Wanneer ik zeg thans in de moeilijkste en pijnlijkste situatie te verkeren, waarin ik mij in de afgelopen jaren heb bevonden, dan is dat niet overdreven. Immers, het is volkomen duidelijk dat het aantal mensen, dat niet zijn toevlucht wil nemen tot militaire actie tegen de republiek, in Batavia, voor zover wij daarmee in contact komen, op tien vingers valt af te tellen. Gisteravond, op de receptie van Plesman, ontdekte Sanders de zevende1., nl. Bosman, de tweede man van de B.P.M, in dit land. In de omgeving van Van Mook is er niemand meer en het feit, dat men in een bespreking als die van gisteravond uitermate verontwaardigd was, toen ik constateerde dat het hele gezelschap eigenlijk is omgezwaaid, duidt voldoende aan hoe de zaak eigenlijk ligt. Verboeket, die in alles his master's voice is, toonde zich het meest de figuur van de beledigde rechtvaardigheid en ook Van Mook zei, dat hij tegen deze uitlating van mij de grootst mogelijke bezwaren had. Immers, wij hadden ook tijdens de aanwezigheid van de ministers over deze mogelijkheid gesproken en er was toch militaire bereidheid gebleken, ook al in April, en deze was tot heden immers gehandhaafd. Als ik er dan op wijs, dat er toen toch van een besluit geen sprake was, dat er alleen met de mogelijkheid werd gerekend en dat er nu blijkbaar met geen andere mogelijkheid meer te rekenen valt, dan doet men het voorkomen alsof het antwoord van de republiek als een novum wordt beschouwd, dat de laatste hoop op een redelijk samengaan met ons de bodem heeft ingeslagen.
Na onze aankomst had ik eerst een gesprek met Sanders en Samkalden, waaruit het mij duidelijk werd dat in de laatste dagen een volstrekte tegenstelling tussen hen en de club van Van Mook was ontstaan en dat Van Mook ook constant vergaderde met zijn eigen mensen, zonder hen er bij te halen. Er is een zeer sterke tegenstelling
ontstaan, die, naar ik vrees, niet constructief heeft gewerkt op de geesten van mensen als Koets c.s. Toen ik gisteravond tegen De Villeneuve de opmerking maakte, dat onze mannen het standpunt van de vergadering van vijf uur bepaald niet deelden, antwoordde hij dat dit te verklaren was door het feit, dat zij in het gemeenschappelijk secretariaat regelmatig contact van zeer vriendschappelijke aard onderhielden met hun Indonesische collega's. Het kan hem niet verwonderd hebben, dat ik daarop antwoordde dat het dan uiterst jammer is, dat dit contact niet op een veel breder vlak plaats vindt, zowel naar onze eigen kant als naar de Indonesische.
Sanders en Samkalden wezen op een memorandum van Van Mook, waarvan zij opmerkten dat de eerste alinea door een volstrekt koloniale geest was ingegeven. Zó sterk zie ik dat niet. Wanneer hij zegt, dat het antwoord van de republiek1. in feite de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van Nederland en Indonesië voor de opbouw van de Verenigde Staten van Indonesië en de rehabilitatie van het land verwerpt, dan bestaat het verschil met de koloniale mentaliteit m.i. daarin, dat deze laatste de verantwoordelijkheid alleen op Nederland legt. Dichter benadert hij het verschil, wanneer hij er op wijst, dat aanvaarding van het antwoord geen enkele zekerheid zal bieden voor de positie dergenen, die in overheidsdienst of particulier bedrijf werkzaam zijn of zijn geweest. Hier kom ik dichter bij de moeilijkheden, omdat de eindtoestand ten slotte zo zal zijn, dat de verantwoordelijkheid inderdaad ligt bij de regering van de souvereine Verenigde Staten van Indonesië, zij het ook dat in art. 10 van Linggadjati2. bepaalde eisen zijn gesteld, waaraan deze regering moet voldoen. Tot heden is er echter geen sprake van de vaststelling van enige supra-souvereine macht, die de nakoming daarvan van Nederlandse zijde kan afdwingen. Hier raakt men natuurlijk de kern van de moeilijkheid, omdat daarmede de consequente opheffing van de koloniale status en van de volstrekt aan Nederland gelijkwaardige positie van Indonesië is gegeven. Hoe het ook zij, het oordeel over deze nota en een rustige overdenking van dit betoog mijnerzijds toont hoe scherp de tegenstelling wel ligt.
Om half twaalf kwam Van Mook en met hem heb ik tot bij half een gepraat. Hiermee plofte ik midden in de moeilijkheid. Van Mook heeft voor het antwoord geen goed woord over en meent, dat hieruit
duidelijker blijkt dan waaruit dan ook, dat de republiek, althans de daarin overheersende stroming, de samenwerking met ons in wezen niet wil. Op de essentiële punten, waaruit deze zou moeten blijken, wijst zij die volstrekt af. Van Mook staat op het standpunt, dat er met de republiek verder niet te onderhandelen valt. Het was in dit gesprek volkomen duidelijk, dat onze standpunten voorlopig vrij ver uit elkaar liggen. Ik heb hem gezegd dat het in Nederland zo eenvoudig niet ligt en dat het Aneta-telegram omtrent de houding van de Partij van de Arbeid, waarin zou worden verklaard dat deze in een onverhoopt onvermijdelijke situatie ook een strakker optreden van de regering-Beel zou steunen, onjuist is en op fantasie moet berusten. Wij kwamen in het eerste gesprek natuurlijk tot geen conclusie en spraken af, dat er 's middags om vijf uur een vergadering zou zijn met alle medewerkers van Van Mook en onze eigen staf.
Deze vond plaats en gaf precies hetzelfde beeld. Idenburg begon en noemde de inleiding van het republikeinse antwoord kortweg vlegelachtig. Ik moet toegeven, dat daarin waarheid schuilt. De volstrekt eenzijdige beschuldiging in termen, die nog heel wat krasser zijn dan die in onze nota voorkomen, terwijl de republikeinse delegatie heel goed weet hoe het geval Modjokerto door ons wordt ge-interpreteerd, had beter geheel achterwege kunnen blijven. Het ware heel wat gelukkiger geweest, indien men zich had beperkt tot het constateren der verhouding van vijandschap, met alle daaruit voortvloeiende daden over en weer. Zo is het helaas door de republiek niet gesteld, doch men heeft in vrij misselijke bewoordingen geprobeerd zichzelf aan de wereld als blanke engelen te presenteren en alle schuld voor de narigheid op ons af te schuiven. De conclusie van Idenburg, evenals die van alle andere sprekers, dat de destructieve krachten in de republiek het pleit hebben gewonnen, leidde tot de uitspraak dat er daarom ten principale van de uitvoering van Linggadjati in een waarachtige samenwerking niet veel terecht kan komen.
Een element, dat Dr. v.d. Velde, die ook aanwezig was, heeft geïntroduceerd, was het feit, dat er twee telegrammen zijn onderschept, één voor Batavia en één voor Medan, waarin Djocja mededeelt, zij het ook in enigszins verschillende bewoordingen, dat dit antwoord van de republiek om internationale redenen weliswaar bevestigend luidt, maar dat de bedoeling een afwijzing is. Zoiets is toch wel schokkend. Weliswaar schuilt hier altijd de moeilijkheid van de betrouwbaarheid van zulk een interceptie, omdat, zoals ik ook in
de vergadering heb gezegd, in tijden van hoogspanning als deze een Ambonnese radiotelegrafist misschien tot elke stunt bereid is. Het feit echter, dat er twee telegrammen op verschillende plaatsen zijn opgevangen van gelijke strekking, verhoogt de betrouwbaarheid. Ik meen, dat vooral in internationaal opzicht dergelijke intercepties van betekenis zijn. Terecht werd echter door Idenburg opgemerkt, dat men nooit weet welke de verantwoordelijkheid van de afzender is en dat ten slotte het buitenland natuurlijk ook in staat is om te zeggen, dat wij dit gefantaseerd hebben. Verder kwam in deze bespreking echter ook ter tafel, dat allerlei goedwillende Indonesiërs op het ogenblik schoon genoeg hebben van de republiek. Soewandi treedt af als minister van onderwijs, eenvoudig omdat hij geen enkel vertrouwen meer heeft in de zaak. Moelia, president-curator van de Indonesische Universiteit, zou op het standpunt staan dat er nu maar een eind aan moet worden gemaakt en dat een militaire actie de enige oplossing is.
Abdulkadir stond op hetzelfde standpunt. Hij meent dat het aantal intellectuelen, dat overtuigd raakt van de verwording en desintegratie, stijgende is, en dat ditzelfde verschijnsel ook die halsstarrige afwijzing van onze bijstand en samenwerking ten gevolge heeft. Juist deze mensen wensen niet, dat wij naast hen komen te staan, omdat zij dan per se van hun plaats zullen moeten verdwijnen bij de eerste de beste rationalisatie van het ambtelijk apparaat. Het feit, dat een man als Sjarifoedin er in moet toestemmen om Boeng Tomo1., de beruchte leider van de irreguliere troepen bij Soerabaja, te benoemen tot lt.-generaal, moet men toch ook beschouwen als een teken van verwording, in plaats van consolidatie.
Zo ging het van het ene verhaal op het andere en merkwaardig was, dat niemand meer een goed woord voor de republiek over had. Op het laatst, tegen zeven uur, heb ik nog een poging gedaan toteen analyse, waarin ik echter ben blijven steken, doordat ik weggeroepen werd voor een telefoon met Koos Vorrink. In deze analyse kwam ik daardoor niet veel verder dan te betogen, dat de verhouding tussen beide volkeren onder de ban was blijven liggen van het feit, dat wij er niet in waren geslaagd de verhouding der vijandschap in het algemeen om te zetten in die van 100% welwillendheid. In de aanraking tussen de verschillende instanties waren nog alle gradaties te vinden en gemiddeld kan men zeggen, dat er in het ambtelijk
apparaat van onze kant tegenover de republiek zelden van werkelijke welwillendheid sprake was. Veel instanties hebben geen gelegenheid ongebruikt gelaten om de republiek op kleinigheden dwars te zitten. Of het nu ging om het transport van autobanden naar Djocja of om de begeleiding van TRI-mensen bij de laatste evacuatietrein, of de behandeling van zaken met de Pasoendan1., of het incident met het vliegtuig van de Britse consul-generaal, die verleden week op verzoek van onze eigen regering naar Djocja ging, het is alles hetzelfde: het gevoel, dat iedere aan de republiek onwelgevallige daad goed is in de ogen van Nederland. Het grote probleem is, hoe wij daar doorheen breken. Ik had echt het gevoel, dat dit betoog weinig bijval vond en dat in de geesten van de aanwezigen veel meer de betoogtrant van de R.V.D. van de laatste paar weken, die op een uiterst kleinzielige manier geregeld bezig is de republiek in gebreke te stellen, het geestelijk eigendom van de aanwezigen was. Tot een discussie kwam het niet, doordat ik verdween.
Het gesprek gisteravond met Koos Vorrink was niet erg bemoedigend. Ik vroeg hem in de eerste plaats of er sprake was van een besluit van de Partij van de Arbeid, zoals Aneta vermeldde2.. Ik las het hem voor en hij wist nergens van. Dit is dus volstrekte fantasie. Verder vroeg ik hoe het antwoord van de republiek in onze kringen was gevallen. Hierop antwoordde hij: Logemann staat hier naast mij en meent dat 80% wel aannemelijk is, maar 20% is een vrij misselijke afwijzing. In elk geval, zo voegde hij er aan toe, is het geen grondslag om daarop te gaan schieten. Ik antwoordde hem toen, dat hier in Batavia de verhouding in dit verband ongeveer 1 op 99 was. Hij maakte zich zeer ongerust over het feit, dat ik de mogelijkheid opperde, dat er misschien twee verschillende adviezen zouden komen, omdat de standpunten van Van Mook en van mij voorlopig onverenigbaar waren. Koos achtte dit catastrophaal en drong er op aan, dat wij zouden proberen het ergens op eens te worden3..
Daarna was er een cocktail-party van de K.N.I.L.M. ter ere van de aanwezigheid van Plesman. Deze leverde politiek niet zo vreselijk veel op dan alleen dat aan het eind er van een kleine kring bij elkaar was: Van Mook, De Villeneuve, Koets en ondergetekende, waarin ik mededeling deed van dat telefoongesprek als beeld van de moeilijkheden, zoals ik die in Nederland op dit moment zag liggen. Er werd mij opnieuw door alle drie de heren bezworen, dat het standpunt van Logemann onjuist zou zijn en De Villeneuve merkte op, dat Van Mook aanvankelijk zijn eigen opinie had verzwegen en men daardoor eigenlijk min of meer onafhankelijk van elkander tot vergelijkbare standpunten was gekomen. Dat moge dan al waar zijn, ik heb in een gesprek met Koets vanavond, waar ik nog op terug kom, toch wel ontdekt dat het niet overal zo rechtlijnig ligt als in de besprekingen van gisteren het geval scheen te zijn. Koets zei trouwens, dat, indien ik hier een paar dagen zou zijn en alles eens grondig zou hebben onderzocht, ik tot dezelfde conclusie zou komen. Inderdaad zeg ik nu vanavond, dat ik het wel waarschijnlijk acht dat, indien de heren niet meer het gevoel hebben, dat zij mij onderste boven moeten praten of ik moet proberen het hen te doen, ik dan nog de meeste kans heb iets voor den draad te krijgen, dat als eenstemmig advies kan gelden, terwijl de republiek dan nog één keer een kans zou kunnen krijgen.
De dag van vandaag zou gebruikt worden om nog eens nader met enkele mensen te spreken. Sanders had voor mij een afspraak gemaakt met Soekawati en de sultan van Pontianak1. voor vanmorgen tien uur. Soekawati bracht twee ministers, nl. de Anak Agoeng en Hamelink, mee, terwijl van onze kant Sanders en Maassen, met Van Poll en mij, en ook Koets aanwezig waren. Soekawati begon na een korte inleiding mijnerzijds te betogen, dat hij de gang van zaken betreurde, omdat er van te voren, noch met Oost-Indonesië, noch met Borneo, overleg was gepleegd over de nota van de commissie-generaal2.. Ik heb hem toen uiteengezet, dat er wel degelijk over het overleg met Oost-Indonesië en Borneo is gesproken, maar dat dit achterwege is gebleven, omdat minister Jonkman in een vergadering
de opmerking had gemaakt, dat hij de hoofdpunten betreffende een Federale Raad met beide heren1. zou hebben besproken en daarop de algemene instemming was verkregen. Max ontkende, dat er in Pontianak een woord over gewisseld was en maakte de opmerking, dat hij het prettiger zou vinden, indien de commissie-generaal zou willen erkennen, dat hier een fout was gemaakt, zoals hij dat ook te horen had gekregen van een van de adviseurs van Van Mook. Dit moest slaan op een gesprek met Koets, die ook aanwezig was. Ik heb hem toen gezegd, dat ik er prijs op stelde dit punt met dezelfde scherpte te beantwoorden als waarmee hij het stelde, nl. dat ik voor de commissie-generaal in dit opzicht geen enkele verantwoordelijkheid aanvaardde en dat hij dan zijn verwijten tot minister Jonkman moest richten, terwijl ik aannam dat de nota van de commissie-generaal onmiddellijk aan beide regeringen zou zijn gezonden, met het verzoek om hierover nader advies te mogen ontvangen. Toen bleek, dat dat niet gebeurd was en zij de stukken betrekkelijk laat hadden ontvangen, merkte ik op dat het dan goed was, dat de fout erkend werd door die instantie, welke daarvoor verantwoordelijk was. Verder werd er met betrekking tot de procedure gesteld, dat de regeringen van Oost-Indonesië en West-Borneo een advies zouden uitbrengen, dat tegelijk met het advies van de commissie-generaal zou worden doorgeseind. Ter voorbereiding hiervan zou a.s. Zondagmorgen om tien uur een vergadering worden gehouden met de dan aanwezige ministers van Oost-Indonesië en het dagelijks bestuur van de West Borneo Raad. Daarmee was het procedure-probleem opgelost.
Met betrekking tot de materie zelf kan ik kort zijn. Soekawati én de Anak Agoeng én Hamelink stelden het om beurten eigenlijk zo, dat, indien de Nederlandse regering op basis van dit antwoord2. de onderhandelingen zou voortzetten, de regering van Oost-Indonesië niet alleen haar ontslag zou indienen, maar zij dan tevens zou adviseren de zelfstandige negara Oost-Indonesië op te heffen en deze maar direct te maken tot een provincie van de republiek. Immers, men zou dan iedereen een zodanig gevoel van overwinning door de republiek geven, dat niemand bij wijze van spreken nog de moed zou hebben zijn spel op een andere kaart in te zetten dan op die van de republiek. Max trok precies hetzelfde gezicht en meende, dat
dan binnen zeer korte tijd ook West-Borneo uit dezelfde overwegingen republikeins zou stemmen, zonder dat de mensen in hun hart republikeins waren. In dit gesprek vertelde Koets van deze mentaliteit ook nog weer een merkwaardig staaltje. Een Indonesiër, waarvan het bekend is dat hij practisch op het standpunt van de Pasoendan staat, heeft, nadat het republikeins bestuur in Buitenzorg is hersteld en de Pasoendan de kous op de kop heeft gekregen1., in Batavia een republikeinse anti-Pasoendanorganisatie opgericht en staat daarvan aan het hoofd. Dat is het algemene politieke verschijnsel, waarmee men in Indonesië heeft te kampen. Zolang de republiek tegenover ons aan de winnende hand is, zal het aantal dergenen, die met of zonder overtuiging met de republiek meespelen, om der wille van hun eigen huid of positie, steeds toenemen. Op Bali ziet men precies hetzelfde. Hoewel Soekawati er practisch zeker van is, dat de grote meerderheid, ook van de intellectuelen, van de Javaanse overheersing niets moet hebben, ontstaat er onder leiding van een enkele figuur een uiterst sterke republikeinse beweging, die regelmatig groeit naar mate het er meer op lijkt, dat de republiek straks toch de baas wordt.
Deze heren drongen dus aan op geen enkele vorm van verder onderhandelen. Erger: een militaire actie en de republiek de tanden laten zien, zal zonder twijfel de goede orde in deze beide andere negara's zeer ten goede komen.
Van 12 tot een had ik in het gebouw van de Volksraad bezoek van de beide heren Mitcheson en Lambert, consul-generaal en consul van Engeland. Mitcheson kwam in de eerste plaats verslag uitbrengen van zijn reis naar Djocja. Hij had zijn echtgenote meegenomen om er zo weinig mogelijk een officieel karakter aan te geven. Hij had gesproken met Soekarno en Sjahrir en had op dat ogenblik van beiden een zeer redelijke indruk gekregen en de toezegging, dat zij een toestemmend antwoord zouden geven. Mitcheson had van zijn kant gezegd, dat hij niet kwam met de opdracht van de Britse regering om bepaalde meningen te uiten, maar dat, indien Soekarno er prijs op stelde de inzichten van het Foreign Office te leren kennen, hij bereid was die mede te delen. Hierop werd natuurlijk instemmend geantwoord en Mitcheson zou toen hebben gezegd dat de Britse regering de Nederlandse voorstellen volstrekt redelijk achtte en dat, indien de republiek een advies zou wensen, hetgeen inderdaad door
Soekarno werd gevraagd, de Britse regering zou adviseren om deze voorstellen te aanvaarden. Het hele gesprek verliep in een prettige en optimistische toon, maar wel liet Soekarno horen, dat hij er niet zeker van was, dat hij zijn volgelingen mee zou kunnen krijgen. Ik vertelde Mitcheson, dat deze opmerking, die hij ook aan Van Mook had doorgegeven, deze laatste aanleiding tot een zeker scepticisme had gegeven, omdat hij geenszins zeker was van de afloop van dit inwendige gevecht in de republiek.
Mitcheson legde er dus de nadruk op, dat hij zich door het antwoord zeer teleurgesteld voelde, waarvan de inleiding ook hem bepaald had gegriefd. Hij voelde dat wij voor een grote moeilijkheid stonden en, hoewel hij begon met vast te stellen, dat de instructies van zijn regering luiden om er op aan te dringen in ieder geval een peaceful settlement te bereiken en de Britse regering nooit de oplossing door gewapend optreden zou kunnen aanvaarden, bleek uit de loop van het gesprek duidelijk dat dit voor de beide heren persoonlijk geenszins zo vast stond. Ook zij zagen de mogelijkheid boven de horizon, dat er geen andere oplossing overbleef. Ik heb hun duidelijk gemaakt, dat de economische positie van Nederland niet gedoogt zo lang heen en weer te blijven praten tot wij een resultaat, dat bevredigend is, zullen hebben bereikt. Indien wij niet van buiten af daadwerkelijk worden ondersteund, ook financieel, dan zou het kunnen zijn dat militaire actie voor ons de laatste mogelijkheid biedt. Zij hadden het nog over de wenselijkheid om, indien het onvermijdelijk zou zijn, zulk een actie met zo weinig mogelijk militair geweld gepaard te laten gaan. Men kan de tanks al schietende en met artillerievoorbereiding de demarcatielijn over sturen en men kan het schieten ook uitstellen, totdat het beslist noodzakelijk is. Daarop natuurlijk geantwoord, dat dit op het eerste gezicht inderdaad het beste lijkt, maar dat het de vraag is of daarmee ten slotte geen grote militaire risico's worden gelopen. Het gesprek eindigde met hun vraag, wat zij nu eigenlijk hadden te rapporteren. Ik heb toen geantwoord, dat ik er geen bezwaar tegen had, indien zij aan Bevin zouden laten weten, bij wijze van een soort persoonlijke boodschap van mij, dat, hoewel Bevin weet, dat ik altijd heb gestreden voor een vreedzame oplossing, de houding van de destructieve elementen in de republiek thans zodanig is, dat ik er ook geen raad meer mee weet en ernstig twijfel aan de mogelijkheid om deze zaak nog ten goede te keren, omdat de constructieve elementen in het republikeinse Kabinet het voor de tweede maal hebben afgelegd.
De eerste maal was in de tweede helft van April vóór de werkvergadering van 3 Mei1..
Nadat 's middags een telegram2. was opgemaakt, waarin werd aangekondigd, dat het advies aan het Kabinet misschien niet op Zondagavond kon worden verzonden met het oog op het feit, dat er Zondagmorgen met Oost-Indonesië en de West Borneo Raad zal worden vergaderd en een ander telegram3., waarin wij omgaand informaties vragen inzake de stappen van de missie-Van Vredenburch en de resultaten er van4., had ik van vijf tot zeven een gesprek met Moelia, president-curator der republikeinse universiteit.
Deze man, die aanvankelijk, zij het enigszins ter zijde, ook met de republiek heeft meegedaan, ziet daar op het ogenblik de kracht der destructieve elementen al groter worden. De apparaten werken niet en de bezetting van de posten geschiedt meer en meer, in plaats van minder, door ondeskundigen. Men ziet, dat Oost-Indonesië vooruit gaat. Een man als Soewandi treedt als minister van onderwijs terug. Hoewel er in de krant staat, dat alle ministers de laatste Kabinetszitting in Djocja hebben bijgewoond, was Soewandi niet aanwezig, omdat hij met dit antwoord niets te maken wilde hebben. Hij trad dus terug. Toen heeft Sjahrir geprobeerd hem aan de delegatie te verbinden, wetende, dat hij tegenover ons een goede figuur is. Soewandi heeft ook dat geweigerd. Zijn positie is echter zwak, omdat hij niet tot een politieke partij behoort.
Moelia meent dat voortgezette onderhandelingen met de republiek volstrekt hopeloos zijn en dat iedere volgende stap de brutalen zal versterken. Hij achtte het een grote fout van Sjahrir en ook van Sjarifoedin, dat zij niet als minister zijn afgetreden. Volgens hem had dit dienen te gebeuren, waardoor de situatie duidelijker en ook voor de toekomst eenvoudiger zou zijn geweest. Een soort militaire afstraffing van de republiek achtte hij onvermijdelijk, ook ter ondersteuning van de positie van mensen als Soewandi en hijzelf. Een typisch verhaal is ook dat van Prof. Soepomo, die enige tijd geleden uit Solo is gekomen. Deze man verwierp zes maanden geleden Linggadjati, omdat het niet ver genoeg ging. Nu is hij dankbaar uit Solo weg te zijn en in Batavia te wonen. In het bijzonder zijn vrouw, die vrij gemakkelijk praat, haatte de Gestapo-omgeving, waarin zij
beweerde op ieder woord te moeten passen. In dit verband maakte Moelia ook nog de opmerking, dat het hele verhaal over de vrijheid van spreken enz. volstrekte waanzin is volgens hem en dat er in dit opzicht, zoals hij het letterlijk noemde, alleen bestaat de vrijheid van de dood. Het enige punt, dat hem bij een militaire actie uitermate hoog zat, was wat Nederland daarna zou doen. Ik heb hem de verzekering gegeven, dat wij in ieder geval met die gebieden, die bezet zouden worden, de Linggadjati-politiek zouden doorvoeren. Dat betekent dus, dat wij zo snel mogelijk het bestuur van zulke gebieden in Indonesische handen zouden leggen. Wij kwamen in dat gesprek daarom tot de conclusie, dat men de bezetting zo zou moeten kiezen, dat men gebieden, die als afzonderlijke daerah's zouden kunnen worden bestuurd, zou moeten bezetten, niet groter en liefst ook niet kleiner. Deze gedachtengang leidt b.v. in de eerste plaats tot het gebied Pasoendan. Wel stelde hij vast, dat wij in dat geval de heren van de P.R.P.1. onmiddellijk het bos in moeten sturen als volstrekt minderwaardige figuren2.. Hij noemde de regent van Tjiandjoer, die hij kende uit de Volksraad, als waarschijnlijk dé figuur in dit geval. Wel is deze man op het ogenblik hoofd van een Pasoendanvereniging in republikeins verband en werkt hij dus republikeins, maar Moelia had goede gronden om te vermoeden dat deze hele organisatie van de Pasoendan in het republikeins gebied in belangrijke mate een camouflage is. Indien men Bandoeng als hoofdstad zou kiezen en een dergelijke man aan het hoofd zou zetten, dan twijfelde hij niet aan de bestuurbaarheid van dit gebied en zouden de Indonesische krachten voor dit bestuur wel naar boven komen.
Ten aanzien van Sumatra stelde hij zich op het standpunt dat dit gebied op het ogenblik bepaald niet tot één staat te verenigen is. Ook hier zou men dus een soortgelijke tactiek dienen toe te passen. In dat verband vermeld ik ook nog even een mededeling van Van der Velde, die opmerkte dat iedereen in Medan het als volstrekt normaal beschouwt, dat, na opruiming van het republikeins bestuur op Sumatra, de huidige burgemeester Joesoef rustig burgemeester van
Medan zou blijven. Hij twijfelde er geen seconde aan, of deze man zou dat onmiddellijk doen.
Het is wel duidelijk, dat dit gesprek met Moelia in sterke mate een bevestiging is van de opvattingen, zoals die zich blijkbaar in de laatste paar weken in de hoofden van de meeste mensen alhier hebben vastgezet. Om dit alles nog eens te toetsen aan de gedachten van een man, die zeker niet lichtvaardig tot een afwijzende houding tegenover de republiek zou komen, vroeg ik vanavond Koets om een tijdje bij mij te komen praten. Wij kregen het toen in de eerste plaats nog eens over het feit, dat ik een sterke verandering van de meningen kon constateren. Vóór ons vertrek naar Nederland, tijdens het verblijf van de ministers, hadden wij de mogelijkheid van militaire actie in het geding gebracht, mede om de ministers er van te doordringen dat de toestand zich in ernstige richting ontwikkelde. Op het ogenblik kon men echter vaststellen, dat iedereen zeer rechtlijnig redeneerde en de beslissing eigenlijk al was gevallen. Koets gaf inderdaad toe, dat er in de laatste tien dagen, zoals hij het noemde, veel denkarbeid was verricht. De missie naar Djocja1., maar vooral de aard van het antwoord en de verrassing, die daar in zit, in vergelijking tot hetgeen men - en niet op slechte gronden - eigenlijk verwachtte, heeft tot de gedachte geleid dat er met deze republiek niet te werken valt. Dit negatieve oordeel stond ook bij Koets vast, maar bij hem kon men in minder sterke mate dan bij anderen constateren of hij nu aan het nut en aan de goede kansen van een militaire operatie ook inderdaad geloofde.
Wij stelden gezamenlijk vast, dat het waarschijnlijk zo is, dat ook in deze revolutie weer iets van de wetmatigheid van iedere revolutie zich voltrekt, nl. dat deze doorslaat naar de extremistische kant. Indien men bedenkt dat Van Hoogstraten en Idenburg in Djocja met Sjarifoedin gesprekken hebben gevoerd over de militaire voorstellen, waarbij hij de gendarmerie voluit accepteerde, verder de grote betekenis van de militaire samenwerking bij de landsverdediging uit zichzelf stelde en daarbij het internationale verband, waarin dit door een nationaal leger in samenwerking met de Nederlanders zou moeten geschieden, duidelijk tekende, en men ziet dan daarna, dat de gendarmerie wordt afgewezen en zelfs geen woord waard wordt gekeurd, dan is er slechts ruimte voor de mogelijkheid, dat óf
Sjarifoedin een huichelaar is - hetgeen niemand, die hem kent, gelooft - óf dat Sjarifoedin in dit geval tegenover Soedirman en anderen het onderspit heeft gedolven. Uit dergelijke verschijnselen kan men het vrijwel hopeloze van de toestand afleiden, want voor de resultaten van dit soort gevechten zou men iedere keer weer komen te staan. Bedenkt men dan daarbij, dat elk verder toegeven onzerzijds de brutalen versterkt, dan is het duidelijk dat uit deze gevechten geen enkel redelijk resultaat te voorschijn kan komen.
Koets stelde echter terecht, dat hij veel minder zeker was over het heil, dat militaire operaties zouden kunnen brengen, dan anderen. Hij was het daarover met zichzelf nog volstrekt niet eens en in zoverre staan Koets en ondergetekende op het ogenblik heel dicht bij elkaar. Ik ontwikkelde voor hem het plan, dat in de laatste vierentwintig uur bij mij is gerijpt, nl. dat wij de regering hebben te adviseren aan de republiek een aantal categorische en nu werkelijk ultimatieve vragen te stellen. Voor de toelichting kunnen wij de zakelijke verschillen van beide nota's naast elkaar zetten en die doen resulteren in misschien vijf tot tien van dergelijke vragen. Worden die afgewezen, dan zou daaruit moeten voortvloeien, dat de Nederlandse regering met de republiek iedere betrekking verbreekt en haar vrijheid van handelen compleet herneemt. Wij waren het er echter ook over eens dat het knooppunt van de verschillende wegen, die tot het doel moeten voeren, in ieder geval in Washington ligt en dat het daarom voor ons ook nuttig is om te weten hoe Washington heeft gereageerd. Het is in dit geval niet zo hoopgevend, dat men Foote blijkbaar geen instructies heeft gegeven om bij de republiek stappen te doen op dezelfde wijze als Mitcheson dat heeft gedaan. Bij de overweging van de vraag, welke verdere maatregelen er van buitenlandse zijde mogelijk zijn, kwamen wij tot de conclusie dat een openlijke verklaring, zowel van Engeland als van Amerika, over het aanbod van Nederland en een afkeuring van het antwoord van de republiek misschien een volgende stap zou kunnen zijn. Thans is er wel pressie uitgeoefend, maar dat is in de binnenkamer gebeurd en Soekarno en Sjahrir hebben dat aan het Kabinet moeten overbrengen. Een publieke verklaring zal in republikeinse kring zonder twijfel nog wel wat meer indruk maken. Dit zou dan moeten geschieden voor en aleer het antwoord op onze ultimatieve laatste vragen zou kunnen worden verwacht. Dat wij deze vragen nog hebben te stellen, lijkt mij een vanzelfsprekende zaak, omdat, indien ik het mij goed herinner, de Nederlandse re-
gering op een vraag van ik meen Amerikaanse zijde officieel heeft laten weten, dat het niet onze bedoeling is om de nota der commissie-generaal en het daarop ontvangen antwoord als laatste woord te beschouwen.
Tegen half elf kreeg ik plotseling Logemann aan de telefoon. In overleg met Jonkman belde hij mij op over de verklaring, die de Partij van de Arbeid op de Zaterdag bijeen te komen partijraad wenste te doen aannemen. Hierover was overleg gepleegd met Drees en Jonkman, opdat de partij de regering niet in de wielen zou rijden. Ten einde ook hier geen moeilijkheden te veroorzaken, had Jonkman het goed gevonden om mij het concept voor te lezen. Ik moet zeggen, dat ik met dit telefoongesprek uiterst tevreden ben. Het toont mij in de eerste plaats, dat de weergave van Koos van de mening van Logemann in het telefoongesprek van gisteren niet helemaal juist is. Wel had Logemann gezegd, dat 80% acceptabel zou zijn, maar hij had daaraan toegevoegd dat de andere 20% het geheel volkomen onaanvaardbaar maakte. Dat verandert de zaak aanmerkelijk.
In deze resolutie wordt verklaard, dat het antwoord van de republiek ronduit in strijd is met Linggadjati en een figuur schept, die, in tegenstelling tot Linggadjati, grondwetsherziening absoluut noodzakelijk maakt. Daarom is dit antwoord onaanvaardbaar. Verder wordt er aan beide regeringen voorgesteld om in een zeer snel contact te pogen de verschillen te overbruggen, ten einde een uiterste poging te wagen om het door de partij nog altijd niet gewenste militair geweld te voorkomen. Ik kan het ding, zoals het ontworpen is, niet uit mijn hoofd herhalen, maar het is volkomen in overeenstemming met hetgeen ik op het ogenblik in mijn hoofd heb met betrekking tot het stellen van ultimatieve vragen. Ook daarmee was Logemann het volkomen eens. Ik kreeg van hem de indruk, dat ook het Kabinet van ons een advies in deze richting verwacht, ten minste dit zou in overeenstemming zijn met de resolutie, waarmede ook Drees zijn instemming heeft betuigd.
Bij de wensen, die worden geuit, was onder punt II herstel van het republikeinse bestuur in Buitenzorg en overplaatsing van de voor het gebeurde mede-verantwoordelijke Nederlandse schuldigen1.. Ik heb voorgesteld dat punt er uit te laten, omdat dit de mensen in Nederland weliswaar hoog zit, maar dat toch ten slotte een detail is,
dat men beter kan vervangen door het verlangen naar een zeer strakke personeelspolitiek. Logemann zou dat nog nader overwegen1.. Verder overweegt de partij Frans Goedhart hier heen te sturen op zeer korte termijn om als socialist een uiterste beroep te doen op de republikeinse regering om de weg, die thans ingeslagen is, niet verder te bewandelen. Logemann meende, dat Frans dit uitermate loyaal zou doen. Ik acht het van zeer veel betekenis, dat hij dit doet, omdat wij met dit gebaar tegenover de linkervleugel van onze partij beduidend veel sterker staan dan zonder deze stap.
Dit telefoongesprek vond ik uitermate bemoedigend, omdat daaruit bleek dat het verschil tussen Nederland en Batavia belangrijk kleiner was dan ik mij aanvankelijk had gedacht. Ik acht het mogelijk om de andere heren op deze basis tot een gemeenschappelijk advies te brengen.
In de loop van het gesprek met Koets kwam, zoals ook reeds eerder het geval is geweest, de gedachte naar voren, dat de figuur van Douwes Dekker, die een persoonlijke vriend van Soekarno is, buitengewoon ongunstig werkt. In de vergadering van gistermiddag had, naar ik meen Idenburg, al opgemerkt, dat hij in sommige tirades Douwes Dekker meende te herkennen. Deze man, die stikvol ressentiment zit, beschouw ik als de kwade geest van Djocja. Het feit, dat deze man ogenblikkelijk na zijn aankomst op Java republikeins minister van staat is gemaakt, is een van die ongelukkige gebaren van de republiek, die in den geest volkomen in strijd zijn met het begrip samenwerking.
Het is nu op dit ogenblik 1 uur 's nachts en ik moet zeggen, dat de laatste vierentwintig uur in mijn geest althans belangrijke verheldering heeft gebracht. De gesprekken van deze dag, ook met Sanders en van morgen vroeg nog met Samkalden, hebben hiertoe aanzienlijk bijgedragen. Aan de ene kant het juridisch en feitelijk onaanvaardbaar zijn van deze tegenvoorstellen, aan de andere zijde de noodzakelijkheid van het geven van een laatste kans aan de republiek en daarbij het inroepen van een maximale internationale druk en dan in laatste instantie militaire maatregelen, die de schepping van nieuwe staatkundige eenheden ten doel moeten hebben om daarmee Linggadjati te kunnen uitvoeren, lijkt mij een verkoopbaar geheel.
Vanmorgen een bespreking met Van Mook, Van Poll, Sanders, Samkalden en Maassen. Ik begon met een vrij korte uiteenzetting naar aanleiding van het telefoongesprek met Logemann, waarbij ik constateerde dat de afstand tussen Den Haag en Batavia blijkbaar kleiner was dan ik had vermoed, en daarna leidde ik het ontwerptelegram in, dat Sanders en Samkalden hadden gemaakt en dat vanmorgen tussen 8 en 10 in een bespreking tussen Van Poll, mij en de beide heren was bekeken.
Voor wij daar echter over verder gingen, begon Van Mook over de algemene situatie en het verschil in opvatting tussen ons, zoals dat de eerste dag tot uitdrukking was gekomen. Het was natuurlijk eigenlijk een gekke situatie, omdat er een ontwerp-telegram van ons op de tafel lag, waarmee wij allen in wezen instemden en er dus op een curieuze manier is gebleken, dat het verschil tot veel kleinere proporties is gereduceerd dan zulks aanvankelijk het geval leek te zijn. Hij schoot weer uit zijn slof over mijn uiting dat ik het gevoel had, dat de stemming hier betrekkelijk ‘om’ was, terwijl er naar zijn overtuiging niets anders had plaats gevonden dan een ontwikkeling in dezelfde lijn, gebaseerd dan op het antwoord, zoals dat was ontvangen. Ik heb van mijn kant begrip gevraagd voor het feit, dat ik tien dagen in Nederland heb verkeerd te midden van een gedachtengang over een politieke verantwoordelijkheid voor de gehele ontwikkeling, die volstrekt anders ligt en misschien op het ogenblik zwaarder weegt dan de zijne en dat het voor mij volkomen onmogelijk was met de rechtlijnige redeneringen, die overal maar over één ding dachten, nl. militaire actie, zonder meer mee te gaan. Van Mook gaf toen toe, dat dat voor hem ook nog geen vaststaand punt is en dat hij Spoor heeft opgedragen de verschillende commandanten duidelijk te maken, dat de beslissing hierover uitsluitend in Nederland ligt, terwijl hij elk eigenmachtig optreden in dit opzicht op geen enkele manier zal tolereren. Het ging volgens hem op het ogenblik alleen over de vraag, of het antwoord van de republiek bevredigend is of niet en het stond voor hem vast, dat zulks eigenlijk op geen enkel punt het geval was.
Daarna ontstond er even een vrij felle woordenwisseling, naar aanleiding van zijn opmerking, dat nu sedert drie dagen in Batavia het gerucht liep dat de Nederlandse regering voor militaire actie was, doch dat Van Mook hiertegen zou zijn. Dit gerucht zou zijn
centrum vinden in het kabinet van Spoor, nl. bij de heren Van Lier en Van Nievelt. Ik ontplofte toen min of meer en zei, dat, nu zijn positie in Nederland versterkt en bevestigd is, men ook verwacht dat hij onherroepelijk optreedt tegen dergelijke lieden, waarvan het een ieder duidelijk is, dat die nog nooit anders gedaan hebben dan de regeringspolitiek, en in het bijzonder die van Van Mook, volstrekt dwarsbomen. Hij werd toen ook nijdig en maakte niet helemaal ten onrechte de opmerking, dat Nederland hem een jaar had laten hangen, nu eerst sinds twee dagen zijn positie had bevestigd en er dus voor hem nog geen aanleiding was om verwijten te aanvaarden, dat hij niet sterk genoeg zou optreden. Van Poll merkte op, dat zijn positie eigenlijk toch al bevestigd was tijdens het verblijf van de ministers. Ik heb daarop geantwoord, dat de ministers -. en in het bijzonder Jonkman - er inderdaad wel achter waren gekomen, dat, indien er tot militaire actie zou worden overgegaan, het een stommiteit zou zijn om Van Mook vóór die tijd weg te sturen1.. Daar ging het mij echter niet om. De hoofdzaak is, dat ik meen in Nederland bij een aantal mensen bereikt te hebben, in het bijzonder bij Drees2. en Lieftinck3., dat Van Mook niet alleen om dit motief moet blijven zitten, maar hen ook te hebben bijgebracht dat de bezwaren, die zij tegen hem hadden aangevoerd, toch eigenlijk volstrekt ongerechtvaardigd zijn, zodat hun waardering niet alleen in negatief, maar ook in positief opzicht is veranderd.
Eergisteravond is het ontwerp-antwoord aan de republiek4. en gisteravond ons definitieve advies5. telegrafisch aan de regering gezonden. Hiermee is dus voor ons de innerlijke strijd om dit resultaat, die geduurd heeft van Donderdag 12 Juni half twaalf af tot Dinsdag 17 Juni om 1 uur, afgesloten en hoewel ik weet, dat Sanders over het resultaat er van nog maar matig tevreden is, moet ik zeggen, dat ik het gevoel heb, dat er in deze vijf dagen ook in deze politieke strijd het mogelijke is bereikt.
Dat mogelijke kon niet veel anders zijn dan een ronde afwijzing
van het antwoord van de republiek, voorzien van een uitvoerige motivering en daarnaast een advies aan de regering, waarin als mogelijkheden opgenomen zijn de internationale interventie en het met eigen middelen de voorwaarden scheppen, die vervuld moeten worden om een begin te maken met deugdelijke uitvoering van de beginselen van Linggadjati op Java en Sumatra. In ons advies is geen beslissing genomen over de keuze tussen deze beide wegen, omdat wij de mogelijkheden en de consequenties van de eerste methode minder goed kunnen overzien dan de Nederlandse regering, maar het is uit onze beschouwing wel duidelijk, dat wij met de toepassing van deze weg ernstig rekening houden. Het tweede belangrijke element in ons advies is, dat wij menen, dat de republiek nog eens in een soort ultimatum de kans moet krijgen op haar schreden terug te keren en de nota van 27 Mei1. alsnog te aanvaarden. Dit laatste zal noodzakelijk zijn, voor het geval de regering de militaire weg zou kiezen, omdat die van interventie geen perspectieven zou bieden. Ziedaar het resultaat.
Na beschrijving van de verdere ontwikkelingsgang in de laatste dagen kom ik nog wel tot enkele slotopmerkingen.
Zondagmorgen was de in het vooruitzicht gestelde vergadering met de regering van Oost-Indonesië en het dagelijks bestuur van de West Borneo-Raad2.. Van eerstgenoemde waren aanwezig de president Soekawati en de ministers Anak Agoeng, Hamelink en Tahija; van de tweede, vergezeld van enkele ambtenaren van de West-Kalimantan-Raad, de sultan Hamid Alkadrie en de leden Lim, Mohamad Saleh, Oevaang Oeray en Dr. Kiers. Natuurlijk ontstond er eerst een discussie over het feit, dat de beide colleges niet tevoren waren ingelicht over onze nota. Ik heb in deze vergadering, die genotuleerd werd, maar weggelaten dat Jonkman had geantwoord met de sultan en met de heren in Oost-Indonesië de hoofdpunten van de Federale Raad te hebben besproken3., omdat dan de sultan een ontkenning had moeten geven en ik dat voor Jonkman wat pijnlijk vond. Ik heb nu opgemerkt dat, met het oog op de spoed, niet alleen zij, maar ook de Nederlandse ministers, behalve Beel en Jonkman, van het document geen kennis hebben gedragen, doch dat wij uitgegaan zijn van de veronderstelling, dat door de samenstelling van
de Federale Raad en vooral door de eis van eenstemmigheid en de beslissingsbevoegdheid van de landvoogd de belangen van de beide andere staten als voldoende gewaarborgd zouden kunnen worden geacht. Het bleek mij, dat de heren hierover ten slotte wel gerust waren.
Een tweede punt was de vraag van Soekawati hen het eindoordeel van de commissie-generaal mede te delen. Van Mook zou daar wat minder bezwaar tegen hebben gemaakt, maar, aangezien wij een uitdrukkelijk telegram1. hadden ontvangen met het verzoek om geen enkele mededeling te doen over ons advies, ook niet over gedeelten er van, meende ik dat het ook, formeel althans, ongeoorloofd was dit in deze betrekkelijk grote vergadering weg te geven. Bovendien achtte ik het betrekkelijk overbodig, omdat de heren uit de teneur van de discussie toch wel zouden kunnen afleiden, hoe wij ongeveer denken. Het grote punt in dit gesprek is eigenlijk geweest de vertegenwoordiging van de verschillende staten in de Federale Raad. Het was zeer duidelijk, dat Borneo en de Groote Oost tegenover de republiek een volstrekt gelijke vertegenwoordiging verlangen. Zij zijn bereid toe te staan, dat in allerlei technische colleges de vertegenwoordiging ongelijk zal zijn. In de schriftelijke adviezen, die zeer uitvoerig zijn en aan het begin van de vergadering werden voorgelezen, van Oost-Indonesië2. en van de West Borneo-Raad3. wordt hieraan grote aandacht besteed en in het gesprek kwamen wij eigenlijk tot de conclusie, dat in het bijzonder in de periode, waarin de bevoegdheden van deze centrale regering moeten worden geregeld, welke regeling op alle staten een gelijke invloed zal hebben, een ongelijke vertegenwoordiging als onaanvaardbaar wordt beschouwd. In de grondwet van de federatie zou men allerlei mogelijkheden hebben om b.v. door een twee-kamerstelsel, als in Amerika, een zeker evenwicht na te streven. Tijdens de overgangsperiode, nu de regelingen gemaakt moeten worden, denken de beide colleges hierover echter heel anders en eisen zij gelijkheid. In dit opzicht wijzen zij de republikeinse nota volstrekt af. Zowel Van Poll als ik hebben in deze vergadering nog een poging gedaan om aan te tonen, dat dit
toch niet helemaal billijk is, maar toen kwamen zij met het argument voor den draad, dat juist nu de toekomstige regelingen zouden moeten worden ontworpen, waarin zij werden ondersteund door Van Mook en daarmee was het pleit eigenlijk beslecht. Hoogstens zouden zij nog wel iets kunnen voelen voor een ongelijke numerieke vertegenwoordiging, maar nooit voor ongelijk gewicht der stemmen, dat zij vooral eisten voor onderwerpen van politiek-staatsrechtelijken aard.
In een punt als het onderhavige kwam de tegenstelling tussen Oost-Indonesië en de republiek scherp tot uitdrukking. Alle ministers gingen zo ver, dat zij opmerkten, dat, indien de Nederlandse regering ook maar voor een gedeelte deze voorstellen zou aanvaarden en op deze grondslag verder zou praten, zij niet alleen zouden aftreden, maar dat zij dan de regering zouden adviseren Oost-Indonesië als zelfstandige negara op te heffen en maar direct tot een provincie van de republiek te proclameren1.. Hiermee werd de zaak dus behoorlijk scherp gesteld en, indien de commissie-generaal al een ander oordeel over het republikeinse antwoord zou hebben gehad, dan werd ons hiermede toch behoorlijk het mes op de keel gezet. In hun overwegingen zit echter buitengewoon veel, dat begrijpelijk en aanvaardbaar is. Er zit in het parlement van Oost-Indonesië een vrij belangrijke groep, waarvan men op goede gronden kan aannemen, dat zij weifelt, omdat zij nu eenmaal niet weet welke de positie van de republiek straks zal zijn. Het algemene gevoelen in Oost-Indonesië is, dat wanneer deze bedreiging, op welke manier dan ook, hetzij militair of anderszins, wegvalt, deze mensen hun aandacht in de toekomst uitsluitend zullen richten op Oost-Indonesië en niet constant met één oog naar de republiek zullen blijven lonken. Soekawati wees er in dit verband op, dat in Bali eigenlijk hetzelfde speelt. Och, was het in West-Europa tijdens de oorlog met Duitsland zoveel anders? Waren er ook daar geen tienduizenden, die het accent hunner gevoelens daar plaatsten, waar de macht lag? Waar men vermoedde, dat deze voor de toekomst zou liggen? Het verschil tussen de houding van talloze Nederlanders in 1940 en 1941 met die in 1944 geeft althans dezulken niet het minste recht van spreken tegenover deze zwevende groep in het Oost-Indonesische parlement.
De rest van de Zondag2. werd besteed aan de samenstelling van
twee telegrammen, nl. CG 167, waarin de procedure, zoals wij ons die voorstelden, aan de minister werd aangekondigd en CG 168, waarin de enorme lijst van zakelijke verschillen op de diverse gebieden wordt opgesomd.
In de bespreking van Zaterdagmorgen, waarover ik het een en ander heb verteld in het dictaat van 14 Juni 15.45 uur1., was nl. een telegram aan de orde gesteld, dat een eerste ontwerp voor een advies inhield. In dit advies werd dan aan de regering medegedeeld, dat wij het antwoord onbevredigend achten, werden de mogelijkheden naast elkander gesteld en culmineerde de zaak in het stellen van een aantal ultimatieve vragen. Dit laatste was in overeenstemming met de gedachten, zoals die zich op Vrijdag bij mij hadden ontwikkeld en die ook in overeenstemming waren met de inhoud van het telefoongesprek, dat ik Vrijdagavond met Logemann had gevoerd.
Bij de bespreking over dit telegram nu opperde Van Mook de gedachte, die wij ogenblikkelijk hebben aanvaard, dat het noodzakelijk zou zijn dat de commissie-generaal aan de republikeinse delegatie een uitvoerig schrijven zou richten, waarom wij het antwoord onbevredigend vinden. De hele affaire zou dan voor ons in twee gedeelten uiteenvallen, nl. in de eerste plaats het ontwerp voor een dergelijke brief en in de tweede plaats het advies aan de regering.
In het telegram CG 167 werd deze gang van zaken aan het Kabinet aangekondigd. Verder werd daarin een afzonderlijk telegram aangekondigd, waarin de hoofdpunten van het oordeel van de regeringen van Oost-Indonesië en van de West-Borneo-Raad zouden worden samengevat. Vervolgens werd in dit telegram opgemerkt, dat de in ons CG 168 geseinde lange lijst van zakelijke verschillen een uitstekende grondslag zou zijn voor de buitenlandse posten en de voorlichtingsdiensten om daaraan gegevens omtrent de verschillen tussen onze nota en die van de republiek te ontlenen. Wij verwezen daarbij naar een telegram van Friedericy en Weisglas aan Sanders, waarin zij seinden: ‘Speedy explanation points of difference between memo and answer urgently required’.
Dit telegram CG 167 heeft in recordtijd beantwoording gevonden. Dezelfde Zondagavond om 23.50 uur verzond Beel een antwoord uit Nederland2., dat wij Maandagmorgen ontvingen. De practijk leert dus dat de correspondentie, indien het moet, aanmerkelijk sneller kan dan normaal wordt aangenomen. Uit dit tele-
gram blijkt dat de heren ons CG 167 niet goed hebben begrepen, omdat zij van de veronderstelling uitgaan dat wij per eigen gelegenheid een schriftelijke mededeling aan de republikeinse delegatie zullen verstrekken. Maandagavond kwam daarom Jonkman aan de telefoon, zoals in dat telegram van Beel was aangekondigd, om te vragen naar het karakter van het stuk, dat wij aan de republiek wilden sturen. Ik antwoordde hem toen natuurlijk dat ik daarover door de telefoon geen uitleg kon geven, maar dat hij zich geen zorgen behoefde te maken, omdat hij dat Dinsdagmorgen in ontwerp op zijn tafel zou krijgen. Toen was hij volkomen gerustgesteld en kon ik hem het verdere programma nog eens uitleggen, waarmee hij geheel accoord ging. Gelukkig is dat nu ook zonder stagnatie precies zo uitgevoerd, zij het ook met de grootste inspanning.
De samenstelling van CG 168 kwam voor het staatsrechtelijke gedeelte en voor de diverse onderwerpen op ons neer, terwijl voor het economische, militaire en diplomatieke gedeelte de tekst werd geleverd door de betreffende instanties van de Indische regering en door Dirvo1.. Deze laatste bijdrage was goed; helaas was die van Economische Zaken veel te lang en maakte bovendien den indruk van hier en daar te zoeken naar spijkers op laag water. Over de militaire tekst was ik ook niet helemaal gelukkig. Het was eigenlijk nog onoverzichtelijker en minder pregnant geworden dan in het oorspronkelijke ontwerp, dat wij Zaterdagmorgen hadden besproken en dat toen reeds de indruk maakte van niet overtuigend genoeg te zijn, welk bezwaar men wenste te ondervangen door het schrijven van een afzonderlijke brief en deze droge opsomming als bijlage op te nemen. Heel laat in de avond kwamen wij met CG 168 klaar, maar op het laatste ogenblik liet ik er nog onder krabbelen, dat wij voor de economische paragraaf zouden proberen de volgende dag een verbeterde redactie samen te stellen. Dit is ook gebeurd door Maassen in overleg met Ursone en Maandagavond als CG 1702. geseind.
Het is voor het totale beeld ook wel noodzakelijk melding te maken van een gesprek met Dr. v.d. Velde, de regeringsadviseur voor politieke zaken op Sumatra, die mij verslag gaf van een onderhoud tussen Mr. Wijnmaalen en hem enerzijds en de republikeinse vice-president Hatta, Mr. Soesanto, minister van justitie, Mr. Tertawi-
nata, procureur-generaal van de republiek, Mr. Hassan, de gouverneur van Sumatra, en Isa, de resident van Palembang, anderzijds, tijdens een bezoek van Hatta aan Palembang ten huize van de heer Isa.
Dit gesprek is interessant, omdat het enkele volstrekt fundamentele verschillen toontin de beschouwingswijze van Hatta en die van ons. Dit betreft in de eerste plaats de Malinogebieden. Van der Velde zei, dat in de artikelen 1-4 van de Linggadjatiovereenkomst1. duidelijk is neergelegd dat de republiek alleen Java, Sumatra en Madoera omvat en dat deze republiek, Oost-Indonesië en Borneo de samenstellende staten van de Verenigde Staten zullen zijn. Het hele gezelschap viel daar weer op aan en noemde dit een eenzijdige Nederlandse opvatting, omdat in artikel 2 alleen gesproken wordt over de Nederlandse regering en de republiek, die zullen samenwerken tot vestiging van de Verenigde Staten en daaronder is volgens republikeinse opvatting begrepen, dat ook de republiek mee had moeten werken aan de fundamenten, nl. aan de vorming van de andere deelstaten. Hierbij had volgens Hatta en Soesanto de samenwerking juist in de eerste plaats tot uitdrukking moeten komen. Dan zou in Oost-Indonesië een tegenstelling als thans bestaat tussen de groepen van Nadjamoedin en Tadjoeddin Noor, welke laatste volgens Hatta op den duur toch zal winnen, nooit zijn ontstaan. Toen Van der Velde opmerkte, dat deze werkwijze principieel zó afwijkend zou zijn geweest van alles wat iedere Nederlander uit de genoemde artikelen van de overeenkomst leest, dat men daarvoor een totaal andere overeenkomst nodig zou hebben gehad, zeiden Hatta en Soesanto beiden dat hun opvatting voor hen zó vanzelf sprak, dat het hen niet verwonderde dat de delegatie er niet eens over had gediscussieerd. Volgens hen volgde dit uit het woordje samenwerking. Van der Velde merkte terecht op, dat zij feitelijk niets anders willen dan uitbreiding van gezag en invloed van de republiek buiten de door hen aanvaarde in artikel 1 afgebakende gebieden. Hij heeft opgemerkt, dat zij dat dan gedurende de bespreking duidelijk en openlijk hadden behoren aan te kondigen.
Met betrekking tot de republikeinse antwoord-nota merkte Hatta op, dat hij daarin geen principiële verschillen zag met de nota van de commissie-generaal. Hij wilde er slechts nuance-verschillen in zien en was er van overtuigd dat verder overleg tot spoedige oplossing zou leiden. Hij deelde mede dat hij, in tegenstelling tot verschillende
ministers, steeds een voorstander is geweest van een federale staat en zelfs meer deelstaten had willen hebben dan de thans geprojecteerde drie staten. Zijn grootste bezwaar was steeds geweest dat, door de Nederlandse voorstellen te volgen, de republiek onder de Nederlands-Indische regering omlaag zou worden gedrukt tot het peil van Oost-Indonesië, doch dit bezwaar zou volgens hem nu weggevallen zijn door het voorstel tot vorming van een interimregering. Zijn betoog kwam er eigenlijk op neer dat de republiek, na de tot standkoming van de Verenigde Staten, er geen bezwaar tegen had om met Oost-Indonesië te worden gelijk geschakeld, maar dat dit in de overgangsperiode onaanvaardbaar was, omdat zij dan onder de souvereiniteit van de Nederlands-Indische regering zou worden gedrukt. Zo wil Hatta uitvoer- en invoerrechten niet in de federale kas storten, doch deze voor het ogenblik voor zichzelf behouden om daaruit leger enz. te bekostigen. Pas later, indien het republikeinse leger zal zijn overgegaan in een federaal leger, en de Verenigde Staten zullen zijn gevormd, kunnen de republikeinse douaneinkomsten in de federale kas komen, eerder niet.
Het is volkomen duidelijk, dat dit gesprek nog weer eens bevestigt dat de heren, volkomen in strijd met Linggadjati, niet bereid zijn de positie in te nemen, die zij daarmede hebben aanvaard, speciaal niet voor de overgangstijd. Na de overgangstijd is alles goed en aanvaardbaar, om de eenvoudige reden, dat zij ons dan compleet kwijt zijn. Hun weerstand tegen ons is zó groot, dat zij zelfs voor deze overgangstijd niet bereid zijn hun handtekening gestand te doen door reëel met ons samen te werken aan de vorming van de nieuwe toestand. Immers, in hun antwoord is de zaak geenszins reëel gesteld, aangezien volgens hun voorstellen de bevoegdheden van de republiek zeer groot en die van Nederland in de overgangsperiode minimaal, zoal niet geheel nul, zouden zijn. Daarop zinspeelde de heer Hatta echter in zijn gesprek met geen woord. Voor mij is het duistere element, dat uit dit gesprek naar voren komt, dat een figuur als Hatta de samenwerking, zoals die in Linggadjati ook voor de toekomst is geprojecteerd, in wezen afwijst. Immers, wanneer ik dit nu zie, dan wordt het voor mij de grote vraag wat ik geloven moet van alle republikeinse verzekeringen, dat, indien zij maar eenmaal eerst de baas in huis zijn, wij eens zullen zien welk een enorm beroep zij op onze hulp en bijstand zullen doen. Helaas is er in zulk een gedachtengang van Hatta niets, dat ook maar een haartje in deze goede richting wijst. Ook de gendarmerie wees Hatta natuurlijk
absoluut af. Zij zijn niet bereid en blijkbaar niet in staat om hierin een element van samenwerking te zien.
Op economisch terrein was het al niet veel beter. Het hoofdpunt in het gesprek was de teruggave van de ondernemingen. Niemand zou hiervan een groter voorstander zijn en er met meer spoed aan wensen te beginnen dan hij zelf, aldus Hatta. Hij memoreerde alle moeite, die Soekarno en hij zich voor de omzetting van de geesten bij de arbeiders hadden gegeven. Zijn redevoering en de daarop gevolgde resolutie van de Sobsi zouden daarvan het bewijs zijn, omdat daarin niets meer werd gevraagd dan behoorlijk loon en behoorlijke arbeidsvoorwaarden. Dat dit niet geheel waar is, blijkt uit de passage in de antwoord-nota, dat er niemand wordt ontslagen zonder dat hij een redelijke andere werkkring heeft. Maar typerend voor het hele gesprek was misschien het geval van de drie rubber-ondernemingen, die in Palembang binnen de Nederlandse perimeter liggen en die nog nooit zijn teruggegeven. Toen Mr. Wijnmaalen daarop aandrong, omdat hieraan niets in de weg lag, verwees Hatta naar een plaatselijke regeling en vroeg Isa waarom hem de toegang tot Bangka en Billiton geweigerd werd. Maar de drie rubber-ondernemingen werden niet aan de eigenaren teruggegeven die avond. Zo is het in de laatste maanden helaas altijd: mooie woorden, maar als de heren voor concrete vraagstukken worden geplaatst, die overeenkomstig het afgesprokene kunnen worden opgelost, geven zij niet thuis. Hadden Hatta, Isa en Hassan deze avond eens gebruik gemaakt van de schone gelegenheid om in dit opzicht een gebaar te maken, dan zou dit van enige, hoewel geringe, betekenis zijn geweest, maar zelfs dat hebben ze achterwege gelaten, mij en anderen versterkend in de stemming, waarin de commissie-generaal haar nota van 27 Mei heeft geschreven, nl. met deze heren is in de practijk uiterst moeilijk tot reëele samenwerking te komen, zoals wij die menen te moeten opvatten. Zij staan op het standpunt, dat wij telkens vragen en niet geven. Zij verliezen daarbij uit het oog, dat Linggadjati ons de iure kolossaal veel laat geven en dat zij de facto het een en ander terug hebben te geven, vooral in de sfeer van het civielrechtelijke. Tot dat laatste kunnen zij zich blijkbaar onmogelijk opwerken.
's Avonds (Zondagavond), terwijl wij met de telegrammen bezig waren, kwam Van Mook nog even aanlopen. Hij liet mij een telegram zien van Buitenlandse Zaken aan Dirvo, waaruit bleek dat
een door B.Z. ongenoemde bron in Den Haag beschikte over het op Zaterdag bestaande inzicht bij de commissie-generaal. Er werd nl. de complete gedachtengang van het op Zaterdagmorgen besproken telegram1. in medegedeeld, inclusief het feit dat wij ultimatieve vragen wilden stellen en de mogelijkheid, dat de lt.-gouverneur-generaal het daarmee niet eens zou zijn. Van Mook was daarover natuurlijk ontstemd en vraagt zich af hoe dit alles mogelijk is.
Nu heb ik in de eerste plaats het vermoeden, dat mijn telefoongesprek met Logemann2. hiertoe een bijdrage heeft geleverd. Toen Logemann mij de resolutie voorlas, heb ik hem gezegd dat dit neerkwam op het stellen van een aantal scherpe, ultimatieve vragen en dat dit idee ook in mijn hoofd rondspookte. Daaraan kan dus deze opmerking zijn ontleend. Een bericht van A.P. van de vorige dag maakte melding van een verschil van mening tussen de It.-G.G., die niet meer praten wilde, en de voorzitter der commissie-generaal, die het antwoord nog wel een grondslag voor verdere onderhandeling zou achten. Ook daarover had B.Z. aan Dirvo informaties gevraagd. Die laatste opmerking in het telegram van Zondag kan dus eenvoudig zijn afgeleid uit de vorige mededeling van A.P. Vraagt men hoe dat verhaal in de wereld komt, dan zijn ook daarvoor verschillende mogelijkheden aan te wijzen. In de eerste plaats het telefoongesprek met Koos Vorrink op Donderdagavond3., waarbij ik inderdaad heb laten doorschemeren dat de kans op twee adviezen bestond, hetgeen hij catastrophaal achtte. Er is echter nog een heel andere mogelijkheid. Sanders en Samkalden hebben tijdens ons verblijf in Holland geregeld gezegd, dat het noodzakelijk was met een eindoordeel te wachten tot wij terug zouden zijn en dat zij er helemaal niet zeker van waren, dat ik het met de oorlogszuchtige stemming, die toen heerste, volkomen eens zou zijn. Ook heeft Sanders op Donderdag aan Boediardjo gezegd, dat een laatste kans op een redelijk accoord in mijn opvattingen lag en dat hij daarom de terugkeer van Sjahrir naar Batavia nuttig achtte. Het is dus ook zeer waarschijnlijk, dat Swinton dit verhaal over de controverse tussen Van Mook en mij gewoon in de stad en anders van republikeinse zijde heeft gekregen. Veel gekker is de kwestie van het telegram van Zondagmorgen. Immers, het ontwerptelegram, dat wij Zaterdagmorgen bespraken, is door Sanders en Samkalden in de nacht van
Vrijdag op Zaterdag gemaakt. Van Poll en ik hebben het met de heren tussen acht en tien 's morgens in mijn kamer besproken en wij zijn onmiddellijk daarna naar de vergadering met Van Mook gegaan, waarvan het resultaat was, dat dit telegram niet in deze vorm zou worden verzonden, maar dat een procedure zou worden gevolgd als in CG 167 is vermeld. Het probleem ultimatum al of niet is in die bespreking van Zaterdagmorgen eigenlijk in het geheel niet aan de orde geweest. Ik ben dus geneigd aan te nemen, dat óf de telefoon wordt afgeluisterd, en in dit geval het gesprek met Logemann, óf dat uit mijn telefoongesprek met Logemann in Holland in partijverband mededelingen zijn gedaan, die ook aan Jonkman ter ore zijn gekomen, en men heeft het voor elkaar.
Intussen was het ons aanleiding om aan onze mensen nog weer eens op het hart te drukken met zo weinig mogelijk lieden te spreken. Op dit probleem kom ik straks nog wel eens terug.
De Maandag was in hoofdzaak gewijd aan de ontwerp-brief aan de republikeinse delegatie.
Eerst had ik 's morgens nog een gesprek met Ursone, de tweede man van E.Z., die het met mij eens was dat de bijlage uit CG 168 over de economische paragraaf belangrijk stringenter en korter kon worden geformuleerd en dat hij hierover vandaag met Maassen zou trachten tot een verbeterde redactie te komen1.. Hij kwam echter speciaal bij mij om mededeling te doen van uiterst alarmerende berichten over de vernieling van grote ondernemingen over de demarcatielijn, zuidelijk van Tjiandjoer, die hij had gekregen van een Chinese eigenaar, die daar juist vandaan kwam. In dit totale gebied rondom Tjiandjoer en Soekaboemi liggen met elkaar 139 ondernemingen, die hij door de huidige gang van zaken ernstig bedreigd achtte. Theeplantages steekt men in brand, waarvan men dan op zijn minst verdorring kan verwachten. Overleg met Van Mook bevestigde evenwel mijn inzicht, nl. dat locale acties tot bestrijding van vernieling, op dit ogenblik ingezet, eenvoudig zouden betekenen het in gang zetten van een zeer grootscheepse militaire actie. Immers, op het ogenblik, dat wij dat zouden doen, zouden de vernielingen zich niet alleen verplaatsen naar het aangrenzende gebied, zoals Modjokerto dat heeft getoond2., maar zich bovendien
uitspreiden over een veel groter terrein. Men zou dan a.h.w. door zulk een actie de oorlog vanzelf naar andere gebieden verplaatsen en ons leger zou a.h.w. automatisch door de zich uitspreidende vernielingen naar het binnenland worden gezogen. Wij verklaarden ons daarom beiden op dit ogenblik, zij het ook met een bezwaard gemoed vanwege de ernstige vernielingen, tegen partiële, d.w.z. locale acties.
Daarna geruime tijd gepraat met Samkalden over de hele gang van zaken. Natuurlijk blijft deze man tegen het gebruik van militair geweld innerlijk uitermate sterk gekant, even goed als ik, maar ook bij hem ontstaat toch geleidelijk een vrij scherpe critiek op de republiek en voelt ook hij zich innerlijk nogal gegrepen door de wijze, waarop de republiek ons door dit antwoord heeft getracteerd.
Daarna is zowat iedereen begonnen met het schrijven van een ontwerp voor de brief aan de republikeinse delegatie. Van Poll had dat de vorige dag al gedaan en dat geval werd 's morgens getypt. Van Mook was er mee bezig, Samkalden en ik begonnen er 's middags mee. Ik kreeg het eerste ¾ deel gereed en kon mij daarna aansluiten voor het economisch gedeelte en voor het slot aan de brief van Van Mook.
Om vijf uur was er vergadering, waarin de verschillende ontwerpen naast elkander werden gelegd. Dat was met vier ontwerpbrieven een betrekkelijk wanhopig gedoe. Het karakter was nogal verschillend. Van Mook had een ontwerp gemaakt, dat vrij uitvoerig op allerlei punten inging, maar dat ook tegelijk nogal droog was, doordat elke persoonlijke toon er in ontbrak. Nergens werd enige teleurstelling uitgesproken over de gang van zaken. Samkalden had een veel kortere brief gemaakt, die eigenlijk alleen één thema behandelde, maar dat dan ook uiterst scherp belichtte, nl. dat in het republikeinse antwoord elk begrip van wederkerigheid, dus ook van gelijkwaardigheid, ontbrak, zowel tussen republiek en Nederland als tussen de republiek en de andere deelstaten. Het ontwerp van Van Poll is betrekkelijk moeilijk te definiëren. Ik vond dat het wat te veel woorden gebruikte en niet stringent genoeg was. Zelf had ik een stuk gemaakt, waar wat meer leven in zat en vooral het staatsrechtelijk gedeelte met wat meer bewogenheid was behandeld dan zulks bij Van Mook het geval was. Aanvankelijk ontstond een discussie, vooral tussen Idenburg en mij, over de aandacht, welke ik had gewijd aan de eerste twee pagina's van het republikeinse antwoord, waarover ik had gezegd, dat, indien zij ons slechts maar ergens
zouden hebben betuigd dat de daden, die wij beiden betreurden, nu eenmaal een gevolg waren van de vijandschap, die na 15 Augustus 1945 was gegroeid en niet direct kon worden overwonnen, wij hun opmerkingen dan ten minste ook in onze gedachtengang nog enigszins een plaats hadden kunnen geven, maar dat dit op het ogenblik in het geheel niet het geval was. Idenburg viel deze zin aan met de opmerking, dat hij er niets van begreep. Hij deed dat op een nogal eigenwijze manier, en vrij uitvoerig, zoals dat bij hem altijd het geval is, maar ik begreep uitermate goed dat hij in wezen ook op dit gebied elke vorm van wederkerigheid afwijst en ons zelf als compleet blanke engelen beschouwt.
Na een betrekkelijk korte discussie stelde Van Poll voor om aan Van Mook te vragen uit de verschillende concepten te trachten Maandagavond een resulterende brief te dicteren. Van Mook verklaarde zich daartoe bereid en meende dan ook wel in staat te zijn daarin iets meer van het levendige element uit de aanwezige concepten te kunnen overnemen. Ik heb hem daarbij verder aanbevolen om te zorgen voor een wat strakkere indeling, opdat er niet zulk een lintworm zou ontstaan als zijn eerste ontwerp was en ook dat heeft hij ter harte genomen. In de avond, laat, om half elf, kwamen de eerste drie bladzijden door en zo geleidelijk tot één uur hebben wij hieraan gewerkt en heeft de codekamer nog kans gezien om dit hele document weg te krijgen1.. Het er aan werken door ons bestond trouwens uit niet veel anders dan in het nalezen en het aanbrengen van enkele ondergeschikte wijzigingen, want Van Mook had er uitstekend kans toe gezien om de geest, die in het begin van mijn ontwerp zat, over te nemen en hij heeft ook het beginsel van de wederkerigheid wat beter naar voren gehaald. In het bijzonder is het stuk ook versterkt door het overnemen van een systematische beschouwing over de verhouding van de republiek tot de andere deelstaten, zoals ik die in mijn ontwerp had staan en die bij hem door het hele stuk heen verspreid lag. Wij waren over het resultaat van deze arbeid van Van Mook allen zeer goed te spreken.
De rest van de beschikbare tijd van deze avond is naar mijn overtuiging uiterst nuttig besteed. Van Mook had ons op de vergadering van 's middags een ontwerp voor een advies in handen gegeven. Ik vond dat bepaald een slecht stuk. Samkalden maakte de opmerking, dat de inleiding er van, die in hoofdzaak een beschuldiging aan het
adres van de reptibliek inhield, drie maanden geleden in Trouw als hoofdartikel lang niet slecht zou zijn geweest. Samkalden en ik hebben daarom direct na die vergadering de opzet voor een advies besproken. Hij is bij ons blijven eten en direct aan het schrijven van een ontwerp begonnen. Natuurlijk heeft hij daarbij ook het zakelijk gedeelte van het stuk van Van Mook verwerkt, maar het resultaat van zijn arbeid zag er toch volkomen anders uit. Aan de procedure had Van Mook in het geheel geen aandacht gewijd. De kwestie van het al dan niet stellen van een ultimatum had hij in het midden gelaten. Ons ging het er in het bijzonder om dit, ondanks de risico's, die daarin schuilen, toch bepaald opgenomen te krijgen.
Een nadere beschouwing heeft ons er van weerhouden de ulti-matieve vragen, die Vrijdagnacht waren geformuleerd, in het stuk op te nemen. Men komt dan nl. direct op minstens 15 vragen. Dat zou ons en de republiek beide onmiddellijk in een betrekkelijk moeilijk parket brengen. Immers, dan zou er een grote kans zijn dat de republiek b.v. tien of twaalf punten aanvaardt en de andere verwerpt, of er een verhaal omheen breit. Dan zou de beslissing betrekkelijk moeilijk zijn. Wij kwamen tot de conclusie dat het verstandiger was in dit ultimatum te vragen integrale aanvaarding van de nota van 27 Mei. Wij zouden in dat geval moeten rekenen óf op een afwijzing met alle daaraan verbonden gevolgen, zodat dan een klare situatie zou ontstaan, óf volledige aanvaarding, waarschijnlijk met uitzondering van de gendarmerie. De geluiden, welke wij uit het gematigde republikeinse kamp op het ogenblik vernemen, wijzen nl. in die richting. Het zou ook uit het gesprek met Hatta kunnen worden afgeleid, dat speciaal dit punt de grootste weerstand ontmoet1.. Indien de republiek werkelijk deze uiterste stap zou doen, aanvaarding van de nota zonder de gendarmerie, dan zou voor Nederland de positie niet zo eenvoudig zijn, omdat men slechts op indirecte wijze, nl. langs de weg van de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en van de samenwerking, deze gendarmerie uit Linggadjati kan afleiden. De republiek stelt zich echter op het standpunt dat deze gendarmerie eenvoudig in strijd is met Linggadjati, ten gevolge van de daarin voorkomende de facto-gezagsuit-oefening door de republikeinse regering. Van Mook verlangt echter de invoering van deze gendarmerie uit hoofde van de noodzakelijke bijstand. In ieder geval ben ik het er mee eens, dat wij de republiek
een maximale kans geven door in het ultimatum geen bijzondere vragen op te nemen, doch integrale aanvaarding van de nota te verlangen.
In dien zin heeft Samkalden het advies geredigeerd. Wij zijn daarbij, betrekkelijk zonder inleiding, die immers met het oog op de reeds geschreven brief niet meer noodzakelijk is, overgegaan tot het stellen van de mogelijkheden. Ten eerste ontruiming, ten tweede internationale interventie, ten derde het met eigen middelen de voorwaarden scheppen, die vervuld moeten zijn om een begin te maken met een deugdelijke uitvoering van de beginselen van Linggadjati op Java en Sumatra. Daarna wordt elk van deze drie punten nader in beschouwing genomen. De eerste weg achten wij onbegaanbaar, omdat deze technisch onuitvoerbaar is en wij hiermede honderdduizenden mensen aan een ernstig lot zouden overlaten, terwijl wij daardoor op den duur ook het overige Indonesië zouden moeten verlaten, en aldus de toekomst van Indonesië op economisch gebied volledig en duurzaam zouden verstoren. Voor het tweede punt had Samkalden een uiterst behoedzame redactie gekozen, waarin niet alleen het beroep op de Uno onvruchtbaar werd verklaard, maar ook dat op andere mogendheden eigenlijk niet wenselijk, omdat het waarschijnlijk was dat daardoor de huidige onhoudbare situatie nog maandenlang zou worden gecontinueerd. Daarmee werd in dit ontwerp de interventie eigenlijk ook als niet goed hanteerbaar beschouwd en daardoor bleef automatisch de nadruk vallen op de derde weg, die van het militaire ingrijpen.
Bij de beschouwing over deze derde weg stellen wij nog eens nadrukkelijk v oorop, dat, zonder de staatkundige perspectieven, welke de overeenkomst van Linggadjati in het leven riep, de commissie-generaal de derde weg onbegaanbaar zou achten wegens de alsdan ernstige repercussies in binnen- en buitenland en vooral door het afstoten van het overgrote deel der intellectuele leiders van de republiek. Wij betogen dan waarom deze weg minder onbegaanbaar is dan enkele maanden geleden het geval was. In hoofdzaak komt dat neer op een betoog over de inzichten van allerlei bezadigde elementen in de republiek; de moeilijkheden, die daar intern bestaan; het feit, dat het revolutionaire élan kwantitatief vermindert ten gevolge van de critiek, die men heeft op het republikeins beheer en alleen kwalitatief zich verscherpt, hetgeen men kan aflezen aan de activiteit van extreme elementen, een benoeming als van Soetomo tot lt.-generaal, enz. Verder bestaat het vermoeden, dat de reper-
cussies belangrijk minder zullen worden, indien men in de eerste plaats het door de militairen in het uitzicht gestelde snelle resultaat behaalt en in de tweede plaats de Linggadjati-politiek compleet toepast.
Voor dit laatste zal het dan o.a. noodzakelijk zijn, dat men gebieden bezet, die politiek en geografisch als eenheden kunnen worden beschouwd en kunnen worden georganiseerd als negara of als daerah estimewa, d.w.z. als staat of als zelfstandig gebied op de wijze van W.-Borneo. In verband met dit laatste is het typerend, dat de Pasoendanbeweging het statuut van W.-Borneo heeft overgenomen. Uit deze beschouwing volgen dan bepaalde conclusies, voor het geval de regering deze weg wenst in te slaan. Dan komt aan het einde de beschouwing over de procedure, waarin de Hitler-methode van de aanval zonder ultimatum nadrukkelijk wordt afgewezen en geven wij een aanduiding van hetgeen naar onze mening in een dergelijk document behoort te staan.
Ook Van Poll had een ontwerp gemaakt en gistermorgen om elf uur vingen wij aan met de bespreking. Van Mook maakte direct de opmerking, die de zaak zeer vereenvoudigde, nl. dat zijn document volledig in het onze was verwerkt en dat dit beter was. Te voren was er nog even een discussie geweest tussen Samkalden, Sanders en ondergetekende, waarbij Sanders een vrij fel standpunt innam tegen dit document. Hij meende dat dit regelrecht op oorlog aanstuurde en voor mij alleen maar te aanvaarden zou zijn, indien ik onder geen omstandigheid de eis tot het stellen van het ultimatum zou los laten. Het werd mij daaruit duidelijk, dat Sanders zijn laatste hoop heeft gesteld op de aanvaarding daarvan door de republiek.
Nu is het merkwaardig, dat er over dat ultimatum in de bespreking geen enkel woord is gevallen. Van Mook was het daarmee van harte eens, wat mij trouwens niet zo erg verwonderde, want in de allereerste bespreking van Donderdag had hij direct al gezegd dat er natuurlijk geen sprake van kon zijn dat wij zonder meer tot militaire actie zouden overgaan. Wij besloten dus op de vergadering het ontwerp van ons als leidraad te nemen en ook Van Poll ging daarmee accoord. En nu is het merkwaardige, dat Van Mook in dit stuk in het gedeelte, dat de beschouwing over de interventie geeft, een paar wijzigingen heeft voorgesteld, waardoor wij deze interventie eigenlijk niet afwijzen. Van Mook wenste dus heel beslist de mogelijkheid voor deze interventie open te houden. Hij liet twee dingen schrappen, die dit twijfelachtig maakten, o.a. de interventie door de grote
mogendheden uit het gedeelte, dat handelde over de interventie door de Uno. Daarmee waren wij plotseling een heel stuk verder.
De rest van de discussie over dit ontwerp verliep in volstrekte eensgezindheid en wij kwamen gezamenlijk tot een resultaat, waaronder ik meen op het ogenblik inderdaad mijn handtekening te kunnen en te moeten zetten. Ook voor het geval dit stuk wordt gepubliceerd, wil ik er publieke verantwoordelijkheid voor dragen1.. Hannie zou blijven eten en de definitieve tekst in slechts twee exemplaren tikken. Na het eten schoot mij in bed nog een kleine aanvulling door het hoofd, die het advies nog enigszins zou kunnen verbeteren, nl. aan het zinnetje, waarin de commissie-generaal zegt dat zij niet een uitdrukkelijk beroep op interventie voorstaat, als motivering toe te voegen dat haar in zake de consequenties van zulk een stap daarvoor minder gegevens ten dienste staan dan aan de Nederlandse regering. Door de toevoeging van deze motivering is het volkomen duidelijk dat de commissie-generaal tussen de tweede en de derde methode geen definitieve keuze doet, omdat zij meent die niet te kunnen doen. Ik neem aan dat de minister ons hiervan wel een verwijt zal maken en dat sommige lieden in de ministerraad hierover misschien kwaad zullen zijn, maar dit is nu eenmaal de consequentie van het feit, dat de regering ons principieel buiten het overleg omtrent de twee mogelijke wegen houdt en ons daarover niet raadpleegt. Wij weten volstrekt niet welke perspectieven deze interventie biedt en, zolang wij dat niet weten, is het voor ons onmogelijk de militaire actie tegenover het resultaat van interventie af te wegen. Deze gedachtengang brengt met zich mee dat het Kabinet van ons alleen een beschouwing krijgt over de verschillende kanten van militaire actie, maar niet een definitief oordeel over hetgeen er moet gebeuren. In dit verband heb ik vandaag nog een kleine wijziging geseind2. in het zinnetje, waarin staat: ‘afgezien van het feit, dat keuze onvermijdelijk is’. Aangezien wij daarmede ook de keuze van de militaire weg onvermijdelijk zouden achten, heb ik daarvan gemaakt dat een keuze onvermijdelijk is.
Het resultaat van deze laatste stappen is, dat het Kabinet duidelijk het besef zal krijgen, dat wij wel een hele stap in de richting van militaire actie zijn gegaan, maar dat wij nog geenszins zover zijn, dat dit de enige begaanbare weg is. Typisch voor de gedachtengang
van Van Mook in dit opzicht is, dat hij in het telegram aan de opsomming van de mogelijkheden toch nog heeft toegevoegd: ‘tenzij de republiek inbindt’. Typerend was daarbij, dat, toen iemand gekscherend de opmerking maakte, wat er dan zou gebeuren, hij zei: ‘Wel, dat zou dan generaal Spoor tegenvallen’. Hij zei echter zeer bepaald niet, dat hij dat als een ramp zou beschouwen, zoals allerlei lieden dat hier op het ogenblik doen.
Nu Sjahrir vandaag in Batavia is gekomen, zulks op uitnodiging van de Britse consul-generaal1., is het vrijwel zeker dat er uit zijn eigen kring de grootst mogelijke druk op hem zal worden uitgeoefend om, waarschijnlijk nog voor hij van ons een antwoord heeft, zelf een nadere stap te doen. Dit is ons uit onderhandse informaties uit republikeinse kring wel duidelijk geworden. Naast allerlei mensen, die wel bereid zijn zich bij ons veilig te stellen, zijn er ook, die een laatste uiterste poging willen doen om de zaak nog in het rechte spoor te krijgen. Vanavond had ik echter de zendingsconsul Mr. De Niet en de Amerikaanse zendingsman Dr. Moth bij mij, die mij o.a. vertelden van een bespreking, die zij gisteren hadden gehad met Leimena, Natsir en een aantal jongeren. Op een sombere opmerking van De Niet aan het begin van het gesprek had Natsir gezegd: ‘I am optimistic’. Er was de hele avond gepraat. Een van de jongeren van het ministerie van voorlichting had de opmerking gemaakt dat hij militaire actie prefereerde, ook met de zekerheid dat zij het zouden verliezen, boven het doen van verdere concessies, omdat in het eerste geval de spirit van het volk gered wordt en deze in het tweede geval verloren gaat. Ik vrees, dat dit ook de mening is van tallozen in Djocja. In deze stijl is er heen en weer gepraat. De Niet heeft trachten aan te tonen, waarom zij ongelijk hadden en aan het eind van de avond zei Natsir tegen Dr. Moth: ‘Do you understand now why we are optimistic?’ Ik geef hier twee uitlatingen uit één vergadering, de een van een jongere, de andere van een oudere, maar beide hebben met redelijkheid niets meer te maken.
Gisteravond kwam De Visser eens zijn hart bij mij uitstorten en mij vragen of ik de mogelijkheid van militaire actie nu eigenlijk innerlijk
al had verdisconteerd en er mee in het reine was. Ik heb dat ontkend en gezegd, dat zowel de republiek als de internationale wereld ons nog een laatste mogelijkheid biedt om dit onheil te voorkomen. Ik heb gezegd, dat ik er nog zeker van ben, dat een oorlog betekent ons na korter of langer tijd onherroepelijk definitief uit dit land te doen verdwijnen. Slechts indien wij al onze conservatieve krachten volledig in de hand houden en ogenblikkelijk een zeer liberaal civiel bestuur instellen, dat binnen de kortst mogelijke tijd de Indonesische zelfbesturende organen schept in samenwerking met Indonesiërs van naam en karakter, zouden wij wellicht een blijvende oorlogs-haat kunnen voorkomen. Mijn beoordeling van de betekenis van oorlog is dus niet veranderd, maar hetgeen veranderd is, en in zeer ongunstige zin, is mijn schatting van de betekenis der republiek. Hier voltrekt zich de wetmatigheid, die in iedere revolutie schuilt. Wij hadden gehoopt, dat dat in samenwerking met de constructieve krachten in de republiek niet het geval zou behoeven te zijn. In de Kabinetszitting in de tweede helft van april heeft deze groep het echter verloren1.; bij het opmaken van hun antwoord hebben zij het voor de tweede maal verloren, waarbij het voor mij persoonlijk nog altijd niet zeker is of zij het zelf beseffen, dat zij het verloren hebben, d.w.z. of zij er waarachtig voor gestreden hebben. Zelfs dat laatste betwijfel ik in dit geval. Ware dit wel zo en had deze groep een zuiver begrip van de betekenis van deze stap, dan had zij moeten aftreden. Dat alles is niet gebeurd. De verhalen van Van der Velde over de Atjehse gouverneur van Noord-Sumatra2., die komt vragen met een resident, wat wij van plan zijn bij eventuele militaire actie en die bevredigd naar huis gaat met de mededeling, dat hij rustig kan blijven, is volkomen typerend voor de toestand, althans op Sumatra. Indien Nederland ook inderdaad strakke progressieve politiek blijft voeren, dan betekent oorlog op het ogenblik wat anders dan vier maanden geleden.
Ik sta niet op het standpunt, dat toegeven van de republiek voor ons een ramp is, hoewel ik er volkomen zeker van ben dat dan het gechicaneer verder doorgaat. Wij krijgen dan de moeilijkheden niet naar buiten, maar houden die naar binnen. Ik geloof in wezen niet, na alles wat ik heb gehoord, dat Hatta eigenlijk bereid is om met Van Mook samen te werken. Daarom vrees ik ook dat zijn reis voor
een maand naar Sumatra in deze critieke periode, overigens niet te begrijpen van ons gezichtspunt uit, zodanig moet worden opgevat, dat voor hem de beslissing eigenlijk al is gevallen. Komt hij na ontvangst van ons antwoord niet onmiddellijk terug, dan betekent dit voor mij, dat hij als oorlogsleider op Sumatra blijft zitten en er geen ontkomen is aan een militair optreden.
Ik vind het uitstekend, dat de partij in deze enorme strijd gebruik maakt van Goedhart en aldus verantwoordelijkheid geeft aan onze linkervleugel1.. Maar indien mijn conclusies uit de reis van Hatta juist zijn, dan vrees ik dat de komst van Goedhart practisch geen ander resultaat kan hebben dan dat hij zelf vaststelt, dat de zaak hopeloos is.
Toch zal hij hier krachten vinden, die nog altijd proberen er alles uit te halen. Een daarvan is Sanders, die ik de laatste dagen weinig zie, maar waarvan ik het sterke vermoeden heb dat hij zijn uiterste best doet om de republiek er toe te bewegen om datgene te doen, wat mensen als Verboeket vrezen, nl. toegeven. Ik heb Sanders er op gewezen, dat mijn verantwoordelijkheid in dit opzicht nu heel wat anders ligt dan tussen 12 en 15 Maart2.. Het verhaal van de Nieuwe Courant, dat wij de republiek toen in het leven hebben gehouden, was destijds onzin. Op het ogenblik schuilt bij pogingen om hen tot toegeven te bewegen daar belangrijk meer waarheid in en bij mijn ongeloof in de republiek als zodanig en in de bedoelingen van een aantal der leidende personen sta ik daar niet met dezelfde kracht achter als tussen 12 en 15 Maart. Er komt bovendien bij, dat ik er betrekkelijk weinig geloof in heb. De verhalen, die ik b.v. van Roosenburg hoor, die met Boediardjo heeft gegeten, kan ik ook nauwelijks meer aan elkaar knopen. Waarom laat Ali door zijn zusje vragen om samen met Roosenburg te eten? Dit terwijl hij toch met Sanders elk contact kan hebben, dat hij wenst? Nog wel onder het motto, volgens Roosenburg, dat Ali eens zou willen weten of hij eigenlijk wel bij de republiek moet blijven. Nu bleek dat in het gesprek niet zo sterk naar voren te komen, al werd er wel over gepraat en maakte hij ten slotte de opmerking, dat, indien het tot een conflict zou komen, hem niets anders overbleef dan werkeloos toezien, althans voorlopig. Als ik in deze man niet zoveel vertrouwen had, dan zou ik zeggen, dit is een geraffineerde poging geweest om Roosen-
burg uit te horen, die nogal gemakkelijk praat, maar daar is Ali toch eigenlijk te goedig voor. Ik begrijp dit alles niet precies meer en ik kan het alleen maar thuis brengen als een van de uitingen van de conflictssituatie, waarin zulke lieden uit de constructieve groep van de republiek langzamerhand terecht komen. Moeten wij hen daaruit verlossen, nu het blijkt dat zij dit zelf niet kunnen? Of kunnen wij het ook op geen enkele manier en gaat deze zaak aan een zekere innere Dämonie ten gronde?
Vanmorgen Samkalden uitgeleide gedaan, die voor goed naar Nederland terugkeert, zoals was afgesproken vóór onze reis naar Holland1.. In hem verliezen wij een uitstekende kracht. Het meest typerend gaf hij zelf zijn persoonlijkheid weer, toen hij in een gesprek op zijn afscheidsborrel van gisteravond tegen mij zei, dat hij eigenlijk zijn beste werk geleverd had op de momenten, dat hij er met zijn hart bepaald niet bij was. Hij dacht daarbij aan de toelichting van de commissie-generaal2., die in een paar dagen in het eind van November, begin December is geproduceerd en in het bijzonder memoreerde hij het ontwerp voor het advies-telegram van Dinsdag3., waarvan hij gisteren zelf nog eens opmerkte dat hij dat in wezen een afschuwelijke zaak vond. In een gesprek tussen Van Mook en mij stelde deze Samkalden een klein beetje op één lijn met Wertheim, die indertijd geweigerd heeft bij Van Mook op de secretarie te komen werken, omdat hij liever onafhankelijk bleef. Het is wel typisch dat een man als Samkalden de geleerdenloopbaan verkiest, die bij alle aantrekkelijkheden, die daaraan vastzitten, voor hem tevens het voordeel heeft van geen, of althans heel weinig, direct drukkende verantwoordelijkheid. In de samenwerking tussen Samkalden en mij is dat eigenlijk uitstekend tot zijn recht gekomen; ik heb het gevoel dat dit vruchtbaar is geweest naar beide zijden, omdat ik bereid geweest ben in menig geval de verantwoordelijkheid voor zijn gedachten - zij het ook, dat die misschien in een zeker overleg tussen ons zijn gevormd - voluit te aanvaarden. Hoe het ook zij, ik zal deze man missen, omdat hij met zijn eigenaardig scherpe analytische geest, die toch altijd een zekere steun zocht bij een
ander, zich ook net weer zoveel liet leiden, dat er, ondanks zijn gespecialiseerde kennis op staatsrechtelijk gebied, van een werkelijke samenwerking tussen ons kon worden gesproken.
Omdat ik vannacht tot half drie had gewerkt aan mijn G.V.'s, die een kijk geven op mijn geestelijke ontwikkeling van de laatste dagen, ten einde die met Samkalden, ter zeer vertrouwelijke kennisneming uitsluitend van Logemann, weg te krijgen, en vanmorgen om half zes weer op was gestaan om Samkalden uit te wuiven, heb ik de rest van de morgen in bed doorgebracht. Van Mook heeft enige keren per telefoon geprobeerd mij te verleiden er uit te komen. Het bleek dat hij mij had willen vertellen, dat er vanmiddag om half drie een persconferentie door Nadjamoedin en Max zou worden gehouden over het standpunt van de Oost-Indonesische regering en van de West-Borneo-Raad ten opzichte van het republikeinse antwoord. Wij hadden er gisteren over overlegd of het wel verstandig was dit publiek te maken en meenden daarop bevestigend te moeten antwoorden, omdat, wanneer de publiciteit daarvan straks gelijk komt met die van onze brief aan de republiek, deze beide eerstgenoemde adviezen uit publiciteitsoogpunt compleet onder de tafel vallen. De conferentie is vanmiddag geweest en uit een rapportje van Van Wijnen zag ik dat de heren het uitermate spits hebben gespeeld en zeer ad rem op allerlei strikvragen hebben geantwoord en zich er absoluut toe hebben beperkt een oordeel te geven over de republikeinse nota, voor zover die van invloed is op de positie van Oost-Indonesië en West-Borneo, zonder zich ook maar in de verste verte bloot te geven over hun mening in zake hetgeen er nu verder moet gebeuren.
Van meer belang was een gesprek met Mitcheson en Lambert, die mij verslag wilden uitbrengen over hun conferentie met Sjahrir. Uit een gesprek, dat ik zo juist had met Elink Schuurman, bleek mij dat Mitcheson aan Koets, en vanmorgen ook aan Van Mook en Elink Schuurman, heeft verteld dat deze stap een gevolg is van een brief, die Boediardjo zou hebben geschreven aan Wright over de mogelijkheid van Britse hulp. Op grond daarvan heeft Wright blijkbaar contact opgenomen met het Foreign Office en heeft het Foreign Office Mitcheson toegestaan om een soort informeel gesprek met Sjahrir te hebben. Hiervan is het gevolg geweest, dat Mitcheson Sjahrir heeft uitgenodigd naar Batavia te komen. In hoeverre dit van Boediardjo ook nog weer een middel geweest is om Sjahrir toch in Batavia te krijgen, kan ik natuurlijk niet doorzien.
Het is op zichzelf een vrij vreemde stap van een ondergeschikte om op eigen gelegenheid aan Wright te schrijven.
Het gesprek zelf heeft, zoals ik het begrijp, niet vreselijk veel om het lijf gehad. Mitcheson heeft nog eens uiteengezet waarom de Britse regering ons aanbod als redelijk beschouwt en waarom het antwoord van de republiek onvoldoende wordt geoordeeld. Hij heeft ook gezegd dat de inleiding bepaald provocerend was gesteld. Hij zou hebben gesuggereerd, dat Sjahrir, onafhankelijk van ons antwoord, op het ogenblik een bepaalde stap zou doen, waarop deze zou hebben geantwoord dat hij daarover ook al had gedacht. Mitcheson vertelde verder, dat hij Sjahrir voor vanavond op een dinner-party had uitgenodigd. Hij moest echter toegeven, dat hij zich hier niet al te veel van voorstelde. Hij vroeg aan mij mijn oordeel over deze min of meer informele bemoeiingen van zijn kant. Ik heb hem gezegd dat ik het niet eens was met diegenen, die hierin een tijdverlies zien. Voor het Nederlandse volk en voor de internationale wereld zal op het ogenblik militair optreden gemakkelijker kunnen worden aanvaard, nadat een maximale druk van internationale zijde op de republiek is uitgeoefend, dan zonder dat daartoe verder enigerlei poging wordt gedaan. Bovendien zie ik er op het ogenblik niet het minste tijdverlies in, omdat er immers toch nog geen beslissing van de Nederlandse regering is gevallen. Wel heb ik hem echter uitdrukkelijk gewaarschuwd, dat hij zich van het psychologisch effect van deze stappen niet te veel moet voorstellen. Ik vertelde hem dat in hoge republikeinse kringen blijkbaar ook de mening heeft postgevat, dat Foote en Mitcheson weliswaar pro-Nederlands zijn geworden, maar dat zij daarmee het standpunt van hun regeringen niet vertegenwoordigen en zelfs de instructies van die regeringen min of meer naast zich neerleggen, althans onjuist uitvoeren. Hij vond dit een nogal verrassend verhaal, waarvan ik ook nog eens wil laten nagaan in hoe brede kring dit eigenlijk is verbreid. Het bleek mij uit dit gesprek anders heel duidelijk, dat ook in het bijzonder Lambert, die de situatie in dit land vrij aardig kent, niet erg optimistisch was.
Trouwens ook de toespraak, die Soekarno gisteren in Djocja heeft gehouden, geeft daartoe uiterst weinig aanleiding. Weer een dreige-gement van de verschroeide aarde en meer van dat moois. Aan het eind van het gesprek begon Mitcheson nog even over de mogelijkheid om Lord Killearn in te schakelen. Ik heb dat zeer radicaal afgewezen. Ik antwoordde hem ongeveer in deze stijl: ‘For heaven's
sake don't do this. This will increase the trouble for our part, because the majority of the Netherlands population in the N.E.I. will say that Lord Killearn will spoil our business now for the second time’. Waar of niet, dit zou zonder twijfel de reactie zijn. Hij verwees nog naar de verantwoordelijkheid, die Lord Killearn toch voor Linggadjati zou hebben. Toen heb ik hem volledigheidshalve maar het verhaaltje verteld, dat de verantwoordelijkheid van Lord Killearn uiterst beperkt is, nl. dat hij ons alleen bij elkaar heeft gebracht, maar dat Sanders pas aan het eind van de bespreking van Linggadjati aan Wright de tekst van de overeenkomst heeft gegeven, die zij toen samen op het platje van ons verblijf in Linggadjati in het Engels hebben zitten te vertalen1.. Dit was kennelijk nieuw voor de beide heren. Een wijsheid, die toch misschien niet overbodig is.
Vanmiddag een eerste bespreking, waarbij van de commissie-generaal alleen Van Poll en ik aanwezig waren en die betrekking had op de practische maatregelen, waartoe men op bestuursgebied zal moeten komen voor het geval er tot militaire actie moet worden overgegaan. Ik had het Koets gisteren in een telefoongesprek ook nog eens gezegd, dat, indien de zaak eventueel die kant uit zou gaan, de positie van de commissie-generaal uiterst moeilijk zal worden. Indien Van Mook in dat geval alles zou beschouwen als zaken van het algemeen bestuur, waar wij buiten staan, en hij, zoals in het verleden min of meer steeds het geval is geweest, de vorming van negara's ook in de toekomst voor zich zou monopoliseren, zou het maar beter zijn dat wij naar Nederland verdwenen, omdat ik dan nominaal een verantwoordelijkheid zou krijgen te dragen, die ik de facto bepaald niet dragen kan. Ik had ook Van Mook al eens een opmerking in deze richting gemaakt en het deed mij genoegen te ontdekken, dat deze ingeslagen had en dat wij, in de besprekingen van vandaag en straks ook bij de vaststelling van een ontwerp-in-structie in algemenen zin, zeer bepaald meespelen. Het is, geloof ik, beter dat ik verdere bijzonderheden over dit geval en over deze bespreking zelfs in dit geheim verslag maar weglaat.
Een van de zeer belangrijke punten was de afbakening van het civiele en het militair gezag, waarbij Van Mook er terecht de nadruk op heeft gelegd, dat er nooit sprake kan zijn van een oorlog als zodanig, waarbij de bevolking vijand is. Ik heb dat later nog zo geformuleerd, dat de Nederlandse regering zich een bepaalde poli-
tieke lijn heeft uitgestippeld, waarvan in de laatste paar maanden helaas blijkt, dat deze niet realiseerbaar schijnt te zijn met de hulp van de regering van de republiek Indonesia. De tot heden bewandelde weg schijnt hoe langer hoe verder verstopt te raken en wij moeten eigen middelen te baat nemen. Deze eigen middelen blijven echter naast elkaar politieke en militaire. Indien wij het door verstandig optreden met een maximum aan politieke en een minimum aan militaire middelen zullen kunnen redden, dan kan ons dat niet anders dan uiterst welkom zijn. De politieke leiders, die voor de verschillende gebieden moeten worden aangewezen, zijn daarom van de grootste betekenis en hun gezag mag door de territoriale commandanten op politiek terrein op geen enkele manier worden gefrustreerd. Dit was eigenlijk het hoofdthema van deze bespreking, die op practisch gebied van politie en bestuur aan een nader onderzoek wordt onderworpen en waarvan de resultaten in een instructie zullen worden vastgelegd.
In dit opzicht zit ik op het ogenblik met een ontzettende moeilijkheid. Van de staf, die de commissie-generaal heeft, vertelde De Visser mij gisteravond, dat hij zijn vrouw telefonisch heeft gezegd niet hier te komen, omdat, indien er hier wordt geslagen, hij zijn ontslag vraagt. Ik verdenk er Sanders, hoewel hij het nog niet heeft gezegd, hard van dat hij precies hetzelfde van plan is. Doch niet alleen dat is een grote moeilijkheid, maar deze begint nu op dit ogenblik al. Is de uiterst nauwe en vertrouwde samenwerking, die wij tot heden toe altijd hebben gehad in de periode toen wij één lijn trokken, ook op dit ogenblik nog mogelijk? Is Sanders bereid mee een critsich oog op een dergelijke ontwerp-instructie te laten vallen? Ik heb hem de hele dag niet gezien en ben er vrijwel zeker van, dat hij bezig is met indirecte en uiterst krachtige pogingen om te werken in dezelfde richting als waarin de gedachten van Mitcheson gaan, nl. te bevorderen dat Sjahrir een zelfstandige stap doet in onze richting. Natuurlijk zal niemand het meer toejuichen dan ik, indien het gelukt om oorlog te vermijden. Sanders is er echter, geloof ik, niet zo van overtuigd als ondergetekende, dat in dat geval de moeilijkheden alleen maar verplaatst worden en het uiterst onzeker is of wij toch niet aan de chicanes van de heren zullen overlijden.
Het is eigenlijk nog Vrijdagavond en ik zit te wachten op de definitieve tekst van een brief, die aan de republikeinse delegatie zal worden gezonden. De laatste vierentwintig uur zijn anders weer niet helemaal zonder emoties verlopen. Gisteravond kwam ik om elf uur thuis van een visite bij de vertegenwoordiger van de Billitonmij1. en daarna belde Sanders mij op en vroeg of ik al kennis had gekregen van de tekst van een radiorede, welke door Sjahrir was gehouden en die in zeer verzoenende termen zou zijn vervat. Toen hij thuis kwam uit de schouwburg, zat Algadri te wachten om hem de tekst er van te laten zien. Sanders kwam daarna nog bij mij met Just de Visser en wij hebben met ons drieën een zeer uitvoerig gesprek gehad, dat ons tot twee uur uit de slaap hield, een gesprek dat in den beginne vrij hoog liep en waarin mij het verwijt werd gemaakt, dat ik mijn vertrouwen in Sanders zou hebben verloren en dat hij het dan maar beter vond om terug te keren naar Nederland. Later bleek bij een fundamentele uitwisseling van gezichtspunten, dat het verschil hierop neer kwam, dat hij in zijn strijd tegen de oorlog zo ver ging, dat hij, ook in geval de republiek hem met volstrekt lege handen liet staan, het gevecht wenste voort te zetten. Ik heb hem uitgelegd, dat er tussen zijn positie en de mijne een verschil bestaat. Hij kan deze strijd desnoods op een ondergronds front voeren, doch met mijn verantwoordelijkheid is dat niet in overeenstemming te brengen en, indien de republiek mij met lege handen laat staan, heb ik geen enkel argument tegenover Van Mook c.s. dan te zeggen dat oorlog zo afschuwelijk is en ook geen perspectief biedt. Wij zijn gezamenlijk tot de conclusie gekomen, dat daarin door het gebaar van deze radiospeech van Sjahrir een zekere wijziging is gekomen, op voorwaarde dat hij niet alleen een radiotoespraak houdt, maar officieel aan de commissie-generaal in een brief mededeling doet van de essentiële zakelijke punten daaruit.
Bij de beschouwing van de vraag, waarom Sjahrir tot deze stap is overgegaan, moet men rekening houden met de sterke druk, waaronder hij van Britse en Amerikaanse zijde is gezet. Zoals reeds boven opgemerkt, zijn er ook heel wat mensen in zijn eigen omgeving, die het antwoord van de republiek betreuren. Daarnaast heeft hij kennis genomen van het standpunt van Oost-Indonesië en Borneo en ik zou wel eens precies willen weten wat Nadjamoedin in het onder-
houd van gistermorgen met hem heeft besproken. Verder is het natuurlijk uit allerlei contacten uitstekend bekend geworden hoe er aan onze kant over wordt gedacht en dat hij er zeker van kan zijn dat zonder nader gebaar er geen sprake van is, dat hij het redt zonder vechten. Ik neem aan dat ook de resolutie van de Partij van de Arbeid1. in dit opzicht enige invloed zal hebben gehad. De duidelijke afwijzing van het republikeinse antwoord, die daarin voorkomt, kan niet anders dan ook tot hem spreken.
Vrijdagmorgen kwam er een telegram2., waarin wij gemachtigd werden ons antwoord aan de republiek te verzenden, zij het ook dat men een hele lijst van kleine, ondergeschikte redactiewijzigingen, waarvan het merendeel de seinkosten bepaald niet waard is, heeft voorgesteld en die wij, juist omdat ze niet veel waard zijn, konden overnemen. Sanders kwam echter vanmorgen al vrij gauw met de mededeling van Boediardjo, dat wij in de loop van de morgen, een brief konden verwachten, waarin de zakelijke punten uit de radiotoespraak van Sjahrir waren vervat. Toen was er bij ons even discussie over de vraag of het, in het licht daarvan, practisch zou zijn om onze afwijzende brief te publiceren. Ik stond aanvankelijk op het standpunt, dat dit bepaald niet moest gebeuren, zonder dat de Nederlandse regering er nader in zou zijn gekend. Van Poll vond van wel, maar ons verschil van opinie was in dit geval ingevolge onze instructie voldoende om mij mijn zin te geven, nl. bij verschil van mening wordt het geval aan de regering voorgelegd3.. Later is dit anders gelopen en ik geloof van terecht.
Inderdaad kwam om twaalf uur Boediardjo met de brief4.. Ik had juist de hoofdredacteur van Aneta Wansink bij mij, die mij te spreken had gevraagd, hetgeen, zoals mij later tegenover de buitenlandse correspondenten bleek, bepaald als een fout moet worden beschouwd. Gelukkig raakte hij de deur uit, eer ik aan een gesprek toe was. Onze
persman Van Wijnen heeft er later echter, doordat hij niets kon zeggen, omdat de publiciteit aan Den Haag is voorbehouden, nogal spektakel over gehad.
De brief van Sjahrir was voor mij persoonlijk van grote betekenis. Immers, indien ik een bijdrage wilde leveren tot het behoud van de vreedzame weg, dan was zulks nu weer mogelijk, omdat mij van republikeinse zijde althans iets, zij het ook nog niet alles, in handen werd gegeven. Ik heb tegenover Boediardjo dan ook geen enkele twijfel laten bestaan omtrent mijn opinie over het republikeinse antwoord: een buitengewoon stom stuk, waarvan het te voorzien was, dat dit tot de grootste ellende aanleiding zou geven en tot gezichtsverlies aan hun kant. Ik heb hem gezegd dat zij verstandig zouden hebben gedaan van de aanwezigheid van Sanders in Djocja1. gebruik te hebben gemaakt bij het overleg over dit antwoord. Het is formeel natuurlijk volkomen juist, dat dit niet is gebeurd en het zou Sanders in een scheve positie hebben geplaatst, maar nu op het ogenblik moeten er weer allerlei krachttoeren worden verricht om, indien de republiek inderdaad geen oorlog wil en alsnog in onze richting voldoende ver wil gaan, deze stommiteit ongedaan te maken. Men zal dan aan republikeinse zijde het betoog moeten leveren dat wit en zwart toch eigenlijk dezelfde kleur hebben, hetgeen op de republikeinse geesten een invloed moet hebben, die in ongewenste richting werkt.
Ik achtte het inmiddels wenselijk om op geen enkele manier enige voldoening over deze brief te laten blijken en zelfs niet tegenover het paleis Koningsplein een gezicht te trekken of ik deze brief uiterst belangrijk vond. Vandaar, dat ik Van Mook telefoneerde, dat wij het telegram CG 79 van de regering bezig waren te verwerken in mijn exemplaar van het aan de republiek te zenden antwoord, zonder dat ik ook maar met een woord repte van de radiorede van Sjahrir. Toen dit karweitje klaar was, liet ik dit stuk aan hem brengen met de boodschap, dat ik om vijf uur graag met hem wilde spreken over onze houding tegenover de brief van Sjahrir.
Toen deze vergadering om vijf uur werkelijk begon2., bleken daar Idenburg, Koets, De Villeneuve en Enthoven ook aanwezig te zijn; indien ik het goed heb, hadden de heren tevoren met elkaar hun houding bepaald en deze was vrij duidelijk. Men achtte deze
stap niet veel anders dan een ongewenste vertroebeling van een overigens duidelijke situatie. In een algemene beschouwing, die Idenburg hieraan wijdde, merkte hij op dat dit het meest vieze stuk was, dat hij in de laatste maanden van de republikeinse delegatie had gezien. Ik vond het om bepaalde redenen, die ik niet nader ontvouw, maar goed deze uitspraak in de notulen vast te leggen. Van Mook stelde voor om onze brief, die de afwijzing van het republikeinse antwoord van 7 Juni1. inhield, te voorzien van een drietal toevoegingen, nl. in de inleiding, in de eerste paragraaf, die handelde over de centrale regering en aan het slot, en daarmee deze brief als afgedaan te beschouwen. Bovendien waren deze toevoegingen in zodanige termen vervat, dat de stap van Sjahrir volkomen gekleineerd en de brief van 20 Juni volledig kapot gemaakt werd.
Het was duidelijk dat ik hier de eerste wezenlijke kans kreeg om door persoonlijk ingrijpen te voorkomen, dat de deur, die op een kier was gezet, weer werd dichtgeslagen. Ik heb eenvoudig geweigerd om deze methode te aanvaarden onder het motto, dat ik niet bereid was daarvoor tegenover Nederland de verantwoordelijkheid op mij te nemen. Merkwaardig was, dat Van Mook toen ogenblikkelijk inbond en ook wel kon instemmen met mijn voorstel om de brief van Sjahrir te beantwoorden in een afzonderlijk schrijven, waarin dan kon worden opgemerkt dat zijn brief en ons antwoord op de nota van 7 juni elkaar hadden gekruist. In de loop van de discussie werd verder, bij de bespreking van de wenselijkheid ons antwoord te publiceren, het argument naar voren gebracht dat, indien wij inderdaad de vreedzame weg wensen te behouden, het noodzakelijk is de republiek thans onder maximale druk te zetten. Ik vond dat een deugdelijk argument en op grond daarvan kon ik met de publicatie van onze gemotiveerde afwijzing, in strijd met mijn aanvankelijke mening2., wel instemmen. Trouwens, die was in dit geval ook veranderd ten gevolge van het feit dat wij nu, gelijktijdig met de afwijzing, ook de brief van Sjahrir en ons daarop te geven antwoord, dat wij gisteravond na deze vergadering hebben opgesteld, zouden publiceren3.. Dat laatste was van Nederlands gezichtspunt uit ook bepaald noodzakelijk om de internationale wereld niet het gevoel te geven, dat de stap van Sjahrir eigenlijk een volledige aanvaarding zou betekenen op essentiële punten, zodat, indien geen bevredigende
oplossing mocht worden bereikt, de schuld daarvoor weer op ons hoofd terecht zou komen. Er zou daarom in ons antwoord ook duidelijk moeten worden gesteld dat wij met bevrediging hadden kennis dat wij meenden dat er op alle overige punten nog vragen overbleven, genomen van de aanvaarding van de positie van de landvoogd, maar
Een punt apart in deze discussie was nog even de opmerking, die Idenburg maakte of het geen onbeschofte wijze van doen was om eerst voor de radio te spreken en ons daarna hun standpunt mee te delen. Tot op zekere hoogte is dat juist, maar aan de andere kant geloof ik dat het van republikeins standpunt bezien noodzakelijk was dat Sjahrir aan dit toegeven zijnerzijds ogenblikkelijk in de republiek maximale publiciteit verleende, want daarbij komt men op het volgende punt: hij heeft deze stap gedaan zonder nader overleg met Djocja. Ook dat werd onzerzijds als een duister punt in de geschiedenis opgevat. Ik meen, dat wij daarmee betrekkelijk weinig te maken hebben en dat dit niet hoort tot de zakelijke overwegingen, die ons op dit ogenblik anders dan indirect kunnen interesseren. Ik zou het zelfs op zichzelf helemaal nog zo erg niet vinden, indien het in de republiek op grond van een dergelijk feit tot een radicale breuk kwam tussen de constructieve elementen alhier en de non-coöperatieve in Djocja, waar alle mensen in het paleis dan mee schermen als met de geconcentreerde onredelijkheid.
Aan het eind van de vergadering werd besloten om een antwoordbrief op te stellen. Van Mook zou die avond de Engelse vertaling van ons lange antwoord op de republikeinse nota verzorgen, hetgeen hij persoonlijk moest doen op grond van de slechte ervaringen met de vertaling van het memorandum van 27 Mei1.. Van Poll stelde voor, dat Maassen en Sanders het antwoord aan Sjahrir zouden opstellen. Nu zit Maassen mij de laatste dagen helemaal overdwars in mijn maag, omdat hij de incarnatie is van de figuren, die elke redelijke stap van de republiek eigenlijk maar een strop vinden. Ik heb toen dan ook vrij korzelig de opmerking gemaakt, dat ik dat concept zou maken. Na afloop van de vergadering zijn wij daar direct mee begonnen, d.w.z. Sanders en ondergetekende, en dat heeft nogal wat hoofdbrekens gekost. Aan de ene kant er voor zorgen, dat er in deze brief een zekere waardering tot uitdrukking komt voor hetgeen wij goed vonden in de brief van Sjahrir en aan de andere kant duidelijk stellen, dat deze toch eigenlijk ontoereikend was
en dat er heel wat vragen moesten worden beantwoord, alvorens wij er een mening over zouden kunnen vestigen. Ten aanzien van de overgangsregering had ik er ook nog de vraag in opgenomen of de republiek bereid was over de samenstelling in discussie te treden zonder bindende voorwaarden, of dat zij alleen het resultaat van die