‘Ein Buch muß die Axt sein für das gefrorene Meer in uns.’ franz kafka
Ter herinnering aan Geert Lubberhuizen
De dag nadat wij het bericht van het overlijden van Geert Lubberhuizen uit Ierland vernamen, had Dolf Hamming, de huidige directeur van De Bezige Bij, de vliegreis geregeld. De begrafenis zou die dag in de vroege avonduren plaats vinden.
Om halfeen kwamen wij in Dublin aan. Op de trappen van het vliegveld liepen wij tegen Jan Willem, Geerts oudste zoon op, die van zijn vakantieadres in Frankrijk kwam.
Eiso Toonder haalde ons af. De meegebrachte bloemen werden in de achterbak gelegd en even buiten de stad ontmoetten wij Phiny en Marten Toonder. Met twee auto's maakten wij de lange tocht dwars door Ierland naar het westen.
Herinneringen aan Geert uit de afgelopen veertig jaar spookten door mijn kop. Ik kon niet nalaten over enkele te vertellen en daarbij viel niet te vermijden dat er zo af en toe gelachen werd.
Midden-Ierland had ik mij als een met groene heuvels bedekt land voorgesteld, maar het is een vrij eentonige vlakte met weinig aantrekkelijke stadjes en dorpen. Weilanden, omrand met uit losse stenen opgebouwde muurtjes, en boomgroepen bepalen het uitzicht. Des te groter was de verrassing toen wij het kustgebied in het westen naderden. In de verte de ronde groene bergen met verspreide boompartijen, moerassen en meren, waarvan ik ten onrechte vermoedde, dat het al uitlopers zijn van inhammen aan de kust.
Omstreeks halfzeven kwamen wij in Cornamona aan. Iets wat op een dorp leek, heb ik niet gezien. De fraaie romantische cottage van Corrie en Geert ligt eenzaam op een schiereiland in een groot meer. Hier was dus het kleine paradijs waar Geert zijn laatste stuk leven wilde doorbrengen.
Een omarming, een zoen, een schouderklop en verder het zwijgen, omdat woorden dan zo gewogen moeten worden.
Geert lag in de slaapkamer opgebaard. Ik kon maar kort een blik op hem werpen. Andere herinneringen wilde ik blijkbaar laten overheersen. Door de ramen zag ik het weidse landschap met de groene bergen en in de verte het meer in het licht van de avondzon.
Overal in huis herkende ik tot in kleine details de warme zorg waarmee Corrie het had ingericht. Bas, Geerts tweede zoon, deelde mee dat elk moment de buurtgenoten konden komen om afscheid van Geert te nemen. Terwijl ik in de zitkamer, waar het houtvuur brandde, onwezenlijk naar buiten stond te kijken, kwamen ze in kleine groepjes - per familie, man, vrouw, en oudste kinderen - binnen, sloegen een kruis en stonden met gevouwen handen even stil bij de baar. Daarna condoleerden zij Corrie en de kinderen. De meesten wachtten bescheiden buiten tot het ogenblik waarop twee van hun mannen de kist hadden gesloten.
Bas en Jan Willem droegen die samen aan de uiteinden - vanwege de smalle deurposten niet aan de daarvoor bestemde handvatten - door de zitkamer en de gang naar buiten waar de lijkauto wachtte. Twee zonen zo hun vader zijn huis te zien uitdragen, is iets om niet te vergeten.
Achter de ouderwetse lijkwagen volgde een stoet auto's met Corrie en de kinderen, de enkele vrienden en de vele mensen uit de buurt. De rit over bochtige wegen door het indrukwekkende landschap duurde een halfuur. Steeds weer de groene kale bergen met hier en daar oude bomen. De late zon die alles scherp deed uitkomen, een laatste groet, verdween achter de bergen in de zee.
Op de oude begraafplaats, met een natuurlijke omheining van een uit keien opgebouwde muur, stond het onbetreden gras hoog. De grafstenen met hun kruisen lagen ver uit elkaar. Het deed mij denken aan de oude joodse begraafplaats in Ouderkerk aan de Amstel, maar alles veel weidser, nergens huizen, en de door de zon bestreken bergen die oneindig leken.
Het was een katholiek kerkhof, dus gewijde aarde. Eiso
had tijdens de autorit door Ierland verteld, dat Bas en hij de vorige dag de pastoor hadden bezocht. Die had begrepen dat Geert niet katholiek was geweest. Daarom vroeg hij bescheiden of Geert wel gedoopt was. Dat moest ontkennend worden beantwoord. Op het voorstel van de pastoor dat er een kleine eredienst in het plaatselijke kerkje zou worden gehouden, blijkbaar bedoeld om het zieleheil op die manier nog enigszins veilig te stellen, hadden Bas en Eiso, wetend dat geert dat niet had gewild, niet kunnen ingaan.
Zoekend naar argumenten om tot een positief besluit te kunnen komen vertelde de pastoor dat hij gehoord had, dat Geert zich in de oorlog zo verdienstelijk had gedragen. Ten slotte stelde hij vast dat Mr. Lubberhuizen zeker als een goed christen had geleefd. De twee konden dit met een overtuigend yes beamen. Toen nam die pastoor in dit streng katholieke land een revolutionair en misschien voor hem onverantwoord besluit. Hij stemde er in toe dat de ongelovige Geert in gewijde grond werd begraven. Maar onder deze omstandigheden en dat viel te begrijpen, kon hij zelf de begrafenis niet bijwonen.
Wel kwam hij Corrie en de kinderen condoleren. Op dat moment waren enkele buren aanwezig, zodat deze het geruststellend bericht konden verspreiden dat de pastoor zelf het huis van de niet katholieke overledene had bezocht. Voor zover bij de buurtgenoten er nog verwondering bleef bestaan over een begrafenis zonder pastoor en wijwaterkwast, zal de sympathie die zij in tien jaar voor Geert en Corrie hadden opgevat hen wel over de laatste twijfel hebben heen geholpen.
Ik zie de halfverlegen, brede, overwinnende grijns van Geert voor me wanneer hij zou hebben gehoord dat dit hem was gelukt.
De kist werd door de mannen uit de buurt met hulp van Jan Willem en Bas over een lange afstand door het hoge gras naar de door de bevolking gegraven kuil gedragen. ‘Kraaien’ die bij ons dat werk doen, bestaan daar niet. De kist werd boven de grafkuil geplaatst. Bas sprak goede woorden ten afscheid
van zijn vader. Eerst in het Nederlands, daarna in het Engels. Geerts dochter Josien, lief en sterk, las het gedicht ‘Poëzie is een daad...’ van Remco Campert voor. De laatste strofen luiden:
Nadat de kist was neergelaten, werd daarop een soort matras van gedroogd gras gelegd. De mannen namen de gereedstaande scheppen en begonnen de diepe kuil te dichten.
Mij werd dat alles wat veel en ik dacht dat wij ook wel wat verderop konden gaan staan. Een verkeerde gedachte; tot de laatste schep zand en laatste kei behoorde je bij het graf te blijven. Jan Willem en Bas ontdekten op tijd dat er nog twee voor hen bestemde scheppen ongebruikt stonden. Daarmee hielpen zij de mannen het dichten voltooien.
Er ontstond een kleine heuvel waarvan de zijkanten met graszoden werden bedekt. Bovenop werden de meegebrachte bloemen keurig geschikt, elk over de rand vallend bloemetje werd weer rechtgelegd. Dit duurde - maar dat was duidelijk de bedoeling - tergend lang.
Na afloop begroetten bekenden elkaar en ik had de indruk dat er meteen over dagelijkse zaken zoals ‘hoe staat het met je kinderen’ of ‘wat vind je van de melkprijs’ geanimeerd werd gesproken. Marten Toonder en ik konden niets uitbrengen. Marten merkte alleen op dat hij op dezelfde wijze begraven wenste te worden.
Het gehele gezelschap begaf zich naar de dichtstbijzijnde pub. Bas had ons verteld dat het gebruikelijk is dat er dan behoorlijk wordt gedronken. Dat was nu niet het geval. In aanwezigheid van vreemden werden oude tradities aange-
past. Een grote pint Iers bier betekende voor mij een noodzakelijke versterking.
Toen iedereen vertrokken was, moest Eiso nog enkele zaken regelen met de eigenaar van de kroeg en de begrafenisauto. Ik wachtte peinzend op een muurtje, keek naar de heldere maan en kon niet begrijpen dat ik mijn vriend nooit meer zou zien. Bij het afscheid nemen zei de oude vriendelijke Ier dat hij het een mooie begrafenis had gevonden, maar ‘rather curious’.
Geert had ons in zijn door ons zo vaak bewonderde eigen stijl verlaten.