Heksen en zo


auteur: Annie M.G. Schmidt


bron: Annie M.G. Schmidt, Heksen en zo. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1997 (13de druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 28]

De reus en de draak

‘Ook dat nog,’ zei de koning, toen zijn dochter door een reus werd geroofd. ‘Letterlijk alles loopt me vandaag tegen. Waar zit ze?’ vroeg hij aan de koerier die het gruwelijke nieuws bracht.

‘Op de Borstelberg aan de zee,’ zei de koerier. ‘Daar staat het kasteel van de reus. De prinses zit in de toren en wordt bewaakt door een draak.’

‘Welja, vooruit maar,’ riep de koning. ‘Een reus én een draak. 't Kan niet op! Het arme kind. Ze was wel erg lastig en ongehoorzaam de laatste tijd, maar dit! Wat doen we hieraan? Laat mijn lijfarts komen.’

‘Heb je 't gehoord?’ vroeg de koning aan de lijfarts. ‘Mijn dochter geroofd door een reus en bewaakt door een draak! Zeg op, wat moet ik doen?’

‘Tja,’ zei de lijfarts. ‘Dit valt buiten mijn bevoegdheid. Ik ben maar een eenvoudig geneesheer en...’

‘Onzin,’ zei de koning. ‘Jij hebt haar beter gemaakt toen ze mazelen had. Verzin nu ook maar een apekunst.’

‘Meestal,’ zei de lijfarts, ‘meestal looft de koning een beloning uit voor de prins die de draak verslaat. Dat helpt enorm. De prinsen komen bij drommen aanzetten en allicht is er eentje bij die het kan.’

‘Goed, dan doen we dat,’ zei de koning opgelucht. ‘De prins die mijn dochter heel thuisbrengt, mag haar hebben.’

[p. 29]

‘Plus de helft van het koninkrijk,’ zei de lijfarts.

‘Dat zullen we nog wel eens zien,’ zei de koning. ‘Niet zo hard van stapel lopen.’

Diezelfde dag werd het omgeroepen en 's avonds stond er al een prins op de stoep die wel wou.

‘Ben je niet een tikje te netjes aangekleed voor de gelegenheid?’ vroeg de koning. ‘Wou je met die witte handschoenen een draak verslaan?’

‘Ik doe ze wel uit op het kritieke moment,’ zei de prins blozend. Hij zag er heel prachtig uit met een blauw fluwelen mantel, een wit vest, een broek met strikken en zijn haar was gepermanent.

‘'t Zal mij benieuwen,’ zei de koning toen hij de nuffige prins zag wegrijden. ‘'k Hoop maar niet dat het hem lukt. Hij is me te fraai.’

Een dag later kwam de prins terug. Hij was roetzwart, vol met schrammen en hij had enkel nog maar blauw fluwelen rafels aan. De reus had hem van de Borstelberg afgeblazen, zo vertelde hij en hij was holderdebolder door de borstelige struiken naar beneden gerold.

‘Jammer, niets aan te doen,’ zei de koning blij. ‘Volgende kandidaat.’

De volgende prins was in een harnas. Dat gaf moed, maar hij kwam volkomen ingedeukt terug want de reus had in hem geknepen en hem daarna het ravijn in gegooid. Toen de prins was uitgedeukt, durfde hij niet nog eens.

‘Wie volgt,’ zei de koning, ‘Wat, is er niemand meer?’

[p. 30]



illustratie

‘Geen prins meer,’ zei de lijfarts. ‘Geen enkele prins durft meer. Maar hier is een arme jongen die wel wil. Hij heet Joris.’

‘Joris is een goede naam, als er draken in het spel zijn,’ zei de koning. ‘Kom eens hier, Joris. Heb je een zwaard?’

‘Nee sire,’ zei de jongen.

‘Een lans dan?’

‘Nee sire.’

‘Wat heb je dan?’

Joris haalde zijn zakken binnenstebuiten en zei: ‘Een groen krijtje. Daar was ik toevallig mee aan 't spelen. Meer heb ik niet.’

‘Zal ik je een volledige wapenrusting geven?’ vroeg de koning.

‘Ach nee,’ zei Joris. ‘Ik ga zo wel. Ik ben niet zo

[p. 31]

handig met zwaarden en lansen.’

‘Nou, ik heb er een hard hoofd in,’ zei de koning. ‘Maar je moet het zelf weten, ik hou je niet tegen. Dag Joris.’

Daar ging de jongen, op z'n dooie eentje de Borstelberg op. Het was een moeilijke klimpartij tussen prikkelstruiken, maar na een paar uur stond hij hijgend boven en liep meteen tegen de blote benen van de reus aan die bezig was zijn tuintje te wieden.

‘Aha,’ zei de reus en pakte hem beet tussen duim en wijsvinger. ‘Daar hebben we nummer drie. Wou jij de prinses komen bevrijden, misselijke miezerd?’

‘Helemaal niet,’ zei Joris. ‘Ik was enkel verdwaald en ik weet niets van prinsessen.’

‘O nee?’ vroeg de reus en hij ging erbij zitten en zette Joris op z'n knie, terwijl hij hem nog altijd stevig vasthield. ‘Je kunt de prinses daar zien zitten, voor 't venster in de toren. En zie je de draak?’

‘Ik zie 'm,’ zei Joris. ‘Wilt u alstublieft niet zo hard knijpen? Ik praat niet zo makkelijk als iemand mij tussen zijn vingers fijndrukt.’

‘Ha ha,’ lachte de reus en hij hield hem minder stijf vast. ‘Wat zal ik eens met je doen? Ik kan je naar beneden smijten, maar daar is zo weinig aardigheid aan.’

‘Helemaal geen aardigheid,’ zei Joris.

‘Ik zou je vanavond in de zuurkool kunnen meekoken,’ zei de reus. ‘Wacht, ik heb hier een ouwe vogel-kooi, daar stop ik je zolang in.’ Hij deed Joris in de kooi en zwaaide hem zachtjes heen en weer. Toen

[p. 32]

begon hij weer te bulderen van plezier.

Joris lachte hard mee en zei toen: ‘Hè, hè, is dat lachen! Ze hebben gelukkig gejokt. Het is niet waar wat ze allemaal zeggen.’

‘Wie,’ vroeg de reus.

‘De mensen beneden,’ zei Joris. ‘Ze zeggen immers al lang dat u ziek bent?’

‘Ik ziek?’ zei de reus. ‘Nou, 't is niet waar, zoals je ziet. Ik ben zo gezond als een hoen.’

‘Dat zie ik,’ zei Joris. ‘De idioten zeiden dat u al aardig groen begon te worden, maar niks hoor.’

‘Groen?’ vroeg de reus. ‘Hoe zo groen?’

‘Nou, van de walmziekte natuurlijk,’ zei Joris.

illustratie

[p. 33]

‘Iedereen weet toch dat de adem van een draak zo gevaarlijk ongezond is. Daar krijgt men immers de walmziekte van? En dan krijg je groene vlekken, dat spreekt vanzelf. Maar bij u is daar nog niets van te zien.’ En intussen keek Joris met gefronste wenkbrauwen naar de blote knie van de reus.

De reus volgde zijn blik. Op zijn knie zaten een heleboel groene spikkels. Hij probeerde ze er met zijn mouw af te vegen, maar de vlekjes gingen niet weg. Het krijtje van Joris was een bijzonder goed krijtje, weet je, en hij had de spikkels daar stevig gezet, zonder dat de reus er iets van had gemerkt.

‘W-w-wat is d-d-dat?’ stotterde de reus. ‘Groene vlekken? Dus het begint?’

‘'t Is nog helemaal niet erg,’ zei Joris geruststellend. ‘U hebt nog echt wel een maand te leven. Als de draak er niet was, zou u zelfs nog een half jaar kunnen leven, maar ja, het arme dier kan ook niet helpen dat zijn adem vergiftig is. U kunt toch moeilijk uw eigen draak doodsteken?’

‘Kan ik dat niet?’ brulde de reus. ‘Je zult eens wat zien! Denk je dat ik me door dat monster laat vergiftigen?’

Hij rende zijn kasteel binnen, kwam terug met een geweldige speer en stormde op de draak af.

Joris zat in de kooi en keek tussen de spijlen door naar het machtigste schouwspel dat hij zich kon denken: een gevecht tussen de reus en de draak.

De draak snoof en blies en stootte vurige wolkjes gele stoom uit en er kwamen vlammetjes uit zijn ge-

[p. 34]

weldige muil. Hij wrong zijn groene schubbenlichaam en sloeg zwiepend met zijn staart en beet in 't rond met zijn draketanden, terwijl de reus om hem heen draaide en probeerde hem te treffen.

‘Hoera! Toe dan! Hup Holland!’ schreeuwde Joris in z'n kooi. Het sloeg nergens op, maar hij kon niets beters verzinnen.

De reus was nu op een afstand gaan staan en kwam aanrennen met zijn speer. Het was verschrikkelijk om te zien, de draak kronkelde in soepele bochten, maar de speer trof hem midden in het hart en daar lag het bloederige gruwelbeest met de tong uit de bek. Morsdood.

‘Nou?’ zei de reus hijgend. ‘Heb je 't gezien?’

‘Bravo!’ juichte Joris en klapte in zijn handen. ‘Wat een held bent u toch. En nu de draak dood is, kunt u makkelijk nog zes maanden leven. Makkelijk. Misschien wel zeven.’

‘Niet langer?’ klaagde de reus en ging bedroefd zitten met zijn hoofd in de handen. ‘Ik wil nog honderd jaar leven.’

‘Dat wil iedereen,’ zei Joris. ‘Maar de walmziekte is nu eenmaal dodelijk. En geen mens kan bij het witte dragonkruid komen, zelfs een reus niet.’

‘Wat, wat, witte dragonkruid, waar heb je 't over?’ vroeg de reus.

‘Het groeit daar,’ zei Joris en hij wees naar de zeekant waar de rotsen steil afdaalden in zee. ‘Als u me loslaat, wil ik wel eens voor u zoeken.’

‘Loslaten, hè?’ riep de reus woedend. ‘Ik heb je

[p. 35]

door, broer, dan ga je ervandoor en ik moet na zeven maanden sterven. Ik weet wat beters, ik neem je mee in mijn hand en jij wijst me dat witte dragonkruid aan.’

Hij nam Joris uit de kooi en stapte op de hoogste punt van de steile rotsen. ‘Als ik val, val jij ook,’ zei hij grijnzend.

‘U moet daar op die klip gaan staan,’ zei Joris. De reus deed het. ‘Ziet u daar die witte bloemetjes tussen die twee stenen? Dat is het.’

De reus bukte zich en begon te reiken, maar hij kon er net niet bij. ‘Doe het liever met de andere arm,’ zei Joris. ‘Met de hand waar ik in zit. Dan zal ik voor u reiken.’ De reus deed het.

‘Goed zo,’ riep Joris. ‘Nog eventjes verder, nog heel eventjes verder, toe dan.’

‘Zo?’ hijgde de reus die nu helemaal vooroverhing.

‘Ja!’ schreeuwde Joris en beet hem hard in de duim.

‘Au!’ gilde de reus. Van schrik liet hij de jongen vallen die in een struik vlak onder hem terechtkwam. Zelf verloor hij het evenwicht en stortte van de steile rotsen met een vreselijk grote plons in zee. Het water spatte honderd meter op en de reus verdronk.

‘Dat was dat,’ zei Joris die op zijn gemak naar boven krabbelde. Hij had enkel een paar blauwe plekken en kalm liep hij naar de toren om de prinses te halen.

‘Geen prins?’ zei de prinses verbaasd. ‘Niet eens een ridder?’

‘Als je nog meer praatjes hebt,’ zei Joris, ‘dan laat ik

[p. 36]

je hier zitten en je ziet maar dat je thuiskomt.’

‘Nee, nee,’ riep de prinses haastig. ‘Breng me alsjeblieft thuis.’ Joris nam haar over zijn schouder en daalde de berg af.

‘Wie hebben we daar?’ riep de koning stralend, toen ze aankwamen. ‘Mijn lieve dochter! Nu moet je met hem trouwen, dat heb je zeker wel begrepen?’

‘Ja,’ zei de prinses. ‘En ik wil wel.’

Direct de volgende woensdag werd de bruiloft gehouden en er kwam zo'n groot vuurwerk dat de mensen er nog altijd over spreken.