten van voorspeld. Deze verklaring kwam stijf na de Novemberverklaring van de republiek, die uitermate concreet was en duidelijke eischen stelde2.. De eerste Nederlandsche verklaring, die staatkundig eenig houvast bood, was die van 10 Februari 19463.. Vergelijkt men nu Linggadjati daarmee, dan is er naar mijn stellige overtuiging van afglijden geen sprake, doch alleen van een consequente toepassing van het federalistisch beginsel. Toch maakte Romme wel een verstandige opmerking, toen hij zei dat men een onzeker gevoel heeft wat de toekomstige constructie betreft, omdat in de plaats van het Koninkrijk oude stijl de Unie is gekomen, waarvan men den inhoud nog niet kent. De menschen reageeren aldus: wij weten wat wij hadden, maar nog niet wat wij terugkrijgen. In het algemeen had ik van deze vergadering met den heer Romme een zeer prettigen indruk.
's Middags vond nog een vergadering van de commissie-generaal plaats met generaal Spoor, ten einde de punten na te gaan, die hij in Nederland zal bespreken. De regeering heeft telegrafisch de vragen opgegeven, waarover het zal gaan, en generaal Spoor heeft daarop een antwoord gemaakt en naar aanleiding hiervan stelde
Van Mook een nota op, die handleiding is geweest bij deze besprekingen. Eerlijk gezegd meen ik, dat de aard van de gestelde problemen deze reis van generaal Spoor nauwelijks rechtvaardigt. Hem hier in dit critieke stadium voor eenige weken weg te halen, acht ik bedenkelijk en de meeste punten, die zijn opgeworpen, leenen zich heel goed voor een schriftelijke behandeling. Het gaat natuurlijk in hoofdzaak over de legersterkte, de organisatie van de aflossing, het plan van de Marine om de mariniers-brigade te liquideeren, de materieele uitrusting, enz. Achter al deze vraagstukken ligt echter het fundamenteele politieke probleem verborgen. Het zou mij niets verwonderen of Helfrich, Kruls c.s. willen wel eens probeeren uit den mond van generaal Spoor een bevestiging te krijgen van hun eigen politieke inzicht. Ik hoop om een lief ding, dat Spoor karaktervol genoeg zal zijn om het standpunt, dat hij hier in de vergaderingen van de commissie-generaal en in den Raad van Departementshoofden inneemt, ook in Nederland te verdedigen. Ik vermoed, dat hij daarmee ons land een grooter dienst bewijst dan door meepraten met Helfrich, die nog nooit één dag na 1945 ook maar in de verste verte een begin van bewijs heeft geleverd, dat hij van de situatie een snars begrijpt. Ik weet werkelijk niet waarom het departement van marine, dat nu pas een aantal oude heeren naar huis heeft gestuurd, een man als Helfrich nog handhaaft. Ik durf het persoonlijk niet al te best te beoordeelen, maar wanneer ik nu hier in Indië op het oogenblik verschillende stemmen beluister, dan rijst voor mij toch de vraag, of het bevel van Helfrich aan Doorman voor den slag in de Javazee eigenlijk wel een principieel verschil vertoont met dat van Hitler aan generaal Paulus in Stalingrad.
In ieder geval is de beleidsnota, die de commissie-generaal aan Jonkman heeft gestuurd en die de instemming heeft van Spoor, een behoorlijke verankering van onze politiek en beschermt deze ons in vrij sterke mate tegen beschouwingen uit den Raad M.A.K.1. en is zij ook voor generaal Spoor een moreele steun. Ik hoop er het beste van.
gadering met admiraal Pinke. Dat speelde Woensdagmorgen1. in de 38e vergadering. Op zee ligt de zaak eigenlijk heel wat moeilijker dan te land. Bij nadere beschouwing is de populaire uitlating van admiraal Pinke: ‘De zee is van mij’ niet zoo onbegrijpelijk. De moeilijkheid is nl., dat de contrôle alleen kan worden uitgeoefend binnen de 3-mijlszone. In open zee heeft de Marine ten aanzien van schepen onder vreemde vlag alleen het recht om te controleeren of de papieren in overeenstemming zijn met de vlag, die wordt gevoerd. Het incident bij Cheribon, waarbij de Kortenaer de aan onze delegatie welbekende G.M.2. in den grond schoot, houdt met deze opvatting verband, omdat een aantal republikeinsche schepen trachtten het onderzoek binnen de 3-mijlszone van een Chineesch scheepje te beletten. Er werden waarschuwingsschoten gelost en er werd geseind om te stoppen, doch de republikeinsche zeemacht ‘gaf hieraan geen gevolg’. Nu kan men zich afvragen of het van de Nederlandsche Marine een erg moedige daad is om zulk een schuitje in den grond te schieten, maar aan den anderen kant is het formeele standpunt van admiraal Pinke, dat dit een begin is van machtsuitoefening van de republiek ter zee, ook juist. De slotconclusie van deze bespreking was dan ook terecht, dat de Nederlandsch-Indische wetten ter zee blijven gelden tot aan de kusten van Java en Sumatra toe, dus ook binnen de 3-mijlszone. Intusschen wordt deze materie acuut, nu de admiraal ons mededeelde dat de republiek ook begint met den uitvoer van ondernemingsproducten uit Java en er een geregeld passgiersvervoer, in hoofdzaak militair, tusschen Java en Telok Betong op Sumatra, ontstaat. Het hangende uitvoerverbod voor Java en Sumatra voor alle ondernemingsproducten, zal dezer dagen nog worden afgekondigd3. en de gevolgen hiervan zullen zonder twijfel een punt van bespreking tusschen beide delegaties gaan uitmaken. De toestand, zooals deze thans is, is eigenlijk onhoudbaar.
Van hetgeen ik dien Woensdag verder beleefde, is, behalve het concipieeren van den brief aan Jonkman, waarover ik gisteren sprak, te vermelden een gesprek met den heer D. van der Meulen. Ik heb den indruk, dat Van Mook dezen man een beetje in de takken laat hangen. Hij is nu nog altijd werkzaam in een tijdelijke functie bij den R.V.D., z.g. voor voorlichting aan en particuliere correspon-
dentie met het binnenlandsch bestuur. Zijn bedoeling met dit gesprek was het verkrijgen van een zekere background-information ten bate van deze voorlichting. Het gesprek kon niet langer dan een uur duren en ik heb daarom meer van hem gehoord dan hij van mij. Misschien is dat op zichzelf een beetje een bezwaar van dezen man, die zeer helder is, maar die wat te gemakkelijk praat. Eén opmerking uit dit gesprek wil ik toch wel weer vastleggen. Hij had rondom Kerstmis ook voor de troep spreekbeurten vervuld. Aan het eind van zulk een spreekbeurt, maakte hij soms enkele opmerkingen, die betrekking hadden op de actueele situatie van den soldaat en die dus een politieke strekking kregen. Bij een mitrailleursbataljon of compagnie - dat herinner ik mij niet meer - had aan het slot de commandant daarvan hem gezegd, dat hij politieke voorlichting volkomen overbodig vond en dat men dat maar aan hem moest toevertrouwen. De soldaat had slechts één ding te begrijpen, nl. dat iedere inlander een vijand was. Van der Meulen was, mede naar aanleiding van zulk een uitlating en andere, die hieraan verwant waren, wel eenigszins somber over het effect van behoorlijke voorlichting in het leger. Het ware te wenschen, dat ieder der commandanten zich tot het standpunt van Spoor zou kunnen opwerken.
Het lijkt mij bitter noodzakelijk den legervoorlichtingsdienst nog eens nader onder de loupe te nemen. Ook Van Poll voelt sterke behoefte aan een zekere gelijkvormigheid in de voorlichting, zooals die door de verschillende organen wordt gegeven. Zooals het nu is, is het bepaald te gek. De R.V.D. heeft een figuur als Van Goudoever, die ten aanzien van de regeeringspolitiek misschien zelfs nog wat verder zou willen gaan, althans altijd blijk geeft de republiek te begrijpen en soms te verontschuldigen, terwijl Van Berckelaer van den legervoorlichtingsdienst (die van Sluyser de onvolprezen bijnaam van ‘Kees de bok’ kreeg, geïnspireerd door zijn baardje en zijn geheele mentaliteit) een man is, waarvan ik overtuigd ben dat hij de regeeringspolitiek vijandig gezind is. Op zijn minst kan men zeggen, dat hij deze innerlijk niet kan meemaken. Waarom generaal Spoor nu dezen Kees heeft meegenomen in zijn staf naar Nederland, is mij tot op zekere hoogte ook een raadsel. Ik denk, dat ik de onder hem en met hem werkende overste Borghouts maar weer eens voor een gesprek zal uitnoodigen om te probeeren langs dien weg eenigen invloed uit te oefenen.
Het persoonlijk element, waarmee wij hier te maken hebben, blijkt
na onze terugkomst eigenlijk nog een wat grootere rol te spelen dan voor ons vertrek. Ik bedoel dan natuurlijk de gevoeligheden en eigenaardigheden van de menschen. In de eerste plaats geldt dit vanzelfsprekend de figuur van Van Mook.
Al direct, in de eerste dagen van ons verblijf, hoorde ik van den heer Maassen, dat de ondernemerswereld weer eens op zijn achterste beenen stond. De heer Raadsheer van de H.V.A. had met Van Mook een onderhoud gehad, dat den heeren alles behalve naar den zin was. Nu moet ik eerlijk zeggen, dat ik den inhoud er van ook niet al te best begreep. Het werd wat beter, toen de heer Maassen mij een geheim rapport over deze besprekingen, dat naar de directie in Holland was gegaan, in afschrift liet lezen. Het ging over het aloude conflict van de houding der ondernemers tegen het opkoopen van hun eigen producten, die thans illegaal en clandestien worden uitgevoerd, aanvankelijk alleen van Sumatra, maar nu ook van Java, naar Singapore1.. Het zijn hoofdzakelijk de Chineezen en de Engelschen, maar vooral de eersten, die daaraan veel geld verdienen. De aanleiding was het bezoek van Sidney van den Bergh van de Unilever, die probeert in opdracht van Mansholt 30 000 ton palmolie voor een waarde van ongeveer 30 millioen gulden van Sumatra's Oostkust te pakken te krijgen en te exporteeren. Natuurlijk heeft dat zeer veel voeten in de aarde. De ondernemers weten eigenlijk niet precies, waar die palmolie ligt en in welke hoeveelheden. Tot heden was deze niet uitgevoerd, maar zulks schijnt op het oogenblik te dreigen, omdat van den overwal de emballage beschikbaar werd gesteld. Dit probleem van bijzonderen aard bracht de geheele zaak opnieuw aan het rollen. Van Mook had voorgesteld om te trachten
deze goederen voor b.v. een kwart van den wereldmarktprijs in handen te krijgen, en daartoe om te beginnen te probeeren menschen op de ondernemingen te krijgen. Nu is de heele schrik geworden, dat Van Mook zou hebben gezegd dat de ondernemers zelf moeten probeeren met de republiek aan te pappen en hun eigen boonen te doppen, omdat zij niet zouden kunnen rekenen op militaire bescherming, noch van het Nederlandsche leger, noch van de T.R.I.
Het spreekt natuurlijk wel vanzelf, dat de ondernemers zich daarmee allen grond onder de voeten voelen wegzinken. Ik voor mijzelf vind dat opkoopen van die ondernemingsproducten, mits het slechts gebeurt tegen een fractie van de werkelijke waarde en onder het uitdrukkelijk voorbehoud, dat zij dingen koopen, die in wezen hun eigendom zijn, niet zoo verschrikkelijk. In een gesprek, dat wij Donderdagmorgen met Jongejan hadden, bleek evenwel dat hij de allergrootste bezwaren heeft tegen deze politiek, omdat deze geheele opzet in zijn oogen artikel 14 van Linggadjati ondergraaft. Dat ben ik, voor zoo ver het betreft het op eigen gelegenheid werken van de ondernemers, wel met hem eens. Wij hebben hem in dit gesprek dan ook toegezegd deze zaak nader met Van Mook te zullen bespreken, in dien zin, dat wij hem willen aanraden om tot de onderteekening van Linggadjati de uiterste voorzichtigheid te betrachten. Alleen voor het geval van de palmolie meen ik, dat zij een uitzondering kunnen maken, door b.v. een hoog bedrag voor transportkosten van de onderneming naar de kust te betalen.
Het bleek intusschen in dit gesprek al weer hoe gemakkelijk een man als Van Mook van zijn standpunt uit, dat niet heelemaal gek is, toch kans ziet om de menschen in het harnas te jagen. Ik sprak daarover later op dien Donderdagmorgen met De Villeneuve, die Van Mook natuurlijk ook goed kent, en wij kwamen gezamenlijk tot de conclusie, dat er in zulke uitlatingen van Van Mook een zekere opzettelijkheid zit, die op zichzelf onhandig is. Hij heeft er dan een zeker pleizier in om de menschen op te sarren, want het staat voor ons vast dat hij weliswaar tegenover de ondernemers altijd een zekere oppositioneele houding aanneemt, maar dat zijn uitlatingen niet overeenkomen met hetgeen hij in werkelijkheid van plan is te doen. De afkondiging van de blokkade, die dezer dagen te verwachten is1., nu men met den handel in Singapore een zeker accoord heeft bereikt op basis van met rust laten, hetgeen zij reeds gestolen
hebben, en welk accoord ten gevolge heeft dat er geen staking in de haven tegenover ons zal ontstaan, die wij militair niet kunnen verdragen, is een maatregel, die geheel in de lijn van de ondernemers ligt en dien Van Mook thans ook van harte ondersteunt.
Van dit op de kast jagen van iemand gaf hij ook weer een nummertje weg in de vergadering van de commissie-generaal met prof. Romme tegenover den heer De Boer. Deze maakte op een oogenblik een opmerking, die inderdaad aan gerechtvaardigde critiek onderhevig kon zijn. Van Mook slaakte toen echter de verzuchting: ‘Dit is nu echt een opmerking van een dilettant’. Het spreekt vanzelf, dat met zulke uitlatingen De Boer al steviger verankerd wordt in het kamp van de vijanden van Van Mook, waarmee hij even goed regelmatig omgang heeft.
Donderdag, 16 Januari, kwam de publicatie van de Nederlandsch-Indische regeering, waarin de geheele lijst van gebeurtenissen, die als schendingen van het militair bestand waren te beschouwen, werd opgesomd. Inderdaad maakte het geheel een hoogst bedenkelijken indruk. Ik had daags te voren het ontwerp voor deze publicatie al gehad, zoodat zij voor mij geen verrassing was. Toen het geheele verhaal 's middags in extenso in het Dagblad was afgedrukt en De Boer, die het ontwerp blijkbaar niet had gezien, dit las, kwam hij bij mij met het verlangen om over deze heele zaak een vergadering te hebben van de commissie-generaal. Hij stelde voor om dit met zijn drieën te doen. Het was duidelijk, dat hij er Van Mook buiten wilde houden. Ik heb hem er toen op gewezen dat het in dat geval niets anders dan een persoonlijk gesprek kon zijn, zonder eenig verder gevolg. Immers, volgens de instructie1. zouden wij den luitenant-gouverneur-generaal van te voren in kennis moeten stellen van het voornemen der commissie om te vergaderen. Verder zouden er dan toch ook notulen van geproduceerd worden, die vanzelf te zijner kennis zouden komen. Ik gaf dus aan De Boer de keuze tusschen een normale vergadering, of een praatje met zijn drieën. Hij stond even te peinzen en gaf toen toch de voorkeur aan een normale vergadering. Dat was natuurlijk ook precies hetgeen ik wenschte, omdat ik deze discussie vastgelegd wenschte te hebben.
Vrijdagmorgen1. dan vond deze 39ste vergadering van de commissie-generaal plaats, welke de miezerigste is, die tot heden is gehouden. Na een paar inleidende punten over het probleem der huisvesting voor het personeel der commissie-generaal en het bureau der Directie Verre Oosten van buitenlandsche zaken2., kwamen wij te spreken over het niet nakomen van het bestand en vertelde ik, dat deze vergadering speciaal door De Boer met het oog op dat punt was gewenscht. Van Mook gaf nog eens een uiteenzetting van den gang van zaken en zijn kijk op de oorzaken van het afglijden. Een van de belangrijkste was de afwezigheid van de commissie-generaal, die hem had belet met de republiek besprekingen te voeren, welke misschien tot beslissingen zouden hebben kunnen leiden, die hij buiten aanwezigheid van de commissie-generaal niet wenschte te nemen.
De Boer kwam daarna met zijn opmerkingen, die er eigenlijk op neer kwamen dat hij reeds van het begin van het bestand af den indruk had, dat de samenwerking zeer veel te wenschen overliet en dat men deze in het algemeen eigenlijk niet wil. Het exposé van wandaden heeft hem in deze overtuiging buitengewoon versterkt en hij meent daarom, dat tot den zeer belangrijken stap van de opzegging van het bestand moet worden overgegaan. Uit de houding van Sjarifoedin was immers gebleken, dat ook op hem niet valt te rekenen. Zoo culmineerde de ontwikkeling, die ik bij De Boer duidelijk had aangevoeld, in dit voorstel. Natuurlijk is er in die vergadering van dit voorstel niets heel gebleven. Het was ook te dol om los te loopen. Wij hadden juist enkele dagen te voren in de vergadering met Spoor en Pinke het militaire beleid vastgesteld, op een moment dat al deze dingen precies even goed bekend waren. Wij waren toen tot de conclusie gekomen, dat de eenige weg kon zijn het toebrengen van incidenteele klappen op tijdstippen, die met groote zorgvuldigheid moesten worden gekozen. Nu komt, met dezelfde wijsheid aan gegevens, De Boer, onder invloed van zijn eigen stemming, met een dergelijk ver strekkend voorstel. Het spreekt vanzelf, dat ik hem direct toevoegde, dat, indien al tot een dergelijken stap ooit zou moeten worden overgegaan, de keuze van het tijdstip toch uiterst belangrijk zou zijn. Het feit, dat wij nu een publicatie geven van gebeurtenissen, die bij de insiders al lang
bekend waren, kon toch onmogelijk een rechtvaardiging geven van dezen stap op dit moment. Het politiek contact zou toch op zijn minst genomen eerst dienen te worden hervat. Ergens verderop in de discussie voegde ik hem toe dat het feit, dat men zeer onder den indruk is gekomen van alle moeilijkheden, die hier te lande tijdens onze afwezigheid en mede daardoor zijn gerezen, nog onvoldoenden grond oplevert voor een dergelijken stap. Ook de beide andere leden van de commissie hebben met soortgelijke argumenten deze zaak uit zijn vingers gebroken.
Dit was echt een discussie met een teleurgesteld man. In dit opzicht was het deze eerste dagen, of liever gezegd de eerste week van ons verblijf alhier, met De Boer vrij slecht gesteld. Welke oorzaak hierbij in het spel is, is moeilijk te zeggen. Waarschijnlijk is het een combinatie van allerlei factoren. Algemeen hebben wij het gevoel, dat hij het in Nederland vrij beroerd heeft getroffen. De meesten uit zijn kring hebben de grootst mogelijke bezwaren tegen de politiek, waar hij zich achter heeft geschaard. Over de redevoeringen, die hij hier met groot enthousiasme vóór zijn vertrek heeft gehouden1., heeft hij daarna nogal de wind van voren gekregen, zij het ook op een voor mij volstrekt onredelijken grond. Hoe het ook zij, deze man, die in zijn leven altijd gewend is geweest een min of meer populaire figuur te zijn, heeft thans ervaren wat critiek in het openbare leven eigenlijk beteekent. Is hij daarvan geschrokken? Ik weet het niet, maar het maakt wel eenigszins dien indruk. Dat hij een eenigszins vereenzaamde figuur is, bleek b.v. ook duidelijk bij ons vertrek uit Schiphol. Ik heb niet gezien, dat er menschen waren om hem speciaal uitgeleide te doen en zelfs zijn dochter, die met de Kerstdagen naar Denemarken was gegaan, doch tijdig was teruggekeerd, bleek niet op het vliegveld aanwezig. Dit zijn zoo van die kleinigheden, die het karakter van een mensch toch misschien beter verklaren dan een uitvoerige uiteenzetting.
Ook de publicatie van de geheime notulen door Elsevier zal De Boer geen goed hebben gedaan. De bloemlezing, die dit schendblad uit de op een of andere wijze in hun handen gevallen notulen gaf in het nummer, dat onmiddellijk na ons vertrek uit Holland verscheen2.,
ziet er hoogst eigenaardig uit. Men mag aannemen, dat deze ridders van de pen getracht hebben een zoodanige combinatie van de notulen te maken, dat wij er als leden zoo slecht mogelijk afkomen. Nu is het merkwaardige van de zaak, dat, wat dit betreft, ondergeteekende er beter afkomt dan Van Mook, Van Poll en ten slotte De Boer, op wiens naam de ongelukkigste uitlatingen voorkomen. Zelf heb ik echter het prettige gevoel, dat ik te dier zake op rozen zit. Ik vind dat ook niet zulk een reusachtig wonder, want het is mij ook in de discussies al wel eens opgevallen dat de concessies niet het gemakkelijkst van mijn kant zijn gekomen. Het tegendeel is waar. Ik herinner mij nog best de situatie op de reede van Cheribon1., dat, toen Van Mook de order had gegeven om per eigen gelegenheid de haven in te varen, De Boer, die op de brug met de Marine-menschen stond te praten, dit eigenlijk een overbodige vertooning vond. Hij was zeker, indien hij de verantwoordelijke man zou zijn geweest, in de zaak vlak gevallen. Niet, dat ik mij dat in de bestaande situatie niet kan voorstellen, maar op de buitenwereld zou dat een nog slechter indruk hebben gemaakt dan het nu reeds heeft gedaan. Dit is een van die kleine trekjes, die in dit opzicht de stemming van de menschen duidelijk weergeeft. Zulke dingen heeft De Boer natuurlijk ginds voor een deel op zijn hoofd gekregen en dat werkt in den letterlijken zin van het woord reactionnair.
Aan het eind van deze nare bespreking kwam Van Poll nog met het beroemde punt, dat de commissie-generaal in haar geheel het contact met de Indonesische delegatie moest hebben en dat hij, althans voorloopig, bezwaar maakte tegen besprekingen tusschen Sjahrir en mij. Ik heb daar natuurlijk een paar opmerkingen over gemaakt, waaronder ook dat de heeren voor concessies mijnerzijds niet bevreesd behoeven te zijn, want dat, indien men het verleden nauwkeurig zou bestudeeren, het zou blijken dat niet ik degene was, die het gemakkelijkst concessies deed in dit gezelschap. Van concessies mijnerzijds in gesprekken met Sjahrir is dan ook nooit eenige sprake geweest. Toen ik nog wat verder op de zaak doorging, kwam Van Poll met het verhaal over die staking op de proppen en zijn schrik hierover2.. Naar mijn stellige overtuiging is dit onzin en liet hij zich bij de bestrijding van dit standpunt door Van Mook in
de kaart kijken, toen hij de opmerking maakte dat ook hij wel eens onder vier oogen zou willen spreken. Van Mook stelde de zaak volkomen juist door de vergadering te laten vaststellen, dat het verlangen van Van Poll geen absoluut standpunt was, maar alleen voor het komende eerste contact zou gelden en dat er daarna naar bevind van zaken zou worden gehandeld.
Toen, op dien bewusten Vrijdagavond Van Poll en De Boer beiden voor de deur stonden en Roosenburg zei, dat het de bedoeling was, dat alleen ik Sjahrir ontving, was De Boer afgedeinsd en had gezegd: ‘Nu ja, laten we het dan maar zoo laten’. Van Poll had daartegen echter geprotesteerd. Is dit toch een gevolg van de uitlatingen, die de heeren te hooren hebben gekregen, nl. dat zij zich door mij op sleeptouw hebben laten nemen? Dit lijkt mij ten aanzien van Van Poll waarschijnlijk de verklaring. Als ik nog eens terugdenk aan den brief van Romme, waarin hij schreef over het inkapselen van mij als voorzitter1., hetgeen hij beslist noodzakelijk achtte, en ik bedenk dan nu, dat Romme hier op het oogenblik rondloopt, dan geloof ik dat Van Poll een dergelijke daad bepaald noodig heeft om zich ook tegenover Romme nog weer eenigszins te rehabiliteeren. Ik wil nog niet eens aannemen, dat Romme dit aan Van Poll heeft opgedragen.
Natuurlijk heb ik mij hiernaar geschikt. De heeren hebben blijkbaar niet in de gaten, dat ik meer dan voldoende verbindingskanalen met de Indonesische wereld heb, al is het ook jammer dat op dit moment aan het persoonlijk contact tusschen Sjahrir en mij, dat tot heden naar mijn stellige overtuiging de basis is geweest van een zeker wederzijdsch vertrouwen tusschen de beide delegaties, een einde is gekomen.
Op Zaterdag, 18 Januari, was de belangrijkste gebeurtenis de brief, die op voorstel van Van Mook door de commissie-generaal aan Sjahrir zou worden geschreven, waarin een soort ultimatum was vervat, dat, indien op 22 Januari de beschieting met artillerie van de stellingen rondom Soerabaja geen einde zou hebben genomen, wij langs militairen weg daaraan zelf een einde zouden maken. Op voorstel van Van Poll hebben wij, geloof ik, die zaak formeel nog wat beter gesteld, door dien brief te richten aan Idenburg en aan Sjarifoedin (de laatste via Sjahrir) in hun kwaliteit van
leden der bestandscommissie en hebben wij deze taak aan de bestandscommissie opgedragen met verschuiving van den datum tot 25 Januari. Ik ben nieuwsgierig naar het resultaat en zou er weinig bezwaar tegen hebben, indien wij ook hier de zaak eenigszins zouden kunnen opruimen. De Indonesiërs hebben hun voorraden tot vlak bij onze stellingen gesleept, zoodat wij ze met één klap vrij behoorlijk zouden kunnen uitkleeden.
Het tweede punt van dien dag was een discussie met Sanders over zijn dagboek. Ik had er al eerder eenige narigheid over gevoeld. Hij maakt een dagboek en laat dat, behalve door zijn vrouw natuurlijk, ook lezen door Geert Ruijgers en nog enkele andere van dezelfde club. Hij doet dat met de beste bedoelingen en het heeft ook wel zin, maar tot op zekere hoogte schuilen hier groote gevaren. Ten slotte komen er langs dezen weg geheimen van de commissie-generaal naar buiten, en zou hij, bij ontdekking daarvan, als secretaris-generaal der commissie-generaal volstrekt onmogelijk zijn geworden. Ik heb hem er op gewezen, dat hij nu onlangs, toen hij voor de keus stond van een professoraat in Leiden en een bestuurlijke loopbaan, de laatste heeft gekozen. Deze keus zal hij niet in gevaar moeten brengen door daden als deze, die nu eenmaal in de sfeer van het bestuurlijke niet passen. Zijn dagboek verschilt wel vrij sterk van het mijne, omdat het meer een zakelijk relaas is, maar het velletje, dat ik toevallig van juffrouw Lenderink afpakte, gaf de beschrijving van een persoonlijke situatie en de geestelijke gesteldheid van de leden der commissie na hun terugkeer in Batavia. Daar heb ik zeer uitdrukkelijk bezwaren tegen gemaakt en hem aangeraden dergelijke dingen buiten zijn dagboek te houden, althans er voor te zorgen, dat niemand die onder oogen krijgt. Ik wees hem er op, dat ik er nu pas toe was overgegaan om maatregelen te nemen, dat twee ministers, nl. Mansholt en Lieftinck, enkele belangrijke gedeelten uit dit dagboek zouden kunnen lezen. Dit zijn geen willekeurlingen, doch ministers. Ik geloof, dat dit betoog op hem wel eenigen indruk heeft gemaakt en de gevaren, die in deze manoeuvre schuilen, misschien eenigszins hebben gereduceerd.
Zondag maakten mijn vrouw en ik samen met onzen adjudant, den kapitein Roosenburg, een tocht naar een pas door ons overgenomen rubberonderneming in het Buitenzorgsche. De gastheeren waren de administrateur van deze onderneming en die van een nabijgelegen theeonderneming, die nog niet is opengesteld, de heeren Pilaar en
Kampfrath. De laatste had zijn vrouw in de oorlogsjaren verloren. De fabriek was van de republikeinen overgenomen. Het beheer was al die jaren gevoerd door een eersten klerk van het bedrijf, die van jongs af aan de exploitatie van deze onderneming had meegemaakt. De man had trouw gediend. De administrateur had hem een goede functie aangeboden en er is een bedrag van f 1.000,- op hem vastgezet, waarvoor een sawah zal worden gekocht als belooning voor de goede diensten, die hij heeft bewezen, een bedrag, dat hij naar mijn gevoelen ruimschoots heeft verdiend. Toch durfde deze man nu niet meer in dienst te blijven en is hij, zij het met tranen in zijn oogen, vertrokken, omdat hij vreesde dat zijn familie anders zou worden afgemaakt. Merkwaardig is echter wel, dat de 200 koelies zijn gebleven en dat er inmiddels nieuwe zijn aangetrokken. Deze menschen zaten in de koeliehuizen; over het algemeen zagen zij er zeer verschillend uit. Een deel was werkelijk zeer vermagerd en miserabel, doch wij vermoedden dat dit een gevolg was van een ziekte, want er waren anderen, die er beter uitzagen. Zulk een onderneming begint nu wel weer, maar er zit toch nog een detachement soldaten ter bescherming. Dáár ligt het grootste probleem waar wij voor staan. Dit land gaat financieel volstrekt te gronde, indien het niet gelukt binnen zeer korten tijd de ondernemingen te openen en de producten op de wereldmarkt te brengen. Daarvoor is veiligheid noodig en ik heb den stelligen indruk, dat deze veiligheid zonder hulp van het Nederlandsche leger niet is te bereiken. Zullen wij de heeren van de republiek dezer dagen kunnen overtuigen, dat dit ook voor hen de eenige weg is om in het leven te blijven? Dat is het hoofdprobleem, waarvoor wij staan.
Maandagmorgen hadden wij eerst een gesprek met Foster Hailey van de New York Times. Hij was in Djocja geweest. De indruk, dien hij daarvan had overgehouden, was niet slecht: van vijandelijke gevoelens tegenover hem als blanke (want niemand kon aan zijn gezicht zien, dat hij Amerikaan is) was niets gebleken en hij kon rustig over straat loopen. Toch had hij van de administratie en van het heele bestuur geen grootschen indruk gekregen; er werd wel gewerkt, maar alles nogal primitief en hier en daar een beetje een kinderlijk gedoe. Langs de spoorlijn was de bewaking van het station in handen van de T.R.I. en alle benden van Laskjar Rajat, enz. bleven daar buiten. Wel had hij ze in de buurt daarvan gezien.
Ten aanzien van Viet-Nam had deze man voor de Franschen vrij sombere opmerkingen. Niet alleen dat hij meende, dat de
Franschen daar niet meer dan Hanoi en Saigon als bruggenhoofd zouden behouden, maar ook een uitlating als ‘I am disgusted of the French’ geeft de stemming van de heeren Amerikanen op het oogenblik algemeener weer dan men zou denken.
Daarna hadden wij een gesprek met den heer R. Smits van de Javasche Bank. Deze had Zondagavond toevallig de heeren Van Poll en De Boer bij de ruines van de Jachtclub gesproken en had van die gelegenheid gebruik gemaakt om een uiterst somber beeld te teekenen van de financieele situatie. Achteraf vermoed ik, dat hij daaraan ook uitvoerige politieke beschouwingen heeft vastgeknoopt, ten minste in het gesprek later met ons, op Maandagmorgen, bleek dat het geval. De Boer had hem uitgenoodigd om Maandagmorgen om 10 uur zijn verhaal nog eens te herhalen, ook voor mij. Het kwam er op neer, dat het deviezenbezit van dit land inderdaad in Maart 1947 zal zijn uitgeput en dat de optimistische voorstelling van Lieftinck vóór ons vertrek, dat wij het dit jaar misschien nog wel uithouden1., gebaseerd was op onjuiste cijfers2.. Die onjuistheid zou een gevolg zijn van snellere levering door Amerika dan was verwacht.
Niet alleen de deviezenvoorraad, maar ook de geldcirculatie van de Javasche Bank zou in den loop van dit jaar klem loopen. Op het oogenblik wordt iedere maand 35 millioen nieuw Nica-geld3. uitgegeven, waarmee dus de geldcirculatie wordt vergroot. Inkomsten staan hier practisch niet tegenover. Ook middelen om de bankbiljettencirculatie te verminderen zijn nog niet aanwezig. Als mogelijk middel noemde hij de import van 15 000 radiotoestellen van Philips, die voor ƒ 1 000,- of ƒ 1 500, - op het oogenblik onder Chineezen en Indonesiërs in de buitengewesten zeker koopers zullen vinden. Aangezien dit Nigeiohandel4. is, vloeit dan een deel van dit geld weer terug in 's lands kas. Van de 800 millioen nieuwe bankbiljetten, die de Javasche Bank had laten drukken, hetgeen een groot bedrag is, aangezien de vooroorlogsche geldcirculatie ongeveer 200 millioen
bedroeg, zou in den loop van dezen zomer niet veel meer over zijn dan de noodzakelijke buffer voor ieder kantoor van de Javasche Bank. De conclusie ook van dit betoog was, dat het economisch bestel van dit land zoo spoedig mogelijk op gang moet worden gebracht. Ook aan republikeinschen kant loopt men volkomen vast. De Javasche Bank bezit op het oogenblik al 20 verschillende exemplaren van valsch republikeinsch geld, dat men hier thans eenvoudig bij de Chineezen kan bestellen.
Toch zat in den heelen toon van dezen man een uiterst onaangename klank; hij was duidelijk iemand, die het gewone populaire verhaal tegen de regeeringspolitiek in zijn gemoed mee omdroeg. Toen ik hem wees op het lichtzinnige in zijn betoog omtrent de noodzaak van militaire bezetting, aan de hand van de ervaring in zake sabotage door brandstichting e.d. in de buitengewesten, beweerde hij zonder meer dat wij daar dan ook geen militaire macht hadden. Ik werd daarbij een beetje nijdig, en voegde hem nogal scherp toe dat het misschien verstandiger was, indien hij zich in zijn discussies beperkte tot zaken, waarvan hij verstand had. Daarna bond de heer Smits eenigszins in en was het ons mogelijk tot een vrij redelijk betoog terug te keeren, dat inderdaad neerkwam op de wenschelijkheid om, vooral op Sumatra, geleidelijk te trachten de ondernemingen weer op gang te helpen.
Aan de hand van deze discussie wilde ik daarna in een gesprek met Van Mook probeeren zijn gedachten over dezelfde materie aan de weet te komen. Toen ik hem echter den naam van Smits noemde, antwoordde hij veelzeggend: ‘Och, deze muilezel ...’ Zulk een persoonswaardeering is misschien typeerend voor de geheele situatie hier. Later had ik het over dit gesprek met Smits nog even met De Boer, die mij eenigszins aanviel over mijn scherpe uitlating en zei, dat ik hem natuurlijk op de kast had gejaagd, waarbij hij opmerkte: ‘Deze menschen zijn toch geen kwajongens’. Ik kon toen niet nalaten te zeggen, dat deze menschen dan ook geen kwajongenspraat moesten vertellen, zooals op politiek gebied door den heer Smits was uitgekraamd. Ik voegde daaraan nog toe dat je aan zulke menschen echt kon ontdekken, dat zij hier behooren tot de orde der Big Bosses, die niet gewend zijn op een of andere wijze ooit te worden tegengesproken. Bovendien merkte ik op, dat ik minder bezwaar heb tegen een reputatie, zooals die bij dit soort lieden uit deze reacties mijnerzijds moet volgen, dan dat zij mij voor half-zacht verslijten. Ik heb er totaal geen bezwaar tegen wanneer
deze groote heeren weten dat ik niet tot de orde van de half-zachten behoor, zoodat zij zich tegenover mij niet iedere kletspraat kunnen permitteeren.
Gisterochtend hadden wij een vergadering van de commissie-generaal met de heeren Wijnmaalen, resident, en Mollinger, militair commandant, in Palembang. Zij gaven ons een beschrijving van de militaire situatie vóór de botsingen van 2 en 3 Januari jl., van de oorzaken der botsingen en van de situatie, zooals die op het oogenblik is. Bij zulk een relaas krijgt men toch wel een uiterst somberen indruk van de toestanden in dit land. Het eenige lichtpunt is dat er een paar Indonesiërs waren, o.a. de resident Dr. Isa en een hoofdinspecteur van politie, die inderdaad loyaal voor ons zijn gebleven, alle pogingen hebben gedaan om de Indonesische militaire actie te voorkomen of te doen stoppen, maar dat zij daarin geen enkel resultaat konden boeken. Er is ons later wel een algemeen aanvalsplan op Palembang in handen gevallen, maar overste Mollinger meende toch ook dat de Indonesiërs bij het lossen van de eerste schoten niet de bedoeling hebben gehad dit plan tot uitvoering te brengen. Pas toen het spektakel goed aan den gang was, schijnen ze volgens dit plan te zijn gaan werken. Ik krijg den indruk, dat in hoofdzaak de Nederlandsche artillerie, op 6 à 7 K.M. buiten de stad, hier het beslissende woord heeft gesproken. Toen de commandant aan de Indonesiërs een ultimatum stelde om zich terug te trekken tot 20 K.M. buiten de stad, hebben zij dit prompt gedaan. De heeren hadden er blijkbaar schoon genoeg van. Ik geloof dat, indien hij in plaats van 20 K.M. 60 of 100 had gevraagd, zij ook zouden zijn verdwenen. Het eenige punt inzake deze actie, waarop ik eenige critiek zou kunnen hebben, is waarom hij deze benden, inclusief de TRI, heeft laten aftrekken, met behoud van hun wapens. Misschien had hij een schoone gelegenheid gehad om daarvan het een en ander in handen te krijgen. Nu staat men daar intusschen nog voor allerlei zeer moeilijke vraagstukken. De Indonesiërs houden een deel van de groote gebouwen bezet, die eigendom zijn van particuliere maatschappijen. Zij erkennen de rechten dezer particulieren, maar moeten dan ergens anders worden ondergebracht.
Veel pijnlijker is echter het vraagstuk van de douane. De Indonesiërs leven op het oogenblik van de in- en uitvoerrechten, zooals
wij dat voor den oorlog ook altijd hebben gedaan. Zij heffen 30 % uitvoerrecht op alle producten. Op den duur moet het natuurlijk komen tot een federale douane en dus niet blijven bij een afzonderlijke douane van de republiek. Op het oogenblik bestaat alles dubbel: een Indonesische naast een Nederlandsche havenmeester. Men weet, dat in Viet-Nam het spektakel is begonnen door de dubbele douane-heffing. Wij moeten toch in ieder geval probeeren zooiets te vermijden en daarom moeten deze economische problemen zoo snel mogelijk op het hoogste niveau tot een oplossing worden gebracht. Ik zie echter wel aankomen, dat dit nog verdraaid veel moeite zal kosten.
Een opmerking van de heeren was verder nog, dat Djambi, een economisch uiterst belangrijk gebied, eenvoudig zit te wachten op bezetting door ons. De bevolking daar schijnt de overheersching door Javanen en Menangkabauers ruimschoots zat te zijn en er is al een candidaat-sultan van Djambi boven de horizon gekomen, die op ons sterken druk uitoefent om in te grijpen, maar natuurlijk op voorwaarde dat hij dan als sultan zal worden erkend. Een militaire bezetting van de olievelden, die op een paar honderd kilometer afstand van Palembang liggen, is ook een uiterst verleidelijke, maar gevaarlijke zaak. Lukt het, dan is het prachtig, maar, indien de heeren al te vlot een lucifertje bij de bronnen houden, hebben wij een catastrophe. In ieder geval zal ook dat eerst langs den weg van besprekingen moeten worden geprobeerd.
Deze besprekingen nu, zullen vandaag worden hervat. Gisteren kwam Boediardjo met de vraag, wanneer wij konden vergaderen en ik heb toen voorgesteld Woensdagmorgen, half tien. Straks zal de pret dus beginnen en ik ben uiterst nieuwsgierig naar den gang van zaken. Sanders kreeg van Boediardjo den indruk, dat de heeren toch eigenlijk vrij veel haast hebben met onderteekenen.
Gisteren was een dag, die niet zonder emoties verliep. 's Morgens om half tien vond de eerste politieke bespreking plaats met de Indonesische delegatie1., die compleet verscheen: Sjahrir, Sjarifoedin, Roem, Soesanto, Gani, Natsir en Boediardjo. Van onzen
kant de complete commissie plus staf. Ook onzen public relationman Van Wijnen nam ik hierbij mee, om er voor te zorgen, dat hij voldoende background heeft om niet te veel en niet te weinig te zeggen. Sjahrir was volgens traditie voorzitter van de vergadering in ons gebouw. Hij begon met mij zeer vriendelijk uit te noodigen een uiteenzetting te geven over de politieke en militaire situatie. Ik heb hem toen geantwoord, dat ik natuurlijk graag over den politieken toestand, zooals die zich in Nederland had ontwikkeld, toelichting zou willen geven, maar dat ik meende, dat een beschouwing over de militaire situatie meer in aanmerking kwam voor hen, die er hier twee maanden met hun neus bovenop gezeten hadden, d.w.z. voor de Indonesische delegatie. In deze vergadering is van onzen kant vrij ronde taal gesproken, in hoofdzaak door Van Mook en door ondergeteekende. Ten eerste deed ik dat uit volle overtuiging en in de tweede plaats ook wel om daarmee te voorkomen, dat er een niet heelemaal onbedenkelijke uiteenzetting van De Boer zou komen. Dat is wel meegevallen; hij heeft zich beperkt tot een aantal opmerkingen, die aansloten bij de geleverde betoogen en waaruit op behoorlijke wijze zijn somberen kijk op de heele situatie bleek. De geheele discussie culmineerde eigenlijk in onzen eisch, dat zij van hun kant nu overal met het schieten onmiddellijk dienen te stoppen en in de eerste plaats volgens onzen brief in Soerabaja1., want dat wij anders eigen militaire maatregelen zouden móeten nemen en dat er dan van onderteekening van Linggadjati geen spaan terechtkwam.
Soesanto probeerde den slechten gang van zaken in Indonesië te verklaren uit de tegenstelling in opvatting tusschen de Indonesiërs en ons bij de uitlegging van Linggadjati. Hij noemde het oppergezag van de Kroon in tegenspraak met mijn antwoord aan Sjarifoedin, dat de Unie geen superstaat zou zijn, hetgeen natuurlijk gemakkelijk is te weerleggen. Verder noemde hij de correspondentie over de buitenlandsche vertegenwoordiging, waarbij wij wel onzen brief, maar niet die van Sjahrir hebben vermeld. Dit is inderdaad juist. Die brief kwam op het laatste moment voor ons vertrek op 22 November en dien heb ik aan Van Mook in handen gesteld om daarover verder met de heeren te spreken2.. Ik heb den indruk, dat Van Mook daaraan niet veel heeft gedaan. Trouwens, hetgeen in dien brief wordt gevraagd - de erkenning van de in onzen diploma-
tieken dienst opgenomen Indonesiërs, ook als vertegenwoordigers van de republiek - is natuurlijk in vierkanten strijd met hetgeen zij ten aanzien van den heer Campbell1. hebben gedaan. Ik heb toen direct opgemerkt dat het niet tot goede resultaten kon leiden om geïmproviseerd te antwoorden op de problemen, die de heer Soesanto had opgeworpen. Een schriftelijke voorbereiding hiervan heb ik voorgesteld en is aanvaard. Ik bracht hiermee even de kwestie in verband van de gevaren, die verbonden zijn aan al te vlotte uitlatingen op de vergadering, gezien de publicatie van gedeelten uit de notulen, waarop Elsevier ons heeft getracteerd2.. Ik memoreerde dat Feuilletau de Bruijn heeft gezegd, dat deze notulen van republikeinsche zijde afkomstig waren en op mijn desbetreffende vraag vertelde Boediardjo, dat er 40 exemplaren voor de verschillende ministers en onderministers worden gemaakt.
Verder draaide het heele gesprek natuurlijk om het groote wantrouwen en om de militaire activiteit van republikeinsche zijde. Het was wel duidelijk dat ons ultimatum inzake Soerabaja indruk had gemaakt en men stelde aan het eind van de vergadering de volgende bespreking al direct op vandaag, omdat voor Zaterdag deze zaak moet zijn opgehelderd, daar anders de Nederlandsche militairen bij Soerabaja in actie zullen komen. Wel beweerde Sjarifoedin dat, op één geval na, alle beschietingen van hun kant antwoord waren op vuur van ons. Van Mook merkte terecht op dat dit onzin was, omdat Nederlandsche artillerie niet zoo maar bij nacht in het wilde weg gaat schieten. Buitenzorg kwam natuurlijk op de proppen, in het bijzonder naar voren gebracht door den heer Roem, die nïeuwe republikeinsche functionarissen had meegebracht. Van Mook beloofde deze zaak op korten termijn met hen en de betrokken personen te zullen behandelen. Roem vroeg echter ook vervanging van kolonel Thomson. Toen ben ik min of meer in brand gevlogen en heb de heeren duidelijk aan het verstand gebracht dat kolonel Thomson iemand is, waarvan ik nu bij toeval door gesprekken met hem weet, dat hij een politieke instelling heeft, waar ik volkomen achter sta, maar dat deze man zich door de Indonesiërs teleurgesteld, bedrogen en gegriefd voelt. Zoo gaan zij op het oogenblik door hun dubbelhartige politiek op lager niveau tegenover ver-
schillende menschen, die het met de Indonesiërs goed meenen en die onze politiek willen volgen, hoogst onvoorzichtig om. Hieraan knoopte De Boer de opmerking vast, dat ook hij tot deze teleurgestelden behoort. Wij kwamen telkens op hetzelfde neer, nl. dat het eenige, dat redding en uitkomst kan brengen, de bereidheid is van Indonesischen kant om eindelijk op te houden met schieten en door generaal Soedirman per eigen gelegenheid door de republikeinsche radio in een toespraak ondubbelzinnig het cease fire te laten geven.
Wij moeten volgens mij aan deze voorwaarde volstrekt vasthouden, niet omdat ik geloof dat hij het doen zal, maar eenvoudig omdat dit het middel is om de scheiding der geesten in het republikeinsche kamp radicaal zichtbaar te maken. Zij probeeren daarbij - en dat deed Sjarifoedin gisteren zeer duidelijk - van ons de verzekering te krijgen dat wij geen offensieve bedoelingen hebben, d.w.z. dat wij het grondgebied, dat wij thans op Java en Sumatra bezetten, niet verder zullen uitbreiden. Ik heb op deze vraag geen antwoord gegeven en ook Van Mook heeft dit antwoord ontweken. Immers, deze verzekering kunnen wij eigenlijk niet geven. De practijk van het leven zal immers waarschijnlijk zijn, dat wij door republikeinsche wandaden gedwongen worden om grootere gebieden te bezetten. Geven wij dus thans een verklaring af dat wij dit niet zullen doen, dan rust straks op ons de bewijslast van de noodzaak, die op zijn minst onprettig is. Later verzachtte Sjarifoedin deze verlangde verklaring eenigszins door te spreken over een mededeeling inzake de doelstelling van de Nederlandsche militairen in dit land. Wel, daarover valt te praten. Bovendien heeft Van Mook nog weer eens ondubbelzinnig er op gewezen, dat, zoolang de bedreiging van menschen, die ons goed gezind zijn, voortduurt en telkens weer stemmen klinken, die zeggen: ‘Na 1 Januari 1949 zullen we je wel krijgen’, er voor ons van het opgeven der beschermde gebieden eenvoudig geen sprake kan zijn.
Ten slotte ben ik in deze bespreking nog iets duidelijker geworden en heb tegen de heeren gezegd, dat wij zooveel berichten onderschept hebben, waaruit niets anders dan kwade trouw kan worden afgeleid, dat wij ons afvragen, waar wij eigenlijk staan. Ik heb hen toegevoegd, dat ik bereid ben mede te werken aan de oplossing van de grootste moeilijkheden, maar dat ik niet bereid ben om mij met open oogen te laten bedriegen door wien dan ook. Sanders heeft deze scherpe tirade uit de notulen weggelaten en ik vind dat ook niet zoo erg, maar het was zeer duidelijk dat dit betoog
op de heeren grooten indruk maakte. Ik had de impressie, dat het geheele gezelschap min of meer angst naar buiten aan den dag legde. In hoeverre deze angst hun wezenlijke gevoelens beheerscht of slechts is voorgewend, kan ik onmogelijk schatten.
Ik heb op het oogenblik op basis van allerlei berichten een zeer sterk wantrouwen tegen de heeren. Wanneer Gani in een onderschept telegram naar Siantar op 10 dezer seint, dat, hoe hevig er ook te Medan, Padang en Palembang wordt gevochten, het einde is een conferentie, dan kan men zich niet aan den indruk onttrekken dat deze conferentie een middel is om ons in onze activiteit te beperken. In ditzelfde telegram zegt deze man: ‘De politieke macht in de stad - daarmee bedoelt hij Palembang - dient te worden versterkt door het vormen van sterke organisaties van hooge ambtenaren, politie, politieke partijen en werkersvereenigingen. De druk binnen en buiten de stad dient in evenwicht te zijn, ten einde dezen te gebruiken als diplomatiek werktuig’. Zulk een laatste zin is natuurlijk volkomen dilettantische onzin, maar wanneer dan meneer Gani met een uitgestreken gezicht naast mij zit op deze vergadering, dan heb ik met de vraag of wij eigenlijk bedrogen worden, ja dan neen, een schot gelost midden in de roos. Het verschil tusschen De Boer en mij is alleen, dat ik volkomen nuchter langs de in de vorige vergaderingen uitgestippelde lijn verder wensch te gaan en onze positie zoo sterk mogelijk wil maken, terwijl De Boer zich telkens door zijn gevoelens laat beheerschen en dan als het ware in het wilde weg een sla-maar-raak-politiek schijnt te willen, die hij, wanneer men er op door gaat, toch eigenlijk ook weer niet wil.
De conclusie van deze eerste vergadering is geweest, dat aan den eenen kant schriftelijk aan de Indonesische delegatie zal worden gevraagd of de toelichting van de commissie-generaal en de regeeringsverklaring hun aanleiding geeft tot het stellen van bepaalde vragen en in de tweede plaats, dat vandaag om half vijf een vergadering zal worden gehouden over een aantal militaire vraagpunten.
Gistermiddag om half vijf had ik nog een gesprek van ruim een uur met den overste Santoso, naar aanleiding van een Nefisrapport, dat van zijn hand was en dat zeer sterk den nadruk legde op communistische activiteit. Aan het slot van dit rapport werd de figuur van Hadji Agoes Salim - de schoonvader van Mr. Roem - als de centrale man bij al deze activiteiten naar voren gebracht. Hij trekt aan de touwtjes, en is de naaste adviseur, zowel van Sjahrir als - naar men zegt - ook van Soekarno. Het betoog van den overste Santoso
kwam er eigenlijk op neer, dat, zoolang wij het oude plan A, nl. het schoonvegen van West-Java, niet in zijn geheel uitvoeren, wij in de moeilijkheden blijven zitten. Deze zullen voorloopig toenemen, omdat er in de republiek onder allerlei groepen een groeiende onrust heerscht. De socialistische partij van Sjahrir, die in sterke mate op inzicht berust, verliest aan invloed. Zij steunt hoofdzakelijk op de intellectueelen onder de ambtenaren, terwijl al diegenen, die hun politieke keuze uitsluitend op sentiment baseeren, veel dichter bij de communisten komen.
Nu moet men hier in dit land bij het begrip ‘communist’ niet al te gemakkelijk denken aan Marx en Lenin, maar meer aan een situatie, zooals die in China bestaat, waar alle oppositie tegen het heerschende regiem zich vereenigt in een zich communistisch noemende partij. Deze communistische partij, die op zichzelf nauwelijks meer eenige beteekenis heeft, doordringt met haar propaganda de amorphe massa van de Masjoemi. Aan den anderen kant ontstaan er groepeeringen, die groote bezwaren krijgen tegen de collectivistische maatregelen van de republikeinsche regeering, in het bijzonder van Hatta. De middenstandsvleugel van de Masjoemi en ook de Soendaneesche partij, die op het oogenblik bezig is op te komen, maar die gehandicapt wordt door het gebrek aan werkelijk goede leiders, die geen profiteurs of collaborateurs zijn, zijn groepen, die op den duur ook aan het bestaan van de republiek zullen knagen. Het komt er nu maar op aan dat de Nederlandsche politiek zichtbaar ten gunste van deze groepen gaat werken. Daarvoor is noodig in de eerste plaats een duidelijke uitspraak, dat de Islam niet als een tweederangs godsdienst wordt beschouwd, en in de tweede plaats een versterking van het middenstandselement. De overste noemde als voorbeeld dat, indien hier een millioen rijwielen noodig zijn, deze niet kant en klaar, maar in onderdeelen dienen te worden geimporteerd, waarbij de middenstand de gelegenheid krijgt deze onderdeelen tot rijwielen te monteeren. Dit moge economisch misschien zekere bezwaren hebben, politiek is het op het oogenblik uitermate nuttig en verantwoord. Santoso hoort kennelijk tot diegenen, die wel willen bouwen op de partij van Sjahrir en op deze burgerlijke groepen, maar die groote gevaren zien in de communistische propaganda. Setyadjit zou in zijn organisatie van de arbeiders eigenlijk ook min of meer mislukt zijn. Hij heeft de arbeidersgroepen uit de overheidsbedrijven weten te organiseeren en in socialistisch verband gebracht, maar de groote massa komt terecht in het
jachtveld van de communisten. Hij noemde ook Daroesman als figuur, die in de armen van de communisten is gevallen en daar thans in het hoofdbestuur is opgenomen.
Verder vertelde hij nog dat de meeste bedrijven niet meer in handen zijn van den staat, maar van bepaalde Indonesische organisaties. Dit zou volgens hem bij de uitwerking van artikel 141. nogal vrij groote moeilijkheden geven. Immers, wij hebben dan op den staat betrekkelijk weinig verhaal en moeten maar zien hoe wij de groepen van menschen, die er op het oogenblik in zitten, er uit krijgen. Of deze beschouwing eigenlijk wel juist is, weet ik niet: ik twijfel daar wel eenigszins aan. Het onderhoud was wel interessant en leerzaam en ik heb hem gevraagd om, zoo gauw hij dingen weet, waarvan hij meent dat ze voor mij de moeite waard zijn, die te komen vertellen. Ik heb Santoso nog gevraagd, waarom hij zulk een rapport ook aan den kolonel Abdulkadir in handen gaf. Hij weet immers, dat deze de verbindingsman is, die ook goede relaties met de republiek onderhoudt. Is het dan geen uitermate sterk beroep op zijn trouw aan de Nederlandsche zaak, indien men verwacht, dat hij de gegevens, die in zulk een rapport staan, voor zich houdt en b.v. niet mededeelt, dat de overste Salim als de centrale verbindingsman beschouwt. Santoso stelde hier tegenover, dat hij dit juist aan Abdulkadir had gegeven om hem in te lichten en een soort waarschuwing te geven voor hetgeen er gebeurt. Dit zijn natuurlijk twee gezichtspunten, die beide recht van spreken hebben. Maar een gevaarlijk spel is het naar mijn gevoel toch beslist wel.
's Avonds om half tien2. vergaderde de commissie-generaal als voorbereiding voor de bespreking van vanmiddag. Deze vergadering pakte uiterst bedenkelijk uit. Van Mook begon, aansluitend aan de ochtendvergadering, over de verklaring, die ook eventueel van onzen kant zou kunnen worden gegeven. Nu had ik tevoren tegen De Boer gezegd, dat ik in een verklaring omtrent onze bedoelingen nooit zoo ver zou willen gaan, dat ik bezetting van verdere gebieden wilde uitsluiten, zooals Sjarifoedin vroeg. Nu was dat ook niet hetgeen Van Mook naar voren bracht. Van Mook wilde nog eens zeggen, dat Nederland geen agressieve bedoelingen had. De Boer volstond, in antwoord daarop, met op een betrekkelijk korzelige manier zijn hoofd te schudden en zijn misnoegen te laten blijken door te zeggen, dat hij voor zulk een verklaring niets voelde. Na
eenig heen en weer brommen en praten ontplofte toen Van Mook tegenover De Boer en zei hem dat, als hij een algemeenen aanval wenschte en een totale bezetting van het land, hij het dan maar moest zeggen, want dat Van Mook daaraan niet mee deed en dan aftrad. De Boer antwoordde hierop dat hij dat dan maar moest doen, waarop Van Mook repliceerde: ‘En dan kun jij mij opvolgen’. Het was volkomen duidelijk dat wij met dezen stijl van discussie regelrecht in het moeras terecht kwamen. Van Mook was volkomen buiten zichzelf en, hoewel De Boer vanmorgen aan Sanders heeft verteld dat hij zich zoo goedhad beheerscht, moetiktoch eerlijk zeggen dat ik, naar ik meen, volkomen gelijk had, toen ik na afloop van de vergadering tegen De Boer zei dat ook hij zich toch eigenlijk onbebehoorlijk had gedragen door eenvoudig Van Mook het bloed onder de nagels weg te trekken. Nu stond de Boer op het standpunt, dat hij iedere verklaring van onzen kant overbodig achtte en onwaardig en hij zag niet veel gat in een redelijke argumentatie van dit standpunt. Het spreekt echter vanzelf dat men in een gezelschap als de commissie-generaal er met een dergelijke simplistische opvatting niet is. Men moet dan op zijn minst de moeite doen om redelijk te betoogen, welke de bedenkelijke gevolgen van een of anderen voorgenomen stap zijn. Het was zeer duidelijk dat De Boer zoodanig het land had, dat hij psychisch niet in staat was om zich tot dit standpunt op te werken. Van Mook raakte werkelijk eveneens ver van de sfeer van het redelijke verwijderd en kon het toen niet laten om nogal wat glazen gin en ajer ijs te drinken.
De discussie verliep verder in hoofdzaak tusschen Van Poll, Idenburg en mij en Van Mook bleef er eigenlijk heelemaal buiten. Idenburg wees nog eens op de moeilijkheden, die Van Mook hier in die acht weken had moeten opknappen. Van Poll gaf een zeer duidelijke en sprekende verklaring, dat hij, nu hij eenmaal voor de politiek van Linggadjati had gekozen, deze ook verder wenschte te volgen tot de andere zijde hem dit volstrekt onmogelijk zou maken. Ik heb er den nadruk op gelegd dat wij in de vergaderingen met Spoor en met Romme twee beginselen in goed overleg hadden aanvaard1. en dat er maar één methode was om uit deze moeilijke zaak te komen, nl. dat men daaraan volstrekt vasthoudt. Indien wij ons daarbij in alle moeilijkheden door ons gevoel laten overheerschen, komt er
van de heele zaak zeker niemendal terecht. Ten slotte zijn wij het er toch wel over eens geworden dat het nuttig en noodzakelijk zal zijn om, nadat wij van Soedirman in de eerste plaats vergen een toespraak, waarin het cease fire wordt gegeven, onzerzijds een toespraak door Van Mook te laten houden, waarin de doelstelling van het Nederlandsche leger nog eens duidelijk naar voren komt. Niet alleen tegenover de Indonesiërs is dat nuttig en misschien geruststellend, maar ook vooral voor de Nederlandsche soldaten zelf. Ik memoreerde nog weer mijn ervaring van den tocht van j.l. Zondag1., toen een majoor mij ook weer de vraag stelde, waarvoor zij eigenlijk in dit land zitten. Voor dit laatste argument scheen De Boer wel gevoelig en verzette hij zich dus verder niet tegen een dergelijke uiteenzetting. Aan het slot van deze vrij onaangename vergadering heb ik nog weer eens een beroep op de heeren gedaan en ze duidelijk gezegd dat, indien men op dezen weg voortgaat, er geen kans is om in innerlijke harmonie deze moeilijke zaak te behandelen en er dan weinig kans van slagen voor Nederland zal bestaan.
Na afloop van deze vergadering in het paleis Rijswijk teruggekeerd, kregen wij nog een gesprek onderling en daarin meende De Boer de opmerking te moeten maken, dat Van Mook te veel had gedronken en daar zijn explosie aan viel te wijten. Ik heb dit ten stelligste tegengesproken en vind het ook eigenlijk een hoogst bedenkelijken vorm van excuus. Toen Van Mook begon, was daar, naar mijn stellige overtuiging, geen sprake van, De Boer heeft hem het bloed onder zijn nagels weggetrokken en het is eindelijk tot een explosie tusschen deze twee gekomen. Het is juist dat Van Mook daarná meer gedronken heeft dan hij normaal doet, maar daar bleef het ook bij en na dat drinken heeft hij betrekkelijk weinig gezegd. Ik vond het geheel een zielige, onwaardige vertooning en het is maar beter daaraan niet te veel aandacht meer te schenken. Van Mook zou vanmorgen een stuk opstellen, dat wij als grondslag voor de discussie van vanmiddag zullen gebruiken.
Gisteren is de politieke bespreking over de militaire situatie voortgezet2.. Van Mook had ten slotte een ander soort document gepro-
duceerd en wel een soort gemeenschappelijk communiqué van de bespreking, waarin wordt meegedeeld dat Soedirman op dien en dien datum in Januari het cease fire zal geven, zoodat - volgt er dan op - ook het reeds eerder van Nederlandsche zijde gegeven cease fire thans effectief kan worden. Over dat stuk hadden wij hier 's morgens nog eenige discussie gehad en het kostte eenige moeite om De Boer dit te laten slikken, maar dat viel ten slotte toch wel mee.
De bespreking met de Indonesiërs verliep zeer bevredigend. Sjarifoedin begon met de opmerking, die niet heelemaal onjuist is, dat wij ten slotte bij de regeling van het bestand veel te veel hebben overgelaten aan de beslissing van locale bevelhebbers en dat inderdaad de afspraak was dat het cease fire pas zou worden gegeven, wanneer locaal alles zou zijn geregeld. Deze locale machthebbers hebben het dus betrekkelijk in hun macht gehad om de zaak in het honderd te sturen. Samen misschien met den generaal Soedirman, die er zelf ook niet erg veel voor voelde, is dat in het honderd sturen dan ook uitstekend gelukt. Merkwaardig is, dat Sjarifoedin nu met de gedachte komt om de zaak werkelijk compleet van boven af te regelen, zoodat dit soort stokken-tusschen-de-beenen-steken van de baan is. Hij maakte ook den indruk dat hij inderdaad in staat is er voor te zorgen, dat er dan overeenkomstig deze bevelen zal worden gehandeld. Ik ben benieuwd of het waar is. De generaal Buurman van Vreeden was daarover in een gesprek later niet erg optimistisch. Toch kon dit nog wel eens meevallen, want de heeren hebben thans wel in de gaten dat een regelrechte strijd er voor hen niet hoopvol uitziet. Ten aanzien van Soerabaja, waarover wij den achttienden een ultimatum hebben gesteld1., kregen wij te hooren dat dit oogenblikkelijk werd ingewilligd en gistermiddag nog tijdens de vergadering werd het bevel verstuurd, waarschijnlijk via Soedirman, dat de artilleriebeschietingen van Soerabaja en Semarang oogenblikkelijk moesten worden gestaakt. Later, na afloop van de vergadering, heb ik met generaal Buurman van Vreeden en Van Mook afgesproken dat wij hun dan den tijd zullen geven niet alleen tot Zaterdag, 25 Januari, maar dat er in geen geval een aanval zal worden gedaan vóór Maandag 27. Wij hopen echter van harte, dat de heeren er mee ophouden. Merkwaardig is dat generaal Buurman van Vreeden net gisteren berichten uit Soerabaja heeft gekregen, dat de Indonesiërs blijkbaar bezig waren een bepaalden sector, van waar die artillerie
geregeld schoot, te ontruimen. Dit is in overeenstemming met het verhaal, dat de adjudant van Sjarifoedin aan Roosenburg had verteld, nl. dat dit ultimatum van ons in Djocja nogal indruk had gemaakt. Waarschijnlijk hebben zij daar direct maatregelen genomen om aan die schieterij een eind te krijgen.
Vanmorgen werd ik opgeschrikt door een Aneta-bericht uit Holland, waarin weer eens gezegd werd dat Van Mook aftrad en dat de Maasbode het bericht van Elsevier meende te kunnen bevestigen, dat Lovink in aanmerking kwam voor benoeming tot gouverneur-generaal1.. Verder werd er gezegd dat Michiels, onze ambassadeur in Londen, voor deze functie had bedankt. Nu weet ik van Mansholt, dat Lovink inderdaad genoemd is. Ik heb mij toen al tegen deze figuur verzet. Zijn benoeming slaat, naar mijn vaste overtuiging, de geheele zaak hier in elkaar. Ik ben er daarom vandaag toe overgegaan een brief te schrijven aan Drees, met een afschrift aan Koos Vorrink, waarin ik van mijn verontrusting over den gang van zaken heb blijk gegeven. Wij zitten nu al met een lid van de commissie-generaal2., die verklaard heeft het accoord niet te zullen teekenen en die er eigenlijk tegen is, maar hier komt in de hoop de zaak te kunnen ombuigen. Wanneer ik dus straks in de prettige situatie kom, dat ik in een vergadering van zes als de eenige socialist zit, met als helper alleen Van Poll tegen een overigens waarschijnlijk vrij onwillig gezelschap, dan zie ik er niet veel goeds van komen. Ik heb de heeren er op gewezen, dat dit een situatie is, die ik niet kan aanvaarden, en dat de benoeming van Lovink practisch mijn ontslag zal beteekenen. Ik heb er maar niet bij gezegd dat zelfs het vooruitzicht, dat dit zal gebeuren, voor Van Mook voldoende is om oogenblikkelijk weg te loopen. De groote narigheid voor mij is, dat ik het gevoel heb dat dit van Jonkman zeer bewuste politiek is. Hij tracht door te voeren, hetgeen hij tegen mij al heeft gezegd, dat, nu het accoord in de Kamer is aangenomen, het geen kwaad kan de commissie-generaal te versterken met een paar conservatiever elementen3..
Ik kreeg vanmorgen een brief van Friedericy aan Sanders van 15 Februari te lezen, waarin een uiteenzetting van Jonkman voorkwam in een vergadering van departementshoofden en die precies denzelfden geest ademde. Versterking van de landvoogdij zooveel
als mogelijk is en dus niet desintegratie van de Nederlandsen-Indische regeering, maar probeeren via een versterkte landvoogdij een orgaan van de Kroon in het bestuur van de Vereenigde Staten te krijgen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik dit een methode vind, die mij niet aantrekt. Zij is weinig royaal en ik ben er ook van overtuigd, dat zij op den duur narigheid zal opleveren. Wanneer wij dan de krankzinnige situatie krijgen, dat Van Poll en ik de eenige vertegenwoordigers zijn van de twee groote regeeringspartijen en dat er voor de rest een stelletje liberalen zit, die de zaak zoo in den stijl van het Handelsblad trachten te tracteeren, dan heb ik er verder weinig aardigheid meer aan en dan zal ik, uit gebrek aan geloof in het resultaat hiervan, zoo vrij zijn nauwkeurig te overwegen op welk moment ik het wrakkig schip der commissie-generaal zal verlaten. Bovendien bleek uit dezen brief van Friedericy ook nog weer duidelijker dan ooit, dat in de gedachten van Jonkman eigenlijk voor deze commissie-generaal nauwelijks een taak is weggelegd dan alleen tegenover de republiek datgene te verdedigen, wat Den Haag dicteert. Wanneer hij dan zoo zegt dat hij verwacht, dat wij zullen rapporteeren over hetgeen in Den Pasar is gebeurd, terwijl daar met ons nooit met een woord over is gesproken, dan moet ik bekennen dat ik dezen vorm van gezeur rondom deze commissie weinig op prijs stel.
Verder hebben wij vanmiddag Posthuma afgehaald, een operatie, die zeer rustig verliep. Ik heb met hem afgesproken, dat hij morgen om kwart voor tien zijn opwachting maakt bij Van Mook en dat wij om tien uur vergadering van de commissie-generaal hebben. Mijn plan is om hem daar zeer behoorlijk aan den tand te voelen over zijn standpunt tegenover deze heele affaire.
Gisteravond was er opnieuw een politieke bespreking hier bij mij1., gewijd aan de militaire zaken. De ontwerp-verklaring van Van Mook kwam aan de orde en vrij snel daarna kwam Sjarifoedin met een tegenvoorstel, dat voor ons eigenlijk onaanvaardbaar was. De geheele toon en ook de uitdrukkelijke verklaring, dat wij niet de bedoeling hadden om verder in Indonesisch gebied te penetreeren of
terrein te bezetten, was voor ons om redenen, die ik vroeger al vermeld heb1., niet aannemelijk. Het was Sjahrir, die presideerde, volkomen duidelijk dat wij hiertegen zouden steigeren. Deze man toonde nog weer eens zijn formaat als tacticus en leider van zijn eigen delegatie door ons een tijdje te laten debatteeren en toen ten slotte, tegen het moment dat hij vreesde dat wij het ‘onaannemelijk’ tegenover de nota-Sjarifoedin zouden doen hooren, er tusschen te komen met de opmerking dat het toch wel wat merkwaardig was dat we bezig waren te debatteeren over een verklaring, terwijl het ons in den grond van de zaak toch eigenlijk alleen maar te doen was om militaire maatregelen, die aan het schieten een einde maakten. Hij vond de energie, die wij besteedden aan de discussie over die verklaringen, eigenlijk overbodig. Daarmee stemde ik natuurlijk oogenblikkelijk in, omdat voor ons inderdaad alleen maar van wezenlijke beteekenis was de legerorder van Soedirman, waarin het cease fire zou worden gegeven en de publicatie daarvan. De rest is volkomen bijzaak. Sjahrir merkte terecht op, dat wij het daarover volkomen eens waren en dat het dus veel eenvoudiger was dan wij uit de discussie zouden moeten opmaken. Aldus geschiedde en de practische maatregelen, die moesten worden genomen, waren de punten uit de nota van Van Mook. Deze maatregelen stelden wij vast en legden ze in de notulen neer.
Hiermede was deze zaak betrekkelijk snel bekeken. Wel hebben wij nog weer vrij uitvoerig gesproken over de kwestie van de bedreiging van menschen, die met de wederpartij samengaan. Merkwaardig is, dat de republiek telkens een gezicht trekt alsof dat bij hen niet gebeurt. Ik krijg hoe langer hoe meer den indruk, dat het noodzakelijk zal wezen de republikeinsche delegatie aan de hand van een aantal gegevens, waarover wij beschikken2., onder den indruk te brengen van het feit dat het niet zoo eenvoudig is als zij wel denken. Toch is dat ook weer moeilijker dan sommigen van ons wel aannemen. Van Poll las b.v. uit het rapport over Buitenzorg3. verklaringen voor inzake het gedrag van den heer Gaos. Een aantal heeren

Batavia, 24 januari 1947. Begroeting van prof .Posthuma bij gijn aankoms