Die bespreking over buitenlandsche zaken had den volgenden dag nog een bedenkelijk staartje, waarbij ik mij eenigszins heb vergaloppeerd. Mijn bedoeling was om te probeeren den beroerden indruk van deze vergadering te corrigeeren door Donderdagmorgen een memorandum te doen samenstellen, waarin ons standpunt zoo goed mogelijk werd uiteengezet en waarin tevens was opgenomen, waartoe wij bereid zijn. Mijn bedoeling was om dat dan nog aan de Indonesische delegatie, die 's middags om half vier naar Djocja zou vertrekken, mee te geven. Het bleek daarbij dat men het daarover op zoo korten termijn niet eens kon worden, maar, wat belangrijker was, Van Mook vroeg of Boon hiermee zijn instemming kon betuigen en deze wenschte dat niet te doen uit een duidelijke angst voor Den Haag. Ik heb hem toen in een gesprek een beetje hard aangepakt, ook over het feit dat hij zijn naam uit de notulen geschrapt wenschte te zien om zich aan iedere verantwoordelijkheid voor den gang van zaken tegenover zijn minister te onttrekken. Van Mook stond echter op het standpunt, dat wij, nu de minister van buitenlandsche zaken over deze materie wél gesproken had, nl. in negatieven zin, het ongewenscht zou zijn dat wij als commissie-generaal de verantwoordelijkheid namen voor een dergelijk voorstel, ook al zouden wij daarbij de reserve maken dat dit slechts een discussie-ontwerp was van onze zijde.
Wij hebben toen gisteren achter op den middag het eerste ontwerp-memorandum nog wat omgewerkt en zijn tot een gezamenlijk resultaat gekomen. Ook Van Hoogstraten heeft hieraan zijn medewerking verleend. Dat was nog weer een merkwaardig voorbeeld hoe alle dingen in elkander grijpen. Van Hoogstraten kwam nl. gistermorgen toevallig met Sanders is aanraking, die met hem over deze zaak begon te spreken en toen kreeg Van Hoogstraten groote bezwaren tegen afzonderlijke republikeinsche handelscommissarissen, juist omdat hij de economische eenheid van dit land in de onderhandelingen met Gani trachtte te bereiken en daarin in ver gaande mate was geslaagd. Volgens hem zouden deze functionarissen nooit anders dan de instructies van het gemeenschappelijk orgaan voor de handelspolitiek kunnen ontvangen en bepaald niet van de afzonderlijke staten, dus ook niet van de republiek. Doet men dat wel, dan worden de deelen van dit land tegen elkaar uitgespeeld. Hij merkte op, dat b.v. in Australië nog beter één Indonesi-
sche handelscommissaris kon zitten dan een republikeinsche Indonesiër naast een Nederlander. Ten slotte zijn wij er wel uitgekomen en heb ik ook het vermoeden dat het met de republiek nu wel lukt. Er zijn twee mogelijkheden: deze handelsvertegenwoordigers leggen den eed af aan de Koningin en worden dan handelsraad met een diplomatieken status; doen zij dit niet, dan blijven ze handelscommissaris. Dit is vergelijkbaar met een handelsraad, die hoort tot het corps diplomatique, en b.v. den vertegenwoordiger van het departement van landbouw in Washington, die ook geen eed van trouw aan de Koningin aflegt en daardoor den diplomatieken status niet verkrijgt. Wel worden zulke menschen ingepast in onzen diplomatieken dienst.
Het resultaat van deze discussie is naar Jonkman geseind, met de vraag om machtiging om op deze basis te onderhandelen1.. Tevens heb ik er bij laten zetten, dat wij de onderhandelingen over dit onderwerp niet verder voortzetten zonder te weten waar wij staan, omdat ik wel informatieve besprekingen voor Boon kan aanvaarden, maar niet voor de commissie-generaal. Boon heeft nu in zes telegrammen om een beslissing gevraagd, maar die is tot heden toe uitgebleven, uitgezonderd een paar weifelende opmerkingen. Tegen een zoo moeilijken tegenspeler op dit gebied moeten wij nu eenmaal behoorlijk grond onder onze voeten hebben.
Gisteravond was ik door den heer De Jonge op een dinertje in de Harmonie uitgenoodigd. Het gezelschap bestond uit den heer De Jonge, voorzitter van de vereeniging voor bergcultures, den heer Van Sandick, directeur van de Nederlandsche Handelmaatschappij, den heer Bolderhey, directeur van de H.V.A. en den heer Stokhuyzen, die ook voorzitter van een of andere werkgeversorganisatie2. is. Dat was wel een mooi gezelschap en ik zat daar te midden van de geestverwanten van Posthuma. Van Sandick kon natuurlijk niet anders dan hetzelfde zeggen, wat De Jonge ook al eens tegen mij had gezegd, nl. dat zij tegenstanders van Linggadjati waren. Ik heb van half acht tot elf uur met deze heeren zitten praten en in het bijzonder aan tafel was het bepaald wel prettig. Het is zeer principieel geweest en ik heb hun de geschiedenis van de onderteekening nu maar eens verteld. Het was mij bekend dat zij ook door Posthuma waren inge-
licht, natuurlijk in zijn stijl. Ik heb hun medegedeeld, dat op 12 Maart de situatie zoodanig was, dat ik wist dat het Kabinet militaire operaties op groote schaal, uit politieke overwegingen te voeren, radicaal van de hand wees. Verder wist ik dat drie medeleden toch dezen koers wenschten te zeilen en dat, indien ik geen actie nam, het zeker was dat het dien kant uit zou gaan, dus tegen de politiek van het Kabinet in. Ik heb hun gezegd, dat ik deze verantwoordelijkheid toen niet wenschte te dragen en de Indonesiërs heb laten weten, dat zij nu voor de laatste keuze stonden1.. Verder vertelde ik, dat ik daarbij tot de verrassende ontdekking ben gekomen dat de Indonesiërs, door de verhalen, die door de stad gonsden en natuurlijk uit legerkringen afkomstig waren, vrij fatalistisch waren ingesteld en meenden dat een antwoord op den brief van 2 Maart eigenlijk geen zin meer had2.. Ik heb getracht het gezelschap duidelijk te maken dat, in plaats van toegeven aan onze eischen, er met deze menschen ten gevolge van de bedreiging niets meer te beginnen was. Merkwaardig was hun vraag of de wederpartij de enorme verantwoordelijkheid, die ik op mij had genomen door deze oplossing te forceeren, nu ook door haar houding toonde op prijs te stellen. Daar kon ik natuurlijk geen rondloopend antwoord op geven, dan alleen dat ik het schrijven van den brief op zichzelf als een eerste bewijs van vertrouwen kon opvatten.
Met betrekking tot de eigenlijke ondernemerszaken bleek mij, dat deze menschen fel gekant zijn tegen de plannen van Van Hoogstraten en in het bijzonder tegen de mogelijkheid, dat zij aan de republiek eenigerlei vergoeding voor de productie van de aanwezige goederen zouden moeten betalen3.. In den grond zit hieronder een diepgaand verschil, in zake de opvatting over het rechtsherstel4.. Dit standpunt heeft de heer De Jonge als uitgangspunt
van een betoog gekozen. Alle daden van de Japanners zijn onrechtmatig en ook het beheer is dus onrechtmatig geweest. Volkenrechtelijk is het ingrijpen in den particulieren eigendom verboden. Ook het beheer kan dus nooit een rechtmatige daad zijn. Al hetgeen aanwezig is, is zonder meer hun eigendom en over transacties te goeder trouw willen zij in het geheel niet spreken. Van den heer Gieben hoorde ik nu dezer dagen, dat dit standpunt volstrekt onhoudbaar is en in strijd met de feitelijke omstandigheden, zooals die in dit land gelden. Merkwaardig was, dat de heer ....1. eigenlijk een ander betoog hield. Die ging van het standpunt uit, dat, wanneer men tegenover de republiek de rekening op zou maken van beheer en wanbeheer, zij blij mocht zijn dat ze er met een gesloten portemonnaie afkwam. Ik ben benieuwd welke van de twee kanten door de heeren in de commissie ex artikel 142. zal worden gehanteerd. Natuurlijk vroegen zij van mij de toezegging, dat zij in deze commissie niet van overheidswege in den rug zouden worden geloopen. Het spijt mij wel, dat ik hun geen enkele toezegging heb kunnen, noch willen doen. Ik wilde hier bepaald niet in de fout van Posthuma vervallen.
In het gesprek, dat ik vanmorgen met Gieben had, hoorde ik in dit opzicht weer een mooi verhaal. Hij werd op een gegeven oogenblik door de heeren Posthuma en Verzijl uitgenoodigd om uitleg te geven over zijn opvattingen omtrent het rechtsherstel. Gieben was aangekomen met alle documenten, maar in de vergadering trof hij niet alleen de heeren Posthuma en Verzijl aan, maar ook een viertal heeren van ondernemerszijde, wier aanwezigheid volstrekt niet was aangekondigd en die een aantal van te voren klaargemaakte amendementen op de regeling van den heer Gieben voorstelden. Het spreekt vanzelf, dat deze toen volkomen wild was en niet bereid tot eenig werkelijk redelijk overleg. Ook een dergelijk verhaal is volkomen geschikt om aan de menschen in Nederland duidelijk te maken, dat genoemde heeren het gezag van de commissie-generaal tegenover de Nederlandsch-Indische regeering volkomen wegge-
smeten hebben. Overigens bleek mij uit dit gesprek met Gieben, dat er aan deze zaak een massa vastzit en dat de komende ministers het niet zullen treffen, want er zal over deze zaak binnen zeer korten tijd een beslissing moeten worden genomen, anders loopt daar de geheele economische regeling eenvoudig op knijp.
De belangrijkste daad van gisteren was gelegen in een gesprek, dat wij in de commissie-generaal hadden om een agenda voor de ministers op te maken. Van Mook begon echter uit een heel ander vaatje te tappen. Hij meende, naar aanleiding van het bericht dat Lieftinck pas aan het eind van de maand Mei hier zou komen, te moeten vaststellen dat de toestand volstrekt onhoudbaar is. In Bandoeng hebben ondernemers met militairen afspraken gemaakt om bepaalde ondernemingen maar te gaan bezetten, zoo gauw er ook maar een schijn van kans voor zal ontstaan. Bij allerlei menschen leeft het gevoel, dat wij nog maar drie of twee maanden den tijd hebben voor militaire actie en dat het onverantwoord is om deze kans voorbij te laten gaan, omdat wij anders volkomen aan de republiek zijn overgeleverd. Hierdoor begint zich nu van de Nederlandsche wereld, die zich een half jaar geleden van de financieele toestand nog geen denkbeeld kon vormen, een soort paniekachtige stemming meester te maken, die merkwaardigerwijze op hetzelfde doel is gericht als vroeger de gerustheid, nl. de militaire bezetting van Java. Wel komt men deze stemming op het oogenblik in allerlei modulaties tegen, waaronder een deel, dat meent, dat men daarna heel goed het schoongemaakte Java op een presenteerblaadje aan Sjahrir kan aanbieden om dan met hem Linggadjati opnieuw uit te voeren. Het zou reusachtig mooi zijn als het waar was, maar weinigen gelooven daar aan.
De consequentie van het betoog van Van Mook was, dat wij zoo snel mogelijk tot ontspanning moeten komen. Beel, Jonkman en Huysmans dienen liefst samen te komen; hij wilde Lieftinck ook in het begin van Mei hebben om half Mei weg te gaan, maar ik heb dat uit zijn hoofd gepraat, omdat ik meen dat daar niet de minste kans op is. Het zou echter al voldoende zijn, indien Lieftinck half Mei regelrecht naar Amerika zou gaan en Van Mook idem idem van hier uit. Dat zou dan kunnen na het bezoek van de andere ministers. Indien bovendien Albarda als zijn vertegenwoordiger hier komt, dan is het ook niet zoo noodzakelijk dat Lieftinck bepaald vóór zijn bezoek aan Amerika hier vertoeft. Ik ben achteraf nog op het idee gekomen dat, indien Albarda zeer snel komt, misschien de mogelijk-
heid bestaat dat deze met Van Mook mee gaat. Na eenig heen en weer praten hebben wij besloten om een vrij duidelijk en nogal scherp telegram1. te maken, waarin deze gedachtengang wordt ontwikkeld, zoodat wij nu aan het eind van de maand drie ministers verwachten en Lieftinck regelrecht naar Amerika zou kunnen gaan, indien hij niet in staat is om eerder te komen.
Ik hoop dat deze gedachtengang eenigen indruk heeft gemaakt. Men moet den psychischen toestand niet onderschatten; ook bij de republiek hebben al die geruchten, die natuurlijk doordringen, een uiterst schadelijke werking. Wij krijgen haast en het noodzakelijk gevolg is, dat zij minder haast krijgen. Bovendien, wanneer wij hen met al onze problemen als het ware onder den voet loopen, dan maken wij deze heele club kopschuw. Het komt er dus op aan dat wij een situatie scheppen, waarin wij binnen den kortst mogelijken tijd wat meer ruimte krijgen. Uiteraard moeten wij zuinig zijn, d.w.z. ook bij het bezoek van de ministers overwegen in hoeverre wij de militaire organisatie kunnen inkrimpen. Natuurlijk had het Dagblad2. vandaag al weer een verhaal, dat daar voorloopig geen sprake van kan zijn. Deze krant is hier ook eigenlijk een fataal instrument. Wantrouwen, zuurheid en reactie strijden om den boventoon. Gelukkig spotten de republikeinen er een klein beetje mee en stellen zij dit krantje op één lijn met een aantal van hun bladen.
Eerst wil ik nog een kleinigheid over Vrijdag memoreeren. Wij kregen een Chinees uit Malang op bezoek, een zekere Goei, die ons door Van der Plas op het dak was gestuurd. Hij gaf ons allerlei indrukken over den gang van zaken in de republiek, die alles behalve optimistisch waren en die er alle op neer kwamen, dat de heeren het toch eigenlijk niet kunnen. Tot op zekere hoogte is dat voor ons geen nieuws. De vraag is alleen of zij bereid zijn ons te laten helpen. Wel een concreet gegeven was dat hij voor een reispas van Malang naar Batavia 400 roepiah had moeten neertellen, die hij ten slotte aan den secretaris van den resident in Malang had overhandigd in den vorm van een kain ter waarde van zeker ƒ 500,-. Dergelijke
teekenen van corruptie vindt men op het oogenblik door de geheele republiek heen en dat is een van de zeer benauwende verschijnselen. Ik vind dat persoonlijk eigenlijk erger dan het bericht, dat wij gisteren lazen, dat ergens de T.R.I. de Laskjars te lijf gaat en er vrij zware gevechten rondom een station plaats vinden, waarbij de Laskjar het loodje legt. Wij weten te voren, dat dit noodzakelijk is en dat bij geslaagde operaties aan dit soort onlusten een einde komt. Met de corruptie ben ik daar niet zoo zeker van. Ik heb ook Boediardjo al eens gezegd, dat ik dat een van de allerzwakste kanten van Azië vind, die ook de republiek in ernstige mate bedreigt. Veel positiefs kwam er eigenlijk verder uit dezen Chinees niet. Wel was nog opvallend het verhaal, dat de zeer bekwame republikeinsche gouverneur van Oost-Java, Soerjo, die ook den heer Maassen bekend was, zijn ontslag had genomen op grond van het feit, dat het departement van binnenlandsche zaken ergens een volstrekt onbekwamen resident handhaafde, die de zaak daar volkomen in de soep liet loopen1.. Grappig was nog wel, dat men geprobeerd had dezen man ook in de K.N.I.P.-vergadering in Malang te krijgen en hij daartoe twee maal een boodschap van Soekarno had gekregen in den vorm van een uitnoodiging, maar dat hij voor de eer had bedankt. De secretaris van dezen gouverneur had dit verhaal aan den betreffenden Chinees verteld. Tallooze Nederlanders zullen uit zulk een beschrijving direct de conclusie trekken, dat deze gouverneur op onze hand is en hoerah roept wanneer Spoor komt. Ik durf dat niet zoo zeker te zeggen.
Vrijdagmiddag om vier uur hadden wij een vergadering met het dagelijksch bestuur van den West-Borneo-Raad, welke onder leiding staat van den sultan van Pontianak2.. Eenigen tijd geleden hadden wij met Max al eens een gesprek gehad, waarin hij den wensch tot uitdrukking bracht om een soort afzonderlijke overeenkomst met de commissie-generaal te sluiten. Thans had de West-Borneo-Raad in een aantal moties aan den eenen kant uitgesproken, dat zij bereid waren mee te werken tot de vorming van den staat Kalimantan (d.i. Borneo), maar slechts indien aan bepaalde voorwaarden van zelfbestuur voor West-Borneo zou worden voldaan. Nu heeft prof. Enthoven een soort document ontworpen, dat eigenlijk geen over-
eenkomst is, maar een verklaring van de Nederlandsche regeering bij monde van de commissie-generaal, die mede door den West-Borneo-Raad is onderteekend, waarin men zich wederzijds bindt aan den inhoud van dit document. West-Borneo krijgt daarin een afzonderlijken status, die niet vergelijkbaar is met die van Oost-Indonesië, wat de structuur betreft. Er komt geen staatshoofd en er komen geen ministers, maar de West-Borneo-Raad als zoodanig is het parlement en het dagelijksch bestuur daaruit is het bestuur van het gewest. De sultan is daarvan voorzitter en de resident is ondervoorzitter. Zij vormen als het ware het college van gedeputeerden. De bevoegdheden, die zij van het centrale gezag hebben gekregen, wijken, althans in beginsel, vrij weinig af van die van den staat Oost-Indonesië. In zooverre vormt West-Borneo dus op het oogenblik wel degelijk een soort staat en later bij een eventueele stichting van den staat Borneo, zal men een nieuwe regeling moeten maken voor een overdracht van een deel van de bevoegdheden van West-Borneo naar den staat Borneo. Ik krijg den indruk, dat dat nog wel pijn zal doen. Zoolang deze staat niet bestaat, zal West-Borneo op voet van gelijkheid in alle besprekingen over federale organen bij den opbouw van de federatie worden vertegenwoordigd.
Ik vind dit geen dwaas opzetje. Het zou alleen kunnen zijn, dat dit voorbeeld van West-Borneo navolging vindt in b.v. Banka en Billiton. Men kan dan nog altijd, op basis van art. 4 van Linggadja-ti1., aan de hand van de toekomstige ontwikkeling van het machtsevenwicht in de federatie, zijn plaats daarin naar behoefte kiezen. Na afloop sprak de sultan zijn groote bevrediging uit over den gang van deze vergadering: zij hadden volledig hun zin gekregen. Ik vond het geheel, ook tegenover de republiek, nog niet zoo slecht.
De dag van gisteren verliep vrij rustig, 's Morgens om half twaalf had ik een gesprek met den heer Gieben over de keuze van een chef-directeur in het college van directeuren der karteerings-coördinatie, waarbij het er om gaat een wetenschappelijk bekwaam man te vinden, die in staat is het evenwicht tusschen topografischen en kadastralen dienst te handhaven, of liever gezegd bij de taakvervulling in dit land zoodanig oordeel te kunnen geven, dat de hoofden van departementen daarop blind kunnen varen. Na dit gesprek uit de sfeer van mijn oude vak, begon ik met den heer Gieben nog even
over het rechtsherstel en de houding van de ondernemers. Aan deze ordonnantie rechtsherstel is maanden gewerkt en allerlei menschen zijn bij de voorbereiding betrokken geweest. Hiertoe behoort in de eerste plaats de heer Van Nieuwkuijk, die thans voorzitter van den Ondernemersbond alhier geworden is, als opvolger van De Villeneuve. Vastgesteld mag worden, dat hij, volgens den heer Gieben, indertijd van harte achter deze zaak stond. Verder is een tweede figuur de heer Westerman Holstein, die bijna tot aan het einde heeft meegedaan, met een opdracht over deze materie naar Nederland is gezonden en zich daar heeft laten vangen als secretaris van den Ondernemersraad, d.w.z. van de bazen van de menschen, die hier den Ondernemersbond vormen. Deze man schijnt nu de spreekbuis te zijn van den Ondernemersraad in Nederland en had b.v. Verzijl opgewarmd op zoodanige wijze, dat, toen de heer Gieben op het vliegveld bij aankomst den heer Verzijl verwelkomde, deze zoo geïntereseerd was in de zaak van het rechtsherstel, dat hij hem na drie woorden zei: ‘Meneer Gieben, vertelt U mij eens, hoe zit dat eigenlijk?’ en toen begon met allerlei vragen. In datzelfde gesprek produceerde Gieben ook het verhaal, dat ik bovenaan bladz. 2901. al heb vermeld.
De eenige emotie op Zaterdag was die over de republikeinsche delegatie naar de opening van het parlement in Makassar. Wij hadden daar al eerder met Sjahrir over gepraat, die van meening was dat Natsir en de sultan van Djocja daar aanwezig zouden zijn2., terwijl Tadjoedin Noor zijn collega van het K.N.I.P. zou hebben uitgenoodigd. Nu bleek gistermiddag, toen de adjudant van Van Mook de reis wilde regelen en daarover met Boediardjo telefoneerde, dat wel een vijftal heeren uit Djocja onderweg was, doch daaronder geen van de drie genoemden. In plaats de van den sultan3. kwam de Pakoe Alam4.. Dat kon er natuurlijk nog mee door, maar verder was er geen enkele op ministerieel niveau. Hetgeen echter de deur dicht deed, was, dat de republikeinsche gouverneur voor de Molukken, de heer Latuharhari, ook tot het gezelschap behoorde. Ik heb toen Sanders opgebeld, die naar Boediardjo is gegaan en dezen op mij heeft afgestuurd. Ik ben daarop met Boediardjo even naar Van Mook gegaan en wij zijn tot de conclusie gekomen, dat dit
een onmogelijke zaak was. Dezen republikeinschen gouverneur had Boediardjo zelf ook vreemd gevonden. Toen hij er echter een opmerking over had gemaakt, had men hem op het ministerie van voorlichting de officieele uitnoodiging voor dezen meneer van de hand van Tadjoedin Noor, den Oost-Indonesischen parlementsvoorzitter, laten zien. Daarmee meende hij dat de republiek haar handen in onschuld kon wasschen. Dat moge dan al zoo zijn, maar Van Mook en ik hadden tegen dezen meneer, zoolang hij niet uit zijn functie ontslagen is, overwegende bezwaren. Dit zou inderdaad een al te gekke bak zijn. Wij kwamen tot de conclusie, dat het maar het beste was wanneer Boediardjo naar Tjikampek telefoneerde, waar de trein was opgehouden, en de heeren weer teruggingen. Een vertegenwoordiging op lager dan ministerieel niveau zou de republiek in Makassar bij handhaving van de normale préséance op een zoodanige lage plaats aan de tafel zetten, dat het van hun kant alleen maar scheele oogen zou opleveren. Dan liever het excuus gebruiken, dat er gelijktijdig een zoo belangrijke Kabinetszitting plaats vond, dat de belangrijke menschen niet aanwezig konden zijn.
Vanavond kwam echter Verboeket even bij mij met de mededeeling van Koets, dat de heeren toch waren gearriveerd en dat zij een soort officieele opdracht tot vertegenwoordiging van Sjahrir hadden. Koets heeft daarop gevraagd of Lutuharhari ontslagen was. Boediardjo ontkende dat, waarop hij natuur lijk prompt te hooren kreeg dat deze heer dan niet van de partij kon zijn. Daarop hebben de andere vier gezegd, dat zij dan ook maar niet gingen. Wel, ik meen, dat zij dat zelf moeten weten, want dat zij in deze zaak niet al te sterk staan, gezien het feit dat wij in de delegatiebesprekingen juist aan het onderhandelen zijn over het ontslag van deze heeren, opdat wij hen, voor zoover zij geïnterneerd zijn, kunnen vrijlaten. Tot deze laatsten behoort Dr. Ratulangi, van wien Verboeket mij ook nog even een kleine historie vertelde. Deze man is nl. in 1942 of '43 door de Japanners aangesteld als gouverneur van de Groote Oost. Onder het marine-commando Makassar behoorde ook Borneo. De Jappen hebben toen aan Ratulangi twee adviseurs toegevoegd, nl. Tadjoedin Noor als afkomstig uit Borneo en Nadjamoedin. Deze beide heeren hebben dus onder Ratulangi gediend; zij hebben daarbij tegen elkaar een strijd op leven en dood gevoerd om de tweede of de derde plaats en waren beiden natuurlijk bereid om Ratulangi den nek om te draaien. Thans heeft men de aardige situatie, dat Ratulangi weer gouverneur is gemaakt door de republiek en Nadjamoe-
din door ons tot eersten minister van Oost-Indonesië is gebombardeerd, zij het ook door verkiezing op de vergadering van Den Pasar, waarbij Tadjoedin Noor als zijn mededinger optrad, maar zich tevreden moest stellen met de functie van voorzitter van het parlement. Inderdaad, het is wel juist dat in het Oosten de politiek nog sterker door persoonlijke verhoudingen wordt bepaald dan in het Westen het geval is. Bij zulk een strijd is er van beginselen niet veel sprake. Nadjamoedin schijnt nu verklaard te hebben, dat hij graag bereid was, indien Ratulangi op Celebes terug zou komen in een andere kwaliteit, met hem samen te werken. Waarom zou hij ook niet, nu hij eenmaal de baas is!
Intusschen is het wel waarschijnlijk, dat de herrie om de deputatie van de republiek toch weer eenige deining zal veroorzaken. Wij zullen echter morgen, na onze aankomst in Makassar, den heer Soekawati vriendelijk verzoeken den heer Tadjoedin Noor ook eens aan zijn ooren te trekken over deze vreemde invitatie. Het mankeert er maar aan, dat hij Ratulangi, die geïnterneerd zit in Seroei, ook heeft uitgenoodigd!
Vanmiddag om half vier zijn wij teruggekeerd van de reis naar Makassar, waar wij gisteren de opening van het parlement van Oost-Indonesië hebben bijgewoond. In den grond een paar rustige dagen. Wij kwamen Maandagmiddag aan. Van Mook, Van Poll en ik logeerden in het paleis van Soekawati, dat vroeger dat van den gouverneur van Celebes was. 's Avonds een rustig diner, zonder verdere gasten en om half negen een bespreking met het Kabinet van Oost-Indonesië onder voorzitterschap van Soekawati.
Het hoofdpunt bij deze bespreking was natuurlijk de verhouding tot de republiek. Er bestaat bij het Kabinet de sterke wil om met de republiek in één gelid te komen. Zelfs werd het verwijt gehoord, dat zij in de onderhandelingen over Linggadjati niet zijn gekend. Dat is wel grappig, daar de republiek hetzelfde over de stichting van Oost-Indonesië beweert. Wij konden daarop vrij gemakkelijk antwoorden met de mededeeling, dat wij in zake alle federale regelingen de beslissingen aan de toekomst hebben overgelaten en van de republiek alleen medewerking hebben gevraagd voor maatregelen, waarvoor wij thans ook de medewerking van Oost-Indonesië vragen. Het bleek dat b.v. het krantenbericht, dat in een republikeinsch ge-
oriënteerde krant in Makassar over de volle breedte met een grooten kop stond vermeld, nl. dat Amerika de republiek de facto zou hebben erkend, in Makassar grooten indruk had gemaakt. Van Mook heeft toen onmiddellijk beloofd er naar te zullen streven, dat ook voor Oost-Indonesië een dergelijke erkenning van Engelsche en Amerikaansche zijde wordt gegeven.
Zij kwamen ook weer met de gedachte aan een overeenkomst tusschen de commissie-generaal en Oost-Indonesië op de proppen, als equivalent van Linggadjati. Dat is ons idee van December, waarvan ik nog altijd geloof dat het juist was en dat in de plaats had moeten komen van het opereeren met het staatsblad D 651.. Wij konden wijzen op hetgeen in West-Borneo nu tot stand is gebracht en Van Mook merkte terecht op, dat, indien zij kans zagen in het parlement in de komende maanden vergelijkbare moties te doen aannemen, op basis van deze moties dan ook een tweezijdige verklaring van de regeering van Oost-Indonesië en Nederland zou kunnen volgen, zooals dit ook met den West Borneo-raad het geval is. In dit Kabinet zit zeker de neiging om de positie tegenover de republiek zoo sterk mogelijk te maken. In het bijzonder is Nadjamoedin hiervan de exponent. Ik geloof, dat wij dit met alle kracht moeten ondersteunen, omdat de richting, die Oost-Indonesië thans voor de samenwerking tusschen Nederland en Indonesië inslaat, een uitnemend voorbeeld kan zijn.
In dit verband kwam door een klacht van Tahija, den minister van sociale zaken, ook het vraagstuk van de Persatuan Timor Besar weer naar boven2.. Wij hebben duidelijk gesteld, dat in een democratisch land een bepaalde propaganda vrij moet zijn. Tahija had er dan ook niet het minste bezwaar tegen, indien deze separatistische organisatie een eigen blad vol zou schrijven, maar, waar hij wel bezwaar tegen had, en o.i. volkomen terecht, is, dat het soldatenblad van Oost-Indonesië er door een bepaalden man van den legervoorlichtingsdienst eveneens mee wordt vol geschreven. Het Kabinet uitte de regelrechte beschuldiging, dat van Nederlandsche leger-, maar vooral van marinezijde deze beweging krachtdadig wordt ondersteund en men regelrecht aanstuurt op afscheiding van Ambon en eventueel nog andere gebieden uit den staat Oost-Indonesië. Ik heb al vaker in dit verslag uiteen gezet, hoe catastrophaal ik deze heele strooming acht. Vanmorgen had ik hierover een gesprek met Dr.
Brouwer, den commissaris van de Kroon, die geheel op hetzelfde standpunt staat. Laten deze pro-Nederlandsche krachten in den staat Oost-Indonesië zoo actief zijn als zij willen en daarin onzen steun genieten. Zij kunnen wat mij betreft voorwaarden stellen voor het meedoen aan den staat Oost-Indonesië, maar reeds bij voorbaat er uit stappen, daarbij aansluitende aan bepaalde sentimenten aan Nederlandschen kant, is een politiek die met verstandelijke overwegingen in strijd komt. Ik heb wel degelijk gevoel voor het argument van de trouw van deze menschen gedurende de bezetting aan de Nederlandsche vlag en aan het Huis van Oranje, maar wij bewijzen elkaar een slechten dienst door het stichten van een geïsoleerd gebied als twaalfde provincie van Nederland. Gisteren ontviel mij de uitlating, dat ook hieraan weer te zien is, dat Marx bepaald niet in elk opzicht ongelijk heeft gehad: de wijze, waarop iemand zijn brood verdient, is vaak bepalend voor zijn politieke idealen. Men ziet dat ook aan alle soldaten van Ambon. Hoe dan ook, wij dienen aan deze militaire activiteit op politiek gebied een einde te maken. Niet zonder humor was, dat wij bij onzen terugkeer in Aneta konden lezen, dat de commandant zeemacht, vice-admiraal Pinke, bij een bezoek aan Ambon zich ook weer door een representant van een dergelijke vereeniging heeft laten toespreken en hem de verzekering heeft gegeven, dat hij de blijken van trouw aan de Nederlandsche vlag en aan het Huis van Oranje aan Hare Majesteit en aan den landvoogd zou overbrengen. Ik vermoed, dat onze vriend Pinke een representant van een of andere vereeniging, die pleit voor de aansluiting bij Oost-Indonesië, met minder enthousiasme zou hebben aangehoord.
Uit de discussie met het Kabinet bleek ook wel, dat er een paar vrij zwakke plekken in zitten: de minister van justitie1. schoot een paar belangrijke bokken. Dr. Brouwer zei mij vanmorgen dat hij de uiterst ongunstige combinatie van dom en ijverig in zich vereenigde, iets dat veel gevaarlijker is dan b.v. dom en lui. Nadjamoedin zal er daarom in de komende parlementszitting wel op spelen, dat hij onderscheid maakt tusschen het oordeel over bepaalde ministers en het algemeene beleid van het Kabinet. Zij zijn wel bereid om een paar zwakke ministers op te offeren. Bovendien is die minister van justitie nog een Chinees, hetgeen voor die portefeuille m.i. weinig geschikt is. Een eigen plaats neemt de voorzitter van het parlement, Tadjoedin Noor, in. Dat is toch wel een vreemde snuiter. Hij had hier in
Batavia, buiten medeweten van het Kabinet om, allerlei republikeinsche autoriteiten uitgenoodigd, waaronder liefst, zooals ik reeds vermeldde1., den republikeinschen gouverneur voor de Molukken. Het bleek nu dat in Makassar ook aanwezig was, zonder dat iemand dat in de gaten heeft gehad, zijn eerwaarde broeder, die reeds republikeinsch gouverneur van Zuid-Borneo is. Noor ageert blijkbaar vrij zelfstandig en op allerlei punten in strijd met de Kabinetspolitiek. Ten aanzien van de a-politieke houding van den parlements-voorzitter kan hij waarschijnlijk nog wel iets in Den Haag van zijn ambtgenoot Van Schaik leeren. Ik vermoed, dat Van Mook toch wel een poging zal wagen om hem weg te krijgen. Dat schijnt niet zoo moeilijk te zijn, omdat er tegen hem uit den Japanschen tijd een dossier bestaat, dat niet malsch is. In tegenstelling tot Nadjamoedin, die in hoofdzaak heeft gezorgd dat hij er niet armer van werd, schijnt Noor ook een niet onbelangrijk aantal menschenlevens op zijn geweten te hebben. De conclusie van Van Mook en Verboeket was gisteren dat zij in ieder geval dankbaar waren, dat zij alleen het dossier van Nadjamoedin hadden gedeponeerd, zoodat dat van Noor nog wel eens zou kunnen worden gehanteerd.
Gistermorgen was de opening van de parlementszitting. Het spreekt vanzelf, dat de beide redevoeringen van den president en van den voorzitter van het parlement in het Indonesisch werden gehouden, evenals 's middags de politieke verklaring in de groote rede van den minister-president. Van de eerste en de laatste had ik gelukkig een Nederlandsche vertaling, zoodat ik het verhaal kon volgen. Alles gebeurde in een keurigen stijl en men deed in dit opzicht ‘net echt’. Ik bedoel hier geen denigreerende opmerking mee te maken, want ik heb werkelijk den indruk, dat de meerderheid van deze menschen zich volkomen bewust is van hetgeen er eigenlijk gebeurt en van de verantwoordelijkheid, die zij dragen. De rede van Noor kon ik niet beoordeelen, maar Verboeket vond dit een uitstekend verhaal van een jurist, die alle kanten uit kan en als advocaat van kwade zaken een uitstekend figuur zou slaan. De rede van Soekawati was goed en vaderlijk gesteld, die van Nadjamoedin was een sterk verhaal, waaruit een groote zelfbewustheid sprak, ook tegenover de republiek. Ik geloof, dat dit in het geheele politieke spel van dit oogenblik de juiste toon was.
Daarom was het merkwaardig, dat de Roomsch-Katholieke Twee-
de-Kamerafgevaardigde Ruys de Beerenbrouck in een gesprek met Dr. Brouwer en den heer Koets gisteravond laat bijna ontplofte, naar aanleiding van het lezen van de Nederlandsche vertaling van Nadjamoedin's rede. Ruys had zich zeer geërgerd aan het feit, dat hij Nederland zoo weinig op den voorgrond had geschoven en over de Koningin heelemaal niets had gezegd. Indien dat nu het deel van Indonesië is, waar wij het van moeten hebben, dan kunnen we gelijk wel wegloopen. Dat was zoo ongeveer de teneur van de opmerkingen van Ruys. Gelukkig kwam er achteraan dat hij 's morgens op een onbehoorlijke plaats was gezet, nl. op de tweede rij had gezeten achter de commissie-generaal en hoogwaardigheidsbekleeders van de Indische regeering. Hij vond, dat het Nederlandsche parlement, dat toch ten slotte over deze zaken heeft te beslissen, wel op de voorste rij kon zitten. Uit een dergelijke opmerking, waarmee hij zich tegenover deze beide heeren toch waarschijnlijk in de kaart had laten kijken, blijkt weer even welke sentimenten onze Nederlandsche autoriteiten beheerschen, die over dit enorme probleem hebben te oordeelen. Deze man had niet eens in de gaten, dat hij daar de Nederlandsche Tweede Kamer op geen enkele manier officieel vertegenwoordigde. Maar nog erger is, dat hij van de heele strekking van de rede van Nadjamoedin niets heeft begrepen. De enorme strijd, die deze man voert voor het federale beginsel en voor het eigen recht van de andere gebiedsdeelen tegenover de republiek, is in wezen de strijd ook voor de juiste plaats van het Nederlandsche element. Had hij hier zijn rede beëindigd, zooals hij het ook had gedaan bij de beëediging van het Kabinet, met den uitroep ‘Leve de Koningin’, dan zou hij nú in dit parlement van Oost-Indonesië de Nederlandsche zaak uitermate hebben geschaad. Maar waarschijnlijk kan Ruys dit niet begrijpen en misschien niet verteeren.
In een gesprek met Nadjamoedin ben ik gisteravond op deze zaak nog even in gegaan en heb hem er op gewezen, dat het bitter noodzakelijk is, dat zij zorgen voor een sterke vertegenwoordiging van Oost-Indonesië in de onderhandelingen met de republiek.
Gisteravond hield ik eerst een korte toespraak van 10 minuten voor Radio-Makassar, waarin ik vooral den nadruk heb gelegd op het groote optimisme, dat er in Oost-Indonesische kringen bestaat ten aanzien van de mogelijkheid om binnen zeer korten tijd een zelfstandigen staat te vormen, die zelfsupporting is op economisch gebied en dat Oost-Indonesië verder een model is voor de samenwerking tusschen Nederlanders en Indonesiërs.
Daarna was er een tuinfeest bij Soekawati, waar van 8 tot 10 een gezelschap Balineezen dansen uitvoerde onder begeleiding van gamelanmuziek. Dit gezelschap gaf iets ten beste, dat onvergetelijk was en waar elk Europeesch ballet het in verfijning, charme en élégance ver tegen aflegt. Voor ons is de Balineesche dans zeer veel begrijpelijker dan de Javaansche; bovendien ook veel levendiger. Uitgevoerd werd in hoofdzaak de meer dan een uur durende voorstelling van de Ardjoeno-sage.
Vanmorgen werden wij uitgeleide gedaan door alle autoriteiten van Nederlandschen en Indonesischen kant en kwamen via Soerabaja om half vier in Batavia terug.
Mijn stemming is er hier in Batavia gisteravond niet beter op geworden. In de eerste plaats is omtrent den terugkeer van de Indonesische delegatie nog niets bekend. Sjahrir is met Soekarno naar Malang vertrokken ter bijwoning van een congres van studeerenden. Gani, die Dinsdagavond hier al werd terugverwacht, schijnt ook niet boven den horizon te zijn. Nu had Sjahrir tegen mij gezegd, dat hij wel een week weg zou blijven. Die week is vandaag om, dus dan zou ik moeten aannemen, dat hij vandaag terugkomt. In de pers circuleeren echter ook berichten, die zeggen dat hij van Malang eerst nog naar Linggadjati zal gaan.
Wat beteekent dit alles? Is dit toch een kwestie van tijd trachten te winnen in de wetenschap, dat wij in tijdnood verkeeren? Zij zijn met een serie belangrijke voorstellen naar Djocja gegaan, zij weten dat wij op antwoord wachten en nu fladderen de heeren weer wat rond in plaats van zaken te doen. Ik zal toch zo vrij zijn bij de eerstvolgende bespreking in onverholen uitspraken zeer duidelijk te laten blijken dat ik dit geen reëele wijze van doen vind.
Dit, wat de teleurstelling betreft aan het Indonesische front. Van het Nederlandsche was er ook maar matig bericht. Een telegram van Jonkman1., waarin hij naar aanleiding van de op 19 dezer ontvangen notulen van de officieuze besprekingen tusschen Van Hoogstraten en Gani zijn ernstige teleurstelling uitspreekt, aangezien zij niet den indruk vestigen dat van Nederlandsche zijde het nakomen van de overeenkomst van Linggadjati van de Indonesiërs
klemmend werd geëischt, noch dat ons standpunt welbewust en overtuigend naar voren werd gebracht, zooals mocht worden ver-, wacht en in CG 441. nog eens uitdrukkelijk was verlangd. Ziezoo, daar kunnen wij het voorloopig mee doen. Gelukkig wordt er dan nog gezegd dat er nadere berichten omtrent een heele serie onderwerpen, waaronder ook de economische besprekingen, zullen volgen. Van dien kant bekeken is het dus maar goed, dat Gani nog niet boven den horizon is. Via Weisglas heb ik trouwens aan Ursone laten weten, dat ik het met Van Mook eens was, dat het niet gewenscht is een telegram naar Den Haag te sturen om naar aanleiding van de z.g. officieuze toenaderingsvoorstellen van Van Hoogstraten, die zij inmiddels zullen hebben ontvangen met de notulen van de volgende drie besprekingen, definitieve instructies te vragen. Laten wij nu eerst maar wachten wat de heeren uit zichzelf seinen, dan kan Ursone tegenover Gani uitstekend de boot afhouden. Het is trouwens wel zeker, dat zij niet zonder meer in deze voorstellen van ons zullen trappen en dat maakt het den heeren gemakkelijk.
Het tweede punt was dat Sanders een brief uit Den Haag had ontvangen van een hem bekende relatie, waarin meegedeeld werd dat Huysmans weigerde Weisglas hier te laten of voor hem een plaatsvervanger te sturen. Hij staat op het standpunt, dat hij daardoor een mede-verantwoordelijkheid voor het beleid van de commissie-generaal zou aanvaarden en hij wenscht zich daarvan uitdrukkelijk te distantieeren. In dien brief werd gesproken over de débacle van het beleid van Posthuma en over de débacle van het beleid van mij. Een verklaring van dit laatste kwam er echter niet in voor. Het is Sanders en mij intusschen wel een indicatie voor de stemming, zooals die in Den Haag bestaat. Wij hebben lang en breed zitten praten over de te volgen tactiek. Zelf ben ik daarbij tot de conclusie gekomen, dat, indien Beel en Jonkman ons advies vragen, wij zullen voorstellen om geen gouverneur-generaal te benoemen, de commissie-generaal te laten bestaan en deze eventueel gedeeltelijk ook in Nederland te laten werken, naar mate men meent bepaalde zaken in Nederland te moeten behandelen. Verder er bij te zeggen dat de instelling absoluut deugt en dat, indien men vindt, dat de huidige functionarissen versleten zijn of onbekwaam, men den moed moet hebben dit te zeggen. Ik vind de gedachte om het geheele Indonesische probleem toe te vertrouwen aan een commissie-generaal,
waarvan een van de leden wordt belast met het algemeen bestuur, verreweg de beste. Dat zal bovendien het voordeel hebben, dat men het secretariaat van de commissie-generaal en het kabinet van den gouverneur-generaal nauwer met elkaar in verbinding zou kunnen brengen. Daarover heb ik gisteravond met Sanders ook nog uitvoerig gesproken: de zaken, die door Koets worden behandeld en door ons secretariaat loopen in veel gevallen volkomen door elkaar.
Eén ding stond voor ons beiden wel vast, nl. dat wij bij het bezoek van de ministers zullen beginnen met luisteren: de heeren moeten eerst maar eens vertellen, wat zij op hun lever hebben.
Zoo voel ik op het oogenblik van beide kanten groote moeilijkheden dreigen. Merkwaardig is dat beide partijen blijkbaar niet in de gaten hebben, dat de een door zijn houding de moeilijkheden, die de ander maakt, alleen maar versterkt. Wij staan er als commissie-generaal als het ware tusschen om te probeeren de uit elkaar drijvende krachten, die blijkbaar van nature aanwezig zijn, te neutraliseeren: een vrij moeilijke taak, waarvan het lang niet zeker is of die gelukt.
Vanavond vertelde De Visser van een luitenant Conradi, die uit Nederland is uitgezonden om te kijken wat er aan de voorlichting kan gebeuren, gehoord te hebben dat in Batavia bericht was ontvangen, dat de komst van de ministers enkele dagen zou worden vertraagd. Dit kan practisch niet anders zijn dan een bericht, dat bij het leger alhier is aangekomen. Merkwaardig, nu de landvoogd nog geen enkel bericht over den datum van aankomst heeft gekregen. Merkwaardig, omdat het symptomatisch is voor het feit dat twee regeeringen elkander min of meer doorkruisen. In dit gesprek bleek ook deze man weer radicaal tegen de regeeringspolitiek te zijn en tegen de uitlating van Jonkman omtrent de gezindheid van de uit te zenden ambtenaren1.. Zulk een man wordt nu door Nederland uitgestuurd om over de voorlichting van het leger verstandige dingen te zeggen.
Daarnaast kwam vandaag een brief van Lieftinck aan Van Mook,
waarin volgens mijn indruk een compleet afschrift staat van den brief, dien Lieftinck aan Beel schreef naar aanleiding van de schrik, die blijkbaar de gegevens van Bannier inzake den financieelen toestand van Nederlandsch-Indië hebben teweeg gebracht. Het is de noodkreet van een man, die tot de uiterste middelen wenscht over te gaan. Het is ook de beschuldiging voor mij aan het Kabinet, dat van de 120 dagen, die er zijn verloopen na de parafeering van Linggadjati tot de onderteekening, er 100, d.w.z. drie kostbare maanden, noodig had om tot een resultaat te komen, dat op 15 November al voor het grijpen lag in een psychologisch beteren vorm. Deze zelfde drie maanden leveren nu een groote paniek op, omdat Lieftinck er achter is gekomen dat men niet in October, zoals hij dacht, doch al in Juni aan het eind van het verhaal is. De consequentie is iets van dezelfde kracht, waartoe wij hier ook al waren gekomen, nl. dat het waanzin is om met de uitzending van troepen door te gaan alsof er geen vuiltje aan de lucht is en dat Amerika ons moet helpen op dezelfde wijze als het Griekenland helpt. Gelukkig hebben wij dezelfde gedachte al in het telegram van 18 April1. tot uitdrukking gebracht.
Gistermorgen een gesprek in de commissie-generaal over den huidigen toestand. Aan den eenen kant het onbehaaglijke gevoel, dat men aan republikeinsche zijde niet bona fide meespeelt. Van Mook had daarover een notitie gemaakt, waarin hij voorstelt om de zaak nu maar scherp te stellen. Wij zullen afwachten, waar de heeren mee uit Djocja komen, maar indien er geen beslissing komt in eenigszins gunstigen zin en wij den indruk krijgen, dat zij de zaak op de lange baan schuiven, dan zullen wij hun een aantal regelrechte overtredingen van Linggadjati voor de neus houden en vragen om een positief antwoord in zake den koers, welken zij willen varen, met de mededeeling er bij dat wij niet van plan zijn ons te laten chanteeren of ons door chicanes te laten bedriegen. Linggadjati beteekent samenwerking en het niet-ingaan op ons voorstel om te spreken over een luchtlijn Batavia-Djocja en het wél voeren van onderhandelingen met allerlei buitenlanders op luchtvaartgebied om, met terzijdestelling der internationale voorschriften, luchtlijnen op de republiek
te openen, zullen wij niet aanvaarden. Indien zij daarmee doorgaan, zien wij geen anderen uitweg dan de militaire bezetting. Voor arbitrage over dergelijke zaken hebben wij geen tijd. Het feit, dat wij nu drie weken zitten te wachten op de uitnoodiging aan Idenburg1., is ook een beroerd teeken. Palar verontschuldigt dit wel met de mededeeling, dat een groot aantal menschen in de republiek Soekarno niet naar Batavia durft te laten gaan, uit vrees dat hem, niet officieel maar uit het publiek, wat overkomt, maar daar zullen wij toch overheen moeten en Soekarno ook.
Deze houding van de republiek roept voor ons weer de vraag van het alternatief op. Merkwaardig was in dit verband een beschouwing van Max Kohnstamm in een brief aan Sanders2.. Die komt er eigenlijk op neer, dat het volgens hem wel eens zoo zou kunnen zijn, dat wij met een stok gezwaaid hebben, die wij nooit kunnen gebruiken en die ons bovendien economisch op den rand van het bankroet brengt. Reeds het bezit van den stok alleen al ruïneert ons bijna, laat staan wat er zou gebeuren als wij tot het gebruik van dit meubel overgingen. Maar terecht vraagt hij dan, als het leger niet de ultima ratio is, wat is er dan wel? Dan komt hij eigenlijk tot de conclusie, dat het wegtrekken uit Java als zoodanig zou moeten worden bebeschouwd. Dus leave them alone en onthoud hun alle hulp. Neen, dat is geen alternatief. Het zou bruikbaar zijn, wanneer in de republiek uitsluitend redelijke motieven een rol speelden, maar tegen de irrationeele krachten, die ook Sjahrir heeft te bestrijden, helpt dit dreigement alleen negatief. Immers, deze lieden zouden eenvoudig zeggen: ‘Hoerah, alle Hollanders zijn weg!’ Wat er dan gebeurt, deert hen niet. Daarom kan ook Sjahrir dit alternatief politiek niet gebruiken.
Overigens hebben de laatste dagen mij een zee van informatie uit Nederland bezorgd: de brief van Max Kohnstamm, dien ik al noemde, een brief van Logemann3., een van Vorrink4. en een kort gesprek vanmorgen bij het uitgaan van de kerk met De Niet. Den laatsten hoop ik deze week nog uitvoeriger te spreken. Om met hem te beginnen; hij zei: ‘Och, laat mij liever maar een maand wachten met vertellen, ik heb een heele lijdensgeschiedenis doorgemaakt’. Toen ik hem zei er niettemin prijs op te stellen zijn kijk te vernemen in
deze week vóór de ministers aankomen, bleek hij toch wel geneigd tot een gesprek en in een kleine voorlooper daarop liet hij zich ontvallen: ‘Jonkman is de man, die op het toppunt van zijn macht capituleerde uit louter zucht om bruggen te bouwen’. Ik ben benieuwd wat ik van hem verder te hooren krijg.
De indruk van de beide andere brieven is, dat de stemming in de partij voortreffelijk is en in het bijzonder heeft de brief van Vorrink mij niet alleen weer hoopvol gestemd, maar mij ook weer doen inzien dat hij de waarachtige politieke leider is. Alles bevestigt den indruk, dat de situatie in het Kabinet maar vrij brakkig is en dat onze partijministers zeer sterk onder den invloed staan van de oppositie. Van Mook was vanavond (het is inmiddels 9 uur geworden, hij heeft hier met zijn vrouw bij ons den avondboterham gegeten) stomverwonderd van de mededeeling in den brief van Logemann, dat Lieftinck tegen zijn financieel beleid ernstige bezwaren had, omdat hem daarvan tot heden toe nog nooit iets is gebleken. Dat laatste is de gewone grief, die wij eigenlijk allen hebben. Daarom sprak ik vanavond met Van Mook af, dat wij keihard aan de heeren den eisch zullen stellen van betere informaties. Wij wenschen ons hier verder niet als ballenjongens van het Kabinet te laten gebruiken, die op een gegeven oogenblik wel zullen hooren wat de heeren in hun hooge wijsheid hebben beslist. Wij met ons drieën achten het eenvoudig een schandaal, dat dit heele gedoe rondom de hooge posten, die hier bekleed worden, volstrekt buiten ons om gaat.
Een merkwaardig voorbeeld van de vreemde opvattingen in Nederland vind ik b.v. terug in den brief van Logemann, die schrijft dat ook Beel en Jonkman wel begrijpen, dat Linggadjati, zooals het door de Kamer is geïnterpreteerd, niet houdbaar zal blijken te zijn, hetgeen beteekent dat men, om een beruchten term te gebruiken, zal moeten ‘afglijden’. Men zal dit in Nederland echter slechts aanvaarden uit de hand van menschen, die niet als afglijders van professie bekend staan, zooals Van Mook, Van Poll en ik. Waar dat idee nu vandaan komt, dat wij de afglijders zijn? Natuurlijk zal onze vriend Posthuma daartoe wel een bijdrage hebben geleverd, maar hoe krankzinnig de menschen denken blijkt mij in dit opzicht ook weer uit den brief van Max Kohnstamm, die na de onderteekening van Linggadjati zegt een paar angstige weken te hebben gehad. Men kreeg uit de kranten den indruk, dat er iets niet klopte: onpleizierige persmededeelingen over en weer en dan zegt hij: ‘Later hoorde ik, dat de prof. in dezen tijd getelegrafeerd had: “Wij glijden af”!
en dat was precies het gevoel, dat de kranten - ook onze eigen - ons gaven.’
Ik heb er de telegrammen nog eens op nagelezen en vond toen in het telegram CG 121 van 1 April1., waarin wij met klem pleiten voor overkomst van de ministers, den zin: ‘Wij mogen daarbij het initiatief niet uit handen geven, daar anders afglijden niet te voorkomen’. Een ieder, die dezen zin vergelijkt met dien uit den brief van Max, zal met mij eens zijn dat dit een interpretatie is van de bedoeling van dezen zin, die nergens op lijkt. Het is weer de oude geschiedenis, die ik ook heb gesignaleerd in het telefoongesprek met Van Heuven Goedhart, dat later helaas op 22 Maart als interview in Het Parool kwam2.. Ook daar heb ik gezegd, dat het gebrek aan activiteit van onzen kant afglijden ten gevolge zal hebben. Wij traineeren, beslissen niet op tijd en laten zoodoende het initiatief aan de andere partij over. Dáárvan is het afglijden het gevolg. Allerlei lieden in Nederland meenen, dat de commissie-generaal en Van Mook aan deze afglijdingssport een zeker genoegen beleven. Wij hebben echter telkens weer gewaarschuwd, dat de tactiek, die Nederland toepast, ten gevolge heeft dat de feiten ons te sterk worden en dat daardoor afglijden onvermijdelijk wordt. Het is onze eigen stomme schuld! Die schuld zit niet hier, maar in Den Haag. Ik zou wel willen, dat de heeren dat eens goed begrepen en, zoodra in de besprekingen met Beel en Jonkman het woord ‘afglijden’ valt, dan kan ik ze de verzekering geven dat ze op een onzachte wijze zullen worden getracteerd.
Een mooi voorbeeld is ook de discussie over den buitenlandschen dienst. Indertijd heeft buitenlandsche zaken daarover een heel verhaal op touw gezet met als project één buitenlandschen dienst voor Nederland en voor Indonesië onder de Unie. Van Mook heeft toen in een nota aangetoond, dat dit tegen de ontwikkeling in Azië inging en niet in ons belang was. Beter zou zijn samenwerkende buitenlandsche diensten van Nederland en van Indonesië. Daarop heeft Van Mook nooit één syllabe gehoord. Vandaag komt er een telegram, waarin deze conceptie wordt aangenomen. Ook in dit geval zijn wij zeker weer de afglijders!
De brief van Max Kohnstamm is één doorloopende kreet om hard te zijn tegenover onze politieke tegenstanders en ook om zoo spoe-
dig mogelijk naar Nederland te komen. Hard te zijn ook tegenover het Kabinet en te eischen, dat men ons vrijheid van handelen geeft en anders de zaak er bij neer te gooien. Gelukkig zie ik uit den brief van Koos, dat de partij buiten de partijministers volkomen goed staat. Met zijn verzekering dat de partij gesloten achter mij staat, voel ik mij in deze vervloekte situatie weer belangrijk gesterkt. Zulke uitingen zijn wel weer eens noodig om een mensch er toe te brengen de energie te produceeren in een toestand van de wereld, waarin het geenszins zeker is of men niet op een voor West-Europa verloren post strijdt. Maar als ik dan deze brieven lees, dan voel ik in mij weer de kracht rijzen om over enkele maanden het Nederlandsche volk in het gelaat te slingeren, dat, wat het hier in Indonesië doet, niet alleen is het kleinste kwaad in een beroerde situatie, maar het streven naar de vervulling van een taak op een wijze, die in deze wereld tot heden zonder voorbeeld bleef. Waarom mis ik dit geluid van achter de regeeringstafel zoo sterk? Waarom laat men het over aan Romme om zoo iets te zeggen, terwijl het voor mij als een paal boven water staat, dat deze man het noch meent, noch werkelijk voelen kan. Neen, terwijl ik hier nu vanavond achter mijn dictaphoon zit, kan ik er wel eens naar verlangen om dwars tegen alle oppositie en ook tegen alle lauwheid in over enkele maanden de vrijheid te hebben om in Nederland te zeggen, wat ik meen te zeggen te hebben. Op zulke momenten voel ik in mij het verlangen om af te rekenen met al deze boekhouders en administrateurs van het Nederlandsche volk, die praten over afglijden, zonder dat zij benul hebben van wat er wezenlijk in de wereld te koop is en die in ieder geval de geestkracht missen om ons volk de gedachte bij te brengen, dat de ellendige jaren, die zij tegemoet gaan, niet zinloos zijn en in het geheel van de groote historische ontwikkeling een plaats dienen te krijgen. Och, laat ik er mee ophouden, want anders ga ik nu hier vanavond al die gedachten spuien, die in de laatste weken in mij branden en die ik niet kwijt kan in een artikel, maar die ik zoo graag zou willen zeggen en de menschen voor een deel in hun hart branden en voor een ander deel om de ooren slaan.
Op vijf Mei spreek ik een kwartier voor de radio in Indië ter herdenking van de capitulatie. Het zal mij moeite kosten daar niet te spreken als Nederlandsch politicus, die zijn eigen kijk op de situatie van Nederland en de wereld geeft, maar als voorzitter van de commissie-generaal, als exponent van deze regeering. Het is be-
roerd, maar dat laatste voel ik mij in geen enkel opzicht. Hoogmoed? Misschien, maar zonder dat dit gevoel in een aantal menschen in Nederland leeft, zullen wij de reis niet halen.
Wat zal ik nu nog voor verzuchtingen slaken over het vervloekte geknoei van Romme en zijn vrienden. Romme, die op een oogenblik vóór de behandeling van de machtiging van 17 Maart1. in de Kamer naar de oppositie-partijen loopt, d.w.z. naar Stikker, Tilanus en, Schouten, met het verzoek de oppositie te matigen, opdat hij zijn schaapjes bij elkaar kan houden. Hij zal er daarna voor zorgen, dat Van Mook en Schermerhorn verdwijnen. Gode zij dank, was er ten minste één, nl. Schouten, fier genoeg om aan dit geknoei niet mee te doen. Dat is het peil, waartoe blijkbaar de Nederlandsche politiek op het oogenblik is gedaald. Ik hoop te gelegener tijd mee te kunnen helpen hier den bezem door te halen en ik beloof de heeren, dat ik niets en niemand zal ontzien.
In aansluiting aan mijn ontboezemingen van Zondag eerst even de opmerking, dat ik ook in een brief uit mijn schuiladres2. de bevestiging vond van de intrige van Romme bij Schouten, Tilanus en Stikker. Dat verhaal schijnt dus in Nederland bij insiders bekend te zijn.
Over Romme gesproken! De R.V.D. in Den Haag stuurde ter attentie van mij met het opschrift ‘belangrijk’ een extra bulletin van een schendblad, dat uitgegeven wordt door oud-illegalen onder den titel ‘Strijd’. De geheele bladzijde is gewijd aan een artikel onder den opzienbarenden titel ‘Wie pleegde chantage?’ en als ondertitel ‘Schermerhorn contra Romme’. Het heele geval is duidelijk anti-Linggadjati en de schrijver vraagt zich af waarom Romme ten slotte door zijn knieën is gegaan in het laatste Kamerdebat. Men meent den sleutel te hebben gevonden en publiceert daartoe in facsimile de copie van een brief, dien de accountant J. Voet van het Nederlandsch Beheersinstituut in April 1946 aan mij stuurde, waarin een onfrissche geschiedenis met den verkoop van de reclamemaatschappij Remaco aan de Duitschers in Augustus 1940 uit de doeken wordt gedaan. Van de Algemeene Publiciteits-maatschappij, waarvan de
Remaco de verkochte dochtermaatschappij is, was Romme president-commissaris. Deze A.P.M, incasseerde voor de waardelooze Remaco 225 duizend goede guldens, die thans natuurlijk in de totale schadeclaim van drie milliard van de Nederlandsche Bank op den staat zijn begrepen, doch waarvan de A.P.M, indertijd goede sier zal hebben gemaakt. Deze brief was mij natuurlijk toegestuurd met de bedoeling om als het noodzakelijk was daarmee Romme zijn nek om te draaien. Ook Mansholt was van dit zaakje op de hoogte. Wij hebben er beiden echter geen gebruik van gemaakt, omdat wij gelooven dat dit soort methoden onwaardig is. Dit krantje gelooft echter, dat ik met dezen brief heb gewapperd, misschien zelfs via Beel, en dat daarmee Romme tot bedaren is gebracht. Daarom zou Romme ook pro-Linggadjati zijn geworden!
Het is een mooie geschiedenis, waarbij ik mijn handen in onschuld wasch, maar die voor Romme op dit moment toch waarschijnlijk vrij ongelegen komt. Als hij niet antwoordt, maakt het een onprettigen indruk en als hij wél antwoordt, is het ook onpleizierig. Ook de familie Van Poll vond dit voor Romme maar een vrij kwalijke zaak.
Ik kan mij best voorstellen dat Boediardjo, die gisteren bij Sanders dit krantje zag, na het verkrijgen van een uitleg van deze zaak met een benauwde stem tegen Sanders zei: ‘Oh, dan komt Romme dus misschien toch niet’. Heel verwonderd vroeg Sanders of hij dan gedacht had dat hij wel kwam, en toen vertelde Boediardjo dat bij de lunch op het paleis Zondagmiddag Boon nog een tegen vijf had gewed met den tweeden man Soetiksno dat Romme wel zou komen, een weddenschap, die blijkbaar op de heeren toch een bedenkelijken indruk had gemaakt.
Verder had ik deze week met de pers ook nog weer een aardigheidje. Ik had in Makassar voor de radio een toespraakje gehouden. Aneta liet mij daarbij in een uittreksel, dat in totaal zeven regels lang is, tusschen aanhalingsteekens het volgende zeggen: ‘Deze staat wil samenwerking in federatief verband, doch, indien onverhoopt de verwezenlijking van de geprojecteerde federatie niet slaagt, is deze staat competent zelf zijn zaken te regelen’. Dit was een grof schandaal, omdat ik dit volstrekt niet had gezegd. Natuurlijk verscheen er direct den volgenden dag een schoon artikel in Het Dagblad onder den titel ‘Wat beteekent dat?’, waarin staat dat ik blijkbaar niet veel geloof meer in het zaakje heb, waarover ik bij de onderteekening van Linggadjati nog in zulke hooggestemde, optimistische bewoordingen had gesproken. Op de gewone journalistieke manier gaat
deze hoofdredacteur wel uit van de veronderstelling, dat, indien het Anetabericht het gesprokene goed weergeeft enz., maar, daar hij verzuimt om even te vragen óf het goed is weergegeven, begint hij zijn heele verhaal en laat hij zich niet de kans ontnemen om een aantal kwalijke opmerkingen te plaatsen. Het bleek dat er nergens een opname van deze redevoering beschikbaar was, zodat weer eens aan het licht kwam hoe machteloos men in zulk een geval staat. De journalisten stonden eenvoudig op het standpunt, dat ik dan een paar dagen later den tekst van deze heele rede kon publiceeren, zooals inderdaad ook is gebeurd, maar niemand kon hun garandeeren dat ik dat niet achteraf had geschreven.
Ik heb dit nogal hoog opgevat en ook aan Van Wijnen gezegd, dat wie mijn woord niet gelooft voor mij verder niet bestaat. Wansink heeft deze zaak wel serieus uitgezocht. Het bleek inderdaad, dat de Aneta-correspondent het zelf niet had gehoord en terugseinde, dat dit bericht afkomstig was van een man van de voorlichting van Oost-Indonesië en dat ik à l'improviste zou hebben gesproken van punten. Aangezien ik op den achterkant der vertaling van de rede van Soekawati den potlood-tekst kon produceeren van mijn rede, die met het verhaal van dezen man in flagranten strijd was, is De Nieuwsgier er van overtuigd dat er heelemaal geen mystificatie in het spel is en in een bericht van vanmorgen geven zij daar onomwonden uitdrukking aan en zeggen ronduit: ‘Prof. Schermerhorn heeft niet gezegd, wat hem in den mond is gelegd, noch ook bedoeld iets anders te zeggen dan hij, weloverwogen, zei’. Maar ja, het kwaad met zulke dingen is in den regel al gesticht en aan tegenspraak is moeilijk meer het volle effect te verleenen. Zoo is men in het publieke leven nu eenmaal van allerlei klungels en knoeiers afhankelijk.
Zondagmiddag gaven wij een rijsttafel aan een aantal gasten. Bij die gelegenheid hadden Van Poll en ik een gesprek met den heer Raadsheer, die met zijn mede-directeur van de H.V.A., den heer Bolderhey, een bezoek had gebracht aan de Sidoardjo-delta en het gebied rondom Modjokerto. Nu herinner ik mij uit de pers allerlei gruwelverhalen over den slechten toestand van de bevolking aldaar, die onze soldaten weer voor de zooveelste maal als bevrijders begroette. Merkwaardig was echter, dat de heer Raadsheer opmerkte dat deze verhalen volgens hem met de waarheid, zooals hij die zag, in strijd waren. De beide heeren kenden deze omgeving van voor den oorlog uitstekend en konden niet anders zeggen dan dat dit gebied van Modjokerto er uit een oogpunt van onderhoud van wegen
enz., behalve daar waar het militaire vervoer de zaak kapot had gemaakt, er als vóór den oorlog uitzag. Zelfs de wegbermen waren fatsoenlijk onderhouden. De bevolking zat slecht in de kleeren, maar zag er bepaald niet verhongerd uit.
Hier ziet men het weer voor de zooveelste maal: wat kan men in dit land in vredesnaam nog gelooven? De politieke meening van de menschen kleurt door elkaar genomen het waargenomene zoodanig, dat men het verhaal zelden kan vertrouwen. Het was ons in Januari al opgevallen, dat, toen Van Mook en generaal Buurman van Vreeden de omgeving van Krian en Sidoardjo bezochten1., zij ook al tot de conclusie kwamen dat de sawah's er daar beter bij stonden dan in het door ons bezette gebied. Niettegenstaande dat schreven de kranten later precies het omgekeerde. De heeren Raadsheer en Bolderhey bevestigen de ware situatie opnieuw en het blijkt dus wel, hoe voorzichtig men in het algemeen met de pers moet zijn.
Maandagmorgen had ik bezoek van twee heeren van een bekend suikerconcern, een zekere Dr. Djie, een oud-leerling der Rotterdamsche Hoogeschool, die pas uit Malang was gekomen en daar beheerder van een aantal suikerfabrieken is en lid van het Indonesisch suikersyndicaat. Hij werd vergezeld door den heer Liem van hetzelfde concern, die Zondagmiddag met zijn vrouw ook aan de rijsttafel deelnam. De laatste, een zeer evenwichtig en sympathiek man; de eerste nog min of meer over zijn toeren, ten gevolge van alle avonturen, die hij als Chinees in de republiek had beleefd. Ook hij had weer hetzelfde verhaal, dat elk stempel op zijn reispas hem idem zooveel geld had gekost. Overigens waren beide heeren tegenover alle betuigingen, dat de republiek niet in staat is een behoorlijke administratie zelf op te bouwen en dat het noodig is, dat wij daarbij de behulpzame hand bieden, er toch van overtuigd dat de alleenmaar-militaire weg geen perspectieven biedt.
Wij hebben een heel lang en uiterst prettig gesprek gevoerd over zeer algemeene problemen van dit land en van Azië. Opmerkelijk was toch wel de meening van Dr. Djie, dat hij als Chinees van de Indonesiërs veel meer te weten kwam dan een Hollander. Ondanks hun persoonlijken rijkdom blijven deze menschen zich tegenover de Hollanders nog altijd Aziaten voelen, met de Indonesiërs. Ik heb hem nog eens uitvoerig mijn standpunt in deze zaak uiteengezet en er op gewezen, dat het West-Europeesche en Amerikaansche deel
van de menschheid nu eenmaal een zeer bijzondere facet van het menschelijk wezen vertoont, die in deze periode van de geschiedenis der menschheid een zeer bepaalde rol als motor voor een materieele ontwikkeling heeft gespeeld. Het is echter slechts één kant. De waarde van den mensch als zoodanig wordt mede bepaald door alle andere facetten. Niemand kan voorspellen of niet in de toekomst die andere kanten een domineerende plaats en vooral functie zullen krijgen. Wie dit eenmaal ziet en met deze mogelijkheid rekent, kan het standpunt en vooral de houding van den koloniaal in Azië niet meer accepteeren. Dáár zit in wezen het verschil. Zij kwamen echter met mij tot de conclusie dat alle vertellingen, dat het koloniale stadium hier vóór den oorlog al voorbij was, volstrekt onjuist is. Zelfs nu valt het aan tallooze menschen moeilijk op werkelijken voet van gelijkheid met Indonesiërs om te gaan.
Wel kwamen wij gezamenlijk tot de conclusie dat het proces, dat zich in dit land moet voltrekken, bij den opbouw van het eigen apparaat, tijd kost en dat het de vraag is of Nederland tijd te missen heeft. Het risico zit in de ongeregelde krachten en in het daaruit bij ontwapening voortvloeiende bendewezen. Het is waarschijnlijk, volgens deze heeren, dat Nederland er op een of andere manier aan te pas zal moeten komen om dit te beteugelen. Ook zij meenden echter dat het daarbij noodig zal zijn er voor te zorgen, dat in dat geval het Oostersch bestuur zijn gezicht niet verliest. Dat is nu eenmaal een van de allerbelangrijkste gevoelselementen in dit heele spel. De koloniale mentaliteit houdt alleen rekening met het eigen gezicht, maar nooit met dat van de Indonesiërs.
Vanmorgen een lange vergadering met de afgevaardigden van den Ondernemersbond. Er waren drie onderwerpen: Ten eerste: de noodzakelijkheid over te gaan tot uitvaardiging van de ordonnantie op het rechtsherstel. Ten tweede: de vorming van een organisatie van de ondernemers, die optreden kan bij de mobilisatie van de nog aanwezige ondernemingsproducten. Ten derde: de transacties met de republiek om deze producten tegen een bepaald percentage van de opbrengst vlot te krijgen.
Het eerste punt verliep buitengewoon merkwaardig. Terwijl wij allen in de meening verkeerden, dat de ondernemers tegen de ontworpen ordonnantie groote bezwaren hadden, bleek dit nu plotseling niet meer het geval te zijn. Ik bracht vanmorgen nog even in herinnering de vergadering met Posthuma en Gieben en de discussie
tusschen deze beide heeren1., het feit, dat Posthuma vlak voor zijn vertrek nog gedreigd had lawaai te zullen maken, indien deze verordening zou worden afgekondigd, zonder dat de commissie-gene-generaal van te voren daarover werd gehoord, en de tegenstand van Verzijl. Na deze discussie van vanmorgen had ik den vreemdsoortigen indruk dat de weerstand van Posthuma eigenlijk veel sterker was dan van de ondernemers en hij deze heeren waarschijnlijk in belangrijke mate heeft opgesard. Hij heeft daarmee aan de ondernemers een uitermate slechten dienst bewezen, want, hadden wij dit geheel begin Maart kunnen afkondigen, dan hadden wij dit kunnen doen met goed fatsoen, zonder de republiek er in te kennen. Nu is dat een uiterst pijnlijke operatie, waarvan het de vraag is of zij nog mogelijk zal zijn2..
Wat het tweede punt betreft, ook dit leverde betrekkelijk weinig bezwaren op: de noodzakelijke organisatie zal door de ondernemers worden voorgesteld3.. Van Mook maakte terecht de opmerking, dat, waar de te stichten organisatie met overheidsbevoegdheden bekleed moet worden, men daarvoor beter een vorm kan kiezen, waarin overheid én ondernemers samen zitten. Ik voegde daaraan toe, dat, waar het begrip overheid in dit land een betrekkelijk brakkig karakter heeft, gezien de verhouding tot de republiek, de heeren beter doen de overheid zoo ver mogelijk van hun eigen zaken verwijderd te houden.
Met betrekking tot het derde punt konden wij het daarentegen ook vanmorgen niet eens worden4.. De ondernemers staan op het standpunt dat er van eenigerlei vergoeding aan de republiek geen sprake kan zijn, ook niet in die gevallen, waarin werkelijk van beheer moet worden gesproken. Men zou wel bereid zijn om zulke zaken te bekijken, uit een oogpunt van een zekere billijkheid, maar vreest dan dat, wanneer men de balans opmaakt, deze voor de republiek toch altijd nadeelig zal uitvallen. Er liepen weer twee betoogen door elkaar, een juridische en een practische, waarbij de practische met een balans werkte. Ik heb er toen nog eens op gewezen, dat men met juridische betoogen in dit geval nergens komt. Immers tot 30
November 1946 stond men hier onder het geallieerd oppercommando. Alle schade, die voor dien datum is aangericht, geldt als regelrechte oorlogsschade. Men zal zich daarmee niet kunnen richten tot de Nederlandsche regeering, die op dat moment hier niet de minste zeggensmacht had, maar tot het geallieerd commando. Men komt dan met zijn claim in de groote pot terecht en aan den glimlach op het gezicht van diverse heeren was duidelijk af te meten, dat men daar niet het minste van verwachtte. En terecht! Het gaat dus om een practische regeling. Vindt de regeering het noodzakelijk met de republiek tot een accoord te komen en een zekere afkoopsom te geven, dan kan zij dat doen en heeft zij zelfs de mogelijkheid dit door middel van een uitvoerrecht op de ondernemers te verhalen. De heer De Jonge maakte de wel juiste opmerking, dat men met deze dingen voorzichtig moet zijn, omdat, wanneer men b.v. 15% geeft, terwijl het formeele recht ontbreekt, dit door de republiek beschouwd wordt als een overwinning en men nooit precies kan zeggen waar dit soort chantage en afpersingsmethoden ophoudt. Ik heb toen gesteld, dat de regeering bij het geheel van haar overwegingen ook dit gezichtspunt mee zal moeten laten gelden. Ik gaf toe, dat ik aan deze overweging eigenlijk meer waarde hechtte dan aan de uiterst twijfelachtige juridische betoogen, die, voor zoover ik het kan nagaan, elkaar bijna alle tegenspreken of op zijn minst van verschillende gezichtspunten uitgaan. Het is den ondernemers bij deze bespreking wel duidelijk geworden, dat wij hun formeele standpunt begrijpen en tot op zekere hoogte respecteeren, maar dat de overheid ten slotte haar handen vrij zal hebben te houden om zelf de door haar gestelde doeleinden te bereiken met de middelen, die zij het beste acht.
Vanmiddag lichtte de heer Hunger de besprekingen over Modjokerto nader toe. Ik kreeg den indruk, dat het daar in het algemeen wel bevredigend gaat en dat van onzen kant de richtlijnen, zooals die tusschen commissie-generaal en de republikeinsche delegatie zijn overeengekomen, loyaal ten uitvoer worden gebracht. Van Indonesischen kant gaat alles echter betrekkelijk langzaam, zonder dat men nu direct kan zeggen dat er van dien kant onwil bestaat. Het tegendeel is het geval: de indruk van den heer Hunger is, dat zoowel de regent als de resident op zeer behoorlijke wijze medewerken.
Er was intusschen nu weer gezanik: Boediardjo was bij Sanders gekomen met een verontrustend telegram, dat de Nederlanders de demarcatielijn eenzijdig hadden vastgesteld en gedreigd, dat, indien de Indonesiërs niet 2 K.M. daarachter terugtrokken, er met kanon-
nen zou worden geschoten. In dit gesprek hoorde ik intusschen dat er gisteren weliswaar een beschieting heeft plaats gevonden, doch dat dit uitsluitend was geschied om het oprukken van waarschijnlijk gewapende gevechtsgroepen in de richting van de demarcatielijn te stoppen. Er is daarom duidelijk gesteld, ook in een waarschuwing, dat dit geen inleiding beteekent voor het optrekken van Nederlandsche troepen, doch alleen het langs dezen weg vrij houden van de demarcatielijn. Ik ben benieuwd, wat wij over de Modjokerto-geschiedenis van de republikeinsche delegatie te hooren zullen krijgen.
Vandaag kwam de mededeeling van Aneta over de samenstelling van deze delegatie. Gelukkig is Sjahrir voorzitter gebleven, Soesanto en Roem zijn er ook in gebleven, Gani is er uit en vervangen door twee anderen, waarvan een de voorzitter is van de Indonesische Katholieke partij. Ik zei vanavond tegen Van Poll: ‘Die is er zeker in gezet om jou een pleizier te doen’. Van Poll vond het een geschikten man, terwijl Maassen zei, dat het een vervelende vent was. Ik geef om het oordeel van Maassen, die om het Roomsch-zijn van dezen patient minder geeft dan Van Poll, wel iets meer. Enfin, de tijd zal ook dit weer leeren.
Morgen komen de heeren en de bedoeling van Sanders en Boediardjo was, dat ik morgen om half zes Sjahrir even zou ontmoeten om over de agenda te praten.
Gisteravond had ik Von Balluseck op visite van negen tot half twaalf. Hij had met Pinke door Oost-Indonesië gereisd. Een paar van zijn indrukken waren dat er op veel plaatsen angst was, dat wij te gauw zouden terugtrekken en hen aan Java uitleveren en dat in het bijzonder veel van de zelfbestuurders zich vastklampen aan hun contract met ons. Ik heb hem ook den tegenkant van deze heele zaak laten zien: het protest van Tahija tegen de militaire propaganda voor de Persatuan Timor Besar1.. Al pratende kwam ik tot de conclusie dat het misschien het beste is om te probeeren met zulk een gebied een regeling te treffen, waarbij Ambon toch in Oost-Indonesië blijft en aan den anderen kant een nauweren band met Nederland heeft. Misschien dat een contract, als nu met West-Borneo af te sluiten is, in die richting kalmeerend kan werken. Ambon kan daarin allerlei
voorwaarden stellen, o.a. met betrekking tot de vlag, tot een directe vertegenwoordiging van de Kroon, enz. Ik zal deze gedachte eens met prof. Enthoven bespreken.
In allerlei lange beschouwingen kwamen op duidelijke wijze weer een paar centrale vraagstukken naar voren. Von Balluseck maakte de opmerking, dat bij talrijke menschen in Nederland het bezwaar bestaat, dat mijn politiek in het bijzonder te sterk gericht is en steunt op de persoonlijke verhouding tot en het vertrouwen in Sjahrir. Ik heb hem dit uitvoerig bestreden. Mijn politiek steunt op de beoordeeling van een historisch gebeuren, zoowel in Europa als in Azië. Wat het eerste betreft is het feit, dat Engeland uit economische motieven verplicht is zich uit dezen hoek van de wereld op staatkundig gebied terug te trekken, ook voor ons land bepalend. Dat toont de geschiedenis van September 1945 af. Verder kan men hetzelfde zeggen voor den vrijheidsstrijd in dit deel van de wereld, die door de verzwakking van Engeland gestimuleerd wordt. Door deze overwegingen wordt mijn politiek bepaald, die er naar streeft om op den langen duur een redelijke plaats voor Nederland in Indonesië te behouden. In deze politiek is de verhouding tusschen Sjahrir en mij uitsluitend een hulpmiddel, waarvan ik alleen kan zeggen dat het volstrekt onverantwoord zou zijn, indien ik dat liet liggen en niet bereid zou zijn dit verder te ontwikkelen en als het kan over een breeder front uit te breiden. De begrenzing van de deugdelijkheid van dit middel, nl. het vertrouwen tusschen de leiders, komt voort uit de angst, die in het binnenland tegenover ons nog altijd bestaat en die voor Sjahrir een rem is in zijn houding tegenover Nederland.
Verder heb ik hem er op gewezen, dat ik een veel grooter gevaar zie in de toepassing van de democratie in de republiek dan in al dit soort verhalen. Deze democratie groeit van boven af in plaats van van onder op en men kan deze massa licht voor een of ander karretje spannen. De Masjoemi en de communisten teekende ik hem als de bedenkelijke elementen. Hierbij wordt de Masjoemi altijd verzwakt door het feit, dat de intelligentsia, die daaruit afkomstig is, in dit land wordt afgezogen naar de andere partijen. Dat remt niet de domme kracht van de massa van de Masjoemi, maar wel de richtinggevende politieke kracht van deze organisatie, die een schreeuwend gebrek aan kader heeft, zooals zulks ook het geval is in India bij de Moslim League1.. Ik zei dat, naar mijn overtuiging, het communisme
hier gevaarlijker is, omdat het zich in vrij gematigde vormen manifesteert en de invloed er van grooter is dan b.v. Palar had gedacht. De afstand tusschen de communistische partij en de partij socialis is in dit land veel kleiner dan in West-Europa. In deze bewegingen zie ik niet voor vandaag of morgen een gevaar, maar wel voor de toekomst. Daar zit trouwens het typische verschil tusschen de beschouwingswijze van mij en mijn directe vrienden met die van de groote meerderheid. De laatsten houden rekening met de moeilijkheden van vandaag en met die alleen. Wij richten onze aandacht in hoofdzaak op een verder afgelegen doel en zien de moeilijkheden van vandaag alleen als hinderpalen om dat doel te bereiken.
Vanmorgen opgeschrikt door een geheim, strikt persoonlijk telegram1. aan Van Mook, aan Van Poll en aan ondergeteekende, met verwijzing naar CG 642., waarin niets anders gezegd wordt dan dat het vertrek van de heeren wordt opgehouden ‘door met U erkende noodzaak om onmiddellijk stappen te ondernemen om buitenlands crediet te verkrijgen’, en dat de eerste stappen in voorbereiding zijn, zoodat nader bericht ten spoedigste volgt. Dat nadere bericht is dan nu blijkbaar in dit geheime telegram gekomen, waarin wordt gezegd dat de ministerraad heeft besloten een andere bezetting van Minog en de landvoogdij door te voeren en aan de huidige functionarissen andere functies aan te bieden. Nadere mededeeling wordt nog niet wel mogelijk geacht, doch volgt ten spoedigste, desnoods mondeling. Het telegram eindigt met het laconieke zinnetje: ‘Verwacht wordt, dat Van Mook en ik bereid mutaties te aanvaarden.’
Hetgeen Koos al schreef3., nl. dat van Roomschen kant enorme oppositie bestond tegen het besluit om elke beslissing uit te stellen tot na het bezoek van Beel en Jonkman aan Batavia, is dus blijkbaar waar geweest; de heeren hebben het gevecht doorgezet en onze menschen zijn plat gegaan. Het spelletje lijkt mij vrij doorzichtig. Jonkman komt op de plaats van Van Mook en dan is het volmaakt uitgesloten, dat er een ander dan een Roomsche op de plaats van Jonkman komt. Wie? Steenberghe? Het zou mij geen cent verwonderen.
Dan heeft onze partij eerst in eigen gelederen een verzwakking van het radicale element bereikt door de benoeming van Neher1., die toch zeker in onze partij zeer sterk rechts staat, en dan zou men verder nog goedvinden dat er een conservatief Roomsch politicus op overzeesche gebiedsdeelen komt en Jonkman, die in het Indonesisch probleem per se rechts van Van Mook staat, moet dan dezelfde opschuiving in Indonesië manifesteeren.
Over de commissie-generaal wordt niet gepraat. Ik heb een vermoeden, dat een paar van mijn politieke vrienden in het Kabinet gelooven dat de situatie voor de commissie-generaal hierdoor betrekkelijk weinig verandert. Ik geloof, dat dit een belangrijke vergissing is. Het crediet van de onderhandelingsdelegatie van Nederland wordt door deze verandering zeer beslist geringer en het wantrouwen jegens ons in de republiek grooter. In de tweede plaats geloof ik nooit dat Jonkman in dezen critieken overgangstijd deze baan op een goede manier baas kan. Hij zou met een nieuwe ploeg moeten beginnen, vooral van zijn naaste medewerkers. Heeft hij die? Verder heeft hij een slechte gezondheid en klaagt er al over dat hij het Nederlandsche departement niet aan kan, laat staan dat hij de combinatie van algemeen bestuur en de groote politieke problemen, die hier liggen, persoonlijk zou kunnen beheerschen. Bovendien, wanneer men hier in dit land geen rechtlijnige politiek voert, dan komt er geen spaan van terecht. Dat is nu juist hetgeen Jonkman volledig mist. Eerst leelijke gezichten trekken tegen Linggadjati, daarna het verdedigen als een soort politiek spel. Daarbij allerlei ‘flinke’ uitlatingen gebruiken, om bij de oppositie in het gevlei te komen. De zaak is in veilige haven, althans dat lijkt zoo. Oogenblikkelijk de manoeuvre naar rechts met Posthuma en Verzijl, De Kat en Weyer, waarbij Jonkman dit ook tegenover mij uitdrukkelijk als gewenscht heeft verklaard2.. Toen, na veel tobben de machtiging van 17 Maart en de gelukwensch aan de commissie-generaal voor het ‘nieuwe succes harer missie’. Nu wéér een geknoei naar rechts. Dit alles heeft ons hier al last genoeg bezorgd en wanneer wij dat nu nog versterkt krijgen, doordat er in Nederland een minister zit, die dien rechtschen kant uit trekt, dan is het geval compleet hopeloos.
De Partij van de Arbeid heeft dan in het Kabinet vrijwel uitsluitend exponenten van den rechtervleugel. Dat is trouwens op het
oogenblik al het geval: Lieftinck, Jonkman, Neher en Drees. Mansholt en Vos zijn de eenige uitzonderingen. Wanneer dan het Indische beleid straks aanleiding geeft tot groote moeilijkheden - en die zie ik per se komen, - dan zal de Partij van de Arbeid bij de verkiezingen voor de prettige taak staan tegenover de communisten het beleid van haar rechtervleugel te verdedigen.
Het is natuurlijk duidelijk dat Van Mook woedend was. Hij seinde vandaag terug dat hij niet bereid was eenige mutatie te aanvaarden, alvorens de gelegenheid te hebben gehad de zaken hier volledig te bespreken. Dat hij verder ook de opmerking plaatst, dat de gang van zaken met betrekking tot zijn positie van vertegenwoordiger van de Kroon alhier onwaardig en onaanvaardbaar is, kan ik mij volkomen begrijpen. Ik adviseerde hem het telegram te eindigen met het zinnetje: ‘Zie derhalve in Uw ZG 15 voor mij geen aanleiding tot iets anders dan afwachten van Uw komst’.
Vanavond zat hij bij mij en kwamen wij tot de conclusie, dat het toch misschien verstandig was om Vorrink op te bellen. Ik heb dat gedaan en toen bleek mij wel dat Koos niet precies van de situatie op de hoogte was. Helaas was het gesprek vrij moeilijk en onduidelijk en kon ik ook niet al te vrijuit spreken. Hij maakte op een oogenblik de opmerking, dat men voor mijn vriend alhier een gelijkwaardige functie beschikbaar had, maar in Nederland begrijpt men blijkbaar niet dat het niet gaat om Van Mook, maar dat het gaat om het belang van het land. Hij meende, dat bij het komende gesprek alhier de zaak nog open zou zijn. Ik heb hem toen daarop geantwoord, dat, indien ik deze meening naast het telegram legde, ik slechts kon concludeeren, dat óf hij, óf wij bedonderd werden. Ik vrees, dat hij de gedupeerde is. Ik krijg den indruk, dat Sicco1. van de meening uitgaat dat onze politiek bij de voorgenomen mutatie kan worden doorgezet en dat mijn positie niet wordt ondergraven. Ik geloof, dat hij zich daarin vergist. Ik heb Koos verder uitdrukkelijk gezegd, dat ik dit als een partij-zaak zie van zoo prominente politieke beteekenis, dat ik geen enkele beslissing zelfstandig neem voor en aleer ik in Nederland overleg met hem heb gepleegd. Omtrent zijn eigen komst heb ik dus aangeraden om de beslissing nog even aan te houden, totdat de volgende week de ministers hier zijn. Dan zal ik hem naar bevind van zaken telefoneeren. Ik zou het nl. een ramp vinden, wanneer hij in Indië zou zitten en ik in Nederland.
Op de afgelopen 2½ dag terugziend, zijn er een paar feiten, waarop ik even de nadruk wil leggen.
De eerste kant is die naar de republiek toe. Over de houding van de republiek was bij ons de stemming al verre van optimistisch. Tot op zekere hoogte was dat een voordeel te achten, omdat men dan geestelijk behoorlijk is gewapend. Donderdagmorgen had ik een gesprek van 10 tot half 12 met Sjahrir. Aan het eind was ik niet hoopvol gestemd. Hij was vermoeid en beklaagde zich er over, dat zij in het binnenland na de ondertekening van Linggadjati eigenlijk niets waren opgeschoten. Hij had de indruk, dat hij eigenlijk zelf helemaal niet weg had gekund en ook nu weer had hij persoonlijk achter van alles en nog wat aan moeten rennen. Hij had de studenten moeten toespreken en de Laskjar Rakjat om deze mensen, die allemaal op een of andere manier oppositie voeren, weer tot rede te brengen. Hij zei dat dat ook wel lukte, maar het is een onmogelijke baan. De weerstand in de republiek tegen de geest van Linggadjati blijkt sterk te zijn. Van het bezoek van Soekarno en Hatta aan Batavia kan voorlopig niets komen. Aan de ene kant prestige-kwestie, aan de andere kant vrees voor het leven van Soekarno. Ik heb hem ook gezegd, dat juist, omdat zij er een prestigekwestie van maken, het voor ons onmogelijk is om toe te geven. Hoe weinig begrip er ook aan hun kant bestond, bleek wel uit het feit dat hij ook aan Sjarifoedin de regeling-Modjokerto eerst nog had moeten uitleggen. Men had dit opgevat als een vuile truc van de Hollanders, die het regentschap lieten demilitariseren en dus een gat in de richting Malang maakten, waar zij met hun gemotoriseerde troepen in een sprong doorheen waren. Dat is natuurlijk volstrekte onzin, want, ook als de TRI er zit, springen wij er zonder pijn overheen.
Ook uit andere gesprekken, b.v. die, welke Sanders had gevoerd, vernam ik dezelfde stemming, nl. dat het republikeinsche apparaat ons eigenlijk afhoudt uit een zekere vrees, dat wij hun meerdere zullen zijn en langs dien weg toch weer de baas worden. Daarom liever alleen knoeien dan goed met ons samenwerken.
Vanmorgen, in de 8ste werkvergadering1., is datzelfde beeld nog
versterkt. Er stonden 15 punten van ons en 4 van hen op de agenda, maar er is practisch zo goed als niets uit gekomen. Wij hadden in de commissie afgesproken om hen te laten praten en zelf weinig te zeggen. Achteraf ben ik het met Samkalden eens, die vanavond de opmerking maakte dat dit een foute politiek is. Wij moeten hen iedere keer, bij elk punt, op het ogenblik zelf onder maximale druk plaatsen. Het is nu zes weken na de ondertekening van Linggadjati en er is nog geen stap in de goede richting gezet. De eerste paar weken leek het op lager niveau betrekkelijk hoopvol, maar de zaak is volkomen vastgelopen. Ook in de commissie-generaal zijn wij op het ogenblik van mening, dat de politiek van de laatste zes weken onhoudbaar is. Het zal noodzakelijk zijn in een dezer dagen te beleggen vergadering uiterst duidelijke taal te spreken en, b.v. wanneer de spoorlijn Batavia-Bandoeng nog niet in orde is en men weer begint met zaniken, eenvoudig te zeggen dat wij niet langer kunnen wachten, maar onze eigen maatregelen zullen treffen. Het beroerde is natuurlijk dat men dat eigenlijk niet kan doen, omdat het dan vrij zeker is dat een paar belangrijke kunstwerken van te voren worden opgeblazen. Men zal het in dit geval dus algemener moeten stellen.
Een van de vertrouwenslieden van Van Mook uit de Indonesische wereld, wiens naam beter niet kan worden genoemd, meent ook dat Sjahrir de overeenkomst van Linggadjati in December loyaal zou hebben uitgevoerd, terwijl hij thans gegronde redenen heeft om aan te nemen, dat Sjahrir het accoord tracht te misbruiken. Hij meent dat de tactiek van de republiek is om zich politiek, naar buiten en naar binnen, zodra mogelijk een machtspositie te verzekeren, die haar straks onbetwist overwicht geeft tegenover de andere delen van Indonesië. Langs die weg houdt zij star vast aan de unitarische idee. Bovendien tracht zij tijd te winnen en haar slogan in Midden-Java is: ‘Iedere gram brood en boter moet voor de Hollandse soldaat met vreemd geld worden betaald, wij kunnen op rijst, ketella en mais leven’. Overigens is ook zijn mening, dat het hart van het probleem ligt in het feit dat, ook indien Sjahrir loyaal zou willen medewerken, hij dat dan nog niet zou kunnen doen door de grote druk van de particuliere legers. In het binnenland zegt men: ‘De ministers onderhandelen, de Laskjar Rakjat beslissen’. Het moge overdreven zijn, het is toch wel de stemming van de laatste week.
Over een paar punten zijn wij wel scherp geworden in de vergadering van vanmorgen, nl. over de Indonesische luchtvaartorganisatie. Sjahrir heeft getracht dit te minimaliseren door het voor te
stellen als een paar vliegtuigen voor intern gebruik. Ondertussen heet het geval Indonesian Airways en doet ook Singapore aan. De minister van verkeer1., die morgen in de stad komt, zal intussen ook dit punt met Warners moeten bespreken.
Is de mening van Samkalden juist, dat wij onmiddellijk na de ondertekening de uitwerking aan anderen hadden moeten toevertrouwen? Hij denkt daarbij in het bijzonder aan de gevolgen van een mislukking voor onze partij. Dat argument geldt toch maar zeer ten dele nl. omdat onze partij deze politiek toch ook in het Kabinet mede voor haar rekening moet nemen. Ook al waren Van Mook en ik ogenblikkelijk verdwenen en vervangen door anderen, dan nog zou de partij bij mislukking gecompromitteerd zijn geworden.
In dit verband is een brief, die ik vanmiddag van Lieftinck kreeg2. en waarop ik onmiddellijk een uitvoerig antwoord heb gestuurd, van betekenis. Hij stelt drie hoofdvraagpunten aan de orde:
| a. | verlaging van de kosten, door groter efficiency en inkrimping van het militaire apparaat, zonder schade aan onze militaire positie; |
| b. | aanhouden van de tweede divisie in Nederland en de in Nederlands-Indië af te lossen troepen eerst naar Nederland laten terugkeren, alvorens de aflossende eenheden Indië-waarts zullen vertrekken; |
| c. | geleidelijke demobilisatie der strijdkrachten aan beide zijden onder Brits-Amerikaanse supervisie. |
In dit laatste punt zit natuurlijk het enige bijzondere. Dat zou moeten worden opgenomen met deze beide regeringen, tegelijk met de gehele financiële positie en in het bijzonder met onze poging om een overbruggingscrediet van politiek karakter van de Amerikanen te verkrijgen. Wanneer men dit nu eens vergelijkt met het standpunt, dat wij een jaar geleden hebben ingenomen, dan vind ik het toch verduiveld onbillijk dat men van Nederlandse zijde, ook aan de kant van de regering, ons telkens ‘afglijden’ verwijt. Doch Lieftinck begint de in zijn brief aangehaalde nota aan de ministerraad van 21 April weer met hetzelfde verhaaltje, wanneer hij zegt dat de Nederlandse delegatie bij de nader gevoerde onderhandelingen nauwelijks initiatief - met name in zake de volgorde der behandelde onderwerpen - heeft ontplooid3., zodat daardoor een ‘afglijdings-tendens’ aan den dag treedt, zowel wat het vraagstuk der diploma-
tieke vertegenwoordiging betreft als wat de financieel-economische vraagstukken aangaat. Wat is dit eigenlijk voor razernij? Heeft men dan nog niet in de gaten, dat het begrip ‘afglijden’ alleen maar bestaat in de geest van iemand, die zich een bepaalde voorstelling van het mogelijke heeft gevormd en later tot de ervaring komt, dat het niet mogelijk blijkt te zijn. Alsof wij deze zaak laten verglijden! Wij zijn alleen de bittere slachtoffers van een onderhandelingspositie, waarin de regering tot heden verzuimt ons het alternatief aan te duiden1.. Ik ben dat gezanik over dat ‘afglijden’ moe uit de mond van leden van het Kabinet, voor welker rekening Jonkman heeft gezegd, dat Nederland nooit militaire macht zal gebruiken om politieke doeleinden na te streven, hoogstens voor Modjokerto. Dat beteekent dus dat wij als onderhandelaars practisch machteloos zijn en de heren, die ons daarmee hebben getracteerd, spreken nu nog over afglijden. Zodra een van de heren Beel of Jonkman het ongeluk heeft om dit woord in de mond te nemen, zal ik ze behoorlijk tracteren. Overigens is het toch ook wel een kras verschijnsel, dat uit het punt b. blijkt, dat de Nederlandse minister van financiën, ondanks de besprekingen in de Raad M.A.K., blijkbaar niet het flauwste idee heeft hoe het met de troepenzending en de aflossing staat. Deze hele tweede divisie dient nl. niet om troepen naar Nederland terug te laten keren, maar uitsluitend om het K.N.I.L. af te lossen, waarvoor ook de daarop volgende divisie nog gedeeltelijk zal moeten dienen. Ik heb dat in mijn antwoord aan Lieftinck2. dan ook duidelijk laten merken.
Een briefje van Logemann3. lichtte mij in over het resultaat van een conferentie van de partij-ministers met de partijleiding op 23 April, dat is dus twee dagen na de vergadering van 21 April, waarover Lieftinck schreef, en twee dagen voordat, zowel Logemann als Lieftinck, onafhankelijk van elkaar, mij hun brieven stuurden. Daarin schreef Logemann dat Jonkman en Beel naar Indië gaan en daar o.a. de persoonsverwisseling gaan bespreken en hopelijk beoordelen, voor er iets gebeurt. Dit laatste is dus in strijd met het beruchte telegram van 28 April4. na de ministerraad van 26 April.
Verder moeten Lieftinck en Van Mook samen de verhouding met de U.S.A. gaan regelen. Dit beschouwt men als hét punt. Wat
in dit verband het zinnetje in dezelfde alinea betekent: ‘In Indië is geen vervanger, die men de zaak toevertrouwt’ begrijp ik niet best.
Een verrassing is voorts dat Jonkman niet van plan is het ambt van G.G. te herstellen. Verder zou men niet tornen aan het bestaan van de commissie-generaal, noch aan het ledental. Dit betekent de noodzaak van aanvulling, maar met wie schijnt men niet te weten.
Het volgende punt is dat Romme als lt. G.G. blijkbaar van de baan is, dat De Booy heeft bedankt om gezondheidsredenen en dat op 24 April Drees particulier tegen Logemann het idee-Meijnen opperde. Logemann achtte deze man minder geschikt en heeft toen voorgesteld: Meijnen minister, Jonkman lt. G.G. en De Niet directeur-generaal. Zijn slotopmerking is, dat met het huidige team spanningen met de K.V.P. blijven voortduren als een bedreiging.
Ik kan hier niet veel anders van zeggen dan dat ik Meijnen volslagen zot vind als hij deze positie aanvaardt. Ik had juist een brief van Meijnen1. gehad meteen enthousiaste beschrijving over zijn werk bij de A.K.U. en ik geloof dat hij daar ook voortreffelijk op zijn plaats is. Bij dit plannetje van de heren zal hij zich moeten laten vangen om in de Kamer het beleid te verdedigen, dat hier in Indonesië in hoofdzaak door drie socialisten wordt gemaakt, Jonkman, De Niet en ondergetekende. Het lijkt mij voor hem een weinig aantrekkelijke bezigheid. Hij had verleden jaar al zo het land aan de Kamer en toen was het departement van oorlog nog maar kinderwerk, in vergelijking tot hetgeen overzeese gebiedsdelen nu in de Kamer te genieten geeft. Ik denk dan ook dat hij bij de onstabiele situatie van vandaag er nog wel eens over peinzen zal, eer hij hier in trapt. Bovendien betekent de bezetting van het algemeen bestuur door Jonkman een enorme verzwakking in vergelijking tot Van Mook. Ik begrijp ook totaal niet, dat Lieftinck deze vervanging ambieert. Jonkman onthoudt zich op het ogenblik met grote zorg van alle financieel-economische problemen en zegt dat hij slechts een politiek minister is. En deze minister moet dan hier een financieel beleid gaan voeren?
Ik begrijp intussen nu wat beter een uitlating van Vorrink in mijn laatste telefoongesprek met hem, waarin hij mij te verstaan gaf dat de zaak thans wel politiek op een voor mij aanvaardbare manier zou worden getracteerd en Van Mook bovendien niet zou worden uitgeschakeld. Dat komt natuurlijk, omdat de heren weten dat Meijnen
en ik persoonlijk uitstekend met elkaar konden opschieten. Dat is ook volkomen juist, maar ik vind het een enorm groot verschil of Meijnen en ik persoonlijk met elkaar samenwerken en elke dag met elkaar kunnen spreken over alles en nog wat, of dat hij onder de leiding van Beel moet werken en ik hier op een grote afstand van hem zit. In ieder geval zou het wel een voordeel zijn, dat ik een uitstekend contact met hem persoonlijk zou onderhouden. Toch geloof ik, dat ook dit schot voorlopig mis is. De kwaliteit van Jonkman is: praten in de Kamer, maar van zijn geschiktheid als bestuurder is nog nooit wat gebleken. Meijnen lijkt mij een goed bestuurder, maar voor de Kamer voelt hij niet veel. Dit betekent naar mijn smaak, dat men mensen op de verkeerde plaats zet. Ik ben het met Logemann in zo verre eens, dat Meijnen hier als lt. G.G. de moeilijkheid heeft, dat hij zaken moet besturen, die hij volstrekt niet kent. Daarom lijkt mij Meijnen, als men dan wat met hem wil, als derde in de commissie-generaal nog verreweg het beste. Ik zou hem als zodanig ook uitstekend weten te appreciëren.
Gistermiddag aan tafel was het al duidelijk, dat Van Poll zich langzamerhand door de republiek volkomen gegrepen voelt. Dat kan ik mij best voorstellen. Hij heeft bij allerlei gelegenheden blijk gegeven van een blijmoedig optimisme en van een zekere verwachting dat de ingeslagen weg de juiste was. Nu blijkt het, dat de republiek uitermate vervelend is en dat het er erg op lijkt, dat er van de samenwerking niet veel terecht zal komen en dat de heren eigenlijk wat anders in de kop hebben. Vandaar, dat Van Poll enigszins zenuwachtig begint te worden. Gistermiddag aan tafel maakte hij de opmerking, dat hij vond dat wij hun nu maar een hele serie punten moesten voorleggen in de vorm van een ultimatum met een tijdstermijn er bij en vragen of zij nu eigenlijk samenwerking willen of niet. Ik ben dat in beginsel wel met hem eens. Ook ik zie de zaak op het ogenblik zich vrij ongunstig ontwikkelen, zoals ik trouwens vroeger reeds tegenover De Boer al eens heb gezegd1.. Hadden wij op 15 November getekend, dan hadden wij gebruik kunnen maken van de werkelijk toen aanwezige wil bij talloze lieden om tot samenwerking te komen. De hele ontwikkeling daarna, inclusief de mili-
taire strafexpedities, hebben deze wil aan republikeinse kant sterk gereduceerd en het is de vraag of zij op het ogenblik wat anders doen dan ons beduvelen en trachten tijd te winnen, omdat zij weten dat wij geen tijd te verliezen hebben. Toch heb ik in deze materie altijd een enigszins nuchterder standpunt ingenomen dan Van Poll en heb in wezen de politieke lijn van Linggadjati altijd meer gebaseerd op de noodzakelijkheid van een rechtlijnige politiek, die ons een behoorlijke positie in de wereld verschaft dan op de waarschijnlijkheid, dat dit goede resultaten zou opleveren. Natuurlijk heeft dat laatste bij mij ook wel een rol gespeeld, maar ik meen toch van een klein beetje minder.
Gistermiddag om vijf uur had ik een vergadering van de commissie-generaal belegd met de heren Ursone, Van Hoogstraten, Elink Schuurman en Boon er bij om eens de balans op te maken. Dit is ook nodig, omdat wij dan richtlijnen hebben bij de komende besprekingen met de ministers.
's Morgens om elf uur had Ursone een bespreking met Gani gehad. Het was een bijeenkomst van drie uur lang met buitengewoon weinig perspectief. Het merkwaardige is dat Gani aanvankelijk uit Djocja druk had gekregen om er voor te zorgen, dat hij in ieder geval resultaten meebracht. Dat was in de vorm van de toenaderingsvoorstellen van Van Hoogstraten1. ook gebeurd en Gani had zich daarover nogal optimistisch uitgelaten. Hij is echter met de kous op de kop teruggekomen. Er schijnt een economische braintrust te zijn gevormd onder leiding van Hatta, die hem heeft teruggestuurd met een aantal punten op een papiertje, waaraan hij zich stipt had te houden. De tegenvoorstellen van Gani zijn wel hier gemaakt door de delegatie, maar aan de hand van de puntjes van Hatta. Op een paar van de zeer belangrijke punten zijn zij teruggekrabbeld. In de eerste plaats is er geen plaats meer gelaten voor een centrale overkapping, die het hele goederen- en deviezenregiem zal omvatten en ook werkelijk bevoegdheden zal bezitten. Hij heeft er nu iets van gemaakt, dat alleen wat te doen krijgt wanneer de verschillende organen het goed vinden. In de tweede plaats is de in de vroegere besprekingen aanvaarde economische eenheid van Indonesië tegenover het buitenland, ook wat de deviezen betreft, geheel losgelaten. In de derde plaats bevatten de nieuwe voorstellen als nieuw element de invoering van een onderscheid tussen ondernemingen, die wél
en ondernemingen, die níet ressorteren onder republikeins beheer. Men heeft dus het warga negara-schap1. ook voor rechtspersonen ingevoerd en er dan bovendien nog ongelijke rechten aan toegekend, iets wat ten aanzien van natuurlijke personen in strijd is met Linggadjati. Het is volkomen duidelijk, dat dit volstrekt onaanvaardbaar is. Op elk gebied zijn de voorstellen van Van Hoogstraten van hun essentiële kwaliteiten beroofd. Bovendien dan weer dat in alle colleges de republiek de meerderheid zou moeten hebben, hoewel de eenstemmigheid bij de besluitvorming is gehandhaafd. Zo het een na het ander.
Ursone had de indruk gekregen, dat Gani eigenlijk wel een meer gematigd standpunt zou willen innemen, maar dat hij onder de druk van Djocja niet durft. Hij was bij de verdediging van zijn voorstellen onzeker en nerveus.
Wij zijn gezamenlijk tot de conclusie gekomen, dat doorwerken op deze manier zonder enig redelijk vooruitzicht blijft. Een van de essentiële punten is, dat de republiek de federatie eigenlijk niet aanvaardt.
Dit laatste werd mij ook vanavond nog weer bevestigd in een lang gesprek met De Koning, de directeur van de uitgeverij Vrij Nederland, die veel republikeinse contacten heeft. Ook zijn indruk is, dat men bepaald steigert tegen de federatie en wel in toenemende mate. Men schijnt eerst de republiek te willen optuigen en intussen ons te laten doorgaan met Oost-Indonesië, onder min of meer zijdelingse beïnvloeding door de republiek. Zij begrijpen blijkbaar, dat wanneer er op het ogenblik een wedstrijd op touw wordt gezet tussen Oost-Indonesië en de republiek en zij bereiken voor zich geen bijzondere resultaten, het dan wel eens zou kunnen zijn dat de animo van de bevolking van Oost-Indonesië om tot het domein van de republiek te behoren gering is. Vandaar, dat zij hun uiterste best willen doen om de republiek als zodanig naar boven te krijgen. Er zit natuurlijk bovendien achter, dat, indien zij overal aan de tafel verschijnen naast een afgevaardigde van Oost-Indonesië, dit de waarde van hún gezicht reduceert. De Koning meende, dat hier een van de allerbelangrijkste punten van de weerstand van dit ogenblik schuilt.
Hoe slim zij in dit opzicht bezig zijn, blijkt ook nog weer uit dat warga negara-schap van de ondernemingen. Immers, een onderneming, die hiertoe zou overgaan, is geen westers bedrijf meer en de producten daarvan worden beschouwd en behandeld als bevolkingsproducten en vallen dan niet meer onder de in- en uitvoerregeling van de Nederlands-Indische regering. Wel slim bedacht, maar wij moeten nog zien dat de ondernemers daar intrappen. Bij de Nederlandse is het niet erg waarschijnlijk, doch Mr. Ursone meende te weten dat de Engelse eigenaren van de particuliere landen, de Pamenoekan-en Tjiasamlanden, hier niet afkerig van zijn, gezien ook het feit der zwakke positie van deze particuliere landerijen, die reeds voor de oorlog door ons met onteigening werden bedreigd.
Toch hebben wij vastgesteld, dat het bepaald noodzakelijk is dat een delegatie van 15 deskundigen direct na het bezoek aan Pontianak naar Djocja gaat1.. Zij gaat niet als onderhandelingsdelegatie, maar op een oriënteringsreis, ter verheldering van eigen inzicht omtrent de meningen in Djocja en ook misschien ter verheldering van de meningen in Djocja inzake onze bedoeling. In die tijd zullen Van Mook en Lieftinck zich naar Amerika en Engeland moeten begeven, om daar de regeringen duidelijk te maken hoe de situatie op dit ogenblik eigenlijk is. Bovendien moet dat dan de inleiding vormen voor een vraag om steun van Amerika en goed begrip in Engeland. Voor mij staat het wel vast dat wij daarbij geen kans op succes hebben, indien wij niet met bewijzen kunnen aantonen dat de republiek niet van zins is om Linggadjati bona fide uit te voeren. Zowel bepaalde concrete bewijzen van kwade trouw (zoals nu het geval is in zake art. 142. en met de afwijzing van de federatie) als de afwezigheid van enig bewijs van de wil tot samenwerking, kan in Amerika indruk maken. Zou dit leiden tot politieke druk op de republiek, dan is dat misschien het middel om militair optreden alsnog te voorkomen.
Verder had ik vanmiddag nog even een telefoongesprek met Koos Vorrink. Daaruit werd mij duidelijk dat het toch blijkbaar niet de opzet is om Jonkman tot opvolger van Van Mook te bombarderen, zoals blijkbaar door Logemann was bedoeld. Meijnen zou dan ten slotte toch bestemd zijn om Van Mook op te volgen en volgens Vorrink zou Meijnen reeds in beginsel hebben toegestemd. Wat mij betreft zie ik in deze gang van zaken nog één mogelijkheid, nl. dat
men begint met Meijnen te benoemen tot derde lid van de commissie-generaal en Van Mook voorlopig nog laat zitten. Het zou van de Nederlandse regering politiek wel buitengewoon onhandig zijn, indien zij, om de steun van Amerika te verkrijgen, de man, op wiens crediet in dat land zij willen bouwen, eerst wegens ongeschiktheid zou ontslaan en door een oud-minister van oorlog vervangen. Wanneer er inderdaad in dit land geslagen móet worden, laat men het dan toch ten minste doen voor de verantwoordelijkheid van de man, die ook de tot heden toe gevoerde politiek in de geschiedenis op zijn naam zal krijgen. Ik geloof dat ik in deze richting een betoog zal afsteken tegen de ministers, die morgen komen. Het wil mij voorkomen, dat dit zo redelijk is en hen zodanig uit zekere moeilijkheden helpt, dat het mij uitermate zou verwonderen, indien zij dat niet zouden aanvaarden. Wanneer Beel dan aftreedt als minister van binnenlandse zaken en zich als ministerpresident ook formeel gaat wijden aan de staatsrechtelijke hervormingen van het Koninkrijk, waarmede hij immers als ministerpresident toch al te maken heeft, dan is men die ellende ook weer kwijt. Dat onze partij het intussen zo heeft gespeeld, dat zij zich binnenlandse zaken hebben laten ontgaan en het akelige departement van wederopbouw en volkshuisvesting zich in de schoenen hebben laten schuiven1., vind ik nog altijd een grote politieke fout. Het ware nu toch heel wat verstandiger geweest, indien een man als Van der Goes, die toch ook goed met Beel kan opschieten, de portefeuille van binnenlandse zaken had gekregen2. en een Katholiek op wederopbouw had gezeten. Het argument, dat ze daarvoor niemand kunnen opbrengen, lijkt mij toch een beetje kras. Dat moeten ze dan maar eens in de krant zetten!
Vanmorgen vóór de aankomst van de ministers heb ik dit opzetje betreffende Meijnen ook nog besproken met Van Mook en later met Van Poll. Beide heren menen dat hierin een oplossing kan liggen, die bruikbaar is. Men kan dan een afspraak maken over het tijdstip van vervanging van Van Mook door Meijnen, terwijl de vraag
of hij dan als lid van de commissie-generaal of als lt.-gouverneur-generaal met het algemeen bestuur wordt belast, nog in het midden kan blijven.
Vanmorgen werd ik verder nog opgebeld uit Makassar door Palar, die daar vandaan vrij vervelende verhalen deed. Ik vind trouwens even goed, dat Palar omzwaait in de richting van de republiek en heb hem dat vanmorgen door de telefoon duidelijk laten voelen. Het resultaat was dat hij morgen naar hier komt om het een en ander te vertellen over zijn indrukken van Makassar en ik zal hem mijn mening dan ook vrij ongezouten zeggen. Vanmorgen deelde ik hem al mede, dat wij over de houding van de republiek uiterst slecht te spreken zijn.
Hij vreesde een Kabinetscrisis in Oost-Indonesië om vier verschillende redenen. De oppositie is vrij sterk tegen Nadjamoedin om persoonlijke redenen. Hij is niet populair. In de tweede plaats ziet men op allerlei gebied de verhoudingen van vroeger terugkeren en meent dat er te weinig veranderd is. In de derde plaats heeft de staat van oorlog en het militaire optreden in Zuid-C