VormleerVierde hoofdstuk
|
| got. | mnl. | |||
|---|---|---|---|---|
| Sg. | nom. | dags | = | dach |
| gen. | dagis | = | daghes | |
| dat. | daga | = | daghe | |
| acc. | dag | = | dach | |
| Pl. | nom. | dagōs | = | daghe |
| gen. | dagē | = | daghe | |
| dat. | dagam | = | daghen | |
| acc. | dagans | = | daghe |
Met de mannelijke ă-stammen gaan samen de onzijdige, behalve in de nom. sg. en de nom. acc. pl.; met uitzondering van deze casus, die in § 103 worden behandeld, worden hier de neutra tegelijk besproken.
De mannelijke ă-stammen beantwoorden aan die van de lat. tweede declinatie (lt. ŭ < idg. ŏ), dus b.v. sg. nomin. idg. *dhŏgh-ŏ-s = ogm. *dăγăz (got. dags) = equ-u-s; sg. accus. idg. *dhŏgh-ŏ-m = ogm. *dăγăn (got. dag) = lt. equ-u-m.
* 99. Sg. gen. In 't Oudgents staat -es naast -as (b.v. Frordes- naast Hrochas-) - een ook buiten het oudndl. in deze casus optredende ablaut. Daarnaast al vroeg syncope van de e; misschien reeds in Oudgents Firents-, zéker in owvla. Wolfs- (a. 1188). In 't mnl. vindt men vaak deze syncope van de e, b.v. berchs, jaers; nndl. geïsoleerde vormen als (des) daags, zijns weegs, goospenning wijzen door de stamvocaal nog op de oude vormen. Vormen als huizes (heer des huizes), vleses, kruises zijn niet oude resten, maar jongere boekentaal; immers reeds in 't mnl. is de syncope na s normaal (b.v. des vos, huus, hals).
dat. De got. -a is ontstaan uit oudere ē,
bewaard in þē,
ē (oude instrumentalis). De mnl.
-e schijnt uit een oudndl. -a ontstaan te zijn; vgl. oudgents
-acc(a)ra, -berga e.a.; evenzo bij de neutra, b.v.
oudgents -felda, owvla. Paskan-dala. In 't mnl. vindt men naast
de -e vormen zonder -e. Voorzover dit oude vormen zijn, vertonen
ze een ongerekte stamvocaal (type god): de -e is hier zeer vroeg
geapocopeerd naar het voorbeeld van die consonantstammen (§ 108), waar de
dat. sg. geen uitgang had. Daarnaast heeft men jongere vormen, waar de
-e eerst na rekking van de stamvocaal geapocopeerd werd. Resten van deze
laatste soort vindt men bewaard in
acc. In het mnl. (Brabant, eind 14de eeuw) vindt men soms vormen met -e. Thans worden in sommige dialecten de oude genitiefuitgangen -s en -e(n) in de objectscasus gebruikt bij namen voor personen: ik heb Janne, Anna's gezien.
* 100. Pl. nom. Tegenover got. dagōs staat oonfrk. berga, owvla. vogala en eens oudgents Sclota, en in overeenstemming hiermee mnl. daghe, jonger daach (vgl. nog veertien daag). Daarnaast drong echter reeds in 't oudste mnl. de (voor het eerst in West-Vlaanderen aangewezen) vorm op -en in, die nog vóór 't eind van de middeleeuwen een geduchte concurrent van de -e was geworden (hetzelfde geldt voor de gen. en acc. pl.). Het is nog niet uitgemaakt of het uitgangspunt van deze gelijkmaking: 1) de dat. pl. was, die zowel bij de sterke als bij de zwakke flexie op -en uitging, - of 2) het dooreenlopen van de vrouwelijke n-stammen met de ō-stammen (§ 105): de -en, die er een betere meervoudsaanduiding was dan de -e, zou als secundair, verzwaard meervoudsteken zijn gebruikt ook bij masc. en neutra met pluralisvorm op -e (vgl. -er-s § 103). Het tegenwoordige holl. dage behoeft dus niet te zijn een rechtstreekse voortzetting van mnl. daghe, maar kan door jongere apocope van de -n (§ 93) zijn ontstaan; wie deze opvatting niet aanvaardt, moet veronderstellen, dat in streken waar nu -e gezegd wordt, aanpassing aan de e-groep heeft plaats gehad; elders aan de n-groep. Men zal dan in veel mnl. -en's schrijfvormen zien, die de werkelijk gesproken vormen bedekken.
gen. owgm. dăgŏ; owvla. en oudgents -ă (b.v. owvla. Erniga [-ham]) als in 't ags.
In 't got. wijken de gen. pl. van de meeste declinaties af: -ē (vermoedelijk een nieuwvorming).
acc. In 't owgm. is de acc. door de nomin. vervangen.
Opm. De pluralis mnl. scoen, die uiteraard meer voorkwam dan de singularis, werd later als singularis opgevat, en zo ontstonden nieuwe pluralia mnl. scoene, scoens, scoenen; of ook kan men zich omgekeerd denken, dat zich eerst een nieuwe pluralis scoene(n) ontwikkelde en dat dan daarbij eeen nieuwe singularis scoen ontstond. In schoe(n)- en laarzenmaker vindt men nog de oorspronkelijke pluralisvorm bewaard; vgl. ook hgd. Schuhmacher en de ndl. eigennaam Schoemaker. In de volkstaal hoort men nog tegenwoordig als singularis schoe. Vgl. voor mnl. scoech § 81.
Andere woorden, die eveneens op een klinker uitgingen en ook krachtens hun betekenis vaker in de pluralis dan in de singularis voorkwamen, ontwikkelden zich op dezelfde wijze: peen, mnl. en nog zuidelijk pee (vermoedelijk uit pede); kaan (oorspr. vr.), mnl. câde ‘korstje geroosterd vet’, reeds bij Kiliaan kaen ‘walvisvet’; en waarschijnlijk ook teen (oorspr. vr.), mnl. en nog wvla. tee, welke vorm ook bewaard is in de familienaam Steketee.
Vgl. ook § 101 Opm. 1 en soortgelijke gevallen in § 103 Opm. 3.
Omgekeerd werden woorden, die op -en(e) uitgingen, soms als pluralia gevoeld, en zo kon dan een nieuwe kortere singularis ontstaan; b.v. baak: baken; els: mnl. elsen(e); zeis: mnl. en nog dial. seisen(e); aalmoes: mnl. aelmoesen(e); raaf < raven; lende: mnl. lenden(e); long: mnl. longhen(e); mnl. prove ‘jaarlijkse toelage (uit geestelijke goederen)’: proven(e). Vgl. ook kwee naast kween ‘onvruchtbare koe’. Zie voorts verderop (-en[s]).
* 101. Naast de bovengenoemde pluralisuitgang -a kwam in de Ingvaeoonse dialecten een uitgang -as voor (ags. -as; os. -os, soms -as). Zo in de Oudndl. (owvla.) zin van de 11de eeuw, waar men - naast het bovengenoemde vogala - nestas vindt; evenzo in 't Oudgents, waar - naast het bovengenoemde Sclota - geldindas (uit *geldingas ‘gecastreerde dieren’), Grifningas, Humas voorkomt.
Hieraan beantwoordt mnl. -s, die in 't owvla. in zeer ruim gebruik voorkomt, b.v. hils (a. 1178), zacs, stoels, bancx. Overigens vindt men in 't mnl. die -s vooral bij de woorden op -er(e) en weldra ook bij die op -ar(e) (jă-stammen: § 104), b.v. die ridders (in alle casus) naast riddere(n). ‘De vormen op -s komen gewoon voor in het Wvla.; ze zijn veel talrijker dan die op -n in het Ovl., het Holl., het Antwerpse en het Mechelse. In Brussel overheersen de vormen op -n’, althans tot in de 15de eeuw. Na de middeleeuwen neemt het gebruik van de s toe, ook in allerlei gevallen waar hij nu weer teruggedrongen is, b.v. in de 16de eeuw niet alleen broeders, dienaers, mans, maar soms ook arms, booms, schoorsteens. Opmerkelijk is het streven van de 17de-eeuwse grammatici, gevolgd door Hooft en Vondel, om de vormen op -s en -en te differentiëren, b.v. in de datief den naekoom'ren in plaats van nakoomers.
Voor het tegenwoordige ndl. is het zeer moeilijk, vaste regels voor het gebruik van de s (hetzij alleen of naast -en) op te stellen; hoe gecompliceerd de toestand is en hoe verschillend ook voor kleine groepen de beslissende factor kan zijn, heeft V. Haeringen aangetoond. Wij noemen slechts enkele gezichtspunten. De -s wordt vooral gebruikt achter -er (ook wel bij -aar), -el, -en, -em, -erd (-aard), -ier; achter alle verkleinwoorden; achter veel - vooral éénsyllabige - persoonsnamen (b.v. koks, maats, ooms, bruigoms); verder achter een aantal aan 't Frans ontleende woorden. Soms heeft differentiëring van betekenis plaats gehad; soms is er alleen stijl- of streekverschil; in 't algemeen kan men zeggen, dat de volkstaal een voorkeur voor de s heeft en dat deze s - als zijnde (naar de juiste opmerking van Royen) veel ‘sprekender’ dan -e(n) - hoe langer hoe meer toeneemt. Het meest verbreid is de s in 't noordoosten van ons land, als voortzetting van de bovengenoemde os. uitgang, b.v. gron. aarms ‘armen’ (lichaamsdeel), roams ‘ramen’. Daarmee stemt overeen, dat we in 't mnd. sedert het midden van de 14de eeuw de s treffen; uit het noorden vindt hij zijn weg dan naar het hgd., maar hier is hij niet zo voortgedrongen als in 't ndl.; vgl. echter woorden als Kerls, Fräuleins, Jungens; verder vooral in franse leenwoorden (Hotels, Chefs, Leutnants).
Opm. 1. De s is in het enkelvoud ingedrongen - op dezelfde wijze als de n in schoen enz. (§ 100 Opm. 1) - in keuvelens uit *keuvelends, oorspr. pl. van keuvel-end ‘uiteinde van de molenkap’. De s van matroos zou op de fra. pluralis matelots berusten. Geen pluralis -s in de vorm kijn(t)s ( Bredero).
* 102. Vrij verbreid is een uitgang -ens (vooral bij woorden op -e). Men vindt die soms reeds in Hollandse teksten van de latere middeleeuwen, b.v. webbens (Rek. v. Gouda), weddens (Rek. v. Dordr.); vaker in de 16de eeuw, b.v. schuylhoekens, beddens, cousens; evenzo in de 17de eeuw, b.v. bij Bredero boeyens, moeytens; Sewel kent een pluralis bodens; in de 18de eeuw treft men b.v. bij Wolff en Deken gemeentens, eindens; nog wvla. beddens, hemdens, zuidbrab. (Elsene) beddens, kousens, e.a. Een dergelijk meervoud op -ens kon dan weer tot een nieuw enkelvoud op -en leiden, b.v. tobben naast tobbe. Vgl. § 100 Opm.
Het uitgangspunt vormden substantieven op -e, waar de s bij zwakke uitspraak of apocope van de n het meervoud verduidelijkte. Terwijl een gesproken webbes, ziektes in een behoefte voorzag, zal een dergelijke schrijfwijze al te vreemd zijn geweest; vandaar de schrijfvorm webbens, ziektens. Lambert ten Kate geeft nog als een regel, dat dusdanige znw. een pluralis op -ns (naast -n) kunnen hebben. Nadat in paren als bedde: beddes de -e (in de singularis) geapocopeerd was, ontstond een verhouding bed: beddes, waarnaar dialectisch (balk:) balkes, (kip:) kippes; vgl. de Coyes ‘de Kooijen’ (Waterlands). In kijves en brommes krijgen hebben we misschien meervouden van de gesubstantiveerde infinitieven kijve(n) en bromme(n).
Opm. Algemeen verbreid is omes onder invloed van tantes; vgl. reeds in 't mnl. de sg. ome (naast oom), onder invloed van moeye.
Een andere dubbelvorm is -sen in mnl. knechtsen; -ses in oud-ndl. knechses.
* 103. De onzijdige ă-stammen
De onzijdige ă-stammen wijken oorspronkelijk van de mannelijke alleen in zoverre af, dat de nom. sg. gelijk is aan de acc. sg. en dat de nom. acc. pl. afwijkend gevormd zijn. Ze beantwoorden aan de neutra van de lat. tweede declinatie; b.v. sg. nomin. acc. idg. *jŭg-ŏ-m = ogm. *jŭkăn (got. juk, ndl. juk) = lt. iug-u-m.
De nom. acc. pl. werd in 't idg. gevormd door -ā, dus
idg. *jŭg-ā = lt. iug-ă (met verkorting van de
-ā). Deze -ā werd in 't germ. aanvankelijk
-ō, dus oergerm. *jŭkō; aldus onder invloed van
een sterk dynamisch accent, nog in 't monosyllabisch pron. demonstr. got.
þō; maar overigens
In het ndl. gaan voorts een aantal onzijdige woorden - niet juist
oude -ă-stammen - in de pl. uit op -ere(n);
daarnaast, met streek- en stijlverschil, -ers, terwijl in onze
oostelijke dialecten nog -er als meervoud bewaard is. Soms is deze
uitgang in gebruik naast -e(n), een enkele keer met
differentiëring van betekenis: b.v. benen: beenderen. De
meeste znw. met -er-vindt men ook reeds als zodanig in 't mnl., b.v.
eier(e), calvre, hoenre; maar b.v. ook
doekere(n), gater(e); rade (bij rat
‘rad’), lamme. In 't hgd. vindt men dezelfde uitgang
-er (zonder verdere toevoeging) bij een groter aantal znw. (b.v. ook bij
Dorf, Glied, Haupt, Weib; zelfs bij masculina als Geist, Mann,
Wald). Enkele sporen vindt men ook in 't eng. (children). Voor de
verklaring van deze uitgang moet men uitgaan van de idg. neutrale ĕs /
ŏs-stammen: type lt. genus (uit-os), gen. sg.
generis (uit -ĕs-ĭs). Een lang-syllabige es /
os-st. als oergerm. *kal
iz (uit idg. -ĕs /
ŏs) werd volgens de auslautswetten in de nom. acc. sg. *kalf;
daarentegen werd de nom. acc. pl. oergerm. *kal
-iz-ō tot
*kal
-ir-u > *kal
ir > kel
ir, hgd. Kälber. De meervoudsuitgang viel dus af, maar
't stamsuffix -ir bleef en werd nu als meervoudsuitgang gevoeld; vandaar
kalver en met bijgevoegde nieuwe meervoudsuitgang kalvers,
kalveren, een toevoeging die de welluidendheid niet ernstig stoorde, daar
het in hoofdzaak eensyllabige woorden betrof. Langs analogische weg breidde
zich dan, waarschijnlijk niet zonder invloed van 't hgd., het aantal van deze
woorden uit, mede doordat -er een zeer sprekende pluralis-uitgang was.
Naast de -er-uitgang van oude -es / os-st. in ei, hoen, kalf,
lam, rund staan analogisch aldus gevormde pluralia in been, blad, gelid,
gemoed, kind, kleed, lied, rad, volk, 't gesubstantiveerde adj.
goed. Het proces - dat thans geen voortgang meer vindt - begon reeds in
't mnl.; zie hierboven en vgl. nog mnl. berderen, cruder (bij
Huygens berders, kruyders), risere. In 't
hgd. vond de uitbreiding op grotere schaal plaats dan in onze taal (vgl. b.v.
Bad, Buch, Dach, Dorf, Weib), maar terwijl in 't ndl. de
-er-pluralia bij voorkeur gebruikt worden bij collectieve betekenis, is
dat in 't hgd. juist niet het geval; vgl. b.v. ndl. bladeren, kleren:
bladen, kleden; hgd. Länder, Wörter: Lande,
Worte.
Vgl. ook afrik. maters, klippers, bogters bij maat, klip, bog. Men vindt de -er-vorm ook in een collectief als gebladerte; in samenstellingen (b.v. liederboek [naast liedboek], Kalverstraat, kinder-feest), ook als 't eerste lid een enkelvoudige betekenis heeft (b.v. eier-schaal, kinder-stoel); zie § 150. Voorts in een enkel afgeleid w.w.: bladeren; vgl. hgd. blättern, gliedern, begeistern, vergöttern en zie § 191. Waarschijnlijk ook vóór enkele suffixen in kinder-: kinderloos, kinderachtig, kinderlijk (mede invloed van ouderloos enz.?). Vermoedelijk niet in afgoderij, boekerij, landerij, die eerder met het secundaire suffix -erij gevormd zijn; zie § 181.
Opm. 1. Verschillende es / os-st. zijn in 't ogm. naar andere categorieën overgegaan; zo vooral in 't got., dat deze stammen niet meer kent. B.v. got. ahs (neutr. a-st.), hetzelfde woord (met gramm. wechsel) als ndl. aar (uit *ahaz), waar de -r dus in de sg. in 't owgm. een deel van de wortel is geworden. Bij dit woord leidde de pluralisvorm die aer in het algemeen ndl. tot verloop van genus: de aar i.p.v. het aar.
Ook ding (got. þeihs, pl. þeihsa: § 7c) was eens een es-stam (vgl. dinsdag: § 30); toch zal de dialectische pl. dinger (b.v. in 't Westerwolds en 't Betuws) wel een jonge, analogische vorming zijn; uit een pluralis dingen drong ook in de singularis deze vorm in sedert 't laatst van de middeleeuwen. Ook bij dag kwam een es-stam voor, die misschien nog voortleeft in dageraad.
Opm. 2. Evenmin als de n. pl. van de langsyllabige neutr. ă-st. had oorspronkelijk de n. pl. van de consonantstammen een uitgang (§ 108). Zulke oude meervouden zijn nog maand, voet (als maat en in de uitdrukking onder de voet). Naar analogie van woorden als jaar, maand, voet drong deze uitgangloze pluralis in bij allerlei namen van tijdperken, maten, munten, gewichten enz. (b.v. uur, el, gulden, ons), indien en doordat een pluralisaanduidend telwoord voorafgaat.
Opm. 3. Naast ndl. -er: -der (mnl. -dre): § 56. Spaander en lover, oorspr. pl. van spaan (in 't mnl. m. en onz.) en loof (got. laufs ‘blad’), zijn tot nieuwe enkelvouden geworden; misschien evenzo oudnndl. plunder ‘huisraad, rommel’. Vgl. ook afrik. blaar (Kil. blader: vetus), eier, hoender, wvla. render naast rend (beide als sg.). Meervoudige diminutiefvormen als eier-tje-s, kind-er-tje-s, mnl. kinderkijns, telgerkijns zijn gemaakt van het meervoud van het grondwoord (naast eitjes, kindjes enz.); ze staan dus op een lijn met vormen als daag-jes, loot-jes (§ 187)’
Opm. 4. Opvallend zijn de meervoudsvormen kleinodiën en sieradiën (naast kleinoden en sieraden) bij kleinood en sieraad (vgl. § 172b voor deze woorden). Zij hebben zich aangesloten bij de woorden op -ie, het eerste onder invloed van het aan 't germ. ontleende mlt. clenodia (pl. van clenodium), het tweede door verwarring met mnl. cierage (pl. cieragien), dat door het achtervoegsel -age van sier is gevormd en dat allengs door het aan 't hgd. ontleende sieraad is verdrongen.
104. De mannel. en onz. wă- en jă-stammen
Aan de -ă kon een tot het suffix behorende consonant
voorafgaan; men kan dan spreken van lă-, mă-, ră-,
enz. stammen, die geheel als
Een oude jă-stam is in 't mnl. te herkennen aan de umlaut van de stamvocaal (soms ook aan de geminatie), b.v. here = got. harjis (in 't mnl. onz. geworden; geen geminatie van de r: § 52b), erve = got. arbi, kunne = got. kuni. Verder aan de n. sg. op -e (owgm. -i), waardoor het verloop naar de zwakke flexie sterker is dan bij de ă-stammen. Het meest komen die op -ere, -are voor, b.v. riddere, dorpere, martelare, moerdenare.
Opm. 1. Daarnaast een kort type, dat reeds in 't owgm. voorkomt; b.v. ric, put (pit); bed, net (= got. badi, nati), naast analogisch rugghe, putte; bedde, nette.
Opm. 2. In het got. hebben de nomin. haírdeis (langstammig): harjis (kortstammig) een eigenaardige vorming, welke hier onbesproken blijft.,
* 105. De vrouwelijke ō-stammen
Daar de ō uit idg. ā ontstaan is, noemt men van idg. standpunt deze znw. ā-st.; ze beantwoorden aan die van de lat. eerste declinatie, b.v. lat. equă (uit -ā).
| got. | mnl. | |||
|---|---|---|---|---|
| Sg. | nom. | saiwala | siele | |
| gen. | saiwala ōs | siele, sielen | ||
| dat. | saiwala ai | siele, sielen | ||
| acc. | saiwala a | = | siele | |
| Pl. om. | acc. | saiwala ōs | sielen (siele) | |
| gen. | saiwala ō | sielen | ||
| dat. | saiwala ōm | = | sielen |
Sg. nom. = nom. acc. pl. neutr. (§ 96 en § 103). De germ.
-ō is nog bewaard in de monosyllaba got. sō,
ō. In 't ownfrk. verdrong de acc. de nom.; vandaar mnl.
-e.
gen. mnl. -en in de gen. en evenzo in de dat. door invloed van de zw. flexie.
acc. de got. -a is uit germ. -ō(n) ontstaan, welke -ō nog in 't monosyllabum got. þō (acc. sg. fem. van să) bewaard is.
Pl. nom. acc. is gevormd als de gen. sg.; in 't mnl. echter in de regel -en door invloed van de zw. flexie.
gen.: hier is in 't got. de -ō bewaard. In 't owgm. vervangen door -ono van de zw. flexie, vandaar mnl. -en.
Klankwettig hadden de ō-st. in 't mnl. geen -en behalve in de gen. dat. pl.; daarentegen hadden de vrouwel. n-st. overal -en behalve in de nom. sg. Wat in 't owgm. reeds bij de gen. pl. gebeurd was, gebeurde in 't mnl. in alle casus: het type (got.) saiwala smolt samen met het type (got.) tuggō, en het resultaat van die versmelting was: Sg. nom. acc. -e; gen. dat. -e, -en; Pl. nom. acc. -en (-e); gen. dat. -en. In de acc. sg. zegevierde de -e, daar de acc. meest gelijk was aan de nom.; in de pl. won het de -en, die een betere meervoudsaanduiding was dan de -e.
In 't later ndl. (niet in 't vla.: § 93) is de -e in de sg. over 't algemeen geapocopeerd. Er zijn echter uitzonderingen, b.v. gave, (er is geen) sprake (van), schande; de jō-stam zonde; de enkele woorden op -e (= got. -ei; in 't got. zwak verbogen: § 107): hulde, koude, waarde, ellende; de weinige op -de (= got. -þa): liefde, vreugde; de vele op -te (= got. -iþa), b.v. diepte, hoogte. Vormen als vreze, ere zijn archaïsmen.
Opm. 1. Woede is een jongere vorm naast mnl. woet, hgd. Wut (§ 162). Zie overigens voor -e, -de, -te § 190a. Voorts ndl. -name, -lage e.a., ontstaan onder hgd. invloed, maar bevorderd door ndl. woorden als gave (: geven), sprake (: spreken). Bijdrage is een ndl. enkelvoud, dat onder invloed van hgd. Beiträge (mannelijk pl.) is ontstaan.
Daar in 't mnl. de meeste vrouwelijke znw. op -e uitgingen, werd voor het taalgevoel de -e een kenmerk van vrouwelijke woorden. Zodoende konden mannel. en onz. znw. op -e (ja-stammen, kortsyllab. i-stammen, zwakke znw.) licht geheel of gedeeltelijk naar het femininum verlopen. Zo zijn b.v. ellende, kudde, kunne (alle drie met bewaarde-e), oorlog (mnl. orloghe), speer (mnl. spere) van het- tot de-woorden geworden (echter niet eind [einde] en de collectiva op -te), op dezelfde wijze als in 't hgd. b.v. Wange, Grütze (oorspr. neutr., nu fem.). Vgl. ook: ter harte, van ganser harte (got. haírto n.), ter ore (got. auso n.), ter wille, om der wille (got. wilja m.). Ook feminina, die oorspr. de -e missen, krijgen zodoende soms in 't mnl. de -e, b.v. dade, crachte (§ 106).
Opm. 2. De jō-st. kenmerken zich door umlaut en geminatie, b.v. helle (got. halja), brugghe. Het type got. bandi is voor 't owgm. van geen betekenis.
Opm. 3. Op een owgm. vocaalloze nominatief, die bij de langsyllabige stammen klankwettig was (zie boven, en vgl. het over de nom. acc. pl. van de onz. ă-stammen opgemerkte: § 103), berusten mnl. stont, wijs (naast vormen met -e).
Opm. 4. Voor de pluralis op -s zie § 101.
* 106. De ĭ- en ŭ-stammen
Deze beide groepen omvatten ieder in hoofdzaak masculina en
feminina; een neutr. i-st. is b.v. lt. mare, ndl. meer
(got. mari-saiws); neutr.
Het suffix kenmerkt zich door ablaut. Het verschijnt hoofdzakelijk in drie vormen, welke in 't idg. zich als volgt vertoonden:
1) -e
-, resp. -e
- } zgn. sterke casus.
2) -o
-, resp. -o
- } zgn. sterke casus.
3) -i- (j), resp. -u- (w): zgn. zwakke casus.
Zwakke naamvallen vindt men o.a. in: got. ansts, anst, anstim,
anstins; sunus, sunu, sunum, sununs. Sterke vormen vindt men o.a. in: got.
anstais (idg. o
), ansteis (idg. -ĕ
-ĕs > germ. -i
-iz); sunaus (idg. o
), sunjus (idg. -ĕw -ĕs >
germ. -iw -iz; wordt na syncope van de laatste -i- tot
-jus).
Opm. 1. De dat. sg. (got. anstai; sunau), waarvan de verklaring moeilijkheden biedt, en de gen. pl. (got. anstē; suniwē), die bij de i- en de u-st. niet gelijk gevormd is en bovendien in 't got. de karakteristieke -ē heeft, worden hier niet nader besproken, daar ze voor 't ndl. niet van belang zijn.
De i- en u-stammen gingen in de nom. sg. uit op idg. -is en -us (vgl. lt. host-is, turr-is, ign-is; fruct-us, lac-us, man-us) > ogm. -iz en -uz. Daar de -i en -u na lange syllabe verdwenen (vgl. § 103), splitsten ze zich ieder in twee groepen: de langsyllabigen verloren de -i en -u, de kortsyllabigen behielden die. Dus b.v. owgm. gast: beki; luft: sunu; vgl. mnl. gast: beke: lucht: sone. In 't got. is dit verschil langs analogische weg weer verdwenen; bij de i-stammen ten koste van de ĭ, bij de u-stammen ten voordele van de ŭ; dus b.v. got. ansts en mats, handus en sunus.
Opm. 2. Een enkele rest van het uitvallen van de -u bij de u-stammen is in 't got. bewaard: tagr, een oude neutrale u-stam, die juist daardoor naar de a-stammen is overgegaan.
In 't owgm. gingen de u-stammen, die verre in de minderheid
waren, over 't algemeen tot de i-stammen (soms tot de a-stammen)
over: alleen enkele u-vormen (o.a. bij de kortsyllabigen de nominatieven
op -u) zijn bewaard. In 't mnl. waar zowel ausl. -i als -u
tot -
werd, kan men de u-stammen niet meer
afzonderlijk onderscheiden; misschien is nog een rest bewaard in de mnl. gen.
sg. sone (soon) (naast soons) = ohd. suno, got.
sunaus.
Bij de i-stammen zijn de mannelijke langsyllabigen in 't mnl. geheel gelijk geworden aan de a-stammen (gast, worm, balch, halm, raet = dach), de mannelijke kortsyllabigen aan de ja-stammen (rese, bete, heuge = herde); de neutrale i-stammen gaan als de ja-neutra (mere = vene). De belangrijkste groep is die van de vrouwelijke langsyllabigen (daet, aex, cracht, macht). De flexie van deze is:
Sg. nom. acc. daet.
gen. dat. dade (uit de dat.
reeds in 't owgm. in de gen. ingedrongen), (maar in de regel reeds vervangen
door) daet (invloed van nom. acc.), in jongere tijd ook daden
(invloed van de zw. fl.).
Pl. nom. gen. acc. dade; daarnaast de zw. vorm daden,
die het langzamerhand wint.
dat. daden.
Opm. 3. Onder invloed van de masculina en neutra in 't jonger mnl. ook een gen. sg, op -s (daets). Vgl. § 96 en 108.
De umlaut, die in de casus obliqui thuishoort, verdwijnt meest door gelijkmaking; soms echter dringt hij in: helft, Schelde, geweld (§ 39), schuld, geduld (§ 40). Bij de vrouwelijke kortsyllabigen gaat de nom. acc. sg. op -e uit: beke, stede (waarnaast echter reeds owgm. stad, naar analogie van de langsyllabigen gevormd: nog stad - steden, ste(d)e). Vandaar dat ze nog gemakkelijker naar de zwakke flexie verlopen en met de ō-stammen geheel op één lijn staan.
Opm. 4. De woorden op -scap, -scepe zijn neutr. of fem.; vgl. § 166.
Opm. 5. Er komen van koe, vlo merkwaardige meervoudsvormen op i voor: koeien, vlooien, die nog niet voldoende verklaring hebben gevonden.
* 107. De n-stammen
Deze groep omvat mannelijke, vrouwelijke en een aantal onzijdige
woorden; vgl. b.v. lt. homō, gen. homin-is;
ratiō, gen. ratiōn-is; carō, gen.
carn-is; nōmen (uit *nōm
), gen. nomin-is. De bekendste neutra in 't germ.
zijn got. áugo, áuso, haírto. Het aantal mannelijke
n-stammen is in 't ogm. sterk toegenomen, zó sterk dat de andere
consonantstammen op de achtergrond traden. Dit kwam, doordat -an- in 't
ogm. produktief werd ter aanduiding van nomina agentis (dus ongeveer in de
functie van ndl. -er: § 175); ze hadden oorspronkelijk het accent
niet op de wortel; vandaar dat die de Schwundstufe heeft en de werking van de
wet van Verner kan
Dus: idg. -ĕn-: in got. hanins, hanin (met
overgang van zwakbetoonde ĕ in ĭ: vgl. §
97);
idg. -ŏn-: in got. hanan, hanans (nom. pl., in 't
gehele germ. ook als acc. pl. gebruikt);
idg. -n-
(vóór vocaal): in got. abnē, aúhsnē en
't neutr. namnē; maar overigens met de ŏn-trap:
hananē;
idg. -
- (vóór consonant): in de dat. pl. germ.
-num (idg.
= germ. un, soms echter nu, vgl. idg.
*p
-mo-s = germ. fruma): als -nam (invloed
van de ă-stammen) bewaard in got. abnam en de neutra
namnam, watnam; maar overigens met volledig verloop naar de
ă-stammen hanam.
De nom. sg. van alle genera biedt eigenaardige moeilijkheden,
waarvan de verklaring hier niet beproefd kan worden. In 't got. vindt men
han-ă; tugg-ō; haírt-ō (dit nom.
acc. sg. neutr.); in 't owgm. han-ŏ naast han-ă;
tung-ă naast tung-ĕ; hert-ă naast
hert-ĕ. Voor het masculinum kan men constateren, dat in 't wgm. de
-a- eigen is aan de Ingvaeoonse dialecten (ags. hona, ofri.
skelta ‘schout’), de -o aan de andere (ohd.
hano). In overeenstemming daarmee vindt men b.v. owvla. Sassa,
terwijl het Oudgents beide typen kent, b.v. Adalwala naast
Eilbodo. Ook voor de omgeving van Zaltbommel kan men resten van de
a vaststellen, b.v. Nôtha (= ohd. Nando: vgl. §
29c), Doda, waarnaast ook -ŏ (b.v. Abbo, Benno). De
nom. acc. pl. neutr. luidt in 't got. haírt-ōna (maar
namn-a). Overigens gaan de feminina en de neutra als de masculina;
alleen verschijnt bij de feminina in 't got. -ōn- in alle casus
als stamsuffix en gaat de gen. pl. uit op -ō
(tuggōnō). Een afzonderlijke categorie vormen bij de
feminina de -īn-stammen (oorspronkelijk een zwakke trap bij -
ōn-), b.v. got. managei; hier werd
-ōn- vast in alle casus.
In 't mnl. is te verwachten: -e in de nom. sg.; -en,
dat dan niet meer stamsuffix, maar casusuitgang is, in alle andere casus (bij
de neutra natuurlijk -e in nom. acc. sg.). Werkelijk komen bij de masc.
deze vormen voor. Maar in de regel vindt men in de acc. sg. -e onder
invloed van de nom., welke
In 't nndl. hebben de gesubstantiveerde adjectieven, alsmede een aantal persoonsnamen (b.v. bode, getuige; weduwe) de -e bewaard; andere (graaf, heer, hertog, paus, prins, profeet, vorst, mens [maar vla. mensche]) hebben ze verloren. In sommige woorden drong de n van de verbogen casus in de nominatief in. Zo vindt men bij jonge in 't mnl. de persoonsnaam Quaet-jonghen naast Quaetjonghe; Kiliaan kent naast jonghe de vorm jonghen, en in de tegenwoordige tijd pleegt men die n nog te schrijven. Een tweede voorbeeld is mnl. kinnebacken; verder vindt men bij Vondel o.a. necken. Soms kreeg de genitief een dubbele uitgang -en-s, b.v. mnl. des herens, smenschens; evenzo in latere tijd, b.v. bij Vondel hertens; in 't bijzonder bij eigennamen, b.v. mnl. Hughens; bij Huygens Andriesens, Claesens. Bij ons komt alleen archaïstisch nog de gen. sg. op -en voor (wat de neutra betreft, alleen bij hart); voorts in plaatsnamen ('s-Gravenhage, 's-Hertogenbosch, 's-Heerenberg; fem. Geertruidenberg, Vrouwenparochie). - Vgl. ook het hgd.: Bote, Gatte, Geselle enz. naast Fürst, Graf, Mensch enz.; veel vaker dan in 't ndl. drong -en in de nom in: b.v. Balken, Bogen, Garten, welke substantiva dan sterk verbogen werden.
Opm. Oude jăn-st. zijn b.v. mnl. erve ‘erfgenaam’ (got. arbja), kempe (beide met umlaut), wille (got. wilja) (geminatie).
* 108. Andere consonantstammen
a) Een aantal verwantschapsnamen behoren tot de idg. tr-st.,
n.l. lt. păter = got. fădar; lt. māter =
ndl. moeder; lt. frāter = got. brōþar;
got. daúhtar. Daarbij voegde zich in 't germ. de idg.
r-st. *swesōr = lt. soror, got. swistar
(§ 82 Opm.) De verbuiging was intermuterend; vgl. b.v. lt. pater:
patris, got. fadar (uit -ēr): fadrs. De acc.
pl. idg. -r-
s: got. fadruns en de dat. pl. idg. -
-mis: got. fadrum vielen samen met met got.
sununs en sunum, en zodoende verliep de n. pl. in 't got. naar de
u-st.: fadrjus (idg. -es, b.v. grieks
pater-es).
Opm. 1. Andere consonantstammen werden in 't got. zelfs geheel en al u-stammen, b.v. fōtus, tunþus; vgl. nog eng. foot: pl. feet (uit *fōt-iz), tooth: pl. teeth.
In 't owgm. vond geen verloop naar de u-stammen plaats. Men had dus in 't mnl. te verwachten: Sg. vader; Pl. nom. acc. vader (de oorspr. acc. was door de nom. verdrongen), gen. vad(e)re, dat. vad(e)ren. In de gen. sg. drong de s in naar analogie van ridders enz.; vgl. nog - zelfs bij feminina - moeders (japon) enz. (reeds mnl. der moeders cleder). In de pl. vindt men soms in de gen. en dat. vader (invloed van nom. acc. pl. en apocope), maar ook dringt in alle casus -(e)re, -eren, -ers in.
b) Germ. -nd-, idg. -nt-stammen, al vroeg tot part. praes. geworden, b.v. got. gibands (zwak verbogen), ndl. gevend (§ 135). Maar een aantal worden substantivisch gebruikt en hebben dan in hoofdzaak de oude consonantische, met die van de tr-stammen overeenstemmende verbuiging, al zijn sommige casus ook verlopen. B.v. got. nasjands ‘de Heiland’ (vgl. got. nasjan ‘redden’); got. frijōnds, ndl. vriend (vgl. got. frijōn, ndl. vrijen); got. fijands, ndl. vijand (vgl. got. fijan ‘haten’); uit 't hgd. stamt ndl. Heiland (§ 63). In 't mnl. heeft de gen. sg. gewoonlijk al -s, de dat. sg. meermalen -e; de pl. heeft naast -e(n) geen uitgang.
Opm. 2. Got. manna gaat deels naar de n-stammen, deels naar de consonantstammen. Ook bij ons luidt de pl. nog man (ook in alleman) naast mannen en mans; vgl. hgd. Mann, Mannen, en (naar de es-st.) Männer; eng. men (umlaut). Ndl. men is een verzwakte vorm van man, beantwoordt dus niet aan de eng. pl. men. In maan: maand = got. mēna: mēnōþs heeft men (van etymologisch standpunt) doubletten, ontstaan uit de onverbogen, resp. de verbogen vorm, daar de dentaal in de casus obliqui bewaard bleef; vgl. ndl. neef: lt. nepōtem (acc. sg. van nepōs ‘kleinzoon’).
Zie voor de neutrale s-stammen § 87, voor enkele andere resten Franck § 193.
Opm. 3. Een oudere vorming dan nasjands enz. is t-and, oorspronkelijk een idg. part. praes. bij eten (vgl. lt. d-ent-; bij de idg. wortel ed- ‘eten’).
Opm. 4. Vriend heeft eigenaardige bijvormen: vrind en vrund (§ 31); misschien bevorderde de differentiëring van betekenis ten opzichte van vrijend de contractie, die men niet in vijand vindt.