|
|
|
| | | | | |
Spikkeltje
Er waren eens een koning en een koningin die zo verschrikkelijk
graag een kindje wilden hebben. De jaren gingen voorbij en ze kregen maar geen
kindje totdat de koningin eindelijk zei: ‘Zal ik eens naar een toverheks
gaan?’
‘Dat zou ik nooit doen,’ zei de koning. ‘Daar komt altijd narigheid
van.’
‘Er woont er eentje vlakbij,’ zei de koningin. ‘Je weet wel, achter
in onze tuin, in de grote pereboom.’
‘Woont er een heks in de pereboom?’ riep de koning verschrikt.
‘Doe niet zo onnozel,’ zei de koningin. ‘Jij hebt het zelf
goedgevonden dat ze daar haar huisje bouwde. Op zo'n dikke tak bovenin. Je weet
wel... ze heet Akkeba.’
‘O ja,’ zei de koning. ‘Dat mens dat zo hard op haar bezemsteel door
de lucht jaagt. Wou je heus aan haar vragen of...?’
Maar de koningin was al weg. Ze liep de tuin in, ging onder aan de
pereboom staan en riep: ‘Akkeba!’
Er kwam een oud warrig heksenhoofd tussen de peren door gluren. ‘Wie
wou daar wat?’ vroeg het hoofd.
‘Ik ben het,’ zei de koningin. ‘Ik wou zo graag een kindje.’
‘Kom een beetje hoger. Ik versta je niet,’ | | | | schreeuwde de
heks.
Toen klom de koningin tot boven in de pereboom, tot vlak bij het
huisje dat daar tussen de takken was gebouwd en ze herhaalde haar vraag.
‘Zo zo,’ prevelde de heks. ‘Een kindje, wel wel... 's even kijken...
Hier,’ zei ze toen en gaf de koningin een eitje. Een klein gespikkeld
eitje.
‘Wat moet ik daarmee?’ vroeg de koningin.
‘Uitbroeden natuurlijk,’ zei de heks. ‘Wat anders? Het is een
lijster-ei. Ga er drie weken op zitten en broed het uit.’
‘Maar...’ zei de koningin met bevende stem, ‘wordt het dan niet een
vogeltje?’
‘Helemaal niet,’ zei de heks. ‘Het wordt een prinsesje. Met alles
d'r op en d'r an!’
‘En eh... waar moet ik dat doen? Waar moet ik dat ei uitbroeden?’
vroeg de koningin.
‘In die boom hiernaast,’ zei Akkeba. ‘In die oude lindeboom.’
‘Ik wil het eerst aan mijn gemaal vragen,’ zei de koningin en klom
met het ei naar beneden.
‘Maar denk erom...’ riep de heks haar achterna, ‘denk erom dat je je
dochter in het najaar altijd binnen houdt! Anders vliegt ze weg met de
trekvogels.’
De koningin bedankte de heks en ging naar het paleis terug. ‘Moet ik
het doen?’ vroeg ze aan de koning. ‘Ik zie er een beetje tegenop. En dan - een
koningin die zit te broeden in een boom... is dat wel zoals het hoort?’
‘Helemaal niet zoals het hoort,’ zei de koning. ‘Ik | | | | | | | | keur het af.’
‘Maar ik wil het toch,’ zei de koningin.
‘Als je dan met alle geweld wilt,’ zei de koning, ‘neem dan drie
donzen kussens mee, zodat je warm en zacht zit. Ik laat een schutting bouwen om
die linde, anders ziet het hele koninkrijk je zitten en dat is nergens voor
nodig.’
Zo gebeurde het. De koningin zat drie weken lang op het ei, te
midden van donzen kussens en al haar kanten rokken boven in de lindeboom,
bijzonder ongemakkelijk, maar gelukkig kon niemand haar zien, want er stond een
keurige schutting om de boom.
Na drie weken ging het eitje open en warempel... er kwam geen
vogeltje uit, maar een kindje. Een schattig klein, klein kindje met haartjes en
nageltjes en een neusje, een lief zoet prinsesje was het.
‘Wie had dat gedacht,’ bromde de koning toen de koningin ermee
binnenkwam. ‘Wat een bijzonder knappe dochter. Ze heeft alleen drie zwarte
spikkeltjes op haar buikje, maar dat hindert niet, daar gaat altijd wel een
jurk overheen. En nu vieren we feest!’
Er werd een machtig feest gevierd, alle vlaggen werden uitgestoken
en de heks Akkeba kwam uit haar pereboom om het prinsesje te zien. Ze kietelde
het kindje onder de kin en zei tot de koningin: ‘Is dat niet prima gelukt? Maar
wees vooral voorzichtig in de herfst. Nóóit naar buiten als de blaren
vallen!’
Toen vloog ze weg door het open venster, zo hard als een
straaljager.
Het kleine prinsesje heette Gloriandarina, maar | | | |
iedereen noemde haar Spikkeltje, dat was eenvoudiger. En ze groeide heel
normaal op en leek helemaal niet op een vogeltje. Ze was lief en mooi en heel
gelukkig, behalve in de herfst, want dan mocht ze niet naar buiten.
‘Wacht maar tot de eerste sneeuw valt,’ zei de koningin, ‘dan mag je
met de slee het park in. Nog even geduld... nog even geduld.’
Maar op een van die stormachtige najaarsdagen stond Spikkeltje voor
het raam en verveelde zich. Buiten dansten de gele bladeren over het gazon. Ze
zonken telkens langzaam terug op het gras totdat de woedende wind ze weer
opjoeg en een mal spelletje met ze speelde en weer andere bruine bladeren van
de bomen woei.
‘Ik wil meespelen met de wind en de bladeren,’ zei Spikkeltje en ze
deed het raam open. Ze klom naar buiten en begon te rennen tussen de bomen in
de tuin. En juist op dat ogenblik kwam er een grote troep zwarte vogels over
het park vliegen, een groep lijsters die gingen trekken naar het zuiden.
Spikkeltje strekte haar armen uit en kreeg zo'n verlangen om mee te
vliegen met de vogels. ‘Neem me mee!’ riep ze.
Achter haar kwam juist de koningin verschrikt de tuin in. ‘Niet
doen, Spikkeltje,’ riep ze. ‘Kom dadelijk binnen!’
Maar Spikkeltje luisterde niet. Ze zwaaide met haar armen, ze ging
op haar tenen staan, ze maakte vliegbewegingen. En de koningin zag dat haar
dochtertje | | | | veren kreeg en een snaveltje en twee vlerkjes in plaats
van armpjes.
‘Mijn kind!’ schreeuwde de koningin en rende op haar dochtertje toe.
Maar Spikkeltje vloog weg met de andere vogels. Ze was geen prinses meer. Ze
was een lijster.
Schreiend liep de koningin naar haar gemaal en vertelde hem wat er
gebeurd was.
‘We moeten dadelijk naar die heks,’ zei de koning en greep zijn
hermelijnen pet.
‘Zal ík niet liever gaan?’ vroeg de koningin.
‘Nee,’ zei de koning, ‘Dit wil ik zelf doen.’ Hij draafde de tuin
door tot bij de grote pereboom en riep: ‘Akkeba!’
Het hoofd van de heks kwam te voorschijn. ‘Wie wou daar wat?’ vroeg
ze.
‘Mijn dochter is weggevlogen,’ riep de koning.
‘Kom wat hoger, ik versta je niet!’ riep de heks.
De koning klom hijgend naar boven tot aan de hoogste tak, waar het
huisje van de heks was.
‘Mijn dochter is weggevlogen,’ zei hij.
‘Jullie eigen schuld,’ zei de heks. ‘Had je haar maar binnen moeten
houden.’
‘Ja maar luister nou eens,’ zei de koning. ‘Hoe krijgen we haar
terug?’
‘Wacht maar tot het voorjaar wordt,’ zei de heks.
‘Hoor eens,’ zei de koning boos, ‘ik beveel jou om ogenblikkelijk
mijn dochter terug te brengen. En als je dat niet doet, laat ik je hoofd
afslaan.’
‘Wat?’ riep Akkeba met een schrille stem. ‘Wou je | | | | mij
iets bevelen? Mij? De oeroude heks Akkeba? Scheer je weg of ik verander je in
een worm.’
‘Jij lelijk oud mens...’ begon de koning ziedend van drift, maar de
heks zei zacht en dreigend: ‘Pas op hoor... in een worm verander ik je... in
zo'n worm die in een peer zit... gauw weg... of anders...’ En ze keek hem aan
met woedende rode oogjes en ze spuwde naar hem.
De arme koning schrok zo en werd zo bang dat hij zich liet vallen en
met een pijnlijke smak onder aan de pereboom terechtkwam. Somber ging hij naar
het paleis waar de koningin hem opwachtte, met een zakdoek voor haar ogen.
‘En...?’ vroeg ze.
‘Wachten tot het voorjaar wordt,’ zei de koning.
‘Je hebt het natuurlijk weer niet goed aangepakt,’ zei de koningin.
‘Ik ga zelf.’
Maar toen de koningin bij de pereboom aankwam, vloog Akkeba juist
weg op haar bezemsteel. Met een gierend geluid joeg ze drie maal om het park en
verdween. En ze kwam niet meer terug.
Nog nooit had een winter zo lang geduurd.
De koning en de koningin zaten elke dag voor het raam en keken uit
naar de lente. Eindelijk, eindelijk was het maart en de trekvogels keerden
terug uit het zuiden.
‘We zullen ze heel goed behandelen,’ zei de koning. ‘Alle katten
moeten worden verbannen, iedereen moet lief zijn voor lijsters. Er moet voedsel
worden gestrooid, er mag niet op lijsters gejaagd worden en | | | |

iedere man in mijn rijk moet zijn hoed afnemen als hij een
lijster tegenkomt. Want het kán de prinses zijn.’
Nog nooit waren de lijsters zo goed behandeld als toen. Er kwamen er
dan ook steeds meer en steeds meer en ze waren niet schuw, maar zaten in grote
groepen te zingen in alle tuintjes en zelfs bij de mensen in de keuken.
De koningin liep door de parken en de bossen en de weiden en riep:
‘Spikkeltje!’ En tegen iedere lijster zei ze: ‘Ben jij mijn dochtertje
niet?’
Maar de lijsters zongen allemaal hun kleine liedje | | | | en
al die liedjes waren hetzelfde en nergens nergens was aan te zien welke lijster
een prinses was.
In mei kwam er een prins over de grens op zijn witte telganger. Hij
keek verbaasd toen hij de duizenden lijsters zag. En toen hij een kleermaker
tegenkwam die diep zijn hoed afnam voor een lijster, moest de prins hard
lachen.
‘Wat gek,’ riep hij. ‘Moet dat hier?’
‘Jazeker,’ zei de kleermaker. ‘Elke lijster kan onze prinses zijn.’
En hij vertelde het verhaal van Spikkeltje en de toverheks Akkeba.
‘Heeft ze rode oogjes, die heks?’ vroeg de prins.
‘Jazeker,’ zei de kleermaker. ‘En warrig haar.’
‘En een kromme lange neus?’ vroeg de prins. ‘En rijdt ze op een
bezemsteel? Dan heb ik haar gezien. Ze woont boven in een appelboom vlak op de
grens. Ik zal persoonlijk naar haar toe gaan.’
Toen de prins bij de appelboom aankwam, zat de oude heks Akkeba aan
de voet van de boom in het gras en at een enorme appel.
‘Peren zijn toch beter,’ zei ze. ‘Ik verwachtte je al lang, m'n
zoon. Je wilt weten hoe je de lijster weer in een prinses verandert, is 't
niet?’
‘Eerst wil ik weten welke lijster het is,’ zei de prins. ‘Er zijn er
wel een miljoen.’
‘Heb je parels bij je?’ vroeg de heks.
‘Toevallig wel,’ zei de prins. ‘Een zak vol.’
‘Hier heb je een netje,’ zei de heks. ‘Vang daar je Spikkeltje maar
mee.’
‘Maar wie van die lijsters is het?’ vroeg de prins. | | | |
‘Denk dat zelf maar eens uit,’ zei de heks. ‘Ik kan niet alles voor
je doen.’
De prins dacht na. Toen kocht hij bij een boer een zakje gerst en
ging naar de heuvel waar de lijsters 's avonds in groten getale vergaderden.
Hij schudde het zakje gerst leeg op de grond. En een eindje verder schudde hij
het zakje parels leeg. Toen ging hij zitten en wachtte af. Alle lijsters kwamen
aanvliegen en verdrongen zich om de gerstekorrels. Ze fladderden en vochten en
tjilpten. Behalve één. Dat ene vogeltje liet de gerstekorrels liggen en kwam op
de parels af. Het bleef er vlak naast zitten en hipte geestdriftig op en
neer.
‘Jij bent Spikkeltje,’ zei de prins. ‘Alleen een prinsesje geeft
meer om parels dan om eten.’ En hij gooide het heksennetje over haar heen. En
daar stond plotseling een heel lief meisje voor hem.
Hij zette haar voor zich op zijn paard en samen reden ze naar het
paleis, waar de koning en de koningin begonnen te schreien van vreugde.
‘Hoe heb je dat voor mekaar gekregen?’ vroeg de koningin.
‘'t Was heel makkelijk,’ zei de prins. ‘Er was echt niets aan.’
De bruiloft werd gevierd en twaalf lijsters droegen de sleep van de
bruid. De oude heks Akkeba woont weer in de pereboom en nog altijd neemt men in
dat land zijn hoed af voor elke lijster. Mocht je er ooit komen, dan zul je het
zelf zien en dan begrijp je waarom het zo is.
|
|
|