Tussen stigma en charisma


auteur: Paul Schnabel


bron: Paul Schnabel, Tussen stigma en charisma. Een analyse van de relatie tussen nieuwe religieuze bewegingen en geestelijke volksgezondheid. Erasmus Universiteit Rotterdam, Rotterdam 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 341]

epiloog

‘Autar epei petras fugomen deinim te Charybdin Skyllin t', autik' epeita theou es amimona nison hikometh'...’
Homeros (Odysseia)

Hoe gevaarlijk zijn sekten nu eigenlijk? Dat is de vraag geweest, die ik in dit boek heb proberen te beantwoorden. Een eensluidend en eenduidig antwoord is het niet geworden. Dat hangt samen met de manier waarop ik het probleem heb aangepakt. De algemene vraag naar het gevaar is in ieder hoofdstuk vervangen door een bijzondere vraag: gevaarlijk voor wie? gevaarlijk in welk opzicht? gevaarlijk in wiens ogen? gevaarlijk ten opzichte van wat? Door deze analytische benadering verloor de algemene vraag al onmiddellijk veel van zijn retorische zwaarte en bracht de zwarte wolk van het dreigende gevaar uiteindelijk niet meer dan wat plaatselijke neerslag. Terugblikkend is de demystificerende werking, die dit boek toch moeilijk ontzegd kan worden, minstens zoveel het gevolg van de gekozen benadering als van de uitkomsten van het onderzoek zelf.

Ik heb me niet gewaagd aan een poging tot synthese. Wie tot hier in dit boek is gekomen, moet zelf maar op grond van een eigen afweging tot een synthese zien te komen. Het lijkt met de gevaren die aan de sekten verbonden zijn, nogal mee te vallen. Inderdaad, maar het hangt er wel van af, hoe je de geconstateerde feiten weegt. Psychische schade als gevolg van het lidmaatschap van een sekte is in zijn algemeenheid niet aangetoond, maar er zijn toch mensen die als lid van een sekte of na lid geweest te zijn in de moeilijkheden komen en je zou zelfs de vraag kunnen stellen of de gebruikte meetinstrumenten wel adequaat genoeg zijn geweest om de eventuele schade van het sektelidmaatschap te kunnen vaststellen. De maatschappelijke orde wordt door de sekten niet werkelijk bedreigd. Neen, maar hoe zou het zijn als plotseling tienduizenden zich aan de voeten van Bhagwan zouden willen neerzetten, ‘clear’ zouden willen worden of de Messiaanse boodschap van Moon ernstig zouden nemen? Het is in Nederland betrekkelijk gemakkelijk een sekte ín en uít te komen, maar elders is dat soms wel moeilijk en het is ook al wel gebleken dat het soms heel moeilijk is. Van echte malversaties is weinig gebleken, maar financieel gebeuren er in sommige sekten toch vreemde dingen en er zijn er maar weinig die zakelijk gezien een geheel koshere indruk weten te maken.

[p. 342]

Het oordeel van de sekten en de nieuwe religieuze bewegingen is, alle feiten op een rijtje gezet, toch in belangrijke mate afhankelijk van de mate waarin die feiten zich voordoen en de weging die men daaraan geeft. Dat zal voor iedereen weer anders zijn en dat is ook goed zo. Dat klinkt banaal, maar in de discussie over nieuwe religieuze bewegingen is het bijna een trouvaille. Zelfs in de strijd over de legalisatie van abortus en euthanasie, bij uitstek licht ontvlambare onderwerpen, zijn feiten en meningen toch nooit zo onontwarbaar met elkaar verstrikt geraakt als hier. Het is nauwelijks overdreven te zeggen, dat in de discussie over de sekten het standpunt van de spreker volstrekt bepalend is voor de selectie en niet in geringe mate zelfs voor de constructie van de feiten. Mijn eigen poging feit en fictie zoveel mogelijk van elkaar te scheiden, heeft me al in een vroeg stadium van het onderzoek het ongenoegen van enkele bewegingen opgeleverd; in een later stadium, toen de feiten naar bleek niet onmiddellijk in het nadeel van de bewegingen konden worden uitgelegd, voegde zich daarbij ook nog eens het ongenoegen van de sektenbestrijders. Wie zich met de nieuwe religieuze bewegingen bezighoudt, voelt zich al gauw in een spinneweb van paranoia. Geheimzinnige telefoontjes, soms ook 's nachts, boze brieven met verdachtmakingen en hinderlijke contactzoekerij zijn - opmerkelijk vaak juist van de kant van de sektebestrijders - na een paar weken voldoende om bij mijn nadering auto's zich op verdachte wijze van de stoep te zien losmaken en in iedere trenchcoat met een gleufhoed op, een achtervolger te vermoeden. Heel vervelend, maar het ebde gelukkig weer snel weg.

Ik houd niet van nieuwe religieuze bewegingen, maar ik zie niet in waarom ten aanzien van hen andere maatstaven zouden moeten worden aangelegd dan ten aanzien van oudere religieuze bewegingen en kerken en ik word gewoon boos, wanneer invloedrijke vertegenwoordigers van een gevestigde messias zich geroepen voelen de heiland van een kleine kudde in het openbaar voor een gevaar uit te maken. Wat Ford volgens de Nederlandse wetgeving niet van Honda mag zeggen, mag Sipke van der Land wel over ‘de sekten van anderen’ zeggen. Ik vind dat onverdraaglijk, net zoals ik het onverdraaglijk vind wanneer sociologen als sociologen over het eten van zemelen, het drinken van kruidenthee en het trekken van horoscopen niet meer zouden weten te zeggen dan dat het regressief gedrag of gewoon flauwekul is. Dat kan allemaal best zo zijn, maar een socioloog hoort daar ook nog andere dingen over te zeggen en hoort daar andere vragen bij te stellen. Waarom geven mensen de voorkeur aan zemelen, als ze ook zalm zouden kunnen eten, wat verleidt hen ertoe de prijs van een goede Bordeaux te betalen voor een busje gedroogde brandnetelbladeren, wat zoeken ze in de sterren?

[p. 343]

Waarom doen mensen dat? Waarom doen ze dat nu? Wat betekent dat? Wat zegt het over de cultuur waarin ze leven? Hoe gaat dat verder? Dat zijn vragen die verder gaan dan mijn persoonlijke afkeer van een macramé- en mueslicultuur en het zijn ook vragen die ik over mijn eigen afkeer kan stellen. Zo rationeel is die nu ook weer niet.

Waar een absolute waarheid in het spel is, worden de omgangsvormen onzorgvuldig. Dat geldt zowel voor de bezitters als voor de bestrijders van die waarheid en het geldt ook zonder aanzien des persoons. Medestanders en tegenstanders, ouders en kinderen, als het op het absolute van een particuliere waarheid aankomt, worden in toon en gedrag bepaald agressief. Dat valt op - en verbaast - bij veel sekteleiders en het valt op - en ergert - bij veel sektebestrijders, zeker daar waar de bestrijder een concurrerende waarheid vertegenwoordigt. Tolerantie, relativeringsvermogen en solidariteit zijn in het licht van de absolute waarheid onzichtbare kwaliteiten geworden. Ik constateer daarmee niets nieuws, maar het maakt me wel onrustig te moeten vaststellen hoe hoog de prijs is die mensen bereid zijn anderen te laten betalen voor het veiligstellen van een zekerheid, waar die anderen part noch deel aan hebben.

Fijnzinnigheid of zelfs maar een respectvolle terughoudendheid is er niet bij, als het gaat om het redden van zielen en dan doet het er niet toe of die nu bekeerd dan wel gedeprogrammeerd moeten worden. Het is soms net of de beschaafde wereld ophoudt bij de deuren van het paradijs, en misschien is dat ook wel zo. Gewone mededelingen kunnen niet meer gedaan worden, het zijn Boodschappen of Laatste Waarschuwingen geworden; de normale conversatietoon is door de klaroenstoot van het uitroepteken vervangen; alles wappert, zwelt en bolt in de stormwind van gedachten, wier grootste kwaliteit vaak toch alleen in hun winderigheid lijkt te liggen. Dat is hinderlijk en het maakt het lezen van de pennevruchten uit de kring van sekten en sektebestrijders buitengewoon vermoeiend.

De confrontatie met een absolute waarheid is ook een angstig gebeuren. Althans dat vind ik, althans dat is wat Inni Wintrop in Cees Nooteboom's ‘Rituelen’ (1980) voelt, wanneer hij een groepje Hare Krishna's ziet naderen. Hij zet zijn angst om in haat en hij denkt: ‘mensen hadden zich niet zo onbeschaamd aan een systeem over moeten leveren’. Maar wat hij bedoelt is: ‘Mensen hebben het recht niet mij met hun waarheid in verlegenheid en in verzoeking te brengen’.

Tenminste, ik denk dat Inni Wintrop dat bedoelt en het is in ieder geval wat ik met dezelfde gedachte als bedoeling tot uitdrukking zou willen brengen. Breng mij niet in verlegenheid en houd mij dus niet voor, dat het verlangen naar de absolute waarheid ook in mij leeft;

[p. 344]

breng mij niet in verzoeking, anders komt er nooit een ‘eind aan de middeleeuwen’.

Hier treedt dan misschien toch nog de echt gevaarlijke kant van de sekten aan het licht. De vraag ‘hoe gevaarlijk zijn sekten?’ kan tegenwoordig nog anders begrepen worden dan als ‘hoe gevaarlijk zijn sekten voor de gezondheid van de leden?’ en op die vraag is hier ook wel een begin van een antwoord gegeven. Dat antwoord bevredigt waarschijnlijk weinigen, dat wil zeggen, het antwoord dat sekten niet zo erg gevaarlijk zijn voor de gezondheid van de leden zal de ongerustheid over de sekten niet weg kunnen nemen. Terecht niet, want de vraag had misschien wel vooral moeten luiden ‘hoe gevaarlijk zijn sekten voor mij?’. Net zoals van mensen die verslaafd zijn aan drank of heroïne, gaat er van mensen die zich geheel aan een geloof of een zekerheid hebben toegewijd, een fascinatie uit, die zijn oorsprong vindt in het verlangen naar een leven dat in slechts één teken staat, door één bron gevoed wordt, één doel kent. Dat is een gevaarlijk verlangen, dat niets te maken heeft met de werkelijke ellende van een verslaving of de zalige werkelijkheid van een absolute zekerheid, maar alles met de moeite die het kost om een leven na het ‘einde van de middeleeuwen’ in stand te houden. Dat is een moeilijke, maar onontkoombare opgave. Het verlangen naar het ‘Paradies der präambivalenten Harmonie’, zoals Alice Miller (1979; 32) het noemt, zal een verlangen moeten blijven. Een tweede beet in de appel van de boom van kennis van goed en kwaad kan de eerste niet meer ongedaan maken. Het paradijs is dicht.