Officieel wordt medegedeeld, dat de heer F. de Boer, lid van de commissie-generaal, in den onbevredigenden gang van zaken sinds November 1946, zoowel in Nederland als hier te lande, aanleiding heeft gevonden om zijn mandaat ter beschikking te stellen.
Voorts wordt officieel gemeld, dat prof. S. Posthuma en prof. mr. J.H.W. Verzijl in den jongsten gang van zaken aanleiding hebben gevonden tot het besluit, thans geen benoeming in de commissie-generaal meer te aanvaarden. Over de motieven van dit besluit wenschten zij zich op het oogenblik nog niet uit te laten.
Aldus een officieel communiqué.
Met zeer groot leedwezen vernemen wij, dat de heer De Boer zijn mandaat ter beschikking heeft gesteld - een daad, die het gezag van de commissie-generaal verzwakt en in de toch reeds moeilijke en geïrriteerde situatie een nieuw element van onzekerheid en geprikkeldheid brengt. Het feit, dat de heer De Boer zijn mandaat ter beschikking stelt - een formule, die een anderen inhoud heeft dan een ontslagaanvrage - geeft eenige hoop, dat er mogelijkheden bestaan om den weg terug in te slaan. Niet vele, dunkt ons.
De mededeeling van de heeren Posthuma en Verzijl heeft in ieder geval een geheel andere beteekenis dan de stap van den heer De Boer. Hun houding is volkomen duidelijk. Terwijl er geen reden te is gelooven, dat's heeren De Boer's inzichten in de overeenkomst van Linggadjati, aan wier totstandkoming hij heeft medegewerkt en die hij heeft geparafeerd, zijn veranderd, kan van de beide aspirant-commissarissen worden gezegd, dat zij van den aanvang af géén voorstanders van Linggadjati waren. Zij beiden hebben een benoeming aanvaard op de basis van de motie-Romme. Zij beschouwden de volledige aanvaarding van de Nederlandsche interpretatie door de republiek als het ‘uiterste minimum’. Het is consequent, dat zij thans geen verantwoordelijkheid willen dragen voor een onderteekening of uitvoering op andere basis dan deze, en dit is hun goed recht.
In het bijzonder prof. Posthuma is met groot scepticisme aan zijn taak begonnen. Dit leidde er meteen toe, dat van den aanvang van zijn optreden af - de facto als lid der commissie, al droeg hij den titel van adviseur - in
camera, zooal geen verdeeldheid, dan toch aanzienlijke wrijving ontstond. Die was sedert de aankomst van prof. Verzijl eer toe- dan afgenomen. Wij betreuren het vertrek van deze heeren niet. Wie dit werk begint, moet het doen met onuitputtelijk vertrouwen en nimmer falend geloof in een nieuwe toekomst op de basis van Linggadjati. De fout ligt niet bij de beide hoogleeraren, maar bij de Nederlandsche regeering, die, blijkbaar in de verwachting van Linggadjati alsnog een ‘nationale zaak’ te maken, twee figuren aanwees, die deze fundamenteele instelling volkomen misten, Dat kon nooit goed gaan. Na de 1e kamer-rede van den heer Jonkman, waarin de minister o.a. zeide dat hij zijn pogingen opgaf om de oppositie te overtuigen, en aldus de ‘nationale zaak’-werkbasis opgaf, was het alleen nog de vraag, wanneer de heeren zouden vertrekken. Nogmaals: het zou schromelijk onrechtvaardig zijn deze beide bekwame Nederlanders van dezen gang van zaken een verwijt te maken. De fout ligt primair in den Haag.
Hiermede komen wij nu vanzelf tot den heer De Boer. Wij gelooven, dat de achtergrond van den stap, die hij genomen heeft in de eerste plaats terug te voeren is tot een scherpe reactie op hetgeen zich afgespeeld heeft sedert Linggadjati werd geparafeerd. In de eerste (niet in de voornaamste) plaats een persoonlijke, emotioneele reactie: hetniet-politieke lid van de commissie-generaal is diep onder den indruk gekomen van de wijze, waarop de groote ‘men’ in Nederland niet slechts de bekwaamheid en goeden wil van hem en zijn medeleden, maar hun integriteit en vaderlandsliefde in twijfel stelde. Wie zich alleen herinnert hoe op de grofste wijze is geïnsinueerd, dat de heer Van Mook en de uit Nederland gezonden vertegenwoordigers der regeering persoonlijk rechtstreeks belang zouden hebben bij Linggadjati, weet geen tiende van wat er alzoo over deze met de hoogste verantwoordelijkheid bekleede figuren is gezegd. De heer De Boer is van deze ‘critiek’ zeer onder den indruk gekomen. Hij wist dat ze bestond - maar hij had nooit aan den lijve ondervonden, wat het geestelijke gepeupel der natie bij gelegenheid aandurft.
Hij was nu niet langer in de rol van den toeschouwer, die het hoofdschuddend aanziet: hij zat er middenin. Wij willen dit aanstippen; wij gaan er niet verder op in.
Wat belangrijk was, is dat door de ontwikkeling der gebeurtenissen het goede moment om met een schoone lei te beginnen voorbijging. Dit is veler opinie. Toen de regeering zich aan de motie-Romme gebonden had, was er, als wij het goed begrijpen, voor hem ook geen wijken meer. Hij was voorstander, en van harte, van Linggadjati; men had echter dit Linggadjati, althans wat het voor hem impliceerde, nu van zijn beste perspectieven beroofd. Nu echter eenmaal een koers vastgesteld was, behoorde men die ook te volgen. Voor wie zoo nu en dan wel eens iets uit de omgeving van de commissie-generaal verneemt, heeft de volgende hypothese veel aantrekkelijks: de heer De Boer meent dat het prestige van de regeering onmogelijk gediend kon zijn met een compromis, vulgo een terugkomen op haar beslissing - hoezeer zij die beslissing op zichzelve mocht betreuren. Dit standpunt schijnt uiteindelijk geleid te hebben tot den thans gepubliceerden, maar reeds eenige dagen geleden genomen stap.
Wij zeggen het met diep verdriet (en met volledig begrip naar wij hopen
van een volstrekt open en eerlijk karakter als dat van dezen man): deze stap verraadt een tekort aan besef van publieke verantwoordelijkheid. Men kan niet uit dit schuitje stappen zonder brokken te maken. De ontwikkeling van den toestand legt een zwaarder last op de commissie-generaal dan zij had kunnen hopen: dat bij de toch al ontzaglijke moeilijkheden, waarvoor zij zich gesteld ziet, nog andere worden gevoegd, die haar hadden kunnen blijven bespaard, is jammer - maar, als het zoo, is zal men ook dit moeten nemen. De heer De Boer heeft dit niet gedaan. Dit is de essentie van het publieke ambt, en zij teekent zich scherper af naarmate de verantwoordelijkheden stijgen, dat men zich niet steeds kan veroorloven te handelen naar persoonlijke overwegingen, hoe belangrijk en respectabel die ook zijn. Wij weten dat het succes, dat hij hier mee in bepaalde kringen zal oogsten, hem in den grond der zaak evenveel of even weinig interesseert als de laster, waarvan hij zijn deel heeft gekregen. Hij had, juist omdat het er thans meer dan ooit op aan komt dat zij, die van goeden wille zijn, het uiterste geven, zich niet moeten verwijderen van zijn medeleden. Hij speelde in de commissie een welhaast unieke en onvervangbare rol als man uit het bedrijfsleven, die Indië kende. De verplichtingen, die hem dit oplegt, had hij niet mogen afsnijden, tenzij zijn inzicht terzake van Linggadjati was gewijzigd. Dat is niet het geval, voor zoover wij weten. Naar onze meening had de heer De Boer deze stap niet mogen doen. Wij respecteeren zijn motieven, maar niet zijn besluit.
Aneta had gelegenheid uit den kring der Indonesische delegatie te vernemen, dat men het daar ten zeerste zou betreuren, indien de stap van den heer De Boer, wiens goed Nederlandsch standpunt men steeds evenzeer als zijn rechtschapen ontvankelijkheid voor de zienswijze en de gerechtvaardigde Indonesische verlangens heeft gewaardeerd, zou leiden tot zijn ontslag. Men wees er Aneta op, dat juist het feit, dat de heer De Boer, die de Nederlandsch-Indonesische verhouding niet slechts volgens haar politieke mérites, doch in nuchter-realistischen zin placht te beoordeelen, zich ten volle achter het resultaat van Linggadjati kon scharen, voor Indonesische beoordeelaars van beteekenis is geweest.