terug  begin  prepost
[p. 263]

Het slot werd zorgzaam uitgeleid

Mijn moeder heeft mij in 1919, vlak na de eerste wereldoorlog dus, op de wereld laten komen. Een zusje was een jaar daarvoor aan de Spaanse griep overleden, een epidemie, die meer levens kostte dan de oorlog. Op natuurlijke wijze door mijn ouders gecreëerd, functioneerde ik in mijn jeugd als opvangcentrum van verdriet.

Mijn vader had in het begin van deze eeuw als schrijver derde klasse bij de marine met Harer Majesteits fregat Koningin Emma met verzegelde stoomtractie om de Kaap gezeild. In Nederlands-Indië mocht hij twee mijl uit de kust van Bali het aantal kanonschoten registreren die op een opstandige kampong werden afgevuurd. Pas kort voor zijn dood vertelde hij mij geëmotioneerd dat verhaal.

Wij woonden op de Amsteldijk, de eerste Amsterdamse straat die geasfalteerd werd. Ik herinner me de elektrische taxi's met voorin, op een soort balkonnetje, de chauffeur, zoals de koetsier op de bok.

Zondagsmorgens vroeg gingen de jonge vrouwen van de katholieke Graal in lange paarse en vooral gele rokken en gehuld in capes, met tamboerijnen en vlaggen op weg naar de natuur. De Rode Valken, de jongeren van de AJC kwamen ook voorbij in manchester korte broeken en rode dassen om de hals, vrolijk socialistische liederen zingend. De benzine kostte vier cent per liter. De werkelozen van de jaren dertig heb ik in lange rijen voor de wekelijkse steunuitkering zien staan en zien zwoegen in het werkgelegenheidsproject dat nu het Amsterdamse Bos heet. Omdat mijn vader commissionair in effecten was, maakte ik als jongen de beurskrach van 1929 van dichtbij mee.

Het Nederlandse volk was gesplitst aan de hand van de lidmaatschappen van de radioverenigingen. De kinderen van de meer welgestelden zongen: ‘Weg met de VARA, weg met de KRO, lang leve de AVRO.’ Hun fietsen waren versierd met

[p. 264]

AVRO-vlaggetjes en fietsbellen. Mijn weinig autoritaire, liberale vader voelde zich genoodzaakt op de sterke man, Colijn, te stemmen. De NSB'ers begonnen zich in uniform te vertonen.

Op de radio ging dr. P.H. Ritter Jr ongestoord voort met het maken van propaganda voor het boek. Zijn praatjes van een kwartier op zondagmiddag hadden een hoge luisterdichtheid. Daarna kwam het Concertgebouworkost onder leiding van Willem Mengelberg. Die had zich lange tijd verzet tegen radiouitzendingen uit vrees, dat het publiek het zou laten afweten. Het tegendeel was het geval. Angst was en is een slechte raadgever, ook voor uitgevers.

Dan de oorlog. Vervolgens de naoorlogse feestjaren met De Bezige Bij beleven, de jaren vijftig, zestig en zeventig met hun als aanrollende golven op je afkomende wisselende culturen en subculturen. Alles was terug te vinden in de fondslijsten van De Bezige Bij. Jezus, al die krankzinnige perioden heb ik mee mogen maken...

 

In de positie van het algemene boek is al die tijd in principe weinig veranderd. Behoudens het onvoorspelbare fenomeen de bestseller. Van De aanslag van Harry Mulisch verkocht De Bezige Bij meer dan driehonderdvijftigduizend exemplaren. Wanneer iemand Geert en mij dat in de dagen van het verschijnen van archibald strohalm had voorspeld, dan hadden wij hem voor volstrekt gek verklaard. Succesvolle schrijvers voelden zich in de jaren tachtig genoodzaakt hun literaire handel in een B.V. onder te brengen. Jules Deelder rijdt in de duurste Citroën van performance naar performance, begeleid door zijn manager en bodyguard René. Op boekenmarkten zie je die met zijn indrukwekkende postuur op klaarlichte dag in smoking rondlopen. Ook geen beeld, dat wij in de jaren vijftig of zestig voor mogelijk hadden gehouden.

Het oude kernprobleem in de uitgeverij bleef echter halsstarrig op tafel liggen: het merendeel van de zo ijverig vervaardigde uitgaven is moeilijk verkoopbaar. De Bezige Bij is niet ontevreden wanneer van de verzamelde gedichten van

[p. 265]

J.B. Charles De groene zee is mijn vriendin zevenhouderd exemplaren worden verkocht. Er zijn meer mensen, er is meer geld, in totaal worden er meer boeken verkocht. De boekenclubs daargelaten, gebeurt dat nog steeds op de zelfde manier zoals ik dat voor het eerst bij boekhandel Lankamp en Brinkman moest doen: wachten op het moment dat een mevrouw of meneer de winkel in kwam, met een rijksdaalder of vijf gulden op zak, die de heilige behoefte had om een boek te kopen. Soms lukte je het als verkoper er van één twee te maken. Als ik nu bij de oude boekverkoper Bas in de Beethovenstraat binnenloop gebeurt het, wel met meer geld, nog precies zo.

Computers hebben ook hun weg in boekhandel en uitgeverij gevonden. De voorraadmagazijnen van het Centraal Boekhuis zijn volledig geautomatiseerd. Maar om een boek kwijt te raken blijft die koper nodig, die het in de boekwinkel laat inpakken, betaalt en mee naar huis neemt.

De met inkt bedrukte, bij elkaar vergaarde witte velletjes papier blijven ook na ruim vijf eeuwen een praktische oplossing om gedachten aan anderen over te brengen. Onderwijzers en leraren zullen er wel voor moeten zorgen, dat leren lezen niet als overdreven luxe wordt beschouwd.

 

Tot slot nog Geert. De door hemzelf georganiseerde opvolgingsprocedure, met veel inspraak, liep anders dan hij gewild had. In zijn hart vond hij het bestuursbesluit om hem op zijn vijfenzestigste te pensioneren maar niks. Zonder hoorbaar mokken heeft hij er zich bij neergelegd. Waarschijnlijk had hij het liefst zonder inspraak van bestuur en niet-schrijvende medewerkers een opvolger benoemd. Maar zo zat zijn coöperatieve vereniging niet in elkaar. Met enige verwondering heb ik als vertegenwoordiger van het bestuur de vergaderingen van de benoemingscommissie bijgewoond. Zij waren een schoolvoorbeeld van Geertiaanse cultuur: springend van de schots van alles zelf willen regelen, op de schots van alles mag, hoe meer inspraak hoe beter. Ten slotte werd tot ieders tevredenheid Johannes Witteman, oud-secretaris van

[p. 266]

de Amsterdamse Kunstraad, benoemd. Helaas heeft Johannes maar korte tijd zijn werk voor De Bezige Bij kunnen doen. Hij stierf, een jaar eerder dan Geert, aan dezelfde genadeloze ziekte. De adjunct-directeur Dolf Hamming, die in bijna vijfentwintig jaar de ins en outs van De Bezige Bij had leren kennen, werd zonder ingewikkelde procedures tot directeur benoemd.

 

In 1981 hadden Geert en ik onze afscheidsfeesten. Dat van Geert was een waar boekenfeest in de Stadsschouwburg. Toen het op zijn eind liep zaten wij met een stel oude vrienden bij - een herinnering aan zijn studententijd - een Tzigane-orkestje het laatste glas te drinken. Het was goed dat het feest snel afliep. Op mijn afscheid pestte hij mij in zijn speech, dat ik moeilijk ergens afscheid van kon nemen. Wat De Bezige Bij, hemzelf en dat onder geen noemer te vangen boekenvak betreft, had hij gelijk.

Het jaar daarop namen wij deel aan de jaarlijkse Conferentie van de Nederlandse Letteren, dit keer in Brussel gehouden. Het waren bijeenkomsten waarvan weinig mensen het nut konden inzien, behoudens dan dat van het slotdiner. Op de eerste avond besloten Geert en ik met Ivo Gay, toen de baas van uitgeverij Het Wereldvenster, de voor de gasten georganiseerde culturele avond de culturele avond te laten. Samen gingen wij in het oude Brussel dineren. Geert, op zijn best, en ik hebben Ivo verhalen van vroeger verteld. Er werd veel gelachen. Het bier en de wijn noodzaakten mij herhaaldelijk het toilet op te zoeken. Mijn zorgzame kameraad Geert maakte zich ongerust en vroeg of ik last van mijn prostaat had. Hij verkondigde daarbij de medische wijsheid, dat weinig vrijen de kwaliteit van de onherroepelijk ouder wordende prostaat niet bevorderde.

Een probleem van geheel andere orde was die avond, dat hij met allee geweld een automatische oesteropener moest kopen, die hij Willem Frederik Hermans cadeau wilde doen. Waar vind je in Brussel zo'n ding? De volgende middag waren Geert en de in België geboren Ivo niet op de slaapverwek-

[p. 267]

kende conferentie, maar op jacht naar het gewenste apparaat. Bijna op het eind van de bijeenkomst kwamen zij de zaal binnen en gingen zo geruisloos mogelijk naast mij zitten. Geert overhandigde mij met zijn verraderlijke glimlach een papieren zak, die ik ter plekke zonder kraken moest openmaken. Ik hield een pakje geneeskrachtige prostaatthee in mijn handen. Dat ligt nog steeds in mijn bureaula.

Op mijn verjaardag, kort daarna, kreeg ik van Geert een van de twee met moeite in Brussel op de kop getikte oesteropeners. Ik zal hem niet gebruiken. De enkele keer, dat wij thuis feestelijk oesters aten, was het met Geert.

prepostterug  begin