Tussen stigma en charisma


auteur: Paul Schnabel


bron: Paul Schnabel, Tussen stigma en charisma. Een analyse van de relatie tussen nieuwe religieuze bewegingen en geestelijke volksgezondheid. Erasmus Universiteit Rotterdam, Rotterdam 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 52]

III de aantrekkingskracht van de nieuwe religieuze bewegingen

‘Die Bundesregierung beobachtet, dass zahlreiche junge Menschen aus zum Teil sehr verschiedenen Gründen der Auseinandersetzung mit der Wirklichkeit ausweichen und die Teilnahme am gesellschaftlichen Prozess verweigern. Die Bundesregierung sieht die Hinwendung zu Jugendreligionen als eine Form dieser Realitätsflucht an.’
Bericht der Bundesregierung

A. De omvang van de nieuwe religieuze bewegingen

1. Een overzicht van de aantallen leden en sympathisanten

In Nederland wordt vooral in journalistieke publikaties nogal eens gesuggereerd dat jongeren in groten getale de traditionele kerken verlaten om zich in de armen van een goeroe te storten. Het eerste is zeker waar, wanneer men althans rekening houdt met het feit dat zeer veel jongeren al van huis uit geen godsdienstige opvoeding meer meekrijgen en dus ook geen kerk hoeven te verlaten. Het tweede is zeker niet waar, gelet op de cijfers die in de vorige hoofdstukken over de aanhang in Nederland gegeven werden. Tenslotte moet het begrip ‘jongere’ hier wel in een zeer ruime betekenis gezien worden. Het betekent zeker niet, dat in de bewegingen vooral of veel minderjarigen worden aangetroffen. Het tegendeel is eerder waar. Voorzover uit de literatuur, uit de opgave van de bewegingen zelf en uit informatie van (ex)insiders opgemaakt kan worden, is het aantal minderjarigen gering, zelfs wanneer men de formele grens van 21 jaar aanhoudt en niet de praktijkgrens van 18 jaar. Alleen in de christelijke bewegingen zijn de minderjarigen een kwantitatief belangrijke groep. De anderen moeten het meer hebben van de groep 20-40-jarigen, en in het bijzonder van de 20-30-jarigen.

De opgegeven aantallen volgelingen zullen veel mensen onwaarschijnlijk laag voorkomen, zeker waar het de hindoeïstische en niet-christelijke bewegingen betreft. Toch zijn de cijfers niet echt nieuw, alleen hebben ze tot nu toe in de publiciteit rond de sekten nauwelijks een rol gespeeld. Kranenborg (1974) en ook Köllen (1980) komen in

[p. 53]

enkele gevallen voor de Nederlandse aanhang met getallen in dezelfde orde van grootte en de meeste komen ook overeen met de opgaven van de bewegingen zelf (voorzover men althans zelf een beeld heeft van de omvang van de aanhang). Op het punt van de betrouwbaarheid van de cijfers kom ik nog terug, maar wie denkt dat de bewegingen zelf uit politieke overwegingen geneigd zullen zijn de omvang van hun aanhang lager te schatten dan met de werkelijkheid overeenkomt, onderschat toch de psychologische betekenis van het grote getal voor juist zulke actief missionerende bewegingen als waar het hier in de meeste gevallen om gaat.

Om een goed beeld te krijgen van de omvang van de verschillende bewegingen ten opzichte van elkaar, zijn hieronder de voor Nederland relevante cijfers nog eens in een overzicht bij elkaar gezet. De cijfers hebben betrekking op de situatie, zoals die begin 1981 was, maar sindsdien hebben zich, voor zover bekend, geen grote veranderingen voorgedaan.

1.Divine Light Mission - naar schatting hoogstens nog 150 aanhangers in Nederland, waarvan in 1980 ongeveer 15 in communaal verband leven. De beweging lijkt op zijn retour.
2.International Society for Krishna Consciousness (Hare Krishnabeweging) - de Nederlandse afdeling bestaat uit een kern van ongeveer 15-25 mensen, met daaromheen nog een echte groep sympathisanten (waarschijnlijk niet meer dan enkele tientallen mensen) en belangstellenden.
3.Transcendente Meditatie - in Nederland zijn er zo'n 220 leraren en 20 leraren in opleiding. De eenvoudige meditatietechniek is door bijna 50.000 mensen geleerd (initiaties), bijna steeds zonder enige verdere relatie met de verschillende TM-organisaties. Slechts een deel van hen beoefent de techniek ook werkelijk.
4.Neo-Sannyas Beweging (Bhagwanbeweging) - het aantal Nederlandse sannyassins (volgelingen) is onbekend, maar schat ik op dit moment op ongeveer 2000. Dat is waarschijnlijk aan de lage kant, al lijkt de beweging in Nederland al over zijn hoogtepunt.
5.Ananda Marga - een beweging die in Nederland hoogstens (nog) enkele tientallen aanhangers telt.
6.Verenigingskerk/Unified Family/Moonbeweging/Unification Church - een beweging die bijna meer namen dan in Nederland leden telt. In 1977 waren er nog ongeveer 120 ‘Moonies’ in Nederland, nu zijn het er nog hoogstens 80. Een deel van hen, de minderheid, leeft communaal.
7.Scientology Kerk - het aantal stafleden in Nederland bedraagt ongeveer 80 (vrijwilligers). Het aantal mensen dat deelneemt aan
[p. 54]
Scientologycursussen is niet bekend, maar kan worden geschat op hoogstens 1500 à 2000. Scientology zelf gaat ervan uit dat er 5000 à 6000 Scientology-aanhangers zijn.
8.Children of God/Family of Love - omstreeks 1975 waren er zo'n 80 Nederlandse leden. Als zodanig bestaat de beweging niet meer, althans niet in Nederland. Enkele individuele leden schijnen nog wel actief te zijn.
9.De christelijke bewegingen Youth for Christ - 100 medewerkers, ongeveer 1500 à 2000 vrijwilligers en een kring van 10 à 15.000 min of meer vaste belangstellenden en betrokkenen.
Campus Crusade for Christ - 50 medewerkers, ongeveer 1000 direct betrokkenen en een kring van 10 à 20.000 betrokkenen en belangstellenden.
Navigators - 30 medewerkers, ongeveer 2000 direct betrokkenen en een kring van 7000 belangstellenden.

 

N.B. Bij de christelijke bewegingen kan men nogal wat dubbeltellingen verwachten bij de belangstellenden.

2. Kern en periferie van een beweging

Uit het overzicht blijkt dat juist enkele van de meest opvallende en ook meest kleurrijke bewegingen - Divine Light Mission, Hare Krishna, Verenigingskerk, Children of God - toch slechts een zeer kleine aanhang hebben. Bekendheid en herkenbaarheid is kennelijk wel een noodzakelijke, maar zeker geen voldoende voorwaarde om aanhang te winnen. Een bevestiging van deze hypothese vinden we in het onderzoek naar de waardering in Nederland voor zulke organisaties als Jehova's Getuigen en Leger des Heils. Uit dat onderzoek (Goddijn e.a., 1979) blijkt dat noch bekendheid met, noch waardering voor een kerkgenootschap voldoende voorwaarde zijn voor het verwerven van aanhang (zie III.B.2.).

Scientology en de Bhagwanbeweging nemen in het overzicht een tussenpositie in. Ze hebben elk een kring van aanhangers en belangstellenden, die wel niet bijzonder groot is, maar toch ook niet verwaarloosbaar klein. Eigenlijk mag ook Transcendente Meditatie tot deze groep gerekend worden, omdat het bereik dat TM de afgelopen jaren heeft gehad in geen verhouding staat tot de werkelijke omvang van de aanhang in de meer strikte zin van het woord, tot die mensen dus, die meer hebben geleerd dan een simpele meditatietechniek. Bij TM is de afstand tussen de kern van de organisatie en de grens van de periferie buitengewoon groot.

[p. 55]

Het is misschien een beetje onverwacht, dat het juist de christelijke bewegingen blijken te zijn, die kunnen hopen op een aanhang, waarvoor met goed fatsoen de Jaarbeurs of een evenementenhal kan worden afgehuurd (dat gebeurt dan ook zo nu en dan). Het feit dat geen van de andere bewegingen zich tot dit soort massabijeenkomsten voor de Nederlandse aanhang alleen laat verleiden, is zeker niet alleen toe te schrijven aan het andere karakter van de hindoeïstische en syncretistische bewegingen. Men heeft eenvoudigweg niet voldoende (echte) leden om dergelijke reusachtige ruimten te kunnen vullen.

Op 17 juli 1981 vond in Amsterdam in het Frans Otten Stadion ‘The Orange Full Moon Affair’ plaats. Daar verzamelden zich toen in een feestelijke ambiance ongeveer 3000 Bhagwanvolgelingen, belangstellenden en familieleden. In meerderheid zullen het wel Nederlanders zijn geweest, maar er waren toch ook zeer veel buitenlanders. Van geen enkele andere niet-christelijke beweging is in Nederland een vergelijkbare manifestatie bekend.

De verhoudingsgewijs grote aanhang van de christelijke bewegingen wijst er.in ieder geval niet op, dat jongeren in groten getale aan juist andere dan christelijke bewegingen de voorkeur zouden geven.

Voor alle bewegingen blijft gelden dat de kern van de beweging - en daar vooral gaat het om in de negatieve reacties op deze bewegingen - bijna steeds erg klein is en meestal niet meer dan enkele tientallen of hoogstens enkele honderden mensen omvat. De kernen zijn het grootst bij de christelijke bewegingen, waar men naast enkele duizenden vrijwilligers over zo'n 200 medewerkers kan beschikken.

De kern van de in de pers steeds als gevaarlijk paraderende sekten (Verenigingskerk, Hare Krishna, Scientology, Children of God, Divine Light Mission) bestaat in totaal gezamenlijk waarschijnlijk uit minder dan 300 mensen, met daaromheen misschien nog eens 600 volgelingen met een sterke betrokkenheid. Ter vergelijking: in 1967 hadden de orden en congregaties (priesters, broeders, zusters) van de katholieke kerk in Nederland gemiddeld elk bijna 300 leden. Nederland telde toen 163 congregaties en orden: 1% van alle katholieken had toen zijn leven geheel aan God gewijd (Poeisz, 1968). Ik wil dat niet op één lijn zetten met de aanhang van de nieuwe religieuze bewegingen, maar het is toch zinvol dit soort verschillen in omvang wel steeds in de gaten te houden. De situatie van de katholieke orden en congregaties is, zoals bekend, inmiddels wel zeer sterk veranderd: het aantal uittredingen is jarenlang bijzonder hoog, het aantal nieuwe aanmeldingen constant minimaal geweest.

Er zijn nogal wat bewegingen waar men in zeer veel verschillende graden van betrokkenheid toe kan behoren. Het maakt nogal wat uit of

[p. 56]

iemand leraar Transcendente Meditatie is of alleen maar een basiscursus meditatie heeft gevolgd. Iemand die geregeld de koffiebars van Youth for Christ bezoekt, kan niet onmiddellijk gelijk worden gesteld met de mensen die voor de koffie zorgen. Wie zo nu en dan eens bij ISKCON (Hare Krishna) aanschuift voor een vegetarisch hapje, eindigt niet noodzakelijkerwijs chantend en trommelend op de Dam. Van de Oxford Persoonlijkheidstest en de basiscommunicatiecursus is het nog een lange weg naar het stadium van ‘clear’ zijn bij Scientology. Niet veel mensen volgen die weg. Kortom, zoals niet iedere katholiek een trappist is, niet iedere gereformeerde artikel 31 volgt en niet iedere jood de tefillien aanlegt, zo zijn er ook bij de nieuwe religieuze bewegingen in het algemeen heel wat graden van orthodoxie en overgave. Hoe orthodoxer de leer en hoe absoluter de overgave die gevraagd wordt, hoe geringer het aantal leden.

Bij bijna alle nieuwe religieuze bewegingen is er sprake van een duidelijke kern - de mensen die zich geheel of gedeeltelijk in dienst hebben gesteld van de beweging - en van een periferie van minder tot nauwelijks betrokkenen. De kern is bijna altijd klein tot zeer klein, de periferie wisselt in omvang en in mate van betrokkenheid per beweging én in de tijd. Bij het opmaken van het overzicht van het ledental van de verschillende nieuwe religieuze bewegingen is steeds geprobeerd het onderscheid tussen kern en periferie in kwaliteit en kwantiteit zo goed mogelijk weer te geven.

Voor een beoordeling van de plaats die een beweging in het leven van een aanhanger inneemt, is dit onderscheid van groot belang. Allesoverheersend is de beweging meestal alleen voor de echte kernleden, al zijn er ook hier verschillen tussen de bewegingen onderling (alles over hebben voor de beweging is bij Youth for Christ toch heel wat minder ingrijpend dan bij Hare Krishna) en al zijn er ook bewegingen die hoge (vaak financiële) eisen stellen aan het ledenbestand dat zich dichtbij de kern bevindt of tot de kern wil gaan behoren. Deze leden oefenen vaak wel gewoon een beroep uit en hebben een eigen huiselijk leven, maar veel van hun vrije tijd en geld gaat toch naar de beweging. Deze variatie komt men ook buiten de hier te noemen bewegingen tegen, te denken valt aan het verschil tussen Leger des Heils - volledige inzet - en de Jehova's Getuigen - zending in de vrije tijd -, aan het verschil tussen de leek en de regulier in de r.k.-kerk, aan het verschil tussen hervormden en streng gereformeerden.

De nieuwe religieuze bewegingen lijken wat dit betreft overigens zeer sterk op de kleine communistische splinters in Nederland, waar men dezelfde hoge eisen van opofferingsbereidheid aan de kernleden stelt en waar in enkele gevallen ook geen ander lidmaatschap meer denkbaar is

[p. 57]

dan dat van de volledige inzet voor de beweging en zijn leider. Leitsman (1981) heeft dit beschreven voor de Kommunistische Eenheidsbeweging Nederland in zijn nadagen. De drie nog bestaande maoïstische groepen in Nederland (KEN-ml, KAO-ml en GML) schat hij bij elkaar op nog ongeveer 120 leden: ‘...een handjevol politieke voorhoedes, dat het vooral druk heeft met zichzelf’ (1981, 12).

3. De macht van het grote getal

Een obstakel bij het vaststellen van de aanhang van de verschillende bewegingen wordt gevormd door allerlei overwegingen van ideologische en religieuze aard, die zowel de bewegingen zelf als hun bestrijders doen neigen tot een overschatten van de omvang van de aanhang. Uiteraard is het voor een beweging of sekte altijd prettig te kunnen wijzen op een grote en groeiende aanhang. In sommige gevallen - Transcendente Meditatie en Verenigingskerk bijvoorbeeld - is dat niet alleen een graadmeter voor het succes van de beweging, maar ook een onderdeel van de leer. (Zo is er voor echte TM-aanhangers een directe correlatie tussen een bepaald percentage TM-aanhangers onder de bevolking van een stad (1%) en een dalende tendentie in de plaatselijke statistieken van de verkeersongevallen en de misdrijven. Dit zgn. Maharishi-effect wordt door de TM-organisatie ook zelf weer statistisch bijgehouden.) Van hun kant hebben de bestrijders van de nieuwe religieuze bewegingen eveneens belang bij de omvang van hun vijand. St. Joris zou per slot van rekening ook niet heilig zijn verklaard, als hij met een hagedis aan een touwtje in de stad was teruggekeerd. Zo is het ook met het huidige gilde van bestrijders en deprogrammeurs gesteld: zij voelen zich als St. Joris en zij weten zich geconfronteerd met een draak, die niet alleen veelkoppig is, maar vooral ook groot. De suggestie dat het om een kwalitatief en kwantitatief groot gevaar gaat - of in de toekomst zou kunnen gaan als er niet tijdig wordt opgetreden - is voor hun eigen motivatie van wezenlijk belang. In het gevecht met de draak is dan de sterkte van de eigen troepen natuurlijk ook weer strategische informatie en men houdt dan ook graag het aantal dat zich tegen de sekten teweer stelt, geheim. St. Joris trok er, zoals bekend, alleen met zijn paard op uit.

Een rol bij de overschatting van de omvang van het sektenverschijnsel speelt zeker ook de zichtbaarheid van bepaalde bewegingen. Dat geldt heel in het bijzonder voor de Hare Krishna- en de Bhagwanbeweging, en in mindere mate ook voor Transcendente Meditatie, Divine Light Mission en de Verenigingskerk. Bewegingen die zich opvallend en vaak manifesteren wekken onvermijdelijk de suggestie over een grote aanhang te beschikken. Wat je ziet, is maar het topje van de ijsberg. Dat is lang

[p. 58]

niet altijd het geval, sommige bewegingen zijn hun eigen topje. Wat dat betreft zijn deze bewegingen ook eerder vergelijkbaar met een orkest of een toneelgezelschap dan met een vereniging of een kerk: de beweging is niet groter dan zijn verschijningsvorm. Onder het podium van het Concertgebouw houdt Bernard Haitink niet nog eens honderd strijkers verborgen.

Tenslotte speelt natuurlijk ook de publiciteit een belangrijke rol in de beeldvorming over de nieuwe religieuze bewegingen en hun aanhang. In december 1980 liet de regering van Rheinland-Pfalz een klein onderzoek onder jongeren uitvoeren naar kennis en houding ten opzichte van sekten. Rheinland-Pfalz is een beetje het Drente van de Bondsrepubliek - een landelijk gebied met slechts twee grote steden (Mainz, Ludwigshafen). Iets minder dan 25% van de jongeren had ooit uit eigen ervaring iets van een ‘Jugendsekte’ gemerkt, bijna 75% had erover gehoord via de radio en de televisie of erover gelezen in kranten en tijdschriften (Bericht der Landesregierung Rheinland-Pfalz 1979, Anlage 1, blz. 3). Voor Nederland zijn geen vergelijkbare cijfers bekend, maar gezien de invloed van kranten- en tijdschriftartikelen over dit onderwerp, de frequente covering op radio en televisie, mag worden aangenomen dat het hier niet wezenlijk anders zal zijn. Sekten zijn voor de media aantrekkelijke onderwerpen: er is veel te zien, er komt veel gevoel bij en de consument heeft alle gelegenheid een heilige huiver voor het fenomeen te ontwikkelen. Uiteraard leidt het praten over sekten al gauw tot op gezwollen toon uitgesproken generaliseringen, waarbij het perspectief gemakkelijk verschuift van een handjevol volgelingen naar de ‘jeugd van deze tijd’, van een individuele keuze naar een algemeen gevoel van ‘vervreemding in deze kille samenleving’, van een persoonlijke oplossing naar de ‘onbetaalde rekening van de kerken’.

4. Ter vergelijking: nieuwe religieuze bewegingen in de Bondsrepubliek Duitsland

De omvang van de nieuwe religieuze bewegingen in Nederland, zoals die in dit onderzoek kon worden vastgesteld, is verrassend klein en zal sommigen misschien ook onwaarschijnlijk klein voorkomen. Vergelijking met de situatie in de Bondsrepubliek, die godsdienstig goed met Nederland vergelijkbaar is, toont echter aan, dat ook daar serieuze schattingen op relatief kleine aantallen uitkomen, al moet daar wel bij gezegd worden, dat er per auteur soms aanzienlijke verschillen in de hoogte van de opgegeven aantallen zijn (Mildenberger, 1979; Hach, 1980). Dat geldt althans voor wat betreft de niet-christelijke bewegingen.

Van de in Nederland actieve christelijke bewegingen voor jongeren

[p. 59]

hoort men in Duitsland niet veel. Dat kan verschillende oorzaken hebben, maar belangrijk is zeker dat het Duitse protestantisme, op enkele uitzonderingen na, niet calvinistisch, maar lutheraans van origine is. Overigens zijn ook in Duitsland de Jehova's Getuigen, de Mormonen en de Pinkstergemeenten zeer actief in de zending. In het standpunt dat de Bondsregering over de ‘Jugendreligionen’ heeft ingenomen, worden met name alleen genoemd: Unified Family, Children of God, Hare Krishna, Divine Light Mission, Scientology, Transcendente Meditatie, de Neo-Sannyasbeweging (Bhagwan Shree Rajneesh) en Ananda Marga. Op jongeren gerichte christelijke bewegingen worden in het geheel niet genoemd (Bericht der Bundesregierung, 1980).

De Bondsregering schat in 1979 in antwoord op vragen uit de Bondsdag ‘die Zahl der Mitglieder, Anhänger und Interessenten von “Jugendsekten” auf 130.000 bis 150.000 Personen. Der “aktive Teil” der jungen Sektenanhänger dürfte bei etwa 30.000 liegen’. In het getal van 130.000-150.000 is een aantal van 70.000 TM-aanhangers opgenomen, ‘während die übrigen Sekten, wozu auch kleinere Gruppen und Kommunen am Rande der Sektenszene zählen, über Mitgliederzahlen zwischen 50 und 3000 Personen verfügen’ (Deutscher Bundestag 8/2790, 27.04.1979). Om een vergelijking met de Nederlandse situatie te kunnen maken, moeten alle cijfers door vier gedeeld worden. Even afgezien van de TM-aanhangers komen er dan nog getallen te voorschijn, die voor Nederland aan de hoge kant lijken te zijn. Dat kan van alles betekenen: de door mij gemaakte schattingen voor Nederland zijn wat te laag, de aanhang van de sekten is in Duitsland relatief wat groter of de schattingen van de Bondsregering zijn wat geflatteerd. Ik houd het op het laatste. De cijfers die de Bondsregering geeft, lijken namelijk harder dan ze zijn.

Er is door de regering geen onderzoek gedaan naar de omvang van de ‘Jugendsekten’ in Duitsland en men volgt kennelijk de schattingen zoals die in de literatuur gegeven worden. Die schattingen lopen echter soms nogal uiteen, afhankelijk van de bron die gebruikt wordt en het criterium van lidmaatschap dat gehanteerd wordt.

Het volgende overzicht laat iets zien van de problemen die kunnen optreden bij het bepalen van de werkelijke omvang van de nieuwe religieuze bewegingen:

-De Bondsregering schat in 1979 de aanhang van Scientology op enkele tienduizenden cursisten, in het boek van Müller-Küppers en Specht (1979) wordt het getal 60.000 genoemd (de Aktion Bildungsinformation noemt zelfs het getal 150.000), Hach (1980) schat het aantal op 50.000 en alleen Mildenberger (1979) brengt het op om te zeggen dat je op grond van het aantal cursisten, geschat op 10 à
[p. 60]
60.000, niets kunt zeggen over de werkelijke aanhang van Scientology in de Bondsrepubliek.
-De Bondsregering schat de aanhang van TM op 70.000, Müller-Küppers en Specht (1979) komen op 60.000, Hach (1980) op 100.000 en Mildenberger (1979) op 73.500 tot begin 1978. Er zouden op dat moment zo'n 1000 TM-leraren in de BRD zijn. Men ziet hier een veel grotere overeenkomst in de schattingen dan bij Scientology, waarschijnlijk om geen andere reden dan dat TM zelf de cijfers over het aantal initiaties geeft.
-De Children of God: Müller-Küppers en Specht (1979) 3000, Hach (1980) 800, Mildenberger (1979) in 1976 300 à 500, in 1979 vrijwel niets meer.
-Divine Light Mission in Müller-Küpper en Specht (1979) 2000, Hach (1980) 1000, Mildenberger (1979) 500 à 600.
-Verenigingskerk: Müller-Küppers en Specht (1979) 6000, Hach (1980) 2000; Mildenberger (1979) 500, waarvan 200 in de BRD verblijvend; de Verenigingskerk zelf schijnt uit te gaan van zo'n 5 à 600 actieve leden en ongeveer 1500 sympathisanten en belangstellenden.
-Hare Krishna: Müller-Küppers en Specht (1979) 200, Hach (1980) 2000, Mildenberger (1979) 80 à 100.

Men ziet de verschillen in opgave, men ziet ook de systematiek in de verschillen en men ziet de overeenkomsten bij alle verschillen. Hare Krishna, de Verenigingskerk en Divine Light Mission zijn in de BRD, net als in Nederland klein, Children of God is vrijwel verdwenen, TM heeft veel geïnitieerden (in Nederland naar verhouding overigens meer) en de omvang en het belang van Scientology wordt waarschijnlijk erg overschat (de echte kern van Scientology in de BRD wordt door Scientology zelf in 1977 op ongeveer 250 man geschat - What is Scientology, 1978, 235). Scientology is eigenlijk de enige organisatie - ook in Nederland - waarvan het onduidelijk is hoeveel mensen daar in welke mate bij betrokken zijn.

Mildenberger (1979) is van de aangehaalde auteurs de meest betrouwbare. Hij is de enige die zelf onderzoek naar de verschillende sekten heeft gedaan en hij is een van de heel weinige Duitse auteurs, die niet alleen maar ‘unerhört’ roept, maar werkelijk moeite heeft gedaan zich over theorie en praktijk van de verschillende bewegingen te informeren. Als medewerker van de Evangelische Zentralstelle für Weltanschauungsfragen (Stuttgart) en als theoloog is zijn oordeel over de verschillende sekten overigens wel afwijzend.

‘Neureligionen: Hunderttausende von Jungbürgern verfallen den Sekten’, riep Der Spiegel (1978, 29) in een omslagartikel uit. Zonder het verschijnsel te willen ontkennen of de problemen die er het gevolg van

[p. 61]

zijn te willen bagatelliseren, lijkt voor zo'n waarschuwende uitroep toch weinig aanleiding. Der Spiegel moest dat later (1980, 26) ook wel erkennen: ‘Alles Umkehrbar’ heette het toen.