|
|
|
| | | | | |
Roel-met-gevoel
‘Nu ons zoontje is geboren,’ zei de koningin, ‘zullen we een groot
doopfeest houden.’
‘Heel goed, liefste,’ zei de koning. ‘Als je tante Oena maar
weglaat.’
‘Waarom?’ vroeg de koningin. ‘Tante Oena zou woedend zijn als we
haar geen uitnodiging stuurden. Denk erom dat ze toverkracht heeft!’
‘Daar ben ik juist zo bang voor,’ zuchtte de koning. ‘Stel je voor
dat ze een wens uitspreekt bij de wieg. En stel je voor dat het een boze wens
is.’
‘Kom kom,’ zei de koningin. ‘Tante Oena houdt van ons. Ze zal ons
kindje enkel het goede wensen.’
Het doopfeest werd gehouden in de tuin. Alle fonteinen spoten
rozenwater en er brandden zesduizend blauwe gloeilampjes tussen de jasmijn.
Hertoginnen en vorsten met gouden kroontjes verdrongen zich om de wieg en
streelden het hoofdje van de baby. Het laatst kwam tante Oena.
Zij was een machtige vrouw, groot en dik, helemaal in het paars
gekleed met een toren van rood haar op haar hoofd. Ze keek in de wieg en zei:
‘Wat een snoeperig kind. Kan ik jullie plezier doen met een wens? Wat hadden
jullie gehad willen hebben?’
Het werd doodstil in de tuin. Alle gasten hielden hun adem in en
wachtten vol spanning af wat de vader en moeder zouden wensen. | | | |
De koning schraapte zijn keel en begon: ‘Ik zou graag willen dat de
prins heel sterk wordt en heel moedig. En heel rijk...’ voegde hij er snel aan
toe.
De koningin keek om zich heen naar alle hoge gasten en zei: ‘Wacht
even, tante Oena, ik ben het daar niet mee eens. We zouden veel liever willen
dat ons kind een goed hartje had. Is het niet zo, lieve man?’
‘Hm...’ bromde de koning. Ook hij keek om zich heen en toen hij zag
dat iedereen geestdriftig knikte, zei hij: ‘Wel, inderdaad, natuurlijk,
jazeker.’
‘En daarom...’ sprak de koningin met ontroerde stem, ‘daarom lieve
tante Oena, maak mijn zoontje een goed mens. Zo goed dat hij meer aan anderen
denkt dan aan zichzelf. Zo nobel dat hij treurt als er iemand anders treurt, 't
zij mens of dier.’
Er ging een gemompel van bewondering door het hele gezelschap. Wat
een prachtige wens!
Tante Oena plukte een takje jasmijn af en zwaaide ermee boven het
kleine prinsenhoofd. ‘Prins Roel zul je heten,’ zei ze. ‘En je zult zijn zoals
je moeder je hebben wou. Roel-met-gevoel.’
Toen danste tante Oena de polka met de koning; de fonteinen spoten
nu champagne, behalve twee die cola spoten, en het werd een verrukkelijk feest.
Na afloop mochten alle gasten de neushoorn-tuin bekijken, een park waar
honderden neushoorns achter tralies liepen. Daarmee was het festijn
afgelopen.
Het was spoedig merkbaar dat de wens van tante Oena geholpen had.
Want toen prins Roel opgroeide, bleek hij wel een bijzonder goed kind te zijn.
Hij gaf al | | | | zijn speelgoed weg, zodat hij zelf nooit iets
overhield. Telkens kreeg hij nieuwe hobbelpaarden, nieuwe rolschaatsen en
nieuwe spoortreinen, maar nog voor hij er zelf mee gespeeld had, zei hij:
‘Laten we het weggeven aan Pietje van de kolenboer.’
‘Maar jongen, wil je er dan niet eventjes zelf mee spelen?’ vroeg de
koning.
‘Nee,’ zei de prins. ‘Ik heb voor me zelf niets nodig.’
‘Ik vind het onnatuurlijk,’ zei de koning tot zijn vrouw.
‘Integendeel, het is heerlijk,’ zei de koningin. ‘Mijn lieve
Roel-met-gevoel!’
Het was wel jammer dat Roel zoveel huilde. Soms zat hij uren te
snikken en als de hofdames vroegen: ‘Wat scheelt eraan, doorluchtigheid?’, dan
antwoordde de prins: ‘Ik huil, omdat de vrouw van de kleermaker hernia heeft.’
Of hij zei: ‘Ik huil, omdat er arme kinderen zijn die nog nooit kreeft hebben
gegeten.’ Of hij zei: ‘Wat vreselijk dat er oude mensen bestaan.’
Er werd besloten om alle arme, zieke en oude mensen zo ver mogelijk
van de prins vandaan te houden. Ze werden naar een uithoek van het koninkrijk
gebracht en daar zaten ze op een kluitje. De prins zag dus niets van hun
ellende en dat was een hele rust. Maar helaas... er bleef nog altijd genoeg te
huilen over. Hij huilde, omdat de kamerheer een lintworm had. En toen de dokter
kwam om de kamerheer te genezen, toen huilde de prins, omdat de arme lintworm
eraan was doodgegaan. | | | |
Voortaan was het streng verboden aan het hof om te klagen of treurig
te kijken. Men had de plicht gelukkig te zijn en altijd te huppelen. En dat
viel niet mee. Op een keer ontmoette Roel de kok in een van de gangen.
‘Wat scheelt eraan?’ vroeg hij. ‘Je kijkt zo sip, kok.’
‘Mij scheelt niets,’ zei de kok haastig en deed drie huppelpasjes.
‘Ik ben heel gelukkig, ha ha!’
‘Niet waar,’ zei de prins. ‘Er ís iets. Zeg me dadelijk wat er
is.’
‘Ach,’ zei de kok. ‘Ik ben wat somber gestemd, omdat mijn dochter zo
lelijk is.’
‘Lelijk? Hoe zo lelijk?’ vroeg de prins.
‘Wipneus,’ zei de kok. ‘Peenhaar en zúlke voeten.’ Hij wees hoe
groot. ‘Ze krijgt dus nooit een man, want niemand wil zo'n lelijk meisje. Ze
heet Iezebel.’
‘Breng haar dadelijk hier,’ zei Roel, ‘dan trouw ík met haar.’

De kok durfde niet tegensporrelen en hij haalde zijn dochter. Nou,
lelijk was ze met haar wipneus, peenhaar en grote voeten, maar de prins trouwde
de volgende dag met haar. Dat was voor de oude koning en koningin wel een slag;
ze kwamen er niet meer over- | | | | heen, kwijnden weg en stierven samen op
één dag.
En nu was Roel-met-gevoel dus zelf koning. Hij zat op de troon met
naast zich koningin Iezebel. En dit moet gezegd worden: ze was dan wel lelijk,
maar ook erg lief en verstandig en ze zag al heel gauw dat haar man een raar
soort koning was.
Om te beginnen ging hij op reis in zijn koets en toen hij terugkwam
was zijn hermelijnen jas doorweekt van tranen.
‘Wat is er? Waarom huil je zo?’ vroeg de koningin.
‘O,’ zei de nieuwe koning. ‘Wat een ellende overal. Ik zag een
uithoek van ons land waar alle oude, zieke en arme mensen te zamen zitten.’
‘En wat heb je daaraan gedaan?’ vroeg de koningin.
‘Niets,’ zei koning Roel. ‘Ik moest zo vreselijk huilen, ik kon
niets doen.’
‘Aan tranen hebben ze niet veel,’ zei Iezebel. ‘Had je ze niet beter
kunnen helpen?’
‘O, maar ik heb een heleboel gedaan hoor,’ zei de koning. ‘Onderweg
kwam ik langs een gevangenis waarin alle dieven zaten opgesloten. De arme
kerels. Ik heb ze losgelaten.’
‘Wát? Lopen alle dieven nu vrij rond?’ vroeg Iezebel verschrikt.
‘Natuurlijk, de stakkers,’ zei de koning. ‘En weet je wat ik ook
gedaan heb? De neushoorns vrijgelaten. De arme dieren zaten achter
tralies.’
‘De neushoorns? Maar ze zijn gevaarlijk!’ riep de koningin. ‘Wat ben
jij voor een koning? Je bent een lor van een koning!’ | | | | | | | |
Roel keek haar treurig aan en zei: ‘Ik zal niet lang meer koning
zijn. De vorst van hiernaast staat aan de grens met een groot leger. Hij wil
ons veroveren.’
‘En wat ben je van plan te doen?’ vroeg koningin Iezebel.
‘Niets,’ zei koning Roel. ‘Helemaal niets.’
Op dat moment kwam de eerste minister trillend van de zenuwen binnen
en zei: ‘Sire, de toestand is onhoudbaar. Uw onderdanen vluchten de bomen in,
want overal lopen woeste neushoorns. En de dieven zijn bezig de Bank te
beroven. Uw volk is diep ongelukkig.’
‘Is dat zo?’ vroeg de koning met bibberende stem en zijn tranen
vloeiden weer. Toen verloor de koningin haar geduld. Ze greep een zilveren
kandelaar en sloeg hem daarmee hard op het hoofd. ‘Daar,’ zei ze. ‘Wat doe je
nu?’
Roel keek haar bedroefd aan en zei: ‘Niets, lieveling.’
Sprakeloos van woede draaide de koningin zich om en liep het paleis
uit, naar tante Oena die boven op de berg woonde. Onderweg ving ze af en toe
een glimp op van hollende neushoorns. Ze zag ook groepjes sluipende dieven,
maar ze was te boos om ergens bang voor te zijn. Hijgend kwam ze boven, bij
tante Oena die haar vriendelijk toeknikte.
‘Ik verwachtte je al, lieve kind,’ zei tante Oena. ‘Je komt me zeker
iets vragen. Wou je soms wat mooier worden?’
‘Dat heeft geen haast,’ zei koningin Iezebel. ‘Er is | | | |
iets veel belangrijkers. Ik wou dat u mijn man een tikje slechter kon
maken.’
‘Hij is te goed zeker?’ vroeg tante Oena.
‘Veel te goed.’
‘Ga maar naar huis,’ zei tante Oena. ‘Het is al gebeurd.’
De koningin liep naar het paleis terug, zo snel als haar grote
voeten haar dragen konden. En toen ze binnenkwam, zag ze haar gemaal staan met
een grote stok in zijn hand. Hij stond te schelden tegen de eerste
minister.
‘Wat is dat voor een troep hier?’ riep hij dreigend. ‘Wilde
neushoorns in de stad! Allerlei gespuis op de wegen! Wat moet dat? Sluit ze
ogenblikkelijk allemaal op. En wat hoor ik, staat er een vijand voor de grens?
Zou je daar dan niet eens wat aan doen? Lanterfanter!’
‘O Roel,’ zei de koningin, die net binnenkwam. ‘Wat ben je
veranderd!’
Hij keek om en zag zijn vrouw staan. ‘Jij...’ riep de koning wit van
drift. ‘Jij hebt me geslagen met een kandelaar. Hoe durf je!’ Hij liep naar
haar toe en gaf haar een draai om haar oren.
De ogen van koningin Iezebel begonnen te stralen. Ze was plotseling
mooi van geluk. ‘Je slaat mij,’ riep ze opgetogen.
‘En je kunt nog meer krijgen ook!’ riep de koning.
Het hele hof kwam kijken naar de driftbui van de koning en iedereen
was dolgelukkig. En van dat ogenblik af heette de koning niet meer
Roel-met-gevoel. | | | | Hij heette voortaan Roel-met-een-doel. Goed was
hij nog wel, maar hij had geen tijd meer om te huilen en hij was precies slecht
genoeg om een beetje verstandig te wezen. Eén kanonschot in de lucht was
voldoende om de vijand weg te jagen. De zieken werden beter gemaakt, de armen
werden een pietsje rijker gemaakt, alleen: oude mensen jong maken, dat kon de
koning niet. Maar het was niet nodig, want ze zaten gezellig op een bankje te
kijken naar de neushoorns in het park, die stevig achter tralies werden
gehouden.
‘Zal ik aan tante Oena vragen, of ze mij een beetje mooier maakt?’
vroeg de koningin wel eens.
‘Laat maar,’ zei de koning. ‘Ik hou van je zoals je bent.’
Dat zijn prettige woorden om te horen. Daarom leefden ze nog lang en
gelukkig.
|
|
|