Tussen stigma en charisma


auteur: Paul Schnabel


bron: Paul Schnabel, Tussen stigma en charisma. Een analyse van de relatie tussen nieuwe religieuze bewegingen en geestelijke volksgezondheid. Erasmus Universiteit Rotterdam, Rotterdam 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 32]

II nieuwe religieuze bewegingen in nederland

‘Ce que ma secte enseigne est obscur... et c'est en vertu de cette obscurité qu'il faut le croire... ma secte est extravagante, donc elle est divine.’
Voltaire

1. De ‘Divine Light Mission’ (DLM)

De Divine Light Mission werd in 1960 opgericht door Sri Hans Maharaj; onder zijn leiderschap was de beweging enkel in India actief en verwierf daar een vrij grote aanhang, vooral in het noorden.

Na de dood van de goeroe in 1966, begint de beweging zich onder zijn opvolger - de toen achtjarige Maharaj Ji - meer en meer te richten op het westen. In 1971 is het jaar van de eerste wereldreis van goeroe Maharaj Ji, waarna in Londen een ashram (woongemeenschap) wordt opgericht. In Londen worden de eerste Nederlandse premies (volgelingen van de goeroe) geïnitieerd. Ook in Nederland wordt een ashram opgericht (Amsterdam). Maharaj Ji gaat zich steeds meer op het westen oriënteren, gaat in de Verenigde Staten wonen, trouwt met een Amerikaanse en bouwt in de loop der jaren een grote organisatie op. De afstand tot de beweging in India wordt steeds groter. In 1975 mondt dit uit in een breuk tussen Maharaj Ji en zijn moeder, met als gevolg dat Maharaj Ji niet langer geaccepteerd wordt als leider van de Indiase volgelingen.

Tot 1975 kent de Divine Light Mission een gestage groei. In 1974 waren er in de USA 50.000 premies, waarvan 1200 in een ashram levend. Twee jaar later was daar nog maar weinig van over en sedertdien is het nog verder teruggelopen. Na de breuk treedt duidelijk een crisis in: mensen trekken zich terug, nieuwe leden krijgt men nauwelijks meer. De beweging wordt daarom gereorganiseerd, maar veel baat heeft dit niet: wat overblijft is een vaste groep premies tussen de 25 en 35 jaar. Aan het hoofd van de beweging staat de goeroe Maharaj Ji. Tot 1980 kende de beweging een zakelijke en een religieuze tak. Onder de zakelijke tak (Divine United Organisation International) vallen reisbureaus, thee- en reformwinkels, een film- en een platenmaatschappij. De zakelijke tak is

[p. 33]

inmiddels afgestoten. De religieuze tak (Divine Light Mission) bestaat uit goeroe Maharaj Ji (de absolute meester), een kring van door de goeroe aangestelde religieuze leiders (de initiators) en de leden. De goeroe schijnt zich de laatste jaren meer te richten op de leden en zijn rol ook serieuzer op te vatten.

De leden wonen in de ashram, in plaatselijke groepen of onafhankelijk. In Nederland wonen ongeveer 15 personen in de ashram te Amsterdam, de rest in plaatselijke groepen of onafhankelijk. Er zijn naar schatting nog hoogstens 150 aanhangers in Nederland. De ashramleden leven in en werken voor een hechte gemeenschap; ze dragen al hun geld af aan de beweging. Er zijn regelmatig lezingen en bijeenkomsten voor de premies, daarnaast is de ‘persoonlijke relatie’ met de goeroe het belangrijkste.

De boodschap van de Divine Light Mission concentreert zich helemaal op de persoon van de goeroe Maharaj Ji. In hem manifesteren zich goddelijke liefde en waarheid. Hieraan kan men deel hebben, door zich volledig over te geven aan de goeroe, die men dan ook altijd zal volgen. Als men dit doet, dan zal men zich bewust worden van de innerlijke wezenskern (Knowledge). ‘Knowledge’ ervaart men tijdens de meditatie; er zijn vier meditatietechnieken, te weten: meditatie op licht, op geluid, op woord en op nectar.

Naast de meditatie kent de Divine Light Mission nog twee andere grondregels, namelijk: satsang en service. Onder ‘satsang’ verstaat men voordrachten, waarin de kennis gepropageerd wordt, waarin getuigd wordt van de alom-aanwezigheid van Maharaj Ji, waarin raad gegeven wordt ter oplossing van problemen. ‘Service’ betekent dienen en dienst doen. Van ieder lid van de beweging verlangt men dat zij/hij zich inzet voor de beweging, voor de verspreiding en de instandhouding ervan.

In de presentatie staat de figuur van de goeroe Maharaj Ji voorop. Hij is volkomen meester, die aan ieder de waarheid kan onthullen, die het antwoord heeft op alle vragen. In de werving wordt dan ook altijd verwezen naar de goeroe. Nieuwe leden tracht men te werven door het organiseren van lezingen, het houden van introductieavonden, het toezenden van propagandamateriaal.

Literatuur speciaal voor dit onderwerp te raadplegen

Van der Lans (1981a), Pilarzyk (1978), Köllen (1980), Foss en Larkin (1978), Messer (1976), Mildenberger (1979), Downtown (1979, 1980).

2. Transcendente Meditatie

Maharishi Mahesh Yogi - wat ongeveer zoveel betekent als ‘de grote

[p. 34]

ziener, de grote man die zelfverwerkelijking heeft bereikt’ - is een van de vele goeroes geweest, die zich voor de bekering van het westen hebben ingezet. Sinds 1958 actief in de Verenigde Staten, werd hij pas echt bekend toen de Beatles en andere vooraanstaande figuren uit de showbusiness en de subcultuur zich tot hem wendden om te leren mediteren. Sinds ongeveer 1967, toen Maharishi Mahesh Yogi Nederland bezocht, zijn de volgelingen ook in ons land actief.

Transcendente Meditatie is in de eerste plaats een techniek, die cursisten in een korte basiscursus van enkele uren geleerd wordt. Wat de cursisten geleerd wordt is een meditatievorm uit de hathayogatraditie: meditatie met behulp van een mantra (een inhoudsloos woord) gedurende 2 × 20 minuten per dag, bij voorkeur op een rustig plekje in een ontspannen zithouding en met de ogen dicht. De mantra wordt bij de initiatie door de leraar aan de leerling meegedeeld. De mantra is persoonlijk. Hoeveel van degenen die de basiscursus hebben gevolgd, ook inderdaad 2 × 20 minuten per dag mediteren, is niet met zekerheid bekend.

De effecten van TM zijn volgens de leraren een grotere helderheid in het denken, een groter concentratievermogen, een groeiende zelfstandigheid en evenwichtigheid, een beter functionerend lichaam, betere relaties met anderen, enz. De gedachte is, dat indien 1 % van de bevolking TM zou beoefenen, het uitstralingseffect op de omgeving zodanig is, dat de samenleving daardoor aanzienlijk zou verbeteren: minder misdadigheid, minder verkeersongevallen (het Maharishi-effect).

Behalve de basiscursus, waaraan in Nederland nu zo'n 50.000 mensen hebben deelgenomen (ter vergelijking: in de USA tussen 1967-1977 in totaal 919.000, in 1976 zette een zeer snelle daling in het aantal nieuwe initiaties in, van ± 30.000 per maand naar 3000), is er nog een heel pakket verdergaande cursussen, die zich op deelaspecten richten, een verdergaande verdieping in de techniek beogen of informeren over de filosofische en wetenschappelijke achtergronden. Deze cursussen zijn langduriger, intensiever en veel kostbaarder dan de basiscursus. Slechts een klein deel van de mensen die de basiscursus hebben gevolgd, gaat daarna nog verder.

Van de verder reikende programma's heeft de laatste jaren vooral het TM-Sidhiprogramma de nodige opzien gebaard. Het is een programma van technieken om de groei naar een hoger bewustzijn te versnellen en het bijzondere is dat dit in een aantal gevallen gepaard zou gaan met zichtbare effecten, zoals bijvoorbeeld een toestand van zweven of vliegen.

TM is behalve een techniek ook een organisatie. In Nederland is dat de Stichting Onderwijs Wetenschap der Creatieve Intelligentie. Volgens

[p. 35]

de opgave van de Stichting zijn er in Nederland zo'n 65 full-time leraren en 155 part-time leraren en niet-actieve leraren bij het werk betrokken. Cursussen worden in Nederland in 25 centra gegeven.

TM beschouwt zichzelf niet als een religie of een religieuze beweging, maar als een wetenschap met een bepaalde bewustzijnstechnologie. Voor verreweg de meeste cursisten is TM ook niet meer dan een meditatietechniek, die ze thuis kunnen beoefenen. Voor een beperkte groep is TM duidelijk meer en is de betrokkenheid bij TM ook veel groter. De pretentie dat TM alle problemen en alle kwaad uit de wereld kan helpen, een pretentie die onder meer tot uitdrukking komt in de instelling van de ‘Wereldregering van het Tijdperk der Verlichting’ door Maharishi Mahesh Yogi, wordt door hen gedeeld en onderstreept met de resultaten van wetenschappelijk onderzoek.

De Wereldregering moet men zich overigens niet als een politieke organisatie voorstellen, maar als een geestelijke organisatie, onder leiding van de Raad van Hoogste Intelligentie, die moet toezien op de verbreiding van de techniek en het behoud van de zuiverheid van de meditatie.

De hoofdzetel van de TM-beweging is in Seelisberg (Zwitserland), in Nederland is het landelijk centrum in Laag-Soeren gevestigd.

Literatuur speciaal voor dit onderwerp te raadplegen

Kranenborg (1974), Bainbridge en Jackson (1981), Phelan (1979), Köllen (1980), Wijngaarden (1978), Mildenberger (1979), Oudshoorn en Ransijn (1979), Maas (1976), Vrolijk (1978); zie V.C. in dit boek.

3. Hare Krishnabeweging

De Krishnabeweging, voluit de International Society for Krishna Consciousness (ISKCON) genaamd, vindt historisch gezien haar oorsprong in India. De eigenlijke oprichter van de Krishnabeweging was Caitanya Mahaprabhun, een Bengaalse Brahmaan, die leefde in de 15de eeuw.

Vanaf Caitanya is er - volgens de leer - een directe lijn van geestelijke opvolging, die via vele goeroes terechtkomt bij Bhaktivedanta Swami Prabhupada, oprichter van de beweging zoals we die nu kennen. In 1965 richtte hij in New York de ISKCON op, met het doel om de pure liefde voor God ( = Krishna) in de westerse samenleving te verspreiden. Vanuit de Verenigde Staten heeft de beweging zich over vele landen verspreid, waaronder Nederland, waar men in Amsterdam een tempel heeft.

Aan het hoofd van de beweging staat de goeroe; tot zijn dood in 1977

[p. 36]

was dat Bhaktivedanta Swami Prabhupada. Nu wordt de beweging geleid door elf, door Prabhupada aangewezen, opvolgers (dit zijn allen Amerikanen).

Iedere tempel heeft een tempelhoofd. De omvang van de beweging is in Nederland altijd erg gering geweest. Afgaande op de opgave van de beweging zelf zouden er (in 1980) ongeveer 65 Nederlanders lid zijn van de Hare Krishnabeweging, van wie ongeveer ⅓ in Nederland verblijft (de rest hoofdzakelijk in het centrum in de Ardennen). Buitenstaanders houden het op een nog kleinere en in ieder geval niet meer groeiende aanhang. Hare Krishna oefent vooral aantrekkingskracht uit op nog jonge volwassenen.

Doelstelling van de beweging is het propageren van spirituele verlichting en de verspreiding van de pure liefde voor god. Centraal staat de Krishna, die in het hart van ieder mens aanwezig is. Slechts door liefdevolle toewijzing (bhakti) aan Krishna, kan men het kosmische bewustzijn van de eenheid van alle dingen verkrijgen. Door deze toewijding komt men los van de materie, raakt men onthecht van het lichaam en wil men op den duur niets anders meer dan dienen.

De eredienst bestaat uit:

-het 1728 maal zingen (‘chanten’) van de Hare Krishamantra;
-het volgen en gehoorzamen van de goeroe, die de stem van god is;
-het bestuderen van de Bhagavad Gita;
-het volgens de regels van de beweging leven in de tempel, hetgeen o.a. inhoudt: uittreding uit het normale leven, onthouding van verdovende middelen en illegitieme seksuele contacten ( = seksuele omgang zonder procreatieve bedoeling), volledig vegetarisch eten, stipt volgen van de voorgeschreven dagindeling.

De beweging is in haar opvattingen en overtuigingen volstrekt Indisch. Er wordt geen enkele concessie gedaan aan het westen, maar dat wil ook weer niet zeggen dat men de hoofdlijn van het Hindoeïsme volgt. Integendeel, het gaat hier om een ook voor India bijzondere variant van het Vishnuïsme, waarin het accent ligt op de bhakti-yoga. Men verlangt totale overgave aan Krishna en onthechting aan de materiële wereld. Binnen de Indische verhoudingen is de Hare Krishnabeweging ongeveer te vergelijken met een kloosterorde: liefdevolle devotie gecombineerd met ascese.

De Krishnabeweging presenteert zich als de ware oosterse religie in het Westen. Religie beheerst het leven van de leden. Het zingend en trommelend belijden van de eredienst in de centra van grote steden (samkirtan) toont aan dat de beweging zich ook naar buiten toe wil manifesteren als religieus. Samkirtan is echter tegelijkertijd een wervingsmethode. Er worden tijdschriften (soms ook grammofoonplaten)

[p. 37]

aangeboden (waarna een bijdrage gevraagd wordt), en uitnodigingen verstrekt voor een gratis vegetarische maaltijd (met aansluitend een lezing over de beweging). Volgens opgave van de beweging zijn in de afgelopen tien jaar zo'n 50.000 maaltijden verstrekt. De laatste tijd is de Krishnabeweging veel minder opvallend geworden in zijn presentatie, de semi-Indische kleding en de samkirtan hebben plaats moeten maken voor meer aangepaste en minder in het oog lopende vormen van missionering.

Literatuur speciaal voor dit onderwerp te raadplegen

Kranenborg (1974), Daner (1975), Johnson (1976), Mildenberger (1979), Judah (1974).

4. De beweging rond Bhagwan Shree Rajneesh (Neo-sannyas-beweging)

Het centrum van de beweging bevond zich tot het midden van 1981 in Poona (India). In de ashram daar woonde ‘Bhagwan’ Shree Rajneesh (eigenlijk Rajneesh Chandra Mohan) met ongeveer 400 à 500 volgelingen (veel kort of lang blijvende bezoekers woonden in Poona zelf). Na de plotselinge sluiting van de ashram in 1981 is Bhagwan na enige maanden onzekerheid over zijn verblijf weer opgedoken op een grote ranch in Oregon. Daar ontwikkelt zich nu een (nog kleine) gemeenschap. De beweging heeft de laatste jaren veel publiciteit gekregen, doordat een aantal bekende Nederlanders zich tot Bhagwan bekeerde, onder wie de psychiater Jan Foudraine (Swami Deva Amrito). Van belang is zeker ook het feit dat een van de belangrijkste functionarissen van de ashram, Arup, in Nederland als May Kortenhorst bekend was als een van de oprichters van Center. In het algemeen kan gezegd worden dat de belangstelling voor Bhagwan in opvallend sterke mate een Nederlandse en Duitse aangelegenheid is. De beweging geeft zelf een aantal van ruim 200.000 sannyasins op, waarvan 43% uit Europa zou komen. In de Verenigde Staten heeft Bhagwan tot nu toe maar beperkte bekendheid en volgelingschap gevonden (hij is overigens omstreeks 1975 wel weer via de Verenigde Staten hier bekend geworden).

Volgens opgave van de beweging (Foundation Purnima) zijn er in Nederland nu 23-open-meditatiecentra, twee daarvan hebben een woongemeenschap en in Den Haag is ook een therapeutische gemeenschap. De beweging beschouwt zichzelf niet als een organisatie. Men heeft dan ook geen leden, de Nederlandse sannyasins vormen het Nederlandse Bhoeddhaveld.

Hoeveel sanyassins er in Nederland zijn, is moeilijk te zeggen. Niet idereen die geïnitieerd is, beschouwt zich ook nu nog als sanyassin. Er is nogal wat verloop, 2000 echte volgelingen in Nederland lijkt een veilige,

[p. 38]

misschien wat conservatieve schatting. De indruk is, dat de beweging, nu Poona weggevallen is en Bhagwan zwijgt (na, alweer volgens de opgave van Purnima, 336 boeken en 4000 uur toespraken), zich institutionaliseert rond de meditatiecentra, die een mengeling van meditatiemogelijkheden, cursussen, groepstrainingen en gezelligheid bieden.

Voordat men als sannyasin geïnitieerd kan worden, moet men een aantal therapiegroepen doorlopen hebben; bij de initiatie krijgt men een nieuwe naam en een medaillon met een fotootje van de goeroe (mala). De oranje kleding is een opvallend merkteken, al wordt de kleur oranje in de praktijk nogal ruim, dat wil zeggen variërend van geel tot aubergine, geïnterpreteerd.

De leer is een verbinding van westerse therapeutische inzichten (met name afkomstig uit de humanistische psychologie) met de Indische tantratraditie. Deze traditie stelt dat men nimmer door onderdrukking, maar alleen door ervaring tot transcendentie kan komen.

Met de aangeboden programmacombinatie tussen Indische meditatietechnieken en westerse psychotherapeutische methodes, wordt beoogd het verkrampte en in zichzelf bevroren ego los te maken. Hierdoor wordt de mens in staat gesteld zichzelf te beleven, en in het overschrijden van het zichzelf ervaren één te worden met de goddelijke levensgrond. Centraal staat het afbreken van het ego. Als men volkomen geopend en ontvankelijk is, bestaat het ego niet meer. In de opvatting van Bhagwan is het ego geen werkelijkheid, maar een illusie. Het afbreken van het ego gebeurt op intellectueel niveau door kennis te nemen van het denken van Bhagwan en op ervaringsniveau door middel van een aantal op de humanistische psychologie geïnspireerde psychotherapeutische technieken en praktijken.

Bhagwan is sterk geïnspireerd door het werk van Gurdieff, die tussen de beide wereldoorlogen een soort ashram in Fontainebleau had en daar een programma aanbood, dat in zijn grondstructuur sterk lijkt op dat van Bhagwan (overgave aan een grillige meester, intensieve groepstraining, lichamelijke arbeid, opgeven van oude bindingen en gewoonten, extatische bekeringen, uitleven van agressiviteit).

Literatuur speciaal voor dit onderwerp te raadplegen

Kranenborg (1980), Bittorf (1981), Stevens (1979), Swami Deva Amrito (1979, 1980), Mildenberger (1979).

5. Ananda Marga

Ananda Marga is een goeroebeweging, die in Nederland erg klein en

[p. 39]

onopvallend is gebleven. In de Bondsrepubliek heeft Ananda Marga meer de aandacht getrokken door de zelfverbranding van twee leden van de beweging aan de voet van de Kaiser-Wilhelm-Gedächtniskirche in Berlijn (februari 1978), uit protest tegen de gevangenhouding in India van hun leider, Shri Shri Anandamurti (Prabhat Ramjana Sarkar). Ananda Marga heeft in Nederland enkele tientallen aanhangers, in de Bondsrepubliek wordt het aantal aanhangers op 150 geschat, het aantal geïnitieerden op enkele duizenden, maar dat zegt niet veel, omdat initiatie vaak al plaatsvindt na een eerste teken van belangstelling.

Ananda Marga is van alle naar het Westen gekomen hindoeïstische bewegingen de enige met een politiek en sociaal programma, dat dan ook nog, zeker voor Indiase begrippen, buitengewoon radicaal is en zich bewust keert tegen het kastestelsel en zijn geboden. De beweging is - vooral in India - strak georganiseerd en de leden van de beweging houden zich actief bezig met allerlei vormen van sociaal werk, maatschappelijke dienstverlening en onderwijs (dat is in India zeer uitzonderlijk; de maatschappelijke bewogenheid beperkt zich er in het algemeen tot het nakomen van de verplichtingen ten opzichte van de eigen kaste. Het belangeloos verrichten van diensten voor willekeurige anderen geldt in India traditioneel niet als een maatschappelijke waarde, integendeel zelfs, het is eerder een ondermijning daarvan, omdat het onvermijdelijk de overtreding van de kastegebonden reinheidsregels betekent).

De sociale betrokkenheid van Ananda Marga is gecombineerd met een yogapraktijk, zoals we die ook bij andere hindoeïstische bewegingen tegenkomen: de liefdevolle overgave aan de goeroe (bhakti-yoga), de meditatie op een mantra in het kader van de kundalini-yoga (de op spirituele ervaringen gerichte yoga), de hatha-yoga (de beheersing en ontspanning van het lichaam). Hoewel Ananda Marga een echte goeroebeweging is, is de relatie met de goeroe minder persoonlijk dan in sommige andere bewegingen en is er bij Ananda Marga-volgelingen minder sprake van een gedeelde persoonlijke verering dan van een gemeenschappelijke inzet voor de sociale idealen van de goeroe. Van commerciële praktijken is bij Ananda Marga geen sprake. Van der Lans (1981a), die een onderzoek heeft gedaan naar de Nederlandse Margii's, wijst erop, dat de betrokkenheid bij de organisatie in het algemeen niet erg groot is en dat er ook geen sprake is van een fanatieke geloofsijver. De sfeer in de groep en de meditatie blijken de belangrijkste elementen te zijn in de aantrekkingskracht die er van Ananda Marga uitgaat.

Literatuur speciaal voor dit onderwerp te raadplegen

Van der Lans (1981a), Mildenberger (1979).

[p. 40]

6. Verenigingskerk/Unified Family/Moonbeweging

De beweging is in 1954 in Zuid-Korea opgericht door Sun Myung Mun (of Moon), onder de naam ‘Holy Spirit Association for the Unification of World Christianity’. Het eerste centrum in Nederland werd in 1965 te Amsterdam opgericht. Na verloop van tijd wordt het voormalige BIO-vakantieoord in Bergen aangekocht en omgedoopt in ‘Huize Glory’. In 1975 kwam de Verenigingskerk in Nederland in de publiciteit, toen een Canadese arts bij de officier van Justitie te Alkmaar een klacht indiende tegen de beweging, wegens kidnapping van zijn zoon.

De Verenigingskerk is een internationale beweging; leden van de beweging worden dan ook regelmatig overgeplaatst naar een centrum in een ander land of andere stad. De wereldcentrale is gevestigd in Seoul (Z-Korea), maar de Westerse wereld is gericht op Barrytown (V.S.). De beweging heeft in Korea en Japan een aanzienlijke omvang (1976: ± 350.000 aanhangers). Ieder land heeft een nationaal centrum (Bergen) en kleinere centra (woongemeenschappen Amsterdam en Eindhoven). De beweging bestaat uit een groot aantal kleine organisaties, die niet onmiddellijk als onderdeel van de Verenigingskerk herkenbaar zijn. De economische belangen van de beweging zijn aanzienlijk.

De organisatie is sterk hiërarchisch. Aan het hoofd staan Mun en zijn vrouw, daaronder een aantal naaste medewerkers, dan de nationale leiders, de woongemeenschapshoofden, de fund-raising leiders en tenslotte de leden. In 1977 telde de Verenigingskerk 120 Nederlandse leden. Het aantal in Nederland verblijvende leden wordt in 1980 geschat op 80, waarvan de woongemeenschap in Amsterdam (tussen de 15 en 20 leden) de kern vormt. De beweging geeft een tijdschrift uit onder de naam ‘Doorbraak’; het heeft een oplage van 30.000, maar slechts 1200 vaste en 150 betalende abonnees.

De leer is vastgelegd in ‘The Divine Principle’. Het is een mengsel van christelijke bijbelinterpretatie en oosterse filosofie (taoïsme), aangevuld met de openbaringen van Moon. Kenmerkend is de opdeling van de werkelijkheid in elementaire tegenstellingen (god en mens; subject en object; mannelijk en vrouwelijk; hart en lichaam), tegenstellingen die opgeheven kunnen worden indien de alles beheersende polariteit tussen goed en slecht ten gunste van het goede opgeheven is. Mun heeft het slechte overwonnen, doordat hij als eerste het ‘volkomen huwelijk’ en daarmee de eerste cel van de ‘ware familie’ verwerkelijkt heeft.

Dit maakt Moon en z'n vrouw tot de enige echte - geestelijke - ouders. Als men tot de beweging toetreedt, betekent dat dat men de natuurlijke ouders moet opgeven. De nieuwe ouders zal men altijd volgen en gehoorzamen. Eerst dan kan men gered worden van de

[p. 41]

komende ondergang der wereld. Moons missie op aarde - vestiging van Gods koninkrijk op aarde - zal namelijk gepaard gaan met de volledige vernietiging van de oude wereld. Een derde wereldoorlog is onvermijdelijk, een oorlog die het liefst met ideologische middelen, maar indien nodig met wapens gevoerd zal worden. Gestreden zal worden tegen het satanische kwaad. De religieuze leer is verbonden met een expliciete politiek-ideologische stellingname. Het communisme wordt gezien als de personificatie van Satan; wil men het slechte overwinnen, dan zal het communisme vernietigd moeten worden. Door de beide eerdere wereldoorlogen vond een deling plaats tussen de werelden van democratie en communisme. De derde wereldoorlog moet beide werelden weer verenigen door het communisme te vernietigen. De beslissende slag zal in 1984 plaatsvinden in Korea, het Heilige Land. Hier zal de nieuwe geschiedenis en de nieuwe cultuur zijn aanvang vinden.

De werving is actief en persoonlijk. Mensen worden aangesproken en uitgenodigd eens langs te komen in het centrum van de beweging en daar een tweedaagse cursus over de goddelijke principes te volgen. Een inleiding in de leer wordt gecombineerd met zang, sport en wandelingen. Als men meer wil, kan men een zevendaagse workshop volgen en zo verder. Pas aan het einde van zo'n twee- of zevendaagse cursus komt de figuur van Moon ter sprake. Een andere vorming van werving is de werkgroep ‘Nieuw Leven’, die zich in eerste instantie richt op de wijk en op hulpverlening (bejaardenhulp, oppasdienst, organiseren van sociale avonden), met als uiteindelijk doel mensen een studieweekend te laten volgen. De leden van de Verenigingskerk moeten iedere week rapporteren over de resultaten van hun wervingsactiviteiten. Toetreding tot de beweging houdt in dat men zich totaal inzet voor de beweging: het wordt een dagtaak.

Literatuur speciaal voor dit onderwerp te raadplegen

Lofland (1966), Bromley en Shupe (1979), Barker (1978, 1981a, 1981b), Galanter c.s. (1979), Robbins c.s. (1976).

7. Children of God/Family of Love

De beweging is ontstaan in de Verenigde Staten (Californië), en werd beschouwd als onderdeel van de veel bredere Jesus-movement (de Jesus-movement bestond uit hippies, ex-verslaafden, studenten; centraal stond de directe persoonlijke ervaring van liefde voor Jezus; de beweging had een vrij sterk fundamentalistisch karakter). Na een profetie dat Californië spoedig in de oceaan zou verdwijnen, besloot de oprichter en leider - David Brandt-Berg - met een groep mensen in de bergen bij

[p. 42]

Montreal een commune op te richten. Communaal samenleven was nodig om buiten het verderfelijke systeem te kunnen staan, het ‘systeem’ dat afgebroken zou moeten worden om de wederkomst van Jezus mogelijk te maken. De eerste groep ‘Children of God’ arriveert in 1971 in Amsterdam, er wordt een commune opgericht, die in de beginjaren een internationaal gezelschap van ongeveer 30 jongeren omvat. In 1972 verdwijnt Berg uit het openbare leven, en instrueert de beweging vanaf dat moment door middel van de zogenaamde MO-brieven.

Oprichter en leider van de beweging is David Brandt-Berg, die zich later Mozes of Koning David ging noemen. Hij is de absolute leider, die de wederkomst van de Heer moet voorbereiden. Ten behoeve daarvan werden er in 70 landen communes opgericht. Het geld dat de discipelen (die bij toetreding een andere naam kregen) binnenbrachten, moest geheel aan de beweging worden afgedragen.

De beweging is sterk hiërarchisch georganiseerd; aan het hoofd staat Mozes Berg met zijn vrouw (Eva), daaronder leiders, trainers, discipelen. Rond 1974 waren er in Nederland kolonies in Amsterdam, Utrecht, Rotterdam en Arnhem. Het maximaal aantal aanwezigen per kolonie was 12. De beweging telde in Nederland ongeveer 50 leden. Aangezien leden makkelijk van de ene naar de andere kolonie, ook internationaal, overgeplaatst worden, schat men het totale toenmalige aantal Nederlandse leden op ongeveer 80.

Oorspronkelijk nam het lezen van de bijbel een belangrijke plaats in; de bijbel diende als richtlijn voor het dagelijks leven. Langzaam maar zeker echter werd de bijbel vervangen door de zogenaamde MO-brieven - waarbij MO staat voor Mozes Berg. In deze brieven deed Berg verslag van openbaringen, presenteerde zijn persoonlijke religieuze leer en gaf aanwijzingen aan de discipelen. De richtlijnen die Berg in deze brieven aangaf moesten onvoorwaardelijk gevolgd worden: ‘de discipelen van Jezus-revolutionairen moeten absoluut gehoorzaam zijn aan hen, die leiding hebben, want zij zorgen voor jouw ziel...’.

De MO-brieven worden gekenmerkt door: een sterk anti-Amerikaanse houding; het eisen van volledige gehoorzaamheid; het oproepen tot een ‘vrije seksualiteit’, als middel om te werven (binnen de bewegingen zelf zijn seksuele contacten zeer beperkt).

De manier waarop de beweging zich naar buiten toe presenteerde, kreeg meer en meer een seksueel karakter: Mozes Berg werd een seksprofeet. Dit accent op seksualiteit kreeg in de werving uitdrukking in het zgn. ‘flirty-fishing’ (eenzame mensen bekeren door met ze naar bed te gaan). Deze methode om te werven viel samen met de naamsverandering van ‘Children of God’ in ‘Family of Love’. Deze ‘prostitutie voor God’ werd uitgeoefend op straat en in een door de beweging geëxploiteerde

[p. 43]

discotheek (The Poor Boys Club). De discotheek is in Nederland opgeheven; over het flirty-fishing doen nog weleens wilde en oncontroleerbare verhalen de ronde.

De ‘Children of God’ alszodanig bestaat, ook internationaal gezien, niet meer; Berg lijkt zich geheel teruggetrokken te hebben. De voormalige leden zijn voor een deel nog wel actief, maar onder de naam: Hookers for God. Men opereert in kleine groepjes van 2 à 3 personen. Het is niet uitgesloten dat er in Nederland ook wat van die groepjes zijn, maar ze hebben zich dan toch geheel in de anonimiteit teruggetrokken.

Literatuur speciaal voor dit onderwerp te raadplegen

Wallis (1976), Mildenberger (1979), Davis en Richardson (1976).

8. Scientology Kerk

De oprichter van de beweging is L. Ron Hubbard, ex-sciencefictionschrijver en ex-marineofficier. Scientology is Amerikaans van oorsprong, maar heeft zich over vele landen verspreid. Sinds 1970 is de beweging ook in Nederland actief. Naast de Scientology Kerk in Amsterdam zijn er missies in Den Haag en Eindhoven.

Scientology Church is in 1954 door Hubbard opgericht. De ruggegraat van de beweging wordt gevormd door de ‘Sea-Org’, een organisatie die op zee plachtte te verblijven. Dit is niet meer zo, maar de naam wordt nog steeds gebruikt; het is een soort broederschap, die bestaat uit in de organisatie hooggeplaatste Scientology-leden.

Een ander belangrijk onderdeel van de beweging is het Guardian Office, dat waakt over de ‘veiligheid’ van Scientology. Het heeft tot taak het denken en handelen van de leden in de gaten te houden, en eventuele critici te ontmoedigen, desnoods door te dreigen met een proces. Daarnaast zijn er in ieder land met Scientology nauw verbonden organisaties werkzaam: in Nederland is dat in ieder geval het ‘Nederlands comité voor de rechten van de mens’. De beweging telt in Nederland naar schatting tussen de 1500 en 2000 ‘leden’, die in Amsterdam de cursussen volgen en ongeveer 80 stafmedewerkers (vrijwilligers).

De beweging zelf geeft 5 à 6000 bij Scientology betrokkenen in Nederland op. Hier doet zich echter hetzelfde probleem voor als bij Transcendente Meditatie: er is een zeer uitgebreid en nog steeds groeiend pakket van cursussen, trainingen en stadia, die iemand zowel verder in de leer als hoger in de hiërarchie brengen. Maar een klein deel van de mensen die de basiscursussen gevolgd hebben, gaat ook verder. De beweging brengt een tijdschrift uit onder de naam ‘De Nieuwe Thetan’.

De leer van Scientology is vastgelegd in een reeks publikaties, met als

[p. 44]

basis ‘Dianetics: the modern science of mental health’, 1950, van L. Ron Hubbard. Het eigenzinnige woordgebruik, de vele nieuwvormingen en afkortingen maken de leer voor buitenstaanders buitengewoon moeilijk toegankelijk. Summier weergegeven luidt de leer als volgt: de mens heeft duizenden jaren niets over zichzelf, zijn zin en het universum geweten. Het werk van Hubbard heeft deze onwetendheid doorbroken, na een onderzoek naar 50.000 jaar menselijk denken. De kennis, die hij opdeed door dit onderzoek, werd bovendien aangevuld met nieuwe ontdekkingen. ‘Dianetics’ wordt omschreven als de leer van het verstand. Het verstand bestaat uit een soort bewustzijn (‘analytic mind’) en een soort onbewustzijn (‘reactive mind’).

In de ‘reactive mind’ zijn alle pijnlijke en traumatische ervaringen (‘engrammen’) opgeslagen. De ‘reactive mind’ neemt uiteindelijk de leiding over lichaam en geest over van de ‘analytic mind’. De ‘reactive mind’ is ook verantwoordelijk voor de neurosen en psychosen van de mens. Door echter deze engrammen op te sporen, wat kan gebeuren door geestelijke raadgeving (‘auditing’) en met behulp van de zgn. E-meter, kan de schadelijke invloed die ze uitoefenen opgeheven worden, waardoor volledige zelfverwerkelijking mogelijk wordt. In deze toestand wordt zo'n persoon ‘clear’ genoemd.

In het boek ‘Scientology, a history of man’, gaat Hubbard nog een stapje verder. Hierin stelt hij dat achter de analytic en reactive mind een derde dimensie verscholen ligt, te weten: de onsterfelijke ‘ziel’ (Thetan). Uiteindelijk is de mens geest, een onsterfelijke ziel. De onsterfelijke Thetan wordt vlak voor de geboorte in een menselijk lichaam geplaatst en verlaat het weer na de dood van het lichaam. Zo reïncarneert de Thetan, de geen grenzen kennende, pure geest, die absolute controle heeft over materie, energie, ruimte en tijd. De Thetan is voor Scientologen gelijk met de persoon zelf. Scientology biedt nu de mogelijkheid om de vergaande mogelijkheden van de Thetan te gaan benutten. Scientology heeft zich tot doel gesteld de aarde ‘clear’ te maken; ‘clear’ kan men worden door de cursussen die de Scientology Church aanbiedt, te volgen. ‘Clear is a state in which an individual is now in control over his own mental matter, energy, space and time.’ Scientology laat er geen twijfel over bestaan dat het bereiken van deze toestand een kostbare geschiedenis is.

Scientology wordt gepresenteerd als een wetenschap die mensen een kans biedt te komen tot volledige zelfverwerkelijking. Het is ‘een werkzame technologie die iedereen kan gebruiken om meer succes en vreugde in het leven te verwerven’. Scientology beschouwt zichzelf voorts als een religie, een religieuze filosofie en een religieuze praktijk tegelijk. In de werving valt het op straat aanspreken van mensen en het aanbieden

[p. 45]

van een gratis persoonlijkheidstekst bijzonder op.

De Scientology Kerk is in veel landen met wisselend succes partij in rechtszaken, waar het gaat om het krijgen of behouden van erkenning als kerkgenootschap. Tegen psychiatrie en psychotherapie voert Scientology al vele jaren strijd.

Literatuur speciaal voor dit onderwerp te raadplegen

Wallis (1973abc, 1974, 1976), Garrison (1974), Whitehead (1974), Rothuizen (1977), Komrij (1979). Zie ook IV.B. in dit boek.

9. Christelijke evangelisatiebewegingen

Youth for Christ, Campus Crusade for Christ en de Navigators zijn alledrie het beste te omschrijven als jongerenevangelisatiebewegingen op christelijke grondslag. Het zijn geen kerkgenootschappen, maar min of meer losse verzamelingen van betrokkenen rond een organisatorische kern. De jongeren die zich voor deze bewegingen interesseren, zijn meestal van christelijke huize, al zal dat lang niet altijd ook betekenen dat men thuis een even fundamentalistisch christendom belijdt als door deze bewegingen wordt voorgestaan. Naar de geest hebben deze bewegingen een sterke verwantschap met de fundamentalistische stromingen in de hervormde en gereformeerde kerken, naar de vorm, de maatschappelijke opstelling, de doelstellingen en de doelgroepen zijn er belangrijke verschillen.

De belangrijkste bronnen van inspiratie zijn voor alledrie de bewegingen de bijbel en de persoon van Jezus Christus. Bijbelstudie neemt een belangrijke plaats in, Jezus Christus wordt beleefd als een persoonlijke heiland met wie een sterke op gevoel gebaseerde relatie mogelijk is. De relatie met de christelijke kerken is positief, maar er ligt geen nadruk op regelmatige kerkgang of deelname aan de activiteiten van de gemeente.

Evangelisatie heeft een centrale plaats in de activiteiten van deze bewegingen. Bij Youth for Christ vervullen de door de beweging geëxploiteerde koffiebars de functie van uitvalsbasis en thuishaven voor het evangelisatiewerk. Daarnaast is men actief op scholen en in kazernes, heeft men eigen boekhandels en worden er zomerkampen, evangelisatiecursussen en -trainingen, religieuze festivals en dergelijke georganiseerd. Tenslotte heeft Youth for Christ ook nog enkele opvangcentra voor verslaafden en mensen die op een andere manier in de problemen zijn geraakt.

De Campus Crusade for Christ is vooral actief op scholen en universiteiten en organiseert eveneens een heel programma van bijbel-

[p. 46]

studiegroepen, trainingen en cursussen. De pretentie van de Campus Crusade gaat veel verder en richt zich op het kerstenen van de wereld en het confronteren van de Nederlandse bevolking met het evangelie vóór 1985. Huisbezoeken en stadsevangelisatiecampagnes staan eveneens op het programma.

De Navigators richten zich in het evangelisatiewerk eveneens vooral op jongeren, met name op middelbare scholen en universiteiten. De belangrijkste activiteit is ook hier het organiseren van bijbelstudiekringen, van trainingen en conferenties.

Youth for Christ heeft van de drie bewegingen het verst uitgewerkte en meest veelzijdige evangelisatieprogramma, en richt zich ook meer op mensen die niet van huis uit al (bewust) christelijk zijn. Voor alledrie de bewegingen geldt dat zij:

-zich voornamelijk richten op jonge mensen, zo tussen 15-35 jaar;
-evangelisatiebewegingen zijn, gericht op het winnen van mensen voor een leven met Christus;
-daarbij ook weer voornamelijk gebruik maken van jonge mensen en wel van leken;
-niet gericht zijn op het bewerkstelligen van één specifieke kerkelijke binding of van gebondenheid aan een gemeente;
-gebruik maken van een vormentaal, die vooral jongeren aanspreekt;
-een persoonlijke geloofsbeleving in een sterke betrokkenheid op Christus voorstaan;
-zich baseren op een fundamentalistische bijbelinterpretatie;
-een traditionele moraalopvatting uitdragen.

De kritische publiciteit, die vooral Youth for Christ nu ten deel valt, richt zich vooral tegen de wijze waarop de moraal wordt gehandhaafd. Homoseksualiteit, ongehuwd samenleven, premaritale seksualiteit worden onverkort afgewezen en het ligt voor de hand dat dit in een beweging die vooral uit adolescenten bestaat, nogal eens tot spanningen en conflicten aanleiding geeft. Door het COC en door vertegenwoordigers van meer progressieve religieuze stromingen wordt deze bewegingen dan ook wel verweten ten onrechte en tot schade van de aanhangers vast te houden aan achterhaalde voorstellingen over de seksuele moraal.

Een tweede punt van kritiek is voorts dat deze bewegingen los van het evangelisatiedoel slechts een geringe belangstelling hebben voor maatschappelijke en politieke vraagstukken. Het doel van deze bewegingen is gelegen in het evangeliseren, het verbeteren van individuele mensen, en niet in het politieke en maatschappelijke engagement.

Een derde punt van kritiek is, dat deze bewegingen zich van onzuivere methoden bedienen. ‘Je komt binnen voor een kopje koffie, je gaat weg met god.’ Los van de vraag of zowel het eerste als het tweede deel van

[p. 47]

deze uitspraak juist is, verwijst het in ieder geval naar de mogelijkheid die deze bewegingen hebben om zich onder de algemene noemer van ‘jongerenorganisatie’ of ‘christelijk’ te presenteren en tegelijkertijd een in een aantal opzichten particuliere boodschap uit te dragen.

Youth for Christ heeft een hoofdvestiging in Driebergen. De staf van Youth for Christ bestaat uit ongeveer fulltime 50 medewerkers, die door eenzelfde aantal diaconale medewerkers worden bijgestaan (vrijwilligers, die een jaar lang tegen zakgeldvergoeding voor YFC werken). In het hele land heeft men zo'n 150 plaatselijke werkgroepen waarvan er door ruim 100 een YFC-koffiebar geëxploiteerd wordt. De omvang en de aanhang van de plaatselijke werkgroepen varieert, maar gemiddeld heeft men 15 à 20 medewerkers die een (groot) gedeelte van hun vrije tijd aan de YFC besteden. Volgens de beweging zelf komt dit neer op zo'n 1500 à 2000 vrijwilligers en een veelvoud aan aanhang. De beweging geeft o.a. ook een maandblad uit, onder de naam ‘Aktie’. Dit blad heeft een oplage van meer dan 10.000. Over het grote scala aan activiteiten dat YFC ontplooit, is boven al het een en ander gezegd. De grootste manifestatie, May-Day, trekt ieder jaar meer dan 10.000 bezoekers. Youth for Christ was lid van de Nederlandse Federatie Jeugd en Jongerenwerk (de NFJJ heeft Youth for Christ het lidmaatschap ontnomen) en ontvangt uit veel verschillende bronnen inkomsten (koffieshops, entreegelden, donaties, boekenverkoop, abonnementen, subsidies van christelijke gemeenten en van particulieren). Het aantal contribuanten en sympathisanten wordt op ongeveer 100.000 geschat.

Campus Crusade for Christ, werkzaam in het kader van het ‘Instituut voor Evangelisatie’, telt eveneens ongeveer 50 medewerkers en ongeveer 1000 vrijwilligers. De beweging geeft een maandblad uit, ‘Uitdaging’ geheten, dat een oplage heeft van ongeveer 19.000 exemplaren. Het hoofdkwartier van Campus Crusade is gevestigd in Driebergen.

De Navigators - eveneens gevestigd in Driebergen - tellen ongeveer 30 full-timers en circa 2000 mensen die betrokken zijn bij de bijbelstudiegroepen, die regelmatig - van één keer per week tot één keer per maand - bijeenkomen. Ongeveer 500 daarvan zijn scholieren, in de leeftijd van 15-19 jaar, 500 zijn studenten in de leeftijd van 18-35 jaar en dan zijn er ongeveer 1000 mensen betrokken bij het algemene Navigatorswerk. Een keer per kwartaal verschijnt het Navigators Nieuwsbulletin.

Ieder van de drie organisaties is behalve in Nederland ook nog in zeer veel andere landen te vinden, steeds als nationale organisatie. De indruk is dat er tussen de organisaties in Nederland qua vrijwilligers en bereik nogal wat overlap bestaat.

[p. 48]

Literatuur speciaal voor dit onderwerp te raadplegen

Haagsman (1978), Bakker (1981), Vrije Keuze (1980), Capelleveen e.a. (1977), Van der Land (z.j.)

10. Andere sekten of nieuwe religieuze bewegingen

De sekten of nieuwe religieuze bewegingen die hier besproken zijn, zijn naar de aard van de leer niet allemaal direct thuis te brengen. De christelijke en hindoeïstische bewegingen zijn gemakkelijk en eenduidig te herkennen, maar niet iedereen zal de Verenigingskerk of de Children of God zonder meer als christelijke bewegingen willen beschouwen. Scientology is helemaal een geval apart: een psychotherapeutische beweging die de vorm van een kerkgenootschap heeft aangenomen.

Het godsdienstige landschap van Nederland is rijk gestoffeerd met vele kleine en grote kerkgenootschappen, religieuze bewegingen, sekten, kerkgemeenten, variërend van de Heiligen van de Laatste Dagen tot de Satanskerk (Van Dijk, 1981).

Alvorens nu verder vooral in te gaan op de hiervoor kort besproken nieuwe religieuze bewegingen, wil ik toch nog even de belangrijkste andere marginale religieuze groeperingen aanduiden. In het eerste hoofdstuk onder A is de keuze van de nader te bestuderen bewegingen verantwoord. Het debiet is zeker ruimer dan daar bleek, dat wil zeggen, er zijn meer bewegingen en kerken die zo nu en dan opvallen op de manier, die de hier besproken bewegingen (uitgezonderd de christelijke bewegingen) meer regelmatig ten deel is gevallen. In 1981 geldt dat bijvoorbeeld voor de Jehova's Getuigen en sommige aftakkingen van de Pinksterbeweging.

De Jehova's Getuigen zijn afgevallen, omdat ze alhoewel zeker niet onomstreden, toch als geworteld in de Nederlandse samenleving kunnen worden beschouwd, zozeer zelfs dat hun maatschappelijke marginaliteit een vast en onbedreigend gegeven is geworden. Op het godsdienstig plat van Nederland hebben de Jehova's Getuigen een bescheiden concessie toegewezen gekregen (Munters, 1970).

Met de Mormonen, de Kerk van Jesus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, ligt het weer anders. De Mormonen ‘passen’ niet in het Nederlandse godsdienstige landschap, ze zijn bovendien zeer actief in de zending, ook en vooral naar jongeren toe, ze zijn historisch niet in Nederland geworteld, maar ze zijn maatschappelijk nauwelijks omstreden en oogsten weinig negatieve publiciteit. Waarschijnlijk vooral omdat het normale maatschappelijk functioneren van Mormonen door hun geloofsbeleving niet negatief wordt beïnvloed, misschien zelfs juist wel bevorderd.

[p. 49]

Bij de christelijke bewegingen moet nog worden opgemerkt, dat het hier alleen jongerenbewegingen van protestantsen huize betreft. Het is opmerkelijk dat er in het katholieke kamp geen schim van een jongerenbeweging meer kan worden waargenomen. Na het aggiornamento van de jaren zestig als vervolg op het Tweede Vaticaanse Concilie is de katholieke kerk er steeds minder in geslaagd jongeren aan zich te binden en is er ook onder katholieke jongeren weinig meer te bespeuren van belangstelling voor een eigen vorm van katholicisme. De basisgemeenten die zo her en der in het land bestaan, de enkele katholieke communiteiten van leken en regulieren, vallen nauwelijks op en stellen zich ook niet wervend of evangeliserend op. Wel schijnen er aanwijzingen te zijn dat de Pinksterbeweging langzaam maar zeker ook in katholieke kring aandacht en aanhang gaat trekken. In Zuid-Amerika is dat al langer het geval (Tennekes, 1975), maar het schijnt zich nu ook in Nederland voor te doen (Vrijhof, 1976, 17).

In dit verband is ook nog een opmerking over de hindoeïstische bewegingen op zijn plaats. Het feit dat binnen de Nederlandse verhoudingen het Hindoeïsme een jonge en exotisch aandoende verschijning is. mag toch niet doen vergeten, dat het Hindoeïsme een wereldgodsdienst is, die het leven van honderden miljoenen mensen bepaalt en kan bogen op een traditie die het christendom tot een soort jeugdsekte maakt. Boeddha en Christus moesten nog geboren worden, toen Varanasi al honderden jaren lang de heilige stad van de hindoes was en de Bhagavad-Gita al een oud epos. Het Hindoeïsme moet vooral niet gezien worden als een godsdienst die zich in de vorm van een kerkgenootschap of zelfs van meerdere kerkgenootschappen manifesteert. Gonda (1974) begint zijn introductie tot het hindoeïsme niet toevallig als volgt: ‘Onder Hindoeïsme verstaat men de cultuur, en wel speciaal in haar sociaal-religieuze aspecten, van Voor-Indië in de laatste ca. 2000 jaar’ (1974, 66). Het Hindoeïsme is nog het beste te vergelijken met het christendom van de Middeleeuwen: een situatie, waarin kerk, samenleving en staat onontwarbaar met elkaar vervlochten waren. Het Hindoeïsme manifesteert zich in zeer veel verschillende vormen en neemt erg gemakkelijk vreemde elementen op. De vrijheid om te denken en te geloven wat je wilt is in het Hindoeïsme erg groot. Vandaar ook de op het eerste gezicht al zo opvallende verschillen tussen de in Nederland actieve hindoeïstische bewegingen.

De vormen van het Hindoeïsme die in Nederland zijn doorgedrongen, verschillen van elkaar meer dan de katholieke van de gereformeerde kerk. De strenge orthodoxie van Hare Krishna, het zwierige tantrisme van Bhagwan, de simpele yoga van de Transcendente Meditatie, de volkse devotie voor goeroe Maharaj Ji (Divine Light Mission), het zijn

[p. 50]

met alle verschillen toch allemaal uitingen van het Hindoeïsme.

De in de opsomming tot nu toe opvallend ontbrekende nieuweling op godsdienstig gebied in Nederland is het Boeddhisme in al zijn varianten. Het Boeddhisme heeft als levensbeschouwing zeker een bescheiden voet aan de grond gekregen, maar in overeenstemming met de principes van het Boeddhisme gedraagt die voet zich ook zeer bescheiden en onopvallend.

Er zijn in Nederland enkele kleine boeddhistische tempels en meditatiecentra (Vinkenoog, 1980; Derks, 1981). Boze en verontruste geluiden worden er over boeddhisten niet vernomen, allerlei vormen van boeddhistische meditaties hebben ook al hun weg gevonden buiten het Boeddhisme, bijvoorbeeld naar sommige katholieke kloosters en bezinningscentra.

Een deel van de boeddhistische leraren wordt gevormd door Tibetaanse monniken, die zich na de verdrijving van de Dalai Lama en de verwoesting van de kloosters door de Chinezen, in het Westen hebben gevestigd. Bij mijn weten is er rond hun optreden in Nederland nooit enige deining ontstaan. De geringe zendingsdrang van de Boeddhisten, de kritische houding ten opzichte van charismatisch leiderschap en de ondergeschikte rol die geld speelt, heeft daar zeker positief toe bijgedragen.

Buiten bespreking blijven ook de bewegingen en kerken, die in Nederland alleen of hoofdzakelijk onder niet uit het Nederlandse cultuurpatroon stammende mensen leden tellen. Dat is in de allereerste plaats de Islam, maar daarnaast kan men ook denken aan de Rastafari's, de Surinaamse Hindoes, de Sikhs en minder exotisch, de Anglicanen en leden van andere nationale kerken. Met name aan de Islamieten en Hindoes zal overigens nog wel in de paragraaf over de immigrantengodsdiensten aandacht worden geschonken.

Niet in het onderzoek opgenomen zijn ook de ‘oude sekten’, zoals de Soefi's, de Vrijmetselarij, Christian Science, de Theosofie, Anthroposofen en de Rozekruisers. Zij vinden hun aanhang niet vooral onder jongeren en leiden een onopvallend bestaan, met uitzondering van de duidelijk weer opgeleefde Anthroposofie overigens. Tenslotte zijn ook uit de hoek waar de Scientology Kerk vandaan komt, de ‘human potential movement’, geen andere bewegingen opgenomen.

In het hele scala van trainingen, groeigroepen, cursussen, seminars, encounters en therapieën (Gestalt, bio-energetica, Rolfing, Primal Scream, EST, Arica, Tai Chi, enz.), dat ook in Nederland veel belangstelling vindt, heeft zich nog geen groep gemanifesteerd met ook maar bij benadering het sekteachtige en religieuze karakter van Scientology. EST komt een beetje in de richting, maar is tot Nederland

[p. 51]

nog niet doorgedrongen, voorzover ik weet.

Omdat bij de human potential movement van een uitgewerkte religieuze leer of achtergrond geen sprake is en de beweging als zodanig geen structuur heeft, maar alleen zichtbaar wordt in een wisselend aanbod van activiteiten, waar iedereen op in kan tekenen voor de duur van de activiteit alleen, zullen we dit aanbod hier alleen behandelen, voorzover er sprake is van integratie van humanistisch-psychologische therapieën en dergelijke in de praktijk van een religieuze beweging (de Bhagwanbeweging bijvoorbeeld).