Gistermiddag om vier uur kwam hier het telegram1., dat ronduit machtigde tot militaire actie. Terwijl er de vorige twee keren telkens nog een ‘tenzij’ aan was toegevoegd, ontbrak dat in dit geval geheel. De zaak was dus nu beklonken. Om vijf uur werd vergaderd met de militaire bevelhebbers en adviseurs en werden de uren vastgesteld. Er werd ook lang gepraat over de vraag op welk moment de buitenlandse vertegenwoordigers zouden moeten worden ingelicht. Ik heb toen gezegd dat dit theoretisch van belang is, maar in de practijk van geen enkele betekenis, omdat deze heren het uitstekend zouden begrijpen.
In dit verband nog een aardig verhaal. Sanders kwam gisteravond bij Mitcheson, die hem meedeelde naar Londen te hebben geseind uit reliable source te hebben vernomen dat de order tot actie was gegeven. Piet was verbaasd, doch de wijze, waarop dit in zijn werk was gegaan, was kostelijk. Elink Schuurman zat bij Mitcheson. Daar komt de persman van Mitcheson binnenstormen over de rede, die Sjarifoedin gisteravond heeft gehouden, met de mededeling dat deze daarin had toegegeven en onze voorstellen aangenomen. Daarop reageerde Elink Schuurman buitengemeen stom door vreselijk nerveus te worden en te zeggen: ‘This is too late’. Hierop liet Mitcheson ogenblikkelijk volgen: ‘This means that the order already has been given’, waarop Elink Schuurman helemaal begon te stotteren. Men hoeft dan geen groot diplomaat te zijn om te begrijpen, dat men midden in de roos heeft geschoten. Geen wonder, dat Mitcheson later aan Sanders bij het vertellen van dit verhaal de toevoeging deed: ‘This silly ...’. Ik heb al meer critiek losgelaten in deze verslagen op de hoofdvertegenwoordiger van buitenlandse zaken in Batavia, maar dit verhaal doet voor mij de deur dicht. Natuurlijk heeft Mitcheson toen ogenblikkelijk aan Londen geseind, dat het mis was. Ik weet dat hij ook een voorstel tot een zeer radicale
interventie door Bevin persoonlijk heeft gedaan. Dit telegram is in alle vroegte naar Londen gegaan en is daar dus in de nacht van Vrijdag op Zaterdag aangekomen, omdat hun verbinding slechts een half uur tijd neemt. Het is intussen de vraag of Bevin, aan wie dit telegram persoonlijk was gericht, op Zaterdagmorgen aanwezig was.
Mij is tot op dit ogenblik in elk geval nog niet gebleken, dat er van Britse zijde in Den Haag een stap is gedaan.
Vrijdagmorgen probeerden Soesanto en zijn makkers alsnog tot een vergelijk te komen. Zij hebben daarvoor Sanders in de arm genomen. Deze heeft namens Soesanto Van Mook gepolst over de vraag, of er toch nog niet te praten zou vallen en of hun tijd zou kunnen worden gegeven om in Djocja aanvaarding van onze eisen over staking van de vijandelijkheden en terugtrekking van de troepen alsnog gedaan te krijgen. Van Mook heeft dit verzoek echter van de hand gewezen. Zijn geduld is kennelijk op. Dat bleek reeds bij dat gesprek in mijn kamer op Woensdagavond1., toen Setyadjit om uitstel van 24 uur vroeg en opnieuw toen Mitcheson door Lambert via Verboeket hetzelfde verzoek liet overbrengen, dat eveneens werd afgeslagen.
In dezelfde gedachtenlijn ligt ook het weigeren van het vliegtuig om gistermiddag naar Djocja te gaan. Hoe het met dat verzoek precies is gelopen, weet ik niet. In de middagbespreking van vijf uur vertelde Koets, dat dit verzoek pas om twee uur zou zijn gedaan. Sanders hoorde van Mitcheson, dat dit verzoek om een vliegtuig via hem was gegaan en dat hij zich nogal gegrepen voelde over het feit, dat men rechtstreeks aan de republiek en niet aan hem een antwoord had gegeven. Inmiddels zijn gisteravond om zeven uur alle republikeinse ministers, op Gani en Tanzil na, naar Djocja vertrokken. Ook Setyadjit is ziek en wel, liggend in de trein, meegegaan. Hij wilde nog een laatste, uiterste poging wagen. Zij willen Djocja nog de tekst van een nadere verklaring voorleggen, die naar mijn inzicht bij aanvaarding de zaak zou oplossen. Op zichzelf is de wetenschap van dit feit voor ons van nut. Ook wanneer deze verklaring vandaag niet komt, is dit van belang, want wij weten dan dat
de republiek inderdaad voor de tweede maal een uiterst welwillend gestelde verklaring niet heeft willen aanvaarden. Het is, zoals Piet Sanders vanavond zei: ‘Niet, dat ik ooit geloof aan het doelmatige van vechten, maar ik heb er dan in ieder geval iets meer vrede mee’.
Zo zijn er dus nog twee openingen, die van de internationale interventie en die van de aanname van bovenbedoelde verklaring. De kans van het slagen hiervan schatten Piet en ik op niet meer dan 5 %, maar hiermede is het uiterste gedaan, wat in de huidige situatie mogelijk was.
In dit verband heb ik ook nog melding te maken van twee telefoongesprekken met Koos Vorrink. Het eerste was gisteravond om zeven uur. Hij scheen de hele situatie te kennen en ook de gevallen beslissing. Hij had mijn telegram CG 1921. gezien en maakte de opmerking, dat dit niet erg opgewekt klonk. Ik heb hem toen gezegd, dat er ook geen reden was tot enigerlei opgewektheid. Op zijn vraag of de partij in de regering moet blijven, wees ik hem er op dat de partijministers nu drie maal dezelfde beslissing hadden genomen en dat, indien het nu de derde keer tot daden kwam, het nogal vreemd zou zijn, indien men dan zou weglopen. Terecht merkte hij op, dat het intussen voor de Partij van de Arbeid een grotere slag zou zijn dan voor welke andere en dat met één klap werd afgebroken, wat in twee jaren is opgebouwd. Dat is inderdaad juist. Ik heb hem beloofd een telegrafisch antwoord te zullen opmaken op een intussen door de feiten achterhaald telegram, dat wij gistermorgen kregen en waarin hij informaties vraagt. Gisteravond hebben Piet en ik dat nog opgesteld en zijn toen tot de conclusie gekomen, dat, indien er zich geen nieuwe gezichtspunten voordoen, de partij in de regering heeft te blijven. In het tweede geval, dat, hetzij hulp van buiten wordt aangeboden, hetzij de republiek tot bezinning komt, heeft de partij ogenblikkelijk staking van alle voorbereiding en vijandelijkheden te eisen en, indien daaraan niet wordt voldaan, uit de regering te treden. Dit telegram is in alle vroegte vandaag weggegaan op naam van een ander en in enigszins versluierde taal.
Ik heb hem vandaag weer opgebeld met het oog op de partijraadsvergadering van vanmiddag. Ik kreeg hem al om vijf uur en, hoewel er geen enkele reden tot opgewektheid was, strekte het toch tot voldoening dat wij het over de grote lijnen eens zijn. Gisteren is er fractievergadering geweest en is men vrijwel met algemene stem-
men tot de conclusie gekomen, dat, indien er niets gebeurt, in vredesnaam de consequenties maar moeten worden aanvaard. Voor het geval er nog wel wat tussen komt, bleek de zienswijze van de fractie overeenkomstig die van mij. Ik heb de indruk uit het verloop van het telefoongesprek van gisteren, dat mijn opmerkingen hem toch wel enig richtsnoer hebben gegeven. Dat is ook geen wonder en terecht merkte hij op, toen ik hem op zijn vraag naar de houding van de partij wees op die van de leden van het Kabinet, dat ik goed had te bedenken dat ik in deze zaak de eerste adviseur was van de partij. Het gaat dus ook in de partij om deze laatste uiterste pogingen, die van hieruit werden gedaan: de ene door Mitcheson, de andere door de republikeinse delegatie, waarbij in beide gevallen de voorstellers weten, dat zij onze volle steun genieten.
Verder had ik het nog even met Koos over de vraag in hoeverre men, indien de zaak scheef gaat, het gewenst acht dat ik hier blijf zitten. Hij meende dat dit bepaald nuttig was en ik heb hem hierop geantwoord dat ik dat met hem eens ben, indien het Kabinet ons hier niet voor aap laat zitten, maar een positieve taak geeft. Zij doen daarvoor blijkbaar hun best.
Vanavond had ik het over dit laatste nog even met Van Poll, die ook met de opmerking kwam dat, indien bij slagen van een militaire actie de bespreking met eventueel andere groepen en ook met de republiek niet weer volledig aan ons zou worden toevertrouwd, het verstandiger zou zijn, indien wij verdwijnen. Ik sta op het standpunt dat ook in geval de zaak op het laatste moment toch nog wordt gered, het beslist noodzakelijk zal zijn dat wij naar Nederland terugkeren voor overleg. Zoals het nu is, kán de situatie onmogelijk blijven. Wij zitten nu in de derde crisis; neem aan, dat wij ook deze nog goed zouden doorkomen, dan bedank ik er voor om dit een vierde maal met deze mensen te beleven. Trouwens, ik sta even goed op het standpunt, dat, indien een militaire actie doorgezet wordt en succes oplevert, de regering in de noodzakelijkheid verkeert de personeelsbezetting aan de top radicaal te vernieuwen. Pas nu zal de neiging om toch oude koloniale toestanden te herstellen levendig worden. Met recht zal het dan noodzakelijk zijn de leiding aan nieuwe volkomen verse mensen over te dragen. Ik heb nu aan den lijve ervaren, hoeveel taai geduld en uithoudingsvermogen, hoe sterke wilskracht en hoe sterke zenuwen nodig zijn om deze strijd vol te houden. Helaas geldt dat niet alleen aan onze kant, maar ook
aan de kant van de republiek. Ik geloof, dat wij daarmee te weinig rekening houden.
Zo verstreek Zondag de laatste kans op vrede. Weliswaar was de militaire actie op die dag al niet meer te stuiten, maar toch zouden bepaalde handelingen achterwege hebben kunnen blijven. Van de twee openingen, die er nog waren, hadden wij die door een daad van de republiek zelf al afgeschreven. Tanzil had telegrafisch bericht gekregen uit Djocja, dat er geen kans was dat de vier punten, die de ministers hadden meegenomen, zouden worden aangenomen, alvorens van Nederlandse kant een duidelijk gebaar zou zijn gemaakt. Het was mij volkomen duidelijk, dat daarop niet viel te rekenen.
Wat het tweede punt betreft, de internationale interventie1., werd bij mij althans iedere hoop de bodem ingeslagen door het lange gesprek, dat ik Zondagavond van 7 tot half acht had met Koos Vorrink. In Den Haag was hem van zulk een stap niets bekend. Ik heb hem medegedeeld, dat van Britse zijde vanuit Batavia daartoe zeer ver reikende voorstellen waren gedaan, zodat het uitblijven daarvan een aanduiding moest zijn dat de Britse regering er ten slotte toch vanaf zag. Mitcheson had niet anders ontvangen dan een verminkt telegram, waaruit hij niet met duidelijkheid kon afleiden wat zijn regering had gedaan. Wel sprak hij over een krachtige stap in Den Haag, maar dat was ook alles. Ik ben er niet helemaal zeker van of buitenlandse zaken zulk een stap op het laatste moment wel ernstig in behandeling zou hebben genomen. Koos heeft toch echter voldoende verbinding met het Britse gezantschap, neem ik aan, om het niet te weten als er inderdaad iets aan de hand was. Ik neem immers aan, dat Londen ook zal hebben geweten dat een dergelijke stap de laatste handgreep was, die zij aan de Partij van de Arbeid zou kunnen geven.
Uit het telefoongesprek kreeg ik toch wel weer de indruk van verwarring. Men schijnt in Nederland nu de nadruk te leggen op het feit, dat de republiek heeft geweigerd de order tot staking van de vijandelijkheden ronduit te geven. Ik heb Koos nog eens uiteengezet, dat wij daar in het eerste onderhoud met Sjarifoedin inderdaad
mee zijn begonnen, maar dat hij toen van zijn kant een politieke daad ter ontspanning had gevraagd en dat daarop de logische gedachtengang was gevolgd, dat dit alleen mogelijk zou zijn, indien wij het van te voren over de veiligheidsorganisaties eens zouden worden. Vandaar de beide documenten van Dinsdagavond en de volgorde, waarin wij die met Sjarifoedin c.s. hebben behandeld1.. Het verwerpen van de veiligheidsorganisatie maakte op dat moment voor de republiek de order tot het staken van alle vijandelijkheden en voorbereidingen van hun verdediging weinig aantrekkelijk, omdat zij tevoren konden weten dat hun afwijzing van het eerste stuk op de essentiële punten de vrede zeer bepaald in gevaar bracht. De enige mogelijkheid zou zijn geweest, dat wij zouden hebben verklaard dat wij het in belangrijke mate eens waren en vertrouwd hadden, dat wij het ook verder eens zouden worden, eventueel met hulp van derden. Dan had de republiek geen enkel argument meer gehad om de order tot het staken van de vijandelijkheden niet te geven. Zulk een verklaring was het gebaar, dat zij van onze kant wensten voor de aanvaarding van de vier punten.
Koos vertelde dat de meerderheid van fractie en partijbestuur de ingeslagen weg aanvaardde, doch dat de partijraadsvergadering op Zaterdagmiddag dit niet kon verwerken. Dat betekent in mijn ogen het grootste gevaar. Immers, noch partijbestuur, noch Kamerfractie zijn in dit opzicht volkomen representatief voor de impulsieve stem van het volk. Nederland zal er mee moeten rekenen, dat, wanneer straks inderdaad interventieaanbiedingen van Engeland of van Engeland en Amerika gezamenlijk komen, de Partij van de Arbeid geen steunvlak voor welke oorlogspolitiek dan ook meer zal bieden.
Zo gingen wij Zondagavond naar bed op de tijd, dat de actie zou beginnen. Nederland stelde zich op dat ogenblik voor op het gebied der samenwerking door middel van macht te bereiken, hetgeen het in vrijwilligheid niet verkreeg. Daarmee is het veroordeeld ook in de toekomst, zoals van ouds, de macht als grondslag van onze aanwezigheid alhier te blijven gebruiken. Het is niet gelukt de nieuwe weg te vinden: de beide volkeren hebben daartoe de kracht niet kunnen opbrengen. Daarmede is Nederland veroordeeld de legitimatie van het gezag opnieuw op macht te doen berusten en daarmee een van de wezenlijke kenmerken van de koloniale verhouding ongewijzigd te handhaven. De enige mogelijkheid is, dat
alsnog door internationale inmenging een andere verhouding van buiten af wordt geschapen.
Maandagmorgen, om kwart voor zeven, werden wij opgebeld door mevrouw Sosrohadikosomo, een Europese, waarmee mijn vrouw regelmatig omgaat, dat haar man vanmorgen vroeg door de militaire politie was weggehaald. Een van de tallozen. Mijn vrouw is naar haar toe gegaan en er verder tot vanmorgen vroeg gebleven, nadat gisteren hardnekkige pogingen zijn gedaan om deze man weer vrij te krijgen. Al spoedig bleek dat hier een vergissing in het spel was. Gisteravond om zes uur kwam Ursone, die er ook de hele dag achteraan had gedraafd, met de mededeling dat Sosrohadikosomo behoorde tot een groep, die op een aparte lijst van de Nefis zou staan, die verder aan niemand is vertoond. Het slot is geweest dat hij ten minste vannacht om twaalf uur thuis is gekomen.
Het is met die oppakkerij zelf vrij fatsoenlijk toegegaan, alleen de organisatie om de zaak op te vangen leek naar niets.
Ik heb vanmorgen in een gesprek met Van Mook en Spoor, toen Van Mook opmerkte, dat er alleen enkele vergissingen waren begaan bij het oppakken, hem uit de droom geholpen en gezegd, dat Piet Sanders gisteren om half zeven bij het republikeinse gebouw van buitenlandse zaken een vrachtauto met Indonesiërs ontdekte, waarvan de chauffeur probeerde die in dat gebouw kwijt te raken. Bij deze mensen ontdekte hij o.a. Hamid Algadri en de ex-minister van voorlichting Natsir. De vaandrig, die dat gebouw onder zijn bevelen had, wenste ze niet te ontvangen en de chauffffeur wist niet waar hij er mee naar toe moest en kon niemand van de Nefis te pakken krijgen. Ik heb de heren ook verteld dat er lieden waren, die van 's nachts twaalf uur, toen zij opgepakt waren, tot de volgende dag zes uur 's avonds hebben moeten wachten voor zij wat te eten kregen. Het ging dus allemaal wel betrekkelijk gemoedelijk toe, maar de organisatie was slecht. De heren hadden anders lang genoeg tijd gehad om dat te regelen.
Ik heb er nog eens uitdrukkelijk op gewezen, dat Spoor en Van Mook wel moeten bedenken, dat, wanneer men mensen onder zulke omstandigheden een week bij elkaar laat zitten, daardoor een band ontstaat, die sterker is dan eenjaar samenwerken op een republikeins
kantoor. Wij hebben daar zelf enige persoonlijke ervaring mee opgedaan en altijd gezegd, dat de Duitsers met het gijzelaarskamp een enorme politieke fout hebben begaan. Dat helpt allemaal niets: de Nederlanders doen het hier dunnetjes over. Er werd mij vanmorgen toegezegd, dat de zaak zou worden bekeken en men was het in beginsel met mijn opvattingen eens. Of er echter wat gebeurt, lijkt mij nog hoogst onzeker.
Vanmorgen om negen uur kregen wij van generaal Spoor de eerste informaties over de militaire verrichtingen van gisteren. De weerstand was overal betrekkelijk gering en er was alleen in de buurt van Medan tegen de Atjehers zwaar gevochten. Overal heeft men de doeleinden van de eerste dag bereikt en is men op sommige punten zelfs belangrijk verder gekomen.
Wij hebben ons vandaag ook nog bezig gehouden met de positie van de commissie-generaal. Er is een telegram1. verzonden CG 195 van de volgende inhoud:
‘Referte CG 1882. en ZG 2963. benevens Uw CG 864..
Nu spanningen bedoeld in Uw CG 86 zich hebben ontladen in een militaire actie gedurende welke voor commissie-generaal hier te lande geen eigen taak bestaat, wil het ons gewenst voorkomen dat wij ons thans naar Nederland begeven ten einde met de regering overleg te plegen over eventuele toekomstige taak van commissarissen-generaal waaromtrent wij thans uitsluitsel wensen. De meest gewenste vorm voor een dergelijke overkomst - zulks ten einde ongewenste reacties te voorkomen - lijkt ons dat zijdens Nedreg aan ons het verzoek zou worden gedaan ons naar Nederland te begeven ten einde met regering overleg te plegen over taak der commissie-generaal zodra huidige militaire operatie zal zijn beëindigd en nieuwe toestand geconsolideerd.
De publicatie van een dergelijke uitnodiging zal tegenover buitenland en republiek de indruk versterken dat het Nedreg ernst is met haar verzekering de Linggadjati-politiek als grondslag van haar beleid te handhaven.’
Dat is een betrekkelijk zacht verhaal, maar vanavond zal Van Poll met Beel telefoneren en dan duidelijk zeggen, dat wij niet bereid zijn hier te blijven zitten zonder uitsluitsel over onze positie.
Uit een brief, die ik vanmorgen van Logemann kreeg1., leidde ik nl. weer af dat de K.V.P. probeert ons, dat wil in het bijzonder zeggen ondergetekende, kwijt te raken. Nu heb ik er persoonlijk geen bezwaar tegen om er mee op te houden. Het tegendeel is waar, maar politiek vind ik dat onaanvaardbaar. Ten einde dit duidelijk te maken, hebben wij tot steun van dit telegram een memorandum opgesteld. Omdat ik het product, dat Van Poll had opgesteld, gisteren wat weinig puntig vond, heb ik gisteravond een eigen tekst ontworpen, waarin ik ronduit verklaar dat ik er voor pas om hier te blijven zitten om dan aan het eind van de militaire operatie te ontdekken, dat de commissie-generaal aan de kant wordt gezet.
Hoewel de gedachtengang niet al te zeer verschilde, had ik door dat Van Poll zijn eigen verhaal ook graag naar Den Haag zond. Hij deed toen het voorstel om niet te proberen er één tekst van te maken, maar beide beschouwingen ongewijzigd door te zenden. Ik had daar geen bezwaar tegen, omdat ik dan nog wat meer vrijheid van beweging in mijn eigen stuk overhoud.
Hoe moeilijk de situatie in dit opzicht echter is, bleek mij uit een zeer langdurig telefoongesprek met Koos Vorrink en met Logemann, dat ik vandaag om vijf uur heb gevoerd. Ik heb Koos mijn standpunt uiteengezet, maar het was volkomen duidelijk dat hij, hoewel dit aanvaardend, het een ramp zou vinden, indien ik hier zou verdwijnen. Zijn argument is terecht dat hij dan in de moeilijke positie, waarin de partijleiding verkeert, aan de oppositie in de partij onmogelijk een redelijk antwoord kan geven. De informatie van de top af is volstrekt noodzakelijk. Aan de andere kant begrijpt hij ook wel, dat het toch niet aangaat dat de heren eenvoudig met ons spelen.
Van hoeveel betekenis deze informatie eigenlijk is, bleek nog weer eens uit dit telefoongesprek, waarin ik het met Logemann kreeg over de kwestie van de Britse interventie. Ik heb hem ronduit gezegd dat Mitcheson Vrijdagavond door een stommiteit van Elink Schuurman2. op de hoogte is gekomen van het feit, dat toen de machtiging tot de militaire actie hier was gegeven; verder, dat Mitcheson dat geseind heeft naar Londen en Zaterdagmorgen in alle vroegte hier, d.w.z. in de nacht van Vrijdag op Zaterdag in Londen, zeer ver reikende voorstellen tot interventie door Bevin
persoonlijk zijn gedaan1.. De allesbeheersende vraag is nu of de Britten daaraan gevolg hebben gegeven, ja of neen. Het schijnt, dat noch Logemann, noch Koos2., hiervan behoorlijk op de hoogte is. Nu zal Logemann in het Kamerdebat van morgen in dit opzicht de regering het vuur zeer na aan de schenen leggen.
Wat verder de militaire actie zelf aangaat, heb ik Logemann gezegd dat de wijze, waarop deze hier wordt ingezet, voor zover het begrip daarop van toepassing is, als fatsoenlijk kan worden aangemerkt. De organisatie bij de internering was wel slecht, zodat er met de mensen is rondgesold, maar van onheuse behandeling is mij zeer weinig bekend geworden of eigenlijk helemaal niets. Ik heb ook gezegd dat de luchtaanvallen op de vliegvelden gerechtvaardigd waren en dat er overigens een bevel is om niet te bombarderen dan ingevolge uitdrukkelijke opdracht. Het lijkt mij in ieder geval verstandig van Logemann dat hij in dit opzicht geen aanval zal doen op de regering.
Verder vertelde Koos, dat het in de partij inderdaad kraakt en dat Van Heuven Goedhart en Slotemaker de Bruine hebben bedankt. Dat betekent waarschijnlijk dat de Paroolgroep3. afvalt. Ik besprak dit met Frans Goedhart, die morgen huiswaarts keert, en dit, evenals ondergetekende, een uiterst stomme politiek vindt. Het komt in dit geval aan op verovering van de leiding van de partij in dien zin, dat men deze tot radicale politiek aanzet en tot een straffe houding tegenover de K.V.P. Maar op deze wijze drijft de linkervleugel de hele partijleiding in de armen van de partijministers en van de K.V.P. Bij deze gang van zaken heeft Koos Vorrink geen andere keus dan zich tegen Van Heuven Goedhart te keren, d.w.z. de politieke houding van Drees van de afgelopen maanden voor zijn rekening te nemen. Het enige, dat hiermee wordt bereikt, is het ontstaan van een nieuwe partij, die tussen de Partij van de Arbeid en de communisten in staat en daarmee het socialistische volksdeel ten aanzien van de regering verzwakt. Dan voltrekt zich een zuivering van de Partij van de Arbeid, zoals die door Romme graag wordt gezien. Niet Oud verdwijnt, maar mensen als De Kadt. De linkervleugel speelt hiermee in de kaart van Romme en verzwakt de socialistische politiek.
Een mooie bak is verder dat de heer Ozinga zich in de vingers heeft gesneden door de heer Kartelegawa voor de radio te willen laten spreken. Dit is op het laatste moment verhinderd, z.g. omdat men kolonel Abdulkadir niet te pakken kon krijgen voor toestemming. In werkelijkheid meen ik te weten, dat er van de zijde van het paleis is ingegrepen. Deze politieke blunder van de eerste orde is wel publiek gedemonstreerd door gisteren eerst aan te kondigen, dat Kartelegawa zou spreken en later te vertellen, dat de rede niet doorging. Verder valt er voor ons van het paleis op het ogenblik niet veel te bespeuren. Vanavond organiseert Verboeket een bridgedrive voor een aantal lieden, waarbij ik er ernstig aan twijfel of deze is opgezet om de sombere en uiterst ernstige gedachten uit het hoofd te verdrijven.
Overigens hoorde Piet Sanders vandaag van Soedarpo, die ook in het huis van Sjahrir zit geïnterneerd, dat hem en verschillende andere Indonesiërs o.a. de volgende drie vragen zijn voorgelegd: 1. Hebt U contact gehad met de commissie-generaal? 2. Zo ja, hoe vaak? 3. Van welke aard waren de gesprekken? Een dergelijk verhaal doet bij mij toch wel de deur dicht en het zou niet onaardig wezen om daaraan in Nederland enige bekendheid te geven.
De laatste paar dagen staan compleet in het teken van de militaire actie en ons gebrek aan activiteit. Van Poll schaakt bijna de hele dag en vindt dus blijkbaar nog meer mensen, die niets te doen hebben en ik praat zo wat met Jan en alleman, peins wat na over de situatie en kom daarbij niet in elk opzicht tot vrolijke conclusies.
Zoals wel verwacht werd, zijn, hoewel op het ogenblik de neiging tot interventie minimaal is, de persstemmen toch in het algemeen niet erg op onze hand.
Het gaat mij blijkbaar als altijd: hoe minder een mens te doen heeft, tot des te minder activiteit is hij in staat. Vandaar het afbreken van dit relaas op gisteren.
Gistermorgen kwam er een telegram van Jonkman1. in antwoord
op ons CG 1951., waarin hij vraagt hoe de lt.-gouverneur-generaal denkt over onze overkomst. Ik heb dit na het militaire rapport op het algemeen hoofdkwartier in de loop van de ochtend even met Van Mook door de telefoon besproken en uiteengezet, dat ik er geen lust in had om op deze wijze hier te blijven hangen. Hij zou een advies2. maken en ons dat ter inzage sturen. Dit advies kreeg ik gistermorgen nog en het zegt inderdaad dat het op het ogenblik het beste is om ons naar Nederland te laten komen. Is het een erg kwade gedachte, wanneer ik veronderstel dat hij mij op het ogenblik liever kwijt dan rijk is? Het is in ieder geval een fantastisch groot verschil met de situatie in November, toen hij bepaald stampij maakte bij de gedachte, dat wij naar Nederland zouden gaan3. en ook zelfs nog in het laatst van Mei, tijdens de aanwezigheid van de ministers, heb ik hem er toe moeten krijgen om onze reis goed te vinden met de mededeling, dat ik het noodzakelijk achtte om ook bij de ministers van de Partij van de Arbeid zijn positie in het bijzonder te verdedigen4.. Op het ogenblik is dat allemaal veranderd en Van Mook weet uit de telegrammen, dat ik ten slotte toch een ander standpunt inneem tegenover deze hele zaak dan hij en dat laat niet na een zekere invloed op de verhouding uit te oefenen.
Ik zie de zaak ook met toenemende bezorgdheid voor de toekomst tegemoet. Ik raak er hoe langer hoe meer van overtuigd dat de politiek, die Nederland voert, weliswaar verklaarbaar is, maar in wezen toch verkeerd. Verklaarbaar door het feit, dat de republiek het ons vrijwel onmogelijk heeft gemaakt een verstandiger beleid te voeren. Verklaarbaar ook, omdat, indien Van Mook inderdaad op Woensdag de 16e 's avonds laat dat uitstel van 24 uur zou hebben gegeven5. en zijn verdere plannen met de gendarmerie bekend zouden zijn geworden, daarover aan Nederlandse militaire zijde spektakel zou zijn ontstaan, niet alleen bij Pinke, die zijn ontslag al had ingediend, maar zeer zeker ook bij talrijke hoofdofficieren in het leger. Ik begrijp dus wel dat Van Mook op dat ogenblik in de knoei zat. Zo heeft hij het ook toen, na het verdwijnen van Setyadjit
uit mijn kamer, gemotiveerd, omdat hij natuurlijk wel voelde dat er toch een kant aan zat, die scheef was.
Nu is de zaak echter doorgegaan en kan het niet anders of hij moet deze gang van zaken innerlijk volkomen verwerken en verdedigen tegenover iedereen, ook tegenover mij. Ik stond hier buiten, droeg daarom een veel geringere verantwoordelijkheid en heb dientengevolge ook wat gemakkelijker praten. Daarmede moet ik natuurlijk rekening houden en daarom jegens Van Mook een zekere voorzichtigheid betrachten. Tegenover de regering geldt dit laatste in veel mindere mate. Toch heeft ook de regering blijkbaar wel weer een mogelijkheid gezien om zich te verschuilen achter Van Mook. Ten minste ik vernam al een paar keer, dat mijn advies van 17 Juli1. betrekkelijk zwak was en dat van Van Mook zeer postief2., zoals die beide naast elkaar in Den Haag lagen op de morgen van de 18e Juli. Dat betekent dus eigenlijk, dat het Kabinet zich in sterke mate heeft laten beïnvloeden door het advies van Van Mook en dat men de neiging heeft zich hierop te beroepen. Ook dat feit maakt voor de toekomst de situatie alleen maar moeilijker. Een regering, die zich op deze wijze op haar eerste raadsman moet beroepen en dat straks, wanneer het eens minder prettig gaat, in versterkte mate zal doen, staat tegenover deze raadsman niet meer vrij. Zij is dan verplicht hem ook in de toekomst te dekken en te handhaven, tenzij zij mijn redenering en die van een aantal anderen alhier volgt, dat nl. degene, die de primaire verantwoordelijkheid draagt voor de militaire actie, uit een psychologisch oogpunt de laatst aangewezene is om de vrede tot stand te brengen. In deze laatste opvatting word ik, nu ik Van Mook zo observeer, hoe langer hoe meer versterkt. Hij kan niet anders dan zich vastbijten in de lopende ontwikkeling en zal dat doen bij voor- en tegenspoed. Bij voorspoed is dat vrij gemakkelijk; bij tegenspoed zou het een erkennen van het ongelijk moeten zijn. Dit laatste geldt vooral van zijn standpunt, aangezien hij zijn toespraak op j.1. Maandagmorgen eindigde met de woorden: ‘Moge in het succes der onderneming haar rechtvaardiging gegeven worden’. Men zou dan zeggen, dat, wanneer het eens minder prettig verloopt, zo iemand zijn ongelijk moet gaan bekennen. Een kind begrijpt, dat dit onzin is en dat zo iemand zich tot het uiterste zal inspannen om de mislukking niet te erkennen.
Is er nu op het ogenblik sprake van een kans op mislukking? Ten aanzien van de bevolking worden de verwachtingen niet gelogenstraft. In West-Java is de houding van de bevolking in het algemeen gunstig. Men kan gerust aannemen dat de toestand van de mensen zo beroerd was, dat zij iedere verandering als een kans op verbetering met een zekere vreugde begroeten. De Midden-Javaanse TRI, die daar heeft gezeten, heeft zich waarschijnlijk ook wel zó misdragen, dat men deze club met vreugde ziet verdwijnen. Wanneer men de mensen het gevoel kan bezorgen, dat zij er niet weer aan worden overgeleverd, dan kan men ook verder wel op steun van de bevolking rekenen bij het volvoeren van de moeilijke, nog in het verschiet liggende zuiveringsacties.
Wat de rest van de gang van zaken betreft, valt natuurlijk in de eerste plaats op dat de snelheid van de militaire operatie niet beneden de verwachting blijft. De Niet vroeg gisteren aan De Visser om er eens op aan te dringen, dat ook het aantal gevangenen en doden aan republikeinse kant zou worden gepubliceerd. Ik vroeg dat vanmorgen aan Buurman van Vreeden, die zei dat men er heel weinig gegevens over had en dat het ook bepaald niet belangrijk kón zijn, omdat de TRI overal zo hard mogelijk wegloopt, uitgezonderd op enkele punten. Terecht merkt de Nieuwsgier dan ook vanmorgen op dat de mededelingen van de legercommandant nog eens hebben bevestigd, dat de TRI en de volksstrijdkrachten practisch overal zijn weggetrokken zonder te vechten, ‘meestal met achterlating van de schoenen, die bij een haastig vertrek maar lastig zijn, doch helaas niet zonder achterlating van hun wapens’. Ritman voegt daaraan toe dat het potentieel gevaar van de zich oplossende republikeinse strijdkrachten het belangrijkste is, waarmee men rekening heeft te houden. ‘Dit gevaar te bezweren eist werk met de fijne kam, dat veel geduld en nimmer falende oplettendheid vergt’. Ik zou daaraan toe willen voegen, dat deze bezigheid zonder de hulp van de bevolking vrijwel onmogelijk is en alleen maar tot stand kan komen langs de weg van drama's als in Zuid-Celebes zijn opgevoerd. Dán wordt het een kwestie van terreur tegenover terreur. Immers, een kampong, die dan een TRI-groep verraadt, kan er op rekenen door de republikeinse strijdkrachten ook te worden uitgemoord en platgetrapt. Zo zijn nu eenmaal de zeden onder deze omstandigheden. Dat is op Zuid-Celebes overduidelijk gebleken. De kapitein Westerling heeft daar eigenlijk niet veel anders dan de methoden van zijn tegenstanders overgenomen. Laat ons er dus op
vertrouwen, dat dit in West-Java niet behoeft en dat de republiek daar onder de bevolking inderdaad die kwalijke naam heeft, die de aanhangers van de Pasoendan altijd suggereren, en dat zij bereid is ons te helpen.
Een volgend punt zijn de vernielingen. Daarover ben ik belangrijk minder optimistisch. Vanmorgen, bij de mededelingen, weer het verhaal dat er 3 suikerfabrieken ten westen van Cheribon, in het afgesneden gebied, in brand staan. De luchtverkenningen rapporteren op talrijke plaatsen grote branden in de nog niet door ons bezette gebieden. Een onderschepte order van Soedirman gelast om de verschroeide-aarde-politiek consequent uit te voeren en alles in brand te steken, zo gauw de vijand op een afstand van 20 KM is genaderd. Nu is dat laatste niet zo gevaarlijk, want de snelheid van de opmars langs de wegen is daarvoor kennelijk veel te groot. Maar het grote gevaar zit in het feit, dat de militaire bezetting voorlopig uitsluitend plaats vindt langs de hoofdwegen en talrijke fabrieken zich in het land bevinden. Die worden per se verbrand. Ik zie het economisch resultaat van deze stunt op korte termijn dan ook niet als erg hoopvol. Wel valt ons in Oost-Java 30000 ton suiker en in Cheribon 30000 ton rubber in handen, maar de kapitaalvernietiging, die daar tegenover staat, en de onmogelijkheid om de productie weer op tijd op gang te brengen, is een grote handicap. Vooral de rapporteur van de luchtmacht geeft op de morgenzittingen op het algemeen hoofdkwartier tussen 9 en kwart voor tien in dit opzicht een weinig prettige indruk van de zaken. Ik waardeer de openhartige eerlijkheid, waarmee men de feiten daar precies blootlegt. Alleen: in de krant zie ik er niet al te veel van. Gistermorgen had hij ook een verhaal over vernielingen en branden tussen Soekaboemi en de Wijnkoopsbaai en vertelde, dat grote rookwolken tot boven deze baai dreven.
De grootste moeilijkheid zie ik echter nog aan de politieke horizon. Gisteravond om vijf uur had ik een telefoongeeprek met Jonkman om ook hem nog even aan het verstand te brengen, dat ik er niet over peins hier rustig te blijven zitten om na enige tijd te bemerken, dat wij aan de kant worden gezet, zodat ik dus een beslissing verlang. In dat gesprek maakte hij de opmerking, dat bij deze gang van zaken de onderhandelingen natuurlijk elke dag zouden kunnen worden heropend. Ik vroeg hem daarop hoe hij zich dat eigenlijk voorstelde. Dat lijkt mij de kern van de zaak, maar daarop kwam uiteraard geen antwoord. Het grote gevaar ligt in de internationale situa-
tie. Ik stel mij voor, dat, indien de militaire operaties aan het einde van deze week of hoogstens in de eerste helft van de volgende week zullen zijn voltooid, daarvoor dan op een of andere wijze een verklaring zal moeten worden afgelegd. Doet Nederland dat niet, dan geeft men de republiek de kans om te zeggen dat zij er in geslaagd zijn het Nederlandse offensief tot stilstand te brengen. Wanneer wij dan met rust worden gelaten, hebben wij de mogelijkheid de posities in Oost- en West-Java te consolideren en met spoed met de rehabilitatie van deze gebieden een aanvang te maken, zodat wij na een maand kunnen laten zien welke goede resultaten voor de bevolking in het algemeen zijn bereikt en op welke basis een nieuwe samenwerking zal zijn opgebouwd.
Ik vrees echter, met zeer grote vreze, dat Engeland en Amerika ons daarvoor niet rustig de tijd zullen laten. Even sterk als ik vóór het uitbreken van het conflict gesteld was op internationale interventie, die immers alleen maar verdere druk op de republiek kon betekenen, even huiverig ben ik er dan voor, omdat zij op dat moment naar buiten en ook naar binnen geen ander effect kan hebben dan dat de republiek tegenover ons in bescherming wordt genomen. Wanneer wij een aanbod tot onderhandelingen doen, dan stel ik mij voor dat op dat ogenblik de republiek de ontruiming van Oosten West-Java zal eisen en terugkeer tot de demarcatielijnen. Bieden Amerika en Engeland bemiddeling aan, dan zullen zij op dat ogenblik de republiek ook iets moeten aanbieden, dat in het voordeel van deze club is. Hoe staan wij dan tegenover het herstel van het de facto-gezag van de republiek, dat toch ook in Linggadjati is opgenomen? Hoe denken wij ons dan de invoeging van Oost- en West-Java in het territoir van de republiek, zoals in Linggadjati voor alle bezette gebieden in het vooruitzicht is gesteld? Wij komen dan weer op het oude chapiter van de bijzondere politie terecht en van het terugtrekken van de militairen. Wij vervallen in de herhaling van discussies, die al gevoerd zijn, waarover wij het niet eens konden worden en die tot deze actie hebben geleid. Het zal op dat ogenblik van de houding van Engeland en Amerika afhangen of wij verzwakt dan wel versterkt uit deze strijd te voorschijn zullen komen. Natuurlijk is er bereikt, dat het land is opengelegd in een deel van de belangrijkste gebieden, maar welke op de lange duur het indirecte effect van deze methode zal zijn, is vrij moeilijk te schatten. Wanneer de interventie ook maar in het geringste een druk betekent op onze plannen, dan zal het voor de hele wereld en ook voor de repubiek duidelijk zijn
dat het effect daarvan in de allereerste plaats is het in het leven houden en in stand laten van de republiek, eigenlijk het redden van de republiek. Het spreekt vanzelf dat deze republikeinse regering dan naar buiten toe is versterkt. Er is uit dien hoofde dan ook een kans, dat het met hun toeschietelijkheid minder gunstig gesteld zal zijn dan menigeen veronderstelt.
Zojuist hield Van Mook een redevoering, eigenlijk over hetzelfde thema. Daarin laat hij echter in het midden wat er met de republiek gebeurt. Hij wijst deze als republiek niet af, maar uit toch wel bezwaren tegen deze republiek. Het lijkt mij toe, dat ook hij zijn programma richt op de reconstructie van Oost- en West-Java en de opbouw van de Verenigde Staten in deze gebieden. Een heel duidelijke draad kon ik er in dit opzicht niet in ontdekken, en dat is op zichzelf misschien ook wel goed. Toch zal de regering zich daarvan rekenschap moeten geven.
In het telefoongesprek met Koos Vorrink van vanmiddag sneed ik deze zaak ook aan. Hij stelde het zo, dat men in Nederland de zaak bij elkaar houdt op basis van de redenering, dat men zo gauw mogelijk weer met de republiek tot een accoord wenst te komen en deze toch niet van de kaart wil vegen. Ook in de regeringsverklaring1. komt dat duidelijk tot uitdrukking. Men stelt zich inderdaad voor dat de onderhandelingen weer vrij snel worden geopend en Koos meende dat Sjahrir, in zijn beroep op interventie door Britsch-Indië, tot op zekere hoogte ook aan ons de hand had gereikt. Misschien is dat juist, maar toch zie ik daarin nog wel moeilijkheden. In dit verband meende Koos dat het zeer bepaald de bedoeling is, dat wij de onderhandelingen zo spoedig mogelijk heropenen en in onze oude positie worden hersteld. Ik heb hem gezegd, dat men daar dan ook enige spoed mee moet betrachten. Jammer genoeg vrees ik dat dit intermezzo de hele situatie hier intern niet heeft vereenvoudigd. Van Mook gaat op het ogenblik in elk opzicht volkomen zijn gang en laat ons compleet links liggen. Hij vindt het zelfs niet de moeite waard mee te delen, dat hij vanavond voor de radio spreekt. Er zijn verder natuurlijk allerlei bestuursdaden, die straks ook poli-
tieke invloed hebben. Wanneer men dus wenst dat wij werkelijk verantwoordelijkheid dragen voor de gang van zaken, dan is het onmogelijk dat men ons volkomen buiten het algemeen bestuur houdt. Wanneer door de regeringscommissarissen voor bestuursaan-gelegenheden in de nieuw bezette gebieden allerlei maatregelen worden getroffen volstrekt buiten ons om, dan wordt het voor ons straks politiek een onmogelijke figuur, wanneer men moet onderhandelen over dingen, waarop men niet de minste invloed heeft gehad. Van Mook zal ons dan moeten inschakelen, misschien het werk tussen ons een beetje verdelen in de zin, zoals hij dat al eerder heeft geformuleerd1., en anders voorzie ik grote moeilijkheden en loopt de zaak toch vast. Men moet zich in Den Haag goed realiseren, dat ik minder dan ooit bereid ben om als spreektrompet van Van Mook te fungeren.
Ik heb tegen Koos ook nog een aantal opmerkingen gemaakt, naar aanleiding van de tekst van de regeringsverklaring van Woensdag in de Tweede Kamer. Daarin komt de volgende tirade voor2. ‘Na ontvangst van dit antwoord3., gaven nog diezelfde dag de Lt. G.G. en de commissie-generaal eenstemmig als hun mening te kennen dat geen andere weg meer mogelijk was dan politionele actie met militaire middelen. De Nederlandse regering heeft, na nogmaals met de diepste ernst het gewicht en de draagwijdte van toepassing van dergelijke acties in alle opzichten te hebben overwogen, en te hebben nagegaan of inderdaad tot de slotsom moest gekomen worden, dat haar alleen dat uiterste was overgebleven, besloten met de conclusie van de Lt. G.G. en de commissie-generaal in te stemmen’. Toen ik dat las, ben ik eerlijk gezegd ontploft. Ik schreef naast de tekst: ‘Wat een helden!’ Waarom is het in vredesnaam noodzakelijk, dat de regering zich zo met nadruk bij haar besluit beroept op de Lt. G.G. en de commissie-generaal, die zij met de landvoogd volstrekt op één lijn plaatst? Heeft de regering niet zelf de zaak in handen genomen? Is zij niet zelf voor de volle ioo % verantwoordelijk voor haar besluit? Waarom is het dan nodig ook nog de commissie-generaal er bij te slepen, afgezien nog van het feit, dat zij dit alleen kan doen op de grondslag van dat ene bewuste zinnetje in ZG 312, dat Van Mook naar Holland heeft geseind, zonder voor-
af gaande goedkeuring door ondergetekende1.. Was het voor de regering niet verstandiger geweest om de commissie-generaal buiten beschouwing te laten, vooral gezien het telegram van mij, dat ik op ZG 312 liet volgen2. en waaruit bepaald minder zeker spreekt, dat dit de laatste mogelijkheid was?
Ik luchtte mijn ergernis hierover tegenover Van Poll, die toen nog de opmerking maakte, dat, zelfs indien wij op dit moment geen andere oplossing zouden hebben gezien dan de militaire, het toch voor de regering volkomen ongeoorloofd was om ons daar bij te slepen, omdat het de grote vraag is of, indien men deze zaak aan ons had overgelaten, wij ooit in deze positie waren gemanoeuvreerd. Inderdaad, mij schoot een klein voorbeeld door het hoofd. Toen Woensdagavond Setyadjit bij mij in de kamer aan Van Mook 24 uur uitstel vroeg, stond ik er naast, maar Van Mook behoefde mij op geen enkele manier te raadplegen en deed dat ook niet, maar weigerde eenvoudig dit uitstel3.. Wat zou er zijn gebeurd, indien hij dat uitstel had gegeven? Niemand kan dit achteraf uitmaken. Maar zeker is, dat dit voorbeeld duidelijk demonstreert, dat de commissie-generaal voor de gang van zaken geen verantwoordelijkheid dragen kan en dit ook in CG 188 aan de regering duidelijk heeft gezegd4.. Dat er dan ten slotte moet worden vastgesteld dat de regering en Van Mook zich samen in een positie hebben gemanoeuvreerd, die geen perspectief meer biedt, ben ik bereid om te constateren. Maar, indien men ons dan op het critieke moment er bij haalt als gelijkwaardig aan de Lt. G.G., dan heb ik daartegen de grootste bezwaren. In het telegram ZG 312 staat, dat Lt. G.G., commissie-generaal en militaire adviseurs het samen eens zijn. Waarom heeft de regering dan wel de commissie-generaal ten tonele gevoerd en niet de militaire adviseurs? Het lijkt mij volkomen duidelijk dat dit gebeurd is om politieke redenen tegenover de Partij van de Arbeid. Ik ben eigenlijk dankbaar, dat Gani nog op 20 Juli die brief heeft geschreven aan de voorzitter van de Nederlandse delegatie5.. Die heeft mij ten minste de gelegenheid gegeven om duidelijk vastgesteld te krij-
gen, dat de commissie-generaal volkomen buiten deze zaken staat. De toestand, zoals die is gegroeid na onze brief van 20 Juni1., dus dat wil zeggen precies in een maand, komt op geen enkele wijze voor de verantwoordelijkheid van de commissie-generaal, maar uitsluitend van de regering en van Van Mook. Ik vind het dan uiterst bedenkelijk en moreel nauwelijks te verantwoorden, indien op het critieke moment het besluit van de Nederlandse regering op deze wijze wordt vastgehaakt aan de commissie-generaal.
Betrekkelijk verheugend was het nieuws van Koos Vorrink over de afloop van het Kamerdebat. De motie van de communisten is verworpen met alleen de stemmen van de communisten voor. De gehele fractie van de Partij van de Arbeid heeft er tegen gestemd, inclusief Nederhorst, die de vorige dag een aparte verklaring deed tegen de regeringspolitiek. Verder zou volgens Koos de eenheid in de partij op zichzelf weer stijgende zijn.
Vanmorgen had ik naar aanleiding van de vraag, die Ritman in de Nieuwsgier stelde, hoe deze zaak verder moest eindigen, ook met hem een lang gesprek. Het was wel zeer duidelijk, dat deze man in grote trekken met mijn gedachtengang instemde en ook politiek maar twee mogelijkheden zag, die voor ons gunstig zijn, nl. dat óf de republiek inderdaad inbindt óf deze in elkaar zakt. Gebeurt dit geen van tweeën, dan was ook hij van mening dat er een groot gevaar dreigt, dat er een halsstarrige club, die dan misschien wel een klein beetje gesaneerd wordt, door internationale interventie op de been zal worden gehouden en het ons niet eenvoudiger zal maken. Voor veel mensen uit de Nederlands-Indische gemeenschap is deze militaire mars een soort geestelijke arbeidstherapie. Zij levert een ontspanning op, zonder dat men zich echter nog veel rekenschap geeft, althans niet redelijk, van hetgeen hierna zal moeten gebeuren. Wel meende Ritman al verschillende mensen te zijn tegengekomen, die zich ook de vraag voorlegden: ‘Wat nu?’ Ik vrees dat al te velen slechts zullen kijken naar hetgeen er direct, voor hun voeten, gebeurt, en vergeten dat het er om gaat hoe de zaak er over twee jaar uit zal zien.
gedoken in allerlei beschouwingen, die van zijn kant eigenlijk culmineerden in dat ene: ‘Als je niet naar Holland gaat en daar de mensen aan het verstand brengt, dat hier zeer belangrijke veranderingen in de personeelsbezetting nodig zijn om er na dit avontuur nog doorheen te komen, dan kunnen wij de zaak beter direct opgeven dan over vijfjaar. Deze gang van zaken zal niet ten gevolge hebben, dat wij er door komen met een soort Oost-Indonesië-politiek in de republiek, maar alleen met een nog wat radicaler werken en wat sneller werken naar de toestand van de souvereine Verenigde Staten van Indonesië’. Het is toch eigenlijk kleinzielig, dat wij geen vorm weten te vinden om inderdaad, zo gauw de interimregering is gevormd, te voldoen aan hun wens om vast een begin te maken met een Indonesische vertegenwoordiging in het buitenland. Wij kwamen ook tot de conclusie dat, indien wij niet iets van de dynamiek, die in de republiek schuilt, weten te behouden en ten goede te richten, het dan ook hier een moeilijke en waarschijnlijk verloren zaak zal zijn. Deze man is een uiterst radicale figuur, die voor Nederland waarschijnlijk niet aanvaardbaar is vanwege deze kwaliteit. Toen ik hem gisteravond hoorde, kon ik mij best voorstellen dat hij in een gesprek met Drees op diens uitingen reageerde met de opmerking: ‘Excellentie, bedenk wel, dat ik geen sollicitant ben’, en dat Drees later zei, dat deze man misschien nog erger dictator is dan Van Mook.
Vanmorgen een lang gesprek met Van der Kieft, directeur van de Arbeiderspers, voorzitter van onze fractie in de Eerste Kamer en lid van het partijbestuur. Ik heb hem de hele toestand uiteengezet en vrij sterk in vertrouwen genomen, ten einde ook zijn oordeel over de situatie te leren kennen. Ook hij kwam tot de conclusie dat de toestand voor ons hier eigenlijk ondraaglijk is en dat de regering er zich volkomen verkeerde voorstellingen van maakt. Dat bleek wel duidelijk uit de wijze, waarop in de regeringsverklaring met ons advies is gemanoeuvreerd, dat niet meer is dan een aanvaarding van de consequenties, waartoe Van Mook was gekomen, en waarbij ik nog een paar andere uitwegen in mijn achterhoofd had, waarmede ik op dat moment niet voor den draad kon komen1..
In dit verband had ik het plan om vanavond vóór zeven uur Piet Sanders2. aan de telefoon te krijgen en na zevenen Jonkman, ten einde hem nog eens scherp onder druk te zetten.
Voor dit laatste kwam ik door een mededeling van Just de Visser uitstekend in de stemming. Die vertelde mij vanmorgen nl., dat hij bij Enthoven was langs gelopen, die met veel papieren bezig bleek te zijn en op de vraag van Just of hij weer bezig was met de interimregering, bevestigend had geantwoord en verteld, dat er bij Van Mook een bespreking over had plaats gehad en men van plan was om deze interimregering zo gauw mogelijk in elkaar te draaien met Oost-Indonesië en Borneo en wilde proberen er representanten van Oost- en West-Java bij te krijgen. Enthoven was bezig te bepeinzen hoe dat moest en tevens, wat men met Sumatra zou moeten beginnen. Just had toen zo in de loop van het gesprek het ook over de commissie-generaal gehad en Enthoven had daarbij opgemerkt, dat daarvoor eigenlijk geen taak was en dat hij zich best voor kon stellen dat de heren voorlopig naar Holland zouden gaan.
Het is dus volkomen duidelijk, dat men in de kring rondom Van Mook bezig is van alles klaar te stoven en ons dan straks reserveert voor eventuele onderhandelingen met de republiek. Nadat men bij de Indische regering dus op alle mogelijke manieren een situatie heeft geschapen, waaraan wij als commissie-generaal part noch deel hebben gehad, wil men ons huren om te trachten het resultaat daarvan aan de republiek te verkopen. Ik moet eerlijk zeggen dat dat een taak is, die mij buitengemeen weinig aanlokt. Ik was dan ook van plan om Jonkman eenvoudig te zeggen, dat ik in ieder geval overleg in Nederland noodzakelijk vond en niet van plan was om hier te blijven zitten.
Het ongeluk was, dat Jonkman eerst aan de telefoon kwam, omdat men Piet Sanders nog niet had kunnen vinden. Ik heb toen ronduit tegen Jonkman gezegd, dat ik Van Mook de hele week niet had gesproken en wij hier volledig voor Piet Snot zaten. Ik wees hem er op dat dit aanleiding geeft tot allerlei scheve posities, zoals ik ook meende te kunnen afleiden uit de wijze, waarop de commissie-generaal wordt gehanteerd in de regeringsverklaring. Ik zei hem dat dit alleen gebaseerd kon zijn op één zinnetje uit het telegram1. van Van Mook, dat wij niet van tevoren hadden gezien. Direct tekende Jonkman protest aan en zei dat hij het volkomen natuurlijk vond, dat het advies van de commissie-generaal ook werd gebruikt. Ik heb hem toen even de redenering van Van Poll voorgehouden, nl. dat wij op de gang van zaken na 20 Juni niet de minste invloed meer hebben
gehad. Ik had echter niet de indruk dat dit betoog veel effect opleverde. Ik vermoed dat ik de man toesprak, die heel graag een stuk verantwoordelijkheid op ons afschoof. Toen ik hem zei dat wij van plan waren om Dinsdag te vertrekken, vroeg hij of wij dan de methode wilden toepassen van de twee vorige heren1.. Ik heb hem daarop toegezegd te wachten op het antwoord van hem, dat ik Dinsdag tegemoet zag, maar heb er aan toegevoegd dat ik hier niet zonder meer wenste te blijven zitten en dat de regering er dan mee had te rekenen, dat ik mijn ontslag zou indienen. Hij beloofde deze mededeling zo aan de ministerraad te zullen overbrengen.
Prompt daarna kreeg ik toen Piet Sanders aan de lijn, die juist vijf kwartier met Jonkman en Beel had zitten praten en de indruk had gekregen, dat de heren onze telegrammen toch eigenlijk heel slecht hadden begrepen, in het bijzonder ons CG 1902. en 1923.. De aanhef van mijn CG 190 was zo verstaan, dat ik het a priori wel eens was met hetgeen Van Mook en Van Poll hadden geseind. Ik vroeg aan Piet of ze dan liever hadden gehad dat ik het in zo klare taal had gezegd, dat ik gedwongen zou zijn geweest af te treden, indien mijn advies niet was gevolgd. Hij antwoordde daarop, dat hij vermoedde, dat dit het geval was. Ik geloof dat eigenlijk niet, want daarmee had men beslist politiek stampij gehad. Over stampij gesproken, hij vertelde, dat hij de indruk had dat de heren mij bepaald weg wilden houden uit Nederland, omdat zij bang waren, dat ik stampij zou gaan maken. Ik heb met Piet afgesproken dat hij Jonkman er nog eens opmerkzaam op zou maken, dat dit bepaald niet het geval is. Hij kan rustig zeggen dat er meer kans op stampij is, wanneer zij mij dwingen mijn ontslag te vragen, dan indien zij mij rustig naar Nederland laten komen.
Piet had de indruk, dat men in het algemeen toch heel weinig begrepen heeft van de ware toedracht in Batavia. Hij was bij Logemann, maar, ondanks al zijn dagboekbladen4., had ook Logemann eigenlijk niet door dat Sanders tegen de gang van zaken, zoals die thans plaats grijpt, is gekant. Hoe zo iets nu mogelijk is, ontgaat mij ten enen male. Denkt men dan in Nederland hetgeen men eigenlijk hoopt?
Frans Goedhart heeft er weer een beetje toe bij gedragen, dat de ministers bang zijn, dat ik stampij zal maken. Tenminste ik kreeg vanmiddag van Associated Press de vraag om een interview naar aanleiding van een verklaring van Frans Goedhart, dat de commissie-generaal, en in het bijzonder de voorzitter, ‘strongly opposed military action and cabled its stand to Hague before outbreak hostilities’. Er werd aan toegevoegd, dat de Nederlandse regering dit statement van Goedhart onmiddellijk had ontkend1.. Ik heb toen met Van Wijnen een tijdje zitten te wringen over een iets uitvoeriger verklaring, maar kwam tot de conclusie dat, om het begrijpelijk te maken, men te veel van de waarheid moet zeggen en, dit doende, toch op een of andere wijze de regering in moeilijkheden zou brengen, omdat dan iedereen zou zeggen: ‘Waar rook is, is ook wel een beetje vuur’. Ik heb mij dus beperkt tot de ontkenning, die ook de Nederlandse regering reeds had gegeven, en er aan toegevoegd dat de toestand te precair is om hieraan nadere toelichtingen te verbinden. Ik heb Piet door de telefoon nog gevraagd om te proberen Frans Goedhart zo snel mogelijk te temmen en er voor te zorgen, dat hij hierover nu ten minste verder zijn mond houdt. Hij doet mij daar helemaal geen plezier mee. Van Poll waarschuwde mij er vanmiddag ook terecht voor, dat ik er voor moest zorgen dat nu niet het verhaal ontstaat dat ik, hoewel ik grote tegenzin in het vechten had, en terwijl ik er ten slotte toch ook geen uitweg meer uit wist, eerst achteraf een gezicht zou hebben gezet alsof ik er zonder meer tegen zou zijn geweest; kwaadwilligen zouden daar de conclusie uit trekken, dat ik met opzet de verantwoordelijkheid van mij afschuif. Dat is geenszins mijn bedoeling, maar dan moet de regering ook niet proberen mij méér verantwoordelijkheid te laten dragen dan ik werkelijk verdien.
Gisteravond laat kwam Just de Visser nog even aan, die een merkwaardig gesprek had gehad met een goed republikeins Indonesiër. Deze maakte zo de opmerking, dat wij op het ogenblik bezig waren met half werk. De conclusie van dat gesprek was, dat wij óf niet hadden moeten beginnen, óf nu niet moeten stoppen voor en aleer Djocja
ook bezet is. Zijn redenering kwam op hetzelfde neer als de mijne, nl. dat men nu met een halsstarrig gezelschap blijft zitten1.. Deze man heeft blijkbaar ook al zoveel gevechten tegen de onredelijke Djocja-elementen meegemaakt dat hij misschien innerlijk hoopt dat wij deze zaak opruimen. Ik kom hoe langer hoe meer tot de overtuiging, dat dit noodzakelijk is. Weliswaar zei Koos van de week door de telefoon, dat de bezetting van Djocja voor hem in Nederland onverkoopbaar is, maar ik geloof toch, dat, nu ik naar Nederland terugkeer, ik een poging zal moeten doen om onze partijgenoten duidelijk te maken, dat de bezetting van Djocja nog geenszins behoeft te betekenen, dat wij de republiek van de kaart vegen. In 1870 is Parijs door de Duitsers bezet, maar Frankrijk is blijven leven, zij het op een enigszins andere voet dan tevoren.
Verder vertelde hij, dat hem gebleken was dat Gani de gedachte om naar Djocja te gaan weinig aanlokkelijk vond. Aan de andere kant behoeft hij toch niet zo bang te zijn, omdat hij door radio-Djocja als de grote held wordt voorgesteld, die standvastig blijft onder de ergste martelingen. Alle nagels zijn al van zijn vingers afgetrokken, enz., enz. Men kan zich het gebral van radio-Djocja inderdaad niet te gek voorstellen. Zij zouden schrikken, als zij hoorden hoe pleizierig Gani in zijn huis zit en hoe tevreden hij zich betoont over de behandeling. Ali Boediardjo is gisteren na ondertekening van een verklaring naar zijn eigen huis teruggekeerd.
Gistermiddag ben ik tot de gedachte gekomen, vooral naar aanleiding van een bespreking met Dr. v.d. Velde uit Medan, dat het toch wel goed was om nog een telegram2. te zenden aan de regering, in vervolg op mijn persoonlijk telegram CG 1923.. Ik had daarmee verschillende bedoelingen. In de eerste plaats wilde ik tegenover het Kabinet nog even een nadere motivering geven van CG 192 en van het feit, dat ik tot op 19 Juli gehoopt had om de militaire actie nog te kunnen afwentelen. Ook de uiterste poging van de republikeinse delegatie4. heb ik hierin gememoreerd. Ik vond het bovendien nuttig om te zeggen dat deze geschiedenis aan Frans Goedhart
bekend was en zijn verklaring aan de pers bij aankomst in Nederland mij daarom onbegrijpelijk voorkwam en dat ik die dus had tegengesproken.
Het tweede doel was gelegen in het betoog, dat men Djocja toch niet ongemoeid kan laten. Ik kon daarbij aanknopen aan CG 192, quinto, waarin ik dit de regering al heb gezegd. Nu blijkt, dat, zowel Van der Velde als Abdulkadir, de hoofden van het bestuur voor Noord-Sumatra en West-Java, evenals - naar ik meen - ook Wijnmaalen in Zuid-Sumatra, op ditzelfde standpunt beginnen te staan. Het heeft voor mij van den beginne af aan practisch vastgestaan, dat dit onontkoombaar zou zijn. Hetgeen men is begonnen, geschiedde vanwege de tegenstand van de in de radiorede van Van Mook van verleden week Maandagmorgen bedoelde elementen tegen de constructieve politiek van Setyadjit c.s. Deze mensen, die de wapens dragen, dus de macht uitoefenen, blijven in Djocja volkomen onaangetast. Verder is het duidelijk, dat wij hoegenaamd geen gevangenen maken en ook weinig wapens buitmaken. De hele bende zal zich dus concentreren op Midden-Java en daar de regering elke stap in onze richting radicaal onmogelijk maken. In het ontworpen telegram heb ik dan ook gezegd dat het geven van een politioneel karakter aan deze actie, vooral door het ontzien van het centrum van het territoir der republiek, de republikeinse regering in dezelfde of slechtere psychische omstandigheden tegenover deze groepen laat.
Ik meen, dat men het politioneel karakter met evenveel recht kan toekennen aan een actie, die de republiek wil handhaven en die Djocja bezet alleen om Boengtomo, Moestopo en dergelijke klanten op te ruimen. Maar dan moeten wij de republiek ook inderdaad handhaven en niet doen wat Van Poll vanavond zei, nl., als de actie op Oost- en West-Java is beëindigd, door de radio zeggen dat wij nu met de republiek verder wensen te praten, indien deze zich beperkt tot het gebied van Midden-Java. Dan tast men de republiek wel aan en laat bovendien in Midden-Java de chaos zich uitbreiden, om over Sumatra nog maar helemaal niet te praten. In Siantar is het uiterst waarschijnlijk dat de bevolking en de autoriteiten samen een nieuwe koers willen inslaan, wanneer wij hen zelfbestuur beloven en zij de zekerheid hebben dat zij van de republiek af zijn. Is dat laatste niet het geval, dan vreest Van der Velde terecht dat zij republikeins blijven en geen nieuwe weg zullen inslaan. Ik heb dit telegram geëindigd met de beschouwing dat ik het in de regeringsver-
klaring1. van harte toejuich, dat daarin wordt gezegd dat deze actie geen stap terug op de weg in progressieve richting zal betekenen. Ik voeg daar echter aan toe dat progressiviteit niet betekent, dat men een eenmaal aanvaarde en ingeslagen weg slechts ten dele aflegt. Zij eist ook radicaliteit en consequentie. Hetgeen progressieve politiek na deze actie vergt, zal ik gaarne mondeling aan de regering uiteenzetten.
In dit laatste zinnetje zit natuurlijk alles verborgen met betrekking tot de personeelspolitiek2.. Hier is geen progressieve politiek te voeren met mensen, die in hun hart niet anders zijn en op grond van de traditie niet anders kunnen denken dan koloniaal. Dat is voor mij de grote hoofdzaak. Geen enkel schema is met succes door te voeren met verlichte kolonialen. Men zal moeten beginnen met de republiek volledig in het leven te laten en ook Oost- en West-Java er niet principieel af te hakken, maar daarin de veiligheidsorganisaties, zoals wij die wensen, en de bijstand op poten te zetten en deze gebieden als autonome provincies van de republiek te organiseren. Daarna een conferentie bijeen te roepen, die de voorloper van een constituante zal moeten zijn, en dan zal daar wel blijken dat ook Sumatra er zonder meer afvalt. Van der Velde heeft dit uitstekend door. Zulk een man zou ik het B.B. van harte toevertrouwen.
Het derde motief voor dit telegram was om het Kabinet er vóór de ministerraad, die morgen handelt over onze reis naar Nederland, door middel van dit telegram nog eens van te overtuigen dat het geenszins mijn bedoeling is om in de Partij van de Arbeid stampij te maken tegen de regering, maar veeleer om een rechtlijnige politiek te verdedigen. Ik zal natuurlijk wel enige critiek uitoefenen, maar dan is het alleen op het zigzagkarakter daarvan. Na de aanneming van Linggadjati in de Kamer maakte men een schuiver naar rechts door de benoeming van Verzijl en Posthuma, met de uitdrukkelijke bedoeling van Jonkman om ook inderdaad een conservatiever koers te zeilen. Nu men een grote schuiver naar rechts maakt door de militaire actie, althans voor het gevoel van de grote massa links in ons volk, durft men deze stap weer niet radicaal te doen en mist daardoor een groot stuk van het doel. Wanneer zal de regering eindelijk leren om consequente politiek te voeren? Deze zigzagkoers heeft tot heden alleen maar onheil veroorzaakt.
Vanmorgen na afloop van de mededelingen omtrent de stand van zaken op het hoofdkwartier van Spoor, vroeg Van Mook om om 11 uur bij elkaar te komen. Hij kende toen de tekst van mijn telegram CG 196 nog niet en ik evenmin de tekst van zijn telegram ZG 3271., dat hij Zaterdagavond verzond en dat, naar mij vanmorgen bleek, aan dezelfde materie is gewijd. Bij deze bespreking waren Idenburg, Koets, Abdulkadir, Spoor, Pinke en wij. Het ging inderdaad over het feit, dat wij het er allen over eens zijn dat de actie moet worden voortgezet tot en met Djocja. Ik heb de heren mijn CG 192 van 17 Juli sub quinto2. voorgelezen, waarin ik dit standpunt al heb ingenomen en daaraan aansluitend de tekst van het telegram van gisteren. Men was het daarover in het algemeen zeer eens; alleen Van Hoogstraten meende, dat er nog een argument gelegen ligt in het feit, dat Djocja op het ogenblik doorgaat met opdrachten tot het vernielen van alle eigendommen (sinds twee dagen ook van alle buitenlandse), en dat ook dit in het bijzonder het noodzakelijk maakt om Djocja tot zwijgen te brengen. Er is uitvoerig gesproken over de militaire kant van deze zaak, die geen overmatig grote moeilijkheden oplevert. Het bleek in dit gesprek ook weer dat de moeilijkheid niet zit in het opschieten, maar in het beveiligen van de gebieden, waar men doorheen is getrokken. Dit kan onmogelijk zonder de medewerking van de bevolking en van de autoriteiten in het bijzonder en die is niet te verwachten op de schaal, die noodzakelijk is, zolang men het gevoel heeft dat deze republiek morgen weer terugkeert.
Ik heb ook gezegd dat ik deze redenering volkomen aanvaard en dat voor mij het belangrijke punt niet is of wij Djocja in deze politionele actie betrekken, noch dat het politionele karakter bepaald wordt door de vraag of wij Djocja al of niet bezetten. De vraag, waar het voor mij om gaat is, welke politiek wij na de bezetting van Djocja zullen bedrijven. Daarover ontspon zich een discussie, waarbij het mij niet overbodig leek dat ik er bij zat, hoewel Van Mook later pogingen deed om het te doen voorkomen, alsof wij het volkomen eens waren. Dat laatste was wel het geval met het feit, dat er na de bezetting van Djocja een soort interim-regering moet worden gevormd, die echter niet het definitieve karakter kan hebben van
hetgeen indertijd is voorgesteld, omdat het onwaarschijnlijk is dat de republiek als zodanig hierin vertegenwoordigers zal kunnen aanwijzen. Er zal voorlopig een toestand ontstaan, waarbij in dit college, b.v. in overleg met de Indische regering, vertegenwoordigers van Oost- en West-Java en eventueel van Midden-Java en delen van Sumatra worden opgenomen. De taak van dit college zal dan in de eerste plaats zijn te zorgen voor een zo eerlijk mogelijke toepassing van art. 41.. Dit zal echter alleen dan mogelijk zijn, wanneer het volkomen duidelijk wordt gemaakt dat wij geen millimeter afwijken van ons plan om de souvereine Verenigde Staten van Indonesië zo spoedig mogelijk tot stand te brengen, op dezelfde wijze als aan de republiek is aangeboden. Afgezien van de wenselijkheid om Sumatra zelfstandig te maken, zal overigens onzerzijds geen enkele druk moeten worden uitgeoefend of voorkeur dienen te worden kenbaar gemaakt omtrent de indeling van Java. Hiermee zal dan gepaard moeten gaan de vestiging van definitieve staatkundige organisaties in de staten, zoals zij er dan gaan uitzien. Zodra deze regeringen hebben gekregen, zal het mogelijk zijn de definitieve interimregering te vormen.
Het verschil van mening was eigenlijk, dat in de gedachtengang van Van Mook toch weer te veel werd uitgegaan van de Indische regering. Dat idee heb ik compleet onder de tafel gewerkt en gezegd dat wij vast moeten blijven houden aan de instelling van federale departementen door de interimregering, waarbij de bestaande departementen van de Indische regering voor zover wenselijk worden overgenomen en anders zullen verschrompelen. Na enige moeite begreep men wat ik bedoelde en betuigde daarmede in het algemeen zijn instemming.
Dinsdagmorgen kwam het telegram uit Den Haag, waarin wij werden uitgenodigd voor besprekingen naar Nederland te komen. Wij hebben toen besloten het vertrek, dat aanvankelijk op Donderdag was gesteld, nog een dag te vervroegen, ten einde het risico van de verbreking van de luchtverbinding over India zo gering mogelijk te doen zijn2..
Op deze laatste dag, Dinsdag, heb ik nog met een hele serie mensen gesproken: Koets, Mitcheson, Van der Kieft, De Niet, Van Mook en 's avonds twee groepen Indonesiërs, met daar tussendoor een telefoongesprek met Barend van Dam.
Om met deze laatste te beginnen, hij reageerde op CG 1961. met deze typerende zin: ‘U maakt het ons met Uw telegrammen niet gemakkelijker’, waarop ik antwoordde dat ik Woensdag al vertrok en dat men dus in Nederland althans vier dagen geen last van mij zou hebben. Het is duidelijk, dat het hierbij gaat om de bezetting van Djocja, die men in Nederland niet wil aanvaarden, zonder begrip te hebben voor de consequenties, die daaraan in Indië zijn verbonden. Ook zulk een telefoongesprek bevestigt mij weer in mijn indruk, dat men deze militaire actie is begonnen zonder zich scherp te realiseren hoe het doel, dat men zich stelt, nl. de realisering van Linggadjati, kan worden bereikt. De een denkt er dit bij en de ander weer wat anders. Het feit, dat het Comité Rijkseenheid2. voorlopig de petitionnementsactie staakt, bewijst al dat ook Gerbrandy van mening is dat deze actie zijn doeleinden kan dienen. Dat feit is op zichzelf al een aanduiding er van hoe gevaarlijk dit operatiemes wel is in handen van een regering, die tot heden nog nooit consequent is geweest.
In het gesprek met Koets heb ik er de nadruk op gelegd, dat de rechtvaardiging van deze actie alleen kan liggen in de politiek, die wij daarna voeren. Wij zullen op menig gebied radicaler moeten zijn dan wij aanvankelijk bedoelden en ik heb ronduit mijn ongerustheid uitgesproken, omdat de psychische werking op de hele Nederlands-Indische gemeenschap zal zijn dat men gelooft nu met recht en reden een stap terug te kunnen doen. In de politiek op korte termijn is dat ook zo en kan men zich weer allerlei veroorloven, zoals b.v. de gevangenneming van de oude heer Koch. Het instituut van de ambtenarij uit de vooroorlogse politiestaat herleeft weer en een knap man, die er in zijn eentje wat aan doet. Ik heb het hem niet al te ronduit gezegd, maar wel laten doorschemeren, dat ik er met ditzelfde stel mensen geen heil van verwacht.
In het gesprek met Mitcheson zaten twee cardinale punten. De
eerste was, waarom de Engelse regering niet op 19 Juli tussenbeide is gekomen1.. Zijn indruk is - en ik vermoed, dat het wel meer zal zijn dan een indruk - dat Bevin persoonlijk met Marshall hierover heeft getelefoneerd en dat aan Amerikaanse kant zodanige aarzeling bestond - om niet van erger te spreken - dat Bevin, die toen in Parijs zat, niet is overgegaan tot de krachtige stappen, die Mitcheson had voorgesteld. Dat intussen Bevin het met de politiek van Mitcheson niet oneens is geweest, blijkt wel uit een telegram dat deze van Bevin persoonlijk heeft ontvangen, waarin de minister zijn grote erkentelijkheid betuigt voor de wijze, waarop Mitcheson heeft geageerd. Toch heeft het Foreign Office niet helemaal niets gedaan: zelfs tweemaal heeft de Britse ambassade een stap bij de Nederlandse regering ondernomen. Helaas was Sir Neville Bland ziek, zodat het gebeurde door de tweede man en het dus misschien ook daardoor wat minder indruk heeft gemaakt. Intussen vind ik het toch gek, dat ik nooit bij de Dirvo-telegrammen enigerlei bericht van buitenlandse zaken over deze stappen heb gezien. Dat is op zichzelf natuurlijk geen bewijs, dat ze er niet zijn geweest, want ik houd Elink Schuurman voor goed genoeg om deze achter te houden.
Het tweede gedeelte van het gesprek liep over het probleem Djocja. Hierover was hij minder zeker, dan ik uit een mededeling van Just had kunnen afleiden. Het kwam eigenlijk hierop neer, dat hij het met de zakelijke overwegingen volkomen eens was en er ook geen bezwaar tegen zou hebben, indien hij maar de zekerheid kon hebben dat er daarna geen Quislingpolitiek zou worden gevoerd. Daarop was hij, met de stemming zoals die rondom heerst, lang niet gerust. Ten slotte was hij het er wel mee eens dat, nu wij eenmaal begonnen zijn, het een uiterst moeilijke zaak wordt om zonder verdere politieke ontwikkelingen te stoppen.
Er is niet veel kans op dat wij deze man weer in Batavia zullen ontmoeten; hij zal binnenkort naar Bombay vertrekken, maar gaarne leg ik hier nog eens vast met welk een toewijding hij het streven naar een vreedzame oplossing heeft gediend. Laat ik maar geen poging doen om een vergelijking te trekken tussen deze man en Elink Schuurman, die, toen hij op een ogenblik bij Mitcheson binnenkwam, waar een paar republikeinen, o.a. Tanzil, op bezoek waren, die bij zijn komst snel verdwenen, op sneerende toon zoiets toevoegde als: ‘I hope I don't disturb you with your friends,’ waar-
bij het gif natuurlijk in de laatste twee woorden zit, die door Mitcheson dan ook als zodanig zijn geinterpreteerd en overgebracht. Ik geloof nog altijd dat de mentaliteit van Mitcheson meer geschikt is om in Indonesië tot houdbare toestanden te komen dan die van Elink Schuurman.
Met Maassen heb ik die morgen ook nog gesproken over zijn positie bij de commissie-generaal Wij waren het er over eens dat deze - wat er ook gebeurt - niet op dezelfde wijze kan worden gecontinueerd. Na voorafgaand overleg met Van Poll heb ik hem medegedeeld, dat ik aan de minister zal voorstellen zijn ter beschikkingstelling te beëindigen, tenzij er naar de mening van de minister en de commissie-generaal een voor hem duidelijk aanwijsbare en concrete taaie aanwezig zou zijn. Ik kan mij voorlopig nog niet erg best voorstellen, dat wij zulk een taak voor hem zullen vinden en zelf is hij te sloom om daar wat aan te doen.
's Middags, na enkele besprekingen met betrekking tot de Engels-Amerikaanse luchtkartering, kwam De Niet afscheid nemen. Ten aanzien van de algemene politiek was dit gesprek de bevestiging van hetgeen ik al eerder heb gesteld. Hij heeft later nog aan Hannie een brief voor Jonkman meegegeven en ik vermoed, dat daarin wel een vrij krachtige taal zal worden gesproken, waarvan ik aanneem dat die voor Jonkman belangrijk té krachtig is om werkelijk effect te kunnen sorteren. Het zou mij niet verwonderen, indien hij Jonkman adviseert om af te treden.
Verder vertelde De Niet dat Soewandi en Moelia mij heel graag nog zouden spreken, voordat ik wegging, maar dat zij bedankt hadden voor de uitnodiging voor een diner bij Abdulkadir, omdat zij daarin een manoeuvre zagen van Notosoetarso1.. Ik geloof echter niet dat dit juist is, omdat dit contact tot stand is gebracht door Abdulkadir, toen ik terloops in een gesprek opmerkte dat ik graag eens een gesprek zou hebben met Indonesiërs, die als republikeinen kunnen worden beschouwd, maar die de politiek van Djocja verwerpen. Aangezien dat gesprek op Maandagmorgen had plaats
gehad en ik het verder met mevrouw Abdulkadir had geregeld, geloof ik toch dat deze boze veronderstelling niet juist is.
Later op de avond kreeg ik van De Niet nog via Just de mededeling, dat, indien enigzins mogelijk, Moelia en Soewandi mij graag om tien uur bij De Niet thuis zouden ontmoeten.
Aan het diner 's avonds bij mevrouw Abdulkadir, wier man in Bandoeng was, ontmoetten mijn vrouw en ik Prof. Soepomo, ir. Darmawan en Sastromoeljono, een jurist, die vroeger op het kabinet van de G.G. onder Idenburg heeft gewerkt. Van deze mensen mag men aannemen dat zij betrekkelijk dicht bij ons standpunt staan, zij het ook dat Prof. Soepomo in November Linggadjati een onaanvaardbare concessie vond. Persoonlijke avonturen hebben in dit verband soms ook wel betekenis. Zo is zijn vrouw uit Solo eigenlijk min of meer weggevlucht, omdat zij het daar onhoudbaar vond. Dat heeft blijkbaar ook de stemming van manlief tegenover de republiek beïnvloed. Toch was mijn indruk in dit gesprek met deze drie heren, dat ook zij nog niet zagen hoe dit geval moest worden opgelost en van mening waren, dat er bepaald geen haast moest worden gemaakt met een politieke oplossing. Dat zij er ook vóór waren om Djocja te bezetten, lijkt mij niet zo'n wonder.
Sterker was dit het geval in het gesprek, dat ik had met Soewandi en Moelia, die deze consequentie van het militair optreden ook onvermijdelijk achtten. Zij hadden echter vrij ernstige critiek op de politieke houding van het Nederlands-Indische gouvernement. Wat te denken van een figuur als Prof. Bonne, die op de dag van het begin van de operaties bij Moelia kwam met de mededeling, dat men nu de republikeinse universiteit en de universiteit van Indonesië maar moest samensmelten en alvast een federale universiteit stichten. Natuurlijk heeft Moelia hem nul op het request gegeven en hem, zij het met moeite, aan het verstand gebracht, dat de republiek nog bestond en de Nederlandse regering zelfs gezegd had dat zij deze zou laten bestaan. Dit is slechts één verhaal uit vele. Van alle republikeinse apparaten functioneert alleen de CBZ1. nog. Waarom, begrijpt eigenlijk niemand.
Uit het gesprek met Van Mook die middag had ik begrepen, dat Soewandi bereid zou zijn om minister van een nieuwe republikeinse regering te worden. Uit mijn gesprek met hem werd mij duidelijk, dat dit op het ogenblik eenvoudig een illusie is.
In beide gesprekken met de Indonesiërs heb ik er sterk de nadruk op gelegd, dat de vraag of de politieke lijn van Linggadjati kan worden doorgezet en wij niet terug zullen vallen in een semi-koloniaal systeem, vrijwel uitsluitend wordt bepaald door de vraag of de Indonesische wereld zelf in staat is een regering te produceren. In beide gezelschappen verwees men naar de politieke partijen, die nu eenmaal bestaan en door deze militaire actie voorlopig niet zijn weggevaagd en waarvan het ons nog niet duidelijk is of het karakter er van door die actie zal veranderen. De conclusie was dat geen van beide groepen een directe oplossing zag.
Een week in Nederland en nog geen woord van mijn indrukken op papier! Is dat alleen omdat ik vaak te vermoeid was, of zit er ook een zekere gedeprimeerde stemming achter, die zich telkens van mij meester maakt?
Ik kan nu niet al te best meer een chronologisch overzicht geven van hetgeen er deze week is gebeurd. Ik wil daarom liever beginnen met de meest pregnante indruk, die ik van alle gesprekken heb overgehouden, nl. dat in onze kring de neiging bestaat om mij te doen geloven dat, indien ik CG 1901. en vooral ook 1922. veel scherper afwijzend had gesteld en had gezegd, dat ik vierkant tegen militaire actie was, er een grote kans zou zijn geweest, dat, zo al niet de vrede zou zijn bewaard, de positie van onze partij een volstrekt andere zou zijn geweest, omdat zij dan het regeringsbeleid bepaald niet zou hebben gevolgd. Ik bevind mij dus in de fraaie situatie, dat, hoewel men mij iedere formele verantwoordelijkheid op 20 Juni heeft ontnomen3., het thans toch zo gedraaid wordt dat de verantwoordelijkheid voor een uiterst belangrijk gedeelte op mij wordt afgeschoven niet alleen, maar dat ik ook zelf het gevoel krijg, dat ik inderdaad een groot stuk van deze verantwoordelijkheid persoonlijk en in mijn eentje draag. Is het wonder, dat dit alles bij mij zekere bittere gedachten wekt? Heeft Barents gelijk, toen hij in de discussie op Vrijdagavond j.l. met de linkergroep de opmerking maakte dat men tot de conclusie moest komen dat wij, zowel in Nederland als in Batavia, mensen hadden, die op het critieke ogenblik van te
klein formaat bleken te zijn? Het is mogelijk en, voor zover het mijzelf betreft, komt dat dan tot uitdrukking in de opvatting, waarvan ik ook naar buiten blijk geef, dat ik op het beslissende moment niet hard genoeg was en in het bijzonder niet sterk genoeg tegen het milieu. Ik heb achteraf nog sterker dan te voren het gevoel, dat ik en al diegenen, die tegen de militaire actie waren, gelijk hadden. Des te sterker is de katterigheid, nu men mij hier tracht te suggereren dat, indien ik inderdaad in CG 192 een resoluut ‘neen’ had laten horen, deze oorlog zou zijn voorkomen. Aan de andere kant staat daar echter tegenover dat Piet Sanders, die toch waarachtig scherp genoeg stond en in het algemeen zeer resoluut is, na kennisname van CG 192 zei dat dit een voortreffelijk telegram was.
Ik heb de laatste paar dagen over dit alles veel nagedacht, brieven en G.V.'s herlezend, die betrekking hebben op deze critieke periode. Hoe langer hoe sterker kom ik onder de indruk van de vraag hoe het in vredesnaam mogelijk is dat men in Den Haag niet geweten heeft welke strijd ik eigenlijk voerde en welk standpunt ik innam, ondanks de inderdaad té onduidelijke telegrammen. Het sterkste is dit misschien neergelegd in de brief van 2 Juli1. aan Koos Vorrink. Met deze brief heb ik tot heden toe niet gewerkt en pas gisteravond las ik deze nog eens voor aan Barend en Lieneke, die deze ook niet kenden en perplex stonden bij het horen van de tekst, omdat die volkomen duidelijk is. Ik geef daarin niet zonder bitterheid een beschrijving van de machteloze positie, waarin ik mij voelde in het gevecht van het enige centrum tot behoud van de vrede uit, dat in Batavia nog bestond.
Natuurlijk staan daar voor Koos de telefoongesprekken van Vrijdag en Zaterdag 18 en 19 Juli tegenover, waarover ik op bladz. 5142. heb gerapporteerd. Hij heeft toen over het telefoongesprek van Vrijdag zijn indruk als volgt weergegeven, nl. dat Setyadjit min of meer een zenuwtoeval had en dat ik er ook geen raad meer mee wist, indien er geen hulp van buiten kwam. Bovendien heeft Koos zijn houding ook gegrondvest op een telegram van Frans Goedhart, die evenmin meer een uitweg zag en die in dat telegram de gedachte had gepropageerd, die hij ook tegenover mij had uitgesproken3., nl. bemiddeling door b.v. Canada of Zwitserland. Die laatste gedachte was blijkbaar door onze partij absoluut verworpen,
vooral door het noemen van Zwitserland, zodat ook ten aanzien van Goedhart de conclusie overbleef, dat hij er geen gat meer in zag.
In dat telegram van Frans komt het dilemma, waarin de regering verkeerde, misschien nog het scherpst tot uitdrukking. Immers een buitenstaander kan zich veroorloven om zijn standpunt tegen de militaire actie te handhaven en dan met een andere weg aan te komen dragen, die op dat ogenblik onbegaanbaar is en geen politieke realiteit. De regering kan zich dat niet veroorloven en moet zich houden aan de politieke mogelijkheid. Ik blijf nog altijd op het standpunt staan, dat, nadat de regering twee maal de machtiging had gegeven, onze partijministers niet meer in de positie verkeerden, dat zij er de derde keer uit konden lopen. De enige reden zou zijn geweest, dat de omstandigheden de derde keer belangrijk anders waren en dat er een betrekkelijk bevredigend antwoord van de republiek beschikbaar was. De ellende was echter, dat men op dat ogenblik juist het gevoel had, dat het niet meer ging om het formele antwoord en de vraag, of dit al dan niet bevredigend was, maar om de wijze, waarop Djocja manoeuvreerde.
Tot op zekere hoogte hebben dus op Donderdag en Vrijdag, zowel Frans Goedhart als ik dan, niettegenstaande wij beiden tegenstanders waren van vechten, hetgeen aan de partijleiding bekend was, juist daardoor bijgedragen tot het aanvaarden van de beslissing, omdat wij geen bruikbaar alternatief konden aangeven.
Hier ligt een volgende moeilijkheid. Jonkman merkte in het gesprek, dat ik jl. Vrijdagmorgen met hem had, op, dat het een fout van mij is geweest, dat ik mij, bij de beoordeling van de toestand, te veel rekenschap heb gegeven van de politieke verhoudingen en mogelijkheden in Nederland. Volgens hem was het beter geweest, wanneer ik uitsluitend van Indisch standpunt uit, op grond van de plaatselijke omstandigheden, een oordeel over de situatie zou hebben gegeven. Die redenering gaat echter slechts zeer gedeeltelijk op, omdat ik dan al de eerste de beste keer, nl. op 17 Juni, een afzonderlijk advies zou hebben uitgebracht, hetgeen door de partijvoorzitter was gevraagd te voorkomen1.. Rekening houdend met dit verzoek, handelde ik reeds tegen de opvatting van Jonkman in. Jonkman moet echter wel bedenken, dat, indien ik zulks zou hebben gedaan, de Partij van de Arbeid op zijn minst genomen zou zijn gesprongen, het Kabinet in moeilijkheden zou zijn geraakt en oorlog het enig zekere product
van deze manipulatie zou zijn geweest. Ik ben het dus in zo verre met Jonkman bepaald niet eens. Ik heb eigenlijk even veel recht om te zeggen dat men in Nederland te weinig rekening heeft gehouden met de omstandigheden, waaronder ik in Indië heb moeten werken. Indien ik in de felle oorlogsstemming, die daar heerste, kwam tot het beoordelen van de oorlog als één van de mogelijkheden naast andere, waaraan ik de voorkeur gaf, dan had dat toch reeds te denken moeten geven.
Vanzelf kom ik op deze dingen weer terug, nu ik begin met enkele gesprekken uit de afgelopen week naar voren te halen.
Het eerste gesprek vond plaats direct op Zaterdagavond na de aankomst1., toen wij van Beel een uitnodiging ontvingen om 's avonds met hem in de Vieux Doelen te eten. Ik liep daar Van Maarseveen tegen het lijf en zat met hem te praten, toen Beel en ook Van Poll arriveerden, en het gevolg was, dat ook Van Maarseveen met ons heeft gegeten, boven op de kamer van Van Poll. Het werd een algemeen overzicht van de laatste gebeurtenissen, waarbij ook mijn opvattingen inzake de consequenties van het militair optreden tegenover Djocja scherp werden gesteld en ik Beel in herinnering bracht, dat wij hierover op 15 Mei in Batavia al hadden gesproken2.. Van Maarseveen pretendeerde dat hij mijn telegrammen wel degelijk had begrepen. Het is best mogelijk, maar dan heeft hij van zijn gezichtspunt uit mijn anti-oorlogsstemming natuurlijk genegeerd en er hoogstens uit genomen, dat ik vond dat men met een beperkte actie niet zou kunnen volstaan. Ik heb Beel verteld dat achter het laatste telegram CG 192 mijn hoop op Britse interventie stak en dat ik wist dat Mitcheson in dit opzicht zeer krachtige voorstellen had gedaan, waarvan ik helaas moet aannemen, dat de Amerikanen Bevin niet alleen niet hebben ondersteund, maar de uitvoering zijner plannen vrijwel hebben verijdeld3.. De ongelukkige mededelingen van Elink Schuurman aan Mitcheson op Vrijdag 18 Juli, memoreerde ik, maar vertelde er natuurlijk niet bij dat deze volkomen in onze kaart had gespeeld. Ook Beel bevestigde weer dat de Britten geen stappen hadden gedaan.
In dit gesprek was het mij volkomen duidelijk, dat Beel zeer sterk overhelt naar militaire actie tegen Djocja, maar zich er van
bewust is dat dit politiek zowel naar de kant van de Partij van de Arbeid als internationaal niet mogelijk is.
Die middag om vier uur was er ministerraad geweest. Beel vertelde ons met geen woord, wat er was besproken. Ook wij moesten dat, niettegenstaande onze functie, de volgende dag door de radio horen, nl. dat Nederland voldaan had aan het verzoek van de Veiligheidsraad en de order had gegeven in de nacht van 4 op 5 Augustus de vijandelijkheden te staken. Ik vond dat echt weer een staaltje van de manier, waarop de heren ons tracteren. Ik ontdekte dat inintussen pas later, zodat het mijn humeur tijdens het gesprek met Beel niet verpestte. Toch geloof ik dat ik hem in dit gesprek toch weer niet erg tactvol, d.w.z. met zijden handschoenen en de nodige onderdanigheid, heb behandeld.
Zondagmorgen om half elf was er een bespreking met de z.g. Big Four uit de partij, d.w.z. Koos Vorrink, Logemann, Van der Goes van Naters en Joekes, waarbij zich Vos en Mansholt hadden aangesloten. Dat werd een niet al te vruchtbare bespreking over het verleden, waarbij over en weer een zekere hoeveelheid verwijten werden gemaakt, al ging het dan ook niet op een onvriendschappelijke toon; maar erg vruchtbaar was het toch niet. Ik heb daarover in het bovenstaande al de nodige algemene opmerkingen gemaakt. Daar kreeg ik voor het eerst duidelijk te horen, dat men tegen mijn telegrammen CG 1901. en vooral CG 1922. bezwaren had wanwege onduidelijkheid en weinig beslistheid. Er kwam, wat CG 192 betreft, bovendien bij dat dit telegram in de ministerraad kwam, nadat de beslissing reeds was gevallen. Het kwam op het laatste ogenblik, werd voorgelezen en kon toen de genomen beslissing niet meer wijzigen. Toch vind ik het achteraf vreemd, dat op dat moment Vos en Mansholt althans niet hebben gezegd, dat, indien de interventie alsnog kwam, zij zich verder alle vrijheid voorbehielden.
Uit het probleem van de drie uren voor de vragen op 28 Juni zijn wij niet gekomen3.. Vos vooral stelde zeer sterk, dat toen Van Mook de opdracht gaf voor de voorbereidings-drie-dagen, de zaak eigenlijk al beslist was. Ik heb hem dit bestreden, maar het schijnt dat men in de ministerraad geen zuiver denkbeeld heeft gehad van de betekenis van de splitsing van de vijf voorbereidingsdagen in een periode van drie en een van twee. Vos verkeerde op dat moment in
de waan, dat die eerste termijn van 30 Juni zó al onmogelijk was. Ook hier dus weer het zoveelste misverstand, dat toch eigenlijk door Jonkman, met de gegevens in zijn vingers, had moeten kunnen worden opgehelderd.
Zondagavond1. om 6 uur hoorde ik in Rotterdam, waar ik die dag en verder tot Dinsdag logeerde, door de radio, dat Sjahrir naar New York zou gaan en tevens het bericht van het staken der vijandelijkheden. Ik zag toen plotseling voor mijn geest de behandeling van de Indonesische zaak in de Veiligheidsraad, enerzijds door Van Kleffens, d.w.z. door een man, die mij vroeger al eens had gezegd, dat hij voor een Indonesische werkkring niets zou voelen, omdat hij er onvoldoende belangstelling voor had en er daarom te weinig in zat. Daarnaast zag ik het portret van Sjahrir met grote headlines in alle Amerikaanse bladen op de dag van zijn aankomst zonder enige compensatie van ons. In de derde plaats schemerde vaag door mijn hoofd de mogelijkheid om met Sjahrir in Amerika in contact te komen. Ik greep de telefoon en bracht aan Logemann de gedachte over, dat de regering mij naar New York zou zenden met het oog op alle drie bovenstaande overwegingen, waarbij dan nog kwam dat mijn uitzending naar Amerika in de P.v.d.A. zonder meer appaiserend zou werken. Logemann vond het een pracht-idee en was er direct enthousiast voor. Daarna probeerde ik Beel te pakken te krijgen om hem dit aanbod te doen. Beel belde mij later op de avond uit Rolduc op, ik legde het hem voor en het was mij ogenblikkelijk duidelijk dat hij zeer weinig enthousiast was voor dit plan.
Ik wil daar nu de lijdensgeschiedenis van de afgelopen week maar direct achter vermelden.
Maandagmorgen belde ik er met Jonkman over, die er direct ook veel aantrekkelijks in zag en het 's middags in de ministerraad zou verdedigen. 's Avonds heb ik het aan Barend en Lieneke in Rotterdam ook uiteengezet. Barend ging daarna nog 's avonds laat naar Mansholt om o.a. ook hem hierover in te lichten. Vos had ik Maandagmorgen door de telefoon reeds ingelicht, en deze mensen waren er eveneens van overtuigd, dat het, zowel naar binnen als naar buiten, een goede bevestiging van de woorden der regering zou zijn2..
Maandagavond hoorde ik van Barend al dat dit in de ministerraad scheef was gegaan. Beel had er niet over gesproken en Mansholt deed het voorstel. Beel reageerde echter op dit voorstel van Mans-
holt, zoals Barend zei, alsof hij door een adder werd gebeten. Hij heeft het zeer bepaald afgepoeierd en had daar o.a. als argument bij gebruikt dat uit het gesprek op Zaterdagavond toch gebleken was, dat er tussen mijn opvattingen en de regeringspolitiek belangrijke verschillen bestonden. Beel telefoneerde mij ook Maandagavond en vertelde dat hij het in de ministerraad ter sprake had gebracht, maar dat men er ernstige bezwaren tegen had en dat hij mij dat graag mondeling uiteen zou zetten. De afspraak daarvoor kwam op Woensdagmorgen 9 uur terecht, waarbij wij dan een uur de tijd hadden, omdat er om 10 u. ministerraad zou zijn, waarin wij zouden worden ontvangen. Dat gesprek vond inderdaad plaats en had een zeer weinig bevredigend verloop. Hij gooide het over die boeg, dat men in geen geval onderhandelingen op Amerikaanse bodem en onder druk van de Amerikanen wenste tussen Sjahrir en mij, zonder dat Van Mook er van af wist en evenmin de regering. Of ik trachtte duidelijk te maken, dat het mij niet om onderhandelingen begonnen was, maar om een eerste contact en zulks in overleg met Van Kleffens, dat haalde allemaal niet veel uit. Het was mij volkomen duidelijk, dat hij niet wilde en dat de zakelijke argumenten misschien zelfs van de tweede orde waren. Mijn opmerking, dat een dergelijke missie een zekere bevrediging in de Partij van de Arbeid zou geven, maakte blijkbaar ook geen indruk en had, naar ik achteraf vermoed, wellicht zelfs een negatieve uitwerking.
In de loop van het gesprek kwamen wij er natuurlijk ook op hoe men zich van regeringswege voorstelt hier uit te komen; helaas kreeg ik daarop niet veel antwoord. Het enige was, dat ik hoorde wat Beel beslist niet wilde, nl. verder gaan met de Veiligheidsraad en bemiddeling daarvan aanvaarden. Toen ik hem vroeg, wat hij zich dan voorstelde te doen, indien druk in deze richting aanhield, kon hij geen positief antwoord geven. Ik heb hem verder royaal aangeboden om in elk opzicht behulpzaam te zijn en stelde mijn diensten volledig ter beschikking. Even later was het antwoord daarop echter, dat hij meende mij te moeten zeggen dat men mij als onderhandelaar minder geschikt vond, omdat ik te impulsief was. Hieruit vloeit dus voort dat men voorlopig van mijn diensten geen gebruik zal willen maken en toen ik opmerkte, dat men dan ook de opheffing van de commissie-generaal, waarover hij al eerder had gesproken, met spoed zou moeten doen plaats vinden, meende hij te moeten zeggen dat de regering daarna nog best op de een of andere wijze van mijn diensten gebruik zou kunnen maken. Dit heb ik ech-
ter radicaal afgewezen. Ik heb hem gezegd, dat ik nu één keer had beleefd dat de regering een bepaalde positie had geschapen, waarop ik geen enkele invloed kon uitoefenen1., terwijl ik aan het eind werd gehanteerd om dit geval mede voor mijn verantwoordelijkheid te laten komen2. en dat ik daar een tweede keer voor bedankte. Indien de regering meent van mijn diensten gebruik te kunnen maken, dan wens ik nu van het begin af aan mee te spelen en medeverantwoordelijkheid op een of andere wijze te dragen. Zo niet, dan is het voor mij ook afgelopen. Ik heb hem daarbij nog eens in zijn schoenen geschoven, dat ik het toch waarachtig niet zo dwaas zou vinden, indien de regering de commissie-generaal, die belangrijk meer kijk heeft op en ervaring van de Indonesische situatie dan het gemiddelde van de leden van de ministerraad, in haar beraadslagingen zou betrekken.
Ik had van dit gesprek maar één indruk: Beel wil de hoofdrol spelen en is er benauwd voor, dat mijn gaan naar Amerika zijn positie weer enigszins in de schaduw stelt. Het verdere verloop van dit drama bevestigt dit volkomen.
Diezelfde Woensdag, nadat wij door de ministerraad waren gehoord, vergaderden de heren nog door en is hetzelfde punt weer aan de orde gekomen, met hetzelfde negatieve resultaat. Het kwam er eigenlijk op neer, dat men mij niet als P.v.d.A.-man alleen wilde laten gaan en het meegaan van Van Poll niet als voldoende tegenwicht beschouwde. Toen Vos vroeg dan een andere K.V.P.-er mee te sturen, kwam voor den draad dat zij eigenlijk niemand beschikbaar hadden en men kreeg toen dus het fraaie schouwspel, dat vanwege het feit, dat de K.V.P. geen mensen heeft, ook die van ons maar onder de stolp moeten blijven en dat de dienst, die in benarde omstandigheden aan het land kan worden bewezen, secundair is. Natuurlijk zullen de heren dat nooit toegeven en zullen zij altijd wel kans zien er een andere draai aan te geven, maar ook deze factor blijft een belangrijke rol spelen.
In het gesprek met Jonkman op Vrijdagmorgen ben ik op deze zaak teruggekomen en heb ik ronduit gezegd, dat ik er geen bezwaar tegen had in dit geval de positie van Van Kleffens in de Veiligheidsraad niet alleen volkomen onaangetast te laten, maar hem ook verder als de eerste vertegenwoordiger van de Kroon in Amerika te beschouwen en te behandelen. Verder kon ik toch heus niet gaan.
Vrijdag in de loop van de dag, of Zaterdagmorgen, is er nog een gesprek over geweest tussen Beel, Van Boetzelaer, Drees en Jonkman, maar uit de bespreking van de Big Four uit de partij en de partijministers op Zaterdagmiddag, waar alleen Lieftinck en Mansholt mankeerden, bleek mij dat Beel niet had toegegeven en verklaarden onze partijministers dat dit niet te winnen was ook. In die bespreking kwamen wij natuurlijk wel tot de conclusie, dat men geen crisis kan uitlokken op basis van zulk een persoonlijke zaak, maar Koos Vorrink was er toch uitermate bitter over. Dat de heren van de K.V.P., en in het bijzonder Beel, geen oog blijken te hebben voor de moeilijke positie, waarin onze partij zich bevindt en niet bereid zijn te aanvaarden, al ware het alleen maar omdat het naar onze kant de zaken zou vereenvoudigen, vond hij afschuwelijk. Het voorstel was dat een paar uit de Big Four daarover nog eens met Beel zouden praten, maar ik verwachtte daarvan niet het minste resultaat en dat is geloof ik ook wel juist gebleken. Het is inmiddels Dinsdagmorgen en het enige nieuws in dit opzicht is, dat Neher vanmorgen naar Batavia is vertrokken1..
Deze reis van Neher, gepaard aan het feit, dat men ons daar volkomen buiten heeft gehouden, is weer het zoveelste bewijs ervan, dat het Kabinet de commissie-generaal aan de kant wenst te schuiven, maar dat het haar op het ogenblik, met het oog op de politieke situatie in de P.v.d.A., niet past het nú te doen. A.s. Vrijdag en Zaterdag is er partijcongres en ik voer op het ogenblik een zware strijd met mijzelf welke houding ik dan zal aannemen. In het aangezicht van hetgeen Beel in het schild voert ten aanzien van mij, zou er eigenlijk uit politieke overwegingen maar één weg zijn, nl. nog deze week bedanken en dit op het congres mededelen. Indien ik daar verder de kaarten open leg, is het uiterst waarschijnlijk dat dit tot grote moeilijkheden aanleiding zal geven. Voorlezing van mijn brief van 2 Juli2. zal een storm doen opgaan, die zich echter keert tegen de partijleiding. Dat laatste feit weerhoudt mij van deze openhartigheid, omdat ik toch geloof dat wij een breuk in de partij beslist
moeten vermijden. Daarvoor zijn er immers te weinig klare scheidingslijnen.
Verder staan wij nog steeds op het standpunt van de Engelse partij-indeling, waarbij wij naar een grote groepering streven met de vrijheid voor duidelijke meningsverschillen naar binnen. Ik mag nu zelf dat systeem niet torpederen door in een uiterst gevoelige situatie in een partij, die aan dat beginsel nog niet gewend is en al te individualistisch-Nederlands denkt, het conflict, dat in de kiem aanwezig is, door mijn houding aan te wakkeren en tot ontwikkeling te brengen. Een eerste eis daarbij is, dat ik mij, ondanks alle ergernis en grieven van persoonlijke aard, zo goed mogelijk vrij maak van al hetgeen op mijn eigen persoon betrekking heeft. Ik las zojuist nog weer eens: ‘Het gebed van den harpspeler’ van A.R. Holst, dat mij in dit opzicht de weg wees en boven alle kleinheid uit tilde.
De ministerraad van 6 Augustus1. leverde eigenlijk niet zo erg veel op. Ik had er tevoren een paar notities voor gemaakt en in mijn betoog ging ik uit van de bestaande situatie, opmerkend dat ik de militaire actie als een politieke realiteit had moeten aanvaarden en in onze omstandigheden geen andere weg had kunnen aanwijzen. Ik legde er echter de nadruk op, dat dit betrekkelijk onafhankelijk was van mijn eigen persoonlijke mening omtrent de doelmatigheid van de ingeslagen weg. Ik constateerde dan verder een aantal feiten, nl. dat men door geweld de ideeën niet doodt en dat het, zelfs bij vernietiging der extremistische exponenten als Boengtomo2., niet onmogelijk was dat zijn extreme ideeën door anderen zouden worden overgenomen. Verder dat internationale bemiddeling vóór het conflict ten detrimente van de republiek zou zijn geweest en na het conflict in hoofdzaak in ons nadeel zal werken. Voorts, dat te verwachten is, dat de republiek zal streven naar een toestand, die verder reikt dan Linggadjati deed.
Ten aanzien van de constructieve gedachten heb ik aangegeven, dat ik alleen een oplossing zag, indien het bestuur van het land, ook in de door ons nieuw bezette gebieden, weer zou komen te rusten op de Indonesische politieke partijen en niet op door Van Mook bij elkaar geharkte individuen. Het laatste is een geraffineerd koloniaal systeem, het eerste is hetgeen wij in Linggadjati hebben erkend
en ook verder willen nastreven. Ik heb duidelijk de nadruk gelegd op de grote tegenstelling in het geestelijk klimaat tussen Batavia en hetgeen de regering zegt te willen. Ik heb getracht hen er van onder de indruk te brengen, dat men daar een eigen politiek voert, die op een mentaliteit berust, die kolonialer is dan die van vóór de oorlog. Ik kreeg bij dit betoog duidelijk de steun van Jonkman, die enige keren zijn instemming betuigde.
Toen ik het over de sfeer van Batavia had, preste hij mij ook om mijn oordeel over Van Mook te geven. Ik begon met te zeggen, dat ik hem nog altijd een grote figuur vind, die met kop en schouders boven de rest uitsteekt, maar dat ten slotte toch ook bij hem de invloed van een mensenleven lang werken onder koloniale verhoudingen duidelijk merkbaar was, terwijl de republiek hem in twee zeer gevoelige punten persoonlijk heeft getroffen, nl. door de aanvankelijke afwijzing van de positie van de landvoogd en door de agitatie tegen de federale structuur. Ik heb ronduit verklaard, dat, naar mijn overtuiging, het crediet van Van Mook bij de Indonesiërs, op grond waarvan ik nog in Mei in Nederland voor zijn positie heb gestreden, thans aan republikeinse zijde compleet zal zijn opgesoupeerd en dat dit de reden is waarom hij niet geschikt is om de vrede te organiseren.
Barend had een gesprek met Logemaan gehad, waarin hij had laten doorschemeren, dat ik er erg dicht aan toe was om de zaak er bij neer te gooien. Daar was Logemann natuurlijk nogal van geschrokken, omdat hij wel begreep dat dit politieke consequenties zou hebben en voor de partijleiding niet zou vereenvoudigen de tot heden gevolgde politiek te verdedigen. Woensdagavond van 7 tot 8 had ik hierover nog een bespreking met hem, waarin ik hem in zoverre heb gerustgesteld, dat ik nog niet tegen Beel of Jonkman had gezegd dat ik er mee ophield. Wel heb ik hem meegedeeld, dat ik Beel nogal kras had toegesproken, al was het dan ook zonder daaraan conclusies te verbinden. Aangezien ik me zeer goed bewust ben van de gevolgen van zulk een stap, kon ik hem vrij gemakkelijk geruststellen door te zeggen dat ik daartoe niet zou overgaan zonder nadere voorafgaande mededeling hierover aan de partijleiding.
De volgende morgen, dus op Donderdag 7 Augustus, had ik allerlei gesprekken, o.a. met Von Balluseck, met de Engelse Labour-attaché Greenhough en met De Kadt. Het laatste was het meest interessante, omdat deze man behoort tot de partijoppositie en op het congres een inleiding zal houden. Met hem heb ik de hele gang van
zaken zeer openhartig en vertrouwelijk besproken, mede aan de hand van de stukken en, hoeveel critiek hij ook op het feit mocht hebben, dat ik mijn standpunt niet scherper had geformuleerd, toch kwam het ook hem wel enigszins vreemd voor dat men in twijfel zou hebben verkeerd omtrent mijn wezenlijke bedoeling. Wel achtte ook hij het volstrekt noodzakelijk, dat ik mijn standpunt in Nederland en in het bijzonder in de partij toch duidelijk tot uitdrukking zou brengen. Er mocht geen twijfel over blijven bestaan, welke mijn wezenlijke gezindheid was, ook al moest ik er dan bij zeggen dat ik die met onvoldoende kracht tot uitdrukking had gebracht. Het argument voor mijn houding, nl. niet van Batavia uit een Kabinetscrisis te forceren, was voor hem kennelijk niet overtuigend. Hij meende dat er een redelijke kans zou hebben bestaan, dat onze ministers het Kabinet om zouden hebben gekregen. Ik ben en blijf dat volstrekt met hem oneens.
Van Donderdag, 7 Augustus, wil ik nog melding maken van het telefoongesprek met mijn vrouw en met Just de Visser. Van beiden kreeg ik een hoogst miserabele indruk omtrent de stemming in Batavia. Mijn vrouw was in Patjet geweest, maar had het daar blijkbaar niet erg prettig gevonden, want de stemming was, zoals zij zei, vijandig tegenover haar. Van wie dat nu uitging, weet ik niet precies, maar ik vrees dat deze houding van de Nederlanders valt toe te schrijven aan de wetenschap omtrent mijn standpunt. Ook van Just kreeg ik geen andere indruk dan dat men op dat moment al dodelijk met de zaak verlegen was. Hij vertelde dat men uitkomst verwachtte, hetzij van de kant van Van Kleffens, hetzij van de ministerraad, maar dat de Nederlands-Indische regering eigenlijk geen gat meer zag in de zaak. Ik vind dat wel een enorm verschil met de stemming, zoals die op 21 en 22 Juli in dezelfde kringen heerste, ja zelfs nog op Woensdag 30 Juli, toen wij Batavia verlieten. Op die Donderdag, 7 Augustus, had echter het besluit van de Veiligheidsraad al enige tijd op de stemming in Batavia ingewerkt. Ik vraag mij overigens af of Van Mook en Spoor zich op dat moment ook realiseerden, dat hetgeen de regering verlangt precies datgene is, wat Van Mook in CG 172 zelf heeft voorgesteld1.. Zij hebben toch te
voren zelf nooit enige gedachte geopperd in zake een uitgebreider actie? Indien de Veiligheidsraad niet zou zijn opgetreden, zou de actie omstreeks dezelfde tijd als nu het geval is geweest zijn stop gezet, uitgezonderd het feit dat Djambi nog had moeten worden bezet. Natuurlijk hebben zij in zoverre gelijk, dat het optreden van de Veiligheidsraad ten gunste van de republiek deze veel brutaler maakt dan zonder dat het geval zou zijn geweest. Dientengevolge is ook de vrees onder de republikeinse anbtenaren voor intimidatie in de door ons bezette gebieden groter geworden, maar dat is dan ook precies het enige: al het andere hadden zij beiden kunnen voorzien.
Donderdagmiddag1. had ik verder nog een gesprek met de Big Four2., waarvan ik mij de bijzonderheden nu, na twaalf dagen, niet meer herinner, maar dat een bevredigender verloop had dan het eerste van Zondagmorgen. De besprekingen in de ministerraad werden aan een nabeschouwing onderworpen en er werd afgesproken, dat Logemann en ik een gesprek zouden voeren met Jonkman, liefst op Vrijdagmorgen, waarin Logemann terug zou komen op een briefje, dat hij aan Jonkman had geschreven over de overschrijding van de beperkte militaire actie door het tot stand brengen van de verbinding Tegal-Semarang langs de Noordkust en eigenlijk meer in het algemeen over de vraag, of - zoals hij dat in het briefje had geformuleerd - onze ministers uit het Kabinet liever struikelden over de Partij van de Arbeid dan over de K.V.P. In dit verband kwam die middag ook mijn reis naar Amerika3. nog weer ter sprake.
Het gesprek van Logemann met Jonkman vond inderdaad plaats. Ik kwam om half twaalf, en Logemann om twaalf uur, bij Jonkman thuis, die nog rust moest houden vanwege zijn wondroos. In het persoonlijke gesprek ging het nog eens over CG 1904. en CG 1925., waarvan de term ‘ik hel over’ in CG 190 in de laatste weken dreigt plat te worden. In dit gesprek kwam hij met het reeds hierboven vermelde verwijt6., dat ik mij te sterk had laten leiden door overwegin-
gen in zake de Nederlandse politiek. Ik heb dat toen op dat ogenblik niet met voldoende kracht weersproken, maar wil dat toch bepaald nog eens doen, omdat ik dit van de man, die zichzelf altijd een politiek minister noemt, toch eigenlijk een vreemde uitspraak vind. Voor de rest haalde dit gesprek, ook samen met Logemann, toch eigenlijk niet veel uit. De stemming was wel prettig, maar het merkwaardige is dat men van deze man zelden een of andere positieve uitspraak krijgt. Ten aanzien van de bezetting van de lijn Tegal-Semarang was er een motivering van Van Mook, waarvan ik het ongeluk had die volledig voor te lezen, nadat Jonkman had gezegd dat dit was geschied ter bescherming van Chinezen te Pekalongan. Dit laatste was op zichzelf wel juist, maar als belangrijk voordeel noemde Van Mook ook de mogelijkheid tot afsluiting van de Noordkust over een breder gebied, waardoor wij de smokkel beter konden beteugelen. Direct zei Jonkman, dat het verstandiger was dat argument weg te laten bij de verdediging van deze overschrijding, omdat dat verkeerd zou w