'Ons aller moeder' anno domini 1935


auteur: K. Schilder


bron: K. Schilder, ‘Ons aller moeder’ anno domini 1935. J.H. Kok, Kampen z.j. [1935]  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

§ 10. Metropool. - Hemelsche hiërarchie. Moeder bóven.

Het zijn uiterst eenvoudige, nuchtere opmerkingen, die we hierboven deden. Ieder is in staat, ze te doen. De ongerijmdheden, die we als liggende in de lijn der afgewezen redeneermethode, aanwezen, kan ieder constateeren.

Is het daarom geen tijd, dat men zich weer eens eraan gewenne, het beeld van de ‘moeder’ te laten staan zóó, als het in Galaten 4 bedoeld wordt? Want daar in Galaten wordt niet aan eenig instituut, dat beneden aanwijsbaar is, ‘fix und fertig,’ de naam van ‘moeder’ vergeven. De tijd, waarin dat mógelijk was, is voorbij: het was de periode van het Oude Testament, toen het ‘beneden-Jeruzalem’ de kinderen der verbondsgemeenschap in zich besloot. Toen

[p. 51]

‘moeder’-kèrk nog hetzelfde adres had als ‘vader’-stáát. En toen nog van boven-af alles voor de geloovigen ‘gemassregelt’ werd. Maar thans - we lazen het in Galaten 4 - thàns hebben we in het N.T. een ‘moeder’ hierbóven. Niet het beneden-Jeruzalem, maar het boven-Jeruzalem is onze ‘moeder’. Dàt baart ons: Christus zendt zijn Woord en Geest van boven; we worden wedergeboren ‘van boven’, zegt de Schrift. Dat regeert ons: Christus bestuurt en ‘ordineert’ de kerk van boven: Hij geeft zijn ambtsdragers, stelt de kerken-ordening boven vast, en geeft ze ons bekend in de Schrift, waarin Hij spreekt ‘van boven’. Ook vroeger (onder het O.T.) regeerde en sprak God ‘van boven’, in zekeren zin. Maar Hij deed het door menschen-en-middelaars-van-beneden (Mozes b.v.). Thans doet Hij het door den middelaar-hierboven (Christus, meer-dan-Mozes). Vroeger sprak Hij orakelen hier beneden (Hebr. 12:25), thans geeft Hij orakels van boven (ibidem).1)

Het is dus niet een beneden-Jeruzalem, met een aardsche hiërarchie, maar een boven-Jeruzalem, met een ‘hemelsche hiërarchie’, een ‘coelestis hiërarchia’. Maar deze laatste wordt dan in heel anderen zin bedoeld, dan wanneer Dionysius Areopagita, of een andere mysticus-neoplatonicus van dat slag, aan dat thema eener ‘hemelsche hiërarchie’ zijn pen verslijt. Het wil zeggen, dat onze Profeet, Priester en Koning, hierboven is. En dat Hij nu vandaar ons vergadert, ons baart, ons tot een ‘stad Gods’ door den ‘staf Gods’ ‘saam’ doet ‘komen’. En alleen aan dat boven-Jeruzalem mag de naam ‘moeder’ worden gegeven. Niet aan de Hervormde Kerk. Niet aan de Gereformeerde Kerken. Niet aan eenige andere. Maar aan die hemel-hiërarchie alleen, waar of van waar Christus, rechtstreeks voor den Vader getreden, de zaken van zijn kerk uitricht, haar bestuur in handen houdt, openbaringen aan haar geeft, b.v. op Patmos, apostelen in zijn naam zendt, en voorts zijn burgers beveelt, dat zij, krachtens de in Galaten 4 afgekondigde ‘vrijheid’, die hen van elke beneden-hiërarchie

[p. 52]

fundamenteel bevrijdt, ‘zich’ zullen ‘laten bouwen op het fundament der apostelen en profeten’, d.w.z. op de door dezen gegeven leer en kerkinrichting. Waar dàt gebeurt, dààr kunnen de aldus vergaderden (coetus, in vrijheid, en congregatio, in onderwerping aan Hem)1) zeggen: onze ‘moeder’ is boven; zie, hoe de hemelsche hiërarchie, niet van een aardsch adres, een beneden-Jeruzalem, of een ministerkabinet in Den Haag, of een synodale hiërarchie, doch van haar eigen ‘Ort’ uit, van den hemel uit, ons ‘baart’, bijeenvergadert, voedt, en onderhoudt. En overal waar dat niet gebeurt, daar zegt die hemelsche hiërarchie: wat speelt gij met namen? Wat speelt gij met den ‘moeder’-naam, die thans een privilege van de hemel-hiërarchie geworden is? Uw moeder? Moeder? Uw metro-pool is in den hemel. Nergens anders. En vandaar uit, d.w.z. uit den Vader (God), die zijn kerk (als zijn vrouw) zich in Christus ondertrouwd heeft, moet alle ‘moeder’-zorg, en ‘moeder’-geboorte hier op aarde genoemd worden. Wie aan een ‘all-round’, een ‘gegeven’, een ‘aardsch-gemonteerd’ instituut den naam van metropool geeft, en dan verder die metropool gaat regeeren naar een wet, die niet ontleend is aan de ‘metropolis coelestis’, aan de ‘hierarchia coelestis’, die is gelijk aan een Venizelos onder de Hellenen, die is opstandig onder den Hemelkoning, bouwer naar eigen maaksel; die wil het moederschap niet ‘noemen’ laten uit ‘den Vader’, die als Man-en-Maker alleen recht heeft tot ‘benoeming’ van het moederschap der kerk.

En wie zoo handelt, moest nu eens niet langer met Karl Barth fraterniseeren. Want hij doet wat Barth - in dit opzicht terecht sprekende - zoo heel sterk veroordeeld heeft, en wat al veel eerder door Paulus is afgewezen als zonde van hybris: die benoemt ‘de’ hemelsche Metropool naar een aardsche; maar het moet juist omgekeerd gebeuren: de aardsche metropool moet benoemd worden naar de hemelsche. ‘Alle vaderschap’, zegt Paulus, althans volgens de Statenvertaling van Ef. 3:15, alle ‘patria’

[p. 53]

moet naar den Vader hierboven worden benoemd. Die tekst is in de laatste jaren door heel de theologische litteratuur heengewandeld, verminkt, of onverminkt. We laten de exegese rusten,1) maar naar analogie van de redeneeringen, die men in de genoemde litteratuur telkens aantreffen kan, zeggen we op onze beurt: alle ‘moederschap’ op aarde moet naar het hemelsche benoemd worden: men moet de dingen niet op zijn kop zetten, men moet niet aan hybris zich bezondigen, men moet niet den hemel en de hemel-metropool ‘maken’ naar het ‘type’, dat ons hier in het dal, in beneden-Jeruzalem, of in Den Haag, of in Assen, getoond wordt. Moet men dat nog zeggen aan redacteuren en radio-redenaars, die zoo vaak zich met Barthiaansche redenen den volke hebben voorgesteld?

Moeten wij het nog duidelijker maken? Welnu, dan herinneren we aan het woord, dat Paulus op een andere plaats zegt: ‘onze wandel’, d.w.z. ons politeuma, is in den hemel. Prof. Dr S. Greijdanus vertaalt het aldus: ‘de staat, waarvan wij burgers zijn, is in den hemel’. Onlangs hebben wij elders2) daarover geschreven, onder den titel: ‘Kolonisten

[p. 54]

of emigranten’; we betoogden, dat de Schrift in dezen tekst ons als kolonisten ziet, als burgers, die wel vèr van het ‘moeder’-land verblijf houden, maar toch hun burgerrecht daaraan ontleenen, en door dat rècht eraan verbonden blijven.

En daaraan blijve men nu bij de exegese steeds indachtig. Een gegeven kerk-instituut beneden mag zijn ‘kinderen’, d.w.z. de rijksburgers, slechts organiseeren, en institueeren, naar die wet, welke in het boven-Jeruzalem, in den ‘staat’, waarvan wij burgers zijn, en het burgerrecht hebben, ‘in het moederland’, gegeven is. En wat niet naar deze wet van het boven-Jeruzalem hier beneden is geïnstitueerd, heeft op den moedernaam geen recht meer. Evenmin als een kolonie, die ‘zich’ anders institueert dan het ‘moederland’, heel ver weg, bevolen, en zelf gedaan heeft.

Dit alles legt nu heel het kerkelijk leven onder een bizonder beslag. Het zegt ons niets, of men al wijst naar een bepaald instituut, dat, op een willekeurigen kalender-

[p. 55]

datum, ergens ‘gegeven’ is, en of men dan zegt: ‘daar is nog wat goeds voor de ziel, ziedaar dus “een” moeder’. ‘Een’ moeder, - maar zoo te spreken (‘'n moeder’) is al ongeoorloofd, volgens Galaten 4. Want er is maar één moeder. Het zegt ons niets, ook niet wanneer men het bloot-formeele schema van deze redeneer-methode hanteeren zou voor een pleidooi ten bate van, laat ons zeggen: de Gereformeerde Kerken in Nederland. Het beeld van de moeder - we toonden dit reeds aan - wijst in de Schrift naar het baren ‘in vrijheid’ en ‘tot vrijheid’. Een ‘vrijheid’ echter, die, gelijk onmiddellijk er op volgt, nimmer gebruikt mag worden tot een oorzaak voor de boosheid. Ook niet tot een oorzaak voor die boosheid, waardoor de getrouwde vrouw, die tot het eigenlijke werk der vrouw (baren) onwillig is, of zichzelf ertoe verhinderd heeft, met onbeschaamd gelaat zou durven zeggen (zie boven): heb ik niet een maaltijd opgediend, ben ik dus geen vrouw

[p. 56]

voor u, en geen moeder voor de kinderen hier in huis? baren (door mijn eigenlijksten dienst) kan ik voor u niet, maar bakeren wel, ben ik geen vrouw, geen moeder? De Kurios der kerk antwoordt: bakeren - dat kunnen alle secten ook; om haar baker-diensten worden ze juist gezocht; maar gij: aanschouw het (huwelijks)verbond, en doe die excuses weg, als b.v.: dat gij ‘nog’ zooveel goeds hebt te geven, gij, in uw aan de Metropolis Coelestis niet meer onderworpen kerk-polis van beneden.

Indien dus maar de band aan de Hemelsche Metropool, en de eisch, dat wij vandaar uit ons zullen laten regeeren en institueeren, wordt vastgehouden, zal tegelijk gebleken zijn, dat wij alleen op deze wijze een theorie en een practijk kunnen breken, welke de eenheid van het instituut hier beneden zou prijs geven aan de willekeur.

Sommigen duchten daarbij willekeur; volgens hen komt deze steeds weer mee in het gevolg van de massa, die immers leeft bij den regel: zooveel hoofden, zooveel ambtsdragers-in-vrijheid (ambt der geloovigen!). Maar wie zóó vreezen, vergissen zich. Want de wàre vrijheid is die der Metropool; ze is door genade gegeven, is dus een totaal andere dan die der zooveel-hoofden-zooveel-zinnen-massa. Deze laatste is eo ipso onchristelijk. Christelijk evenwel is de saamvergadering (‘coetus’ en ‘congregatie’) der massa, die door den band aan de hemel-metropool van één gevoelen en van één zin is. En die dus dat ééne gevoelen, en dien éénen zin beleeft ook in het institueeren (zooveel het aan haar ligt), van de kerk in haar zichtbare eenheid. Het groote verschil tusschen de eene (de afgewezene) en de andere beschouwing loopt dan ook niet over de vraag: zal de eenheid der kerk afhankelijk zijn van een hiërarchie, een opgelegd bestuur? Maar het loopt over deze kwestie: zal die eenheid worden geconstrueerd onder inwerking van een oud-testamentisch moederbeeld, waartegen Galaten 4 zoo scherp opponeert, - of.... zal de eenheid van de kerk ook in het zichtbare opgebouwd worden uit de vrije daad van het ambt der geloovigen, en zich schikken naar de hemelhiërarchie?

Want Jeruzalem-bóven is onze moeder. Ook ons politeuma,

[p. 57]

de staat, welks burgerrecht wij hebben, is in den hemel.

En uit den band aan dien Christus die in den hemel is, verwerpen wij dus principiëel elk bestuur, dat ons knechten zou of zelfs maar beknotten in de groot-burgerrechten van onze vrijheid. Maar anderzijds aanvaarden wij den hemelschen oproep, die ons in uiterste spanning zet, om n.l. niet de vrijheid te gebruiken tot een oorzaak der boosheid, en dus niet de eenheid der kerk te laten breken door menschelijke grillen en nukken. Noch door die der vreemden, noch door die van - ons zelf.