[p. 135]
Vijfde hoofdstuk De pronomina, adjectiva en numeralia
I. De pronomina
Persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord
*
109. Een eigenaardigheid van de persoonlijke
voornaamwoorden is, dat de casus obliqui niet van de nominatiefstam door
toevoeging van een naamvalselement gevormd zijn, maar dat ze over 't algemeen
van een andere stam komen. De dualis is nog in 't ogm. (ook in 't got.) bewaard
(vgl. § 96); verschil van genus komt alleen bij het pronomen van de 3de
persoon (niet bij het reflexief) tot uitdrukking. Veelal leidt een verschil in
klemtoon tot een verschil in vorm. De bezittelijke vnw. zijn in vorming nauw
verwant met de gen. van de persoonl. vnw., waarmee ze in betekenis immers ook
veelszins overeenstemmen (mijn boek = het boek van mij.)
*
110. Pers. vnw. 1e persoon. Er
zijn 4 stammen:
a. idg. ĕg-: Sg. nom. idg. *ĕgōm,
*ĕgŏm, lt. egŏ (uit -ō) = got. ik
(uit idg. -ŏm); ndl. proclitisch 'k, en enclitisch
k en 'k, emfatisch ik, ikke (reeds mnl.
icke, met -e uit owgm. -a).
b. idg. mĕ (vgl. lt. me), me
in de verbogen casus van de sg.: gen. got.
meina, mnl. mijns (met analogische s) en jonger
mijnre; thans omschrijving (behoudens enkele geïsoleerde resten:
mijns gelijke, gedenk mijner). dat. got. mis, owgm.
mi (maar ohd. nhd. mir), mnl. mi (§ 32 Opm. 4), bij
betoning gerekt tot mī, en hieruit nndl. me, resp.
mij. Als minder beschaafd geldt nu mijn, het oorspronkelijke
possessief, dat reeds in 't mnl. als personale voorkomt. Vgl. omgekeerd 't
pers. vnw. me als possessief (§ 119). acc. got. mik,
ohd. nhd. mich. Overigens verdrongen door de dat., ook in 't ndl. Het
oorspronkelijk onderscheid tussen datief en accusatief dat in 't hgd. bewaard
is (mir: mich, dir: dich enz.), is in 't ndl. opgegeven,
evenals in 't eng.: 't is een Ingvaeoonse eigenaardigheid.
[p. 136]
Opm. 1. Ikke, ditte, datte, watte zijn emfatische vormen,
die voor minder beschaafd gelden, maar in de kindertaal zeer gebruikelijk zijn;
een met ikke en ditte corresponderende vorm komt echter reeds in
't owgm. voor; alle vier treffen we ze in 't mnl. Zie voor een vorm
ghije § 113 Opm. 2.
Opm. 2. Zoals ons, u, jou boek = 't boek van ons, u, jou is,
zo is mijn boek = 't boek van mijn; vgl. het boek van zijn en in
de kindertaal hem boek. Zie voorts haar als bezittel. vnw.
(§ 119).
Opm. 3. In een klein stukje in 't zuidoosten van ons land komen
ich-, mich-, dich- vormen voor, mich en dich zelfs nog
even ten n. van de Uerdinger-linie (§ X). Men heeft hier niet met
klankwettige vormen (hgd. klankverschuiving) te doen, maar ze berusten op
vroege ontlening aan het mfrk. door middel van het cultuurcentrum Keulen.
c. idg. we
: plur. nom. got. weis; mnl. wî en
bij zw. betoning wi; hieruit ndl. wij, resp. we; ook
me, in enklitisch gebruik na 't w.w. ontstaan: -n + w- gt;
m (dus b.v. me hebbe < hebbe me < hebben
we).
d. idg.
s, de Schwundstufe bij lt. nōs, in de
verbogen casus van de pl.: gen. got. unsara, mnl. onser;
vgl. ook nndl. ons aller (vriend) (in plaats van onser;
ons aller als eenheid opgevat); dat. got. unsis en de
accusatiefvorm uns } mnl. ons. acc. got. uns en de
datiefvorm unsis } mnl. ons.
Opm. 4. De afval (wel in het stadium z) van de r in
wij (tegenover hgd. wir) vindt men evenzo in jij-gij
(tegenover hgd. ihr). De -r- vormen in Zuidoost-Limburg zijn
ingedrongen uit de Keulse invloedssfeer. - Zie voor uus § 29
c.
111. Pers. vnw. 2de
persoon, grotendeels parallel met de 1e persoon gevormd.
Sg. nom. idg. *tū, *tŭ; lt.
tū; = got. þŭ, mnl. dŭ, dū,
enklit. -de (na -s van 't w.w. -te). gen. dat. acc.
got. þeina, þus, þuk = mnl. dijns, di. Vgl. lt.
acc. te. De got. vocaal van þus, þuk is vermoedelijk
onoorspronkelijk (invloed van þu); voor de mnl. vormen, evenals
voor hgd. dir, dich, geldt het bij de 1e pers. opgemerkte.
Pl. nom. got. jūs, maar in 't wgm. onder invloed van de
1e pers. pl. en met overgang van j tot g (§ 84): mnl.
ghĭ, enclitisch -i (b.v. segdi; uit -ji); zie
voor je, emfatisch jij hieronder. gen. dat. acc. got.
izwara, izwis, maar owgm. iuwar (met assimilatie van de
zw), iu > mnl. uwer, u; iu (= ju) (in holl. hss.
sedert 1400).
[p. 137]
De geschiedenis van de aanspreekvormen in het ndl. is zeer
ingewikkeld; zij groepeert zich om de volgende vier hoofdpunten: a) de
verdringing van du; b) de verhouding van gij tot jij; c)
het ontstaan van U; d) de vorming van de pluralisvorm jullie.
*
112. a. De verdringing van
du.
In 't ndl. is de verhouding van du: ghi veranderd.
Gold aanvankelijk du voor de sg., ghi voor de pl., in 't mnl.
reeds (13de e.) was deze verhouding verstoord: immers het werd in 't hoofse
leven, zoals uit de weerspiegeling ervan in de hoofse literatuur blijkt,
gebruik, elkaar met de pluralis reverentiae aan te spreken (dit onder invloed
van 't Frans, dat zelf deze gewoonte weer aan 't Latijn ontleende). Dit was het
uitgangspunt en zo nam dan in de middeleeuwen het gebruik van ghi sterk
toe, terwijl dat van du verminderde. Tegen 't eind van de 16e eeuw is
ghi overal regel en tevergeefs tracht
Marnix het dan reeds dode du nieuw leven in te
blazen. In Holland wordt het uitstervingsproces versneld door de vestiging van
tal van Zuidnederlanders. Du is bij
Bredero (behalve in bepaalde verbindingen als du
moorders) reeds een literaire rariteit; naast du vindt men bij hem
het te verwachten dou (§ 69) en doe.
Cats gebruikt du, als hij zich tot God richt.
Maar de Dordtse synode strijkt het doodvonnis er over in de bijbelse taal, door
het een plaats in de Statenoverzetting te weigeren. Toch schijnt het zich op 't
platteland van Noord-Holland hier en daar tot in de 19de eeuw gehandhaafd te
hebben.
In Limburg bestaan van du nog allerlei vormen (doe, de,
dau, enz.) in zeer gevarieerd gebruik.
*
113. b. De verhouding van
gij tot jij is een interessant historisch
dialect-geografisch probleem.
De ontwikkeling van j tot g is een eigenaardigheid van
't Frankisch, althans van sommige Frankische dialecten, maar heeft niet plaats
gehad in 't Fries, in 't algemeen niet in onze Ingvaeoonse dialecten. De
Hollandse dialecten vormen - zoals in meer gevallen - een overgangsgebied, waar
een eeuwenlange strijd gevoerd is tussen beide vormen. Maar daar het zuiden in
de middeleeuwen de suprematie heeft, vindt men dan bijna alleen de - in de
eerste plaats Brabantse - gi-vormen geschreven. Zo nu en dan komt de
j-vorm voor de dag; in de kustdialecten, vooral in 't Hollandse mnl., in
de objectsvorm ju, jou - ontstaan uit owgm. iu (vgl. u uit
iu) - met wisseling van u / ou (§ 69); aan deze vorm
beantwoordt een sedert de 16de en 17de eeuw in 't Hollands voorkomend en nu als
emfatische objects-
[p. 138]
vorm zeer gewoon jou. Een vorm
*ji ontbreekt in 't mnl., maar een enclitisch je treedt voor 't
eerst op in de 2de helft van de 14de eeuw in de dingtalen van
Aardenburg e.a. Veel later eerst treft men de beklemtoonde vorm
jij: Joos Lambrecht (a. 1550) kent dit jij, maar in de litteraire
bronnen verschijnt het eerst na ± 1600. Een proclitisch je komt
vóór 1600 niet voor. In 't begin van de 17de eeuw is een
niet-enclitisch je en vooral jij nog zeldzaam; na ± 1610
neemt het aantal dergelijke vormen in de Hollandse literatuur snel toe. Deze
vrij plotselinge verandering is een bewijs, hoe mannen als
Bredero,
Coster,
Hooft e.a. zich losmaken van Brabantse schrijfgewoonten
en Hollands durven schrijven: de overwinning van de j-vormen is een van
de uitingen, hoe het Hollands de suprematie krijgt. Treffend is in later tijd
de opmerking van
Bilderdijk over jij en je: ‘hetgeen
thans voor lage wanspraak gerekend wordt, maar des niet minder 't
Nationaal-Hollandsch onzer provintie is.’ Toch blijft tot diep in de 19de
eeuw gij zeer gewoon als geschreven aanspreekvorm, en nog
is het de veel gebruikte nominatief in verzen en verheven proza (niet
U).
Is deze opvatting, die in hoofdzaak steunt op
Vor der Hake, juist, dan is dus het
na-middeleeuwse jij, je de rechtstreekse voortzetting van de owgm.
j-vormen, die in de Hollandse, zéker in de Noordhollandse
dialecten steeds gesproken zijn gebleven; voor Zeeland en
misschien voor Zuid-Holland bestaat echter de mogelijkheid, dat g- en
j-vormen naast elkaar gesproken werden. Een bezwaar tegen deze opvatting
is, dat de vorm *ji nooit in 't mnl. voorkomt, terwijl het
eerst een enclitisch je opduikt. Vandaar dat
Verdenius meent, dat het j-pronomen in
enclise geboren is. Uit *hebdi of *hebdgi ontwikkelde zich heb
je (-di > -d'i > -d'jie > dže
> že > je of -d'i > dji >
dži > ži > ji); vandaar dat in heb
je de persoonsuitgang t ontbreekt. Een parallel is het dialectische
me hebbe (§ 110). Uit dit enclitisch gebruik ontwikkelt zich dan
het proclitische j-pronomen.
Deze scherpzinnige hypothese stuit echter op verschillende
moeilijkheden; o.a. je, jij duiken op in hetzelfde gebied, waar vanouds
ju, jou voorkomen; het schijnt dus vreemd, dat er geen rechtstreeks
verband tussen deze j-vormen zou zijn; en ook wordt de objectsvorm aldus
niet verklaard.
Men kan de j-vormen als Ingvaeoons karakteriseren; ndl.
jou beantwoordt aan ndd. jou, ju en aan fri. jou, eng.
you.
In het Rotterdams (ook Zuidhollands gebied) wordt hoor-je,
kom-je enz. uitgesproken als hoorie, kommie enz. (vgl. ook: ik
hebbie wel gezien ‘heb je’, drinkie koppie uit
‘drink je’).
Opm. 1. In 't mnl. en ook daarna vindt men nu en dan vormen als
segt dij, die zich ontwikkeld hebben uit vormen als segd-i, maar
die het niet tot een zelfstandig levend vnw. dij gebracht hebben.
Onafhankelijk hiervan, gebruiken dan in de 19de eeuw Drost, Ten Kate e.a. in
archaïstische taal dij, dat door hen kunstmatig geabstra-
[p. 139]
heerd is uit b.v. segd-i, segd-ij. Soms leidden vormen als
segd-i tot nieuwe toevoeging van 't pronomen; b.v. vla.
neemde-ge, brab. hedde-ge, betuws hede-gij; vgl. de
zuid-ndl. verdubbeling bij de 1e ps. in vormen als hebickick (= heb
k-ik), in de Spa. Brab. bespot.
Opm. 2. Gij verschijnt in 't mnl. vanouds als ghi,
waarnaast gi; ook ghy; ghij, gij; niet ge. In de
16de eeuw treft men als emfatische vorm herhaaldelijk ghije aan; vgl.
ikke enz. (§ 110 Opm. 1) en bij de 3de persoon hije. In de
16de en 17de eeuw schrijft men soms ook g(h)ey (en
jey), een bewijs van het doordringen van de diftongering (§ 77).
Bij
Bredero schijnt verschil tussen ghy en gy
te bestaan; vóór ghy wordt gewoonlijk de werkwoordsvorm
met t geschreven, zodat hier werkelijk het g-pronomen bedoeld
schijnt; gy werd dan met j uitgesproken. Zie overigens voor de
werkwoordsvormen nog § 142.
114. c. Het ontstaan van
U
Doordat je, jij in oorsprong identiek is met ge, gij,
was het eens het voormalig beleefdheidspronomen. De resten daarvan vindt men
tot diep in de 18de en zelfs nog in de 19de eeuw, in welke tijd het in deftige
kringen gebruikt kon worden bij het aanspreken van lieden van hogere stand, die
men tegelijk als Mijnheer of Mevrouw betitelde. Maar daar het hoe
langer hoe meer tevens en zelfs in de eerste plaats als gemeenzame
aanspreekvorm werd gebruikt, ontstond er behoefte aan een nieuwe
beleefdheidsvorm. Als zodanig komt, allereerst in briefstijl, in de 17de eeuw
Uwe Edelheit voor, veelal in schrift afgekort tot Uwe Edt,
Uw(e) Ed., U Ed., dan ook reeds U E., dat in de loop
van de tijd toeneemt; het werd natuurlijk gevolgd door het verbum in de 3de
persoon. Dit U E (U Ed.) is de gehele 18de en 19de eeuw door in
zwang gebleven. Daarnaast werd in de 16de en 17de eeuw, als lagere titel,
Uwe Liefde (Jouwer liefde in Huygens' Scheepspraet) gebruikt.
De schrijfwijze U E leidde tot het lezen van Uwē
(deze uitspraak b.v. soms reeds in de 17de eeuw met de 2de persoon van het
verbum: b.v. bij
Maria van Reigersberch U E. hebt
[vernaempt] ‘vernam’, sult, zijt; in
Huygens' Voorhout: Ah! quitteert V.E. la Cour?),
maar sedert
Wolff en
Deken zakt het af naar de lagere kringen en nu is het
bijna vergeten. Naast U(w)ē ontstond
U(w)ē met een verplaatsing van de klemtoon, die zijn
uitgangspunt zal gevonden hebben in genitivisch gebruik, b.v. Uwees hoed
met zwevende klemtoon (b.v. in een gedicht van Stalpaert a. 1622: uwer E
gunst, met klemtoon op de beginsyllabe u). Dit
Uwe(e)s werd en wordt nog een enkele keer ook als
nominatief gebruikt naast U(w)ē (vgl. § 120
Opm. 1), en zo is een uitspraak U(w)ē en een daaruit
voortgekomen Uw
gemakkelijk te verklaren. Een plotselinge en snelle
ontwikkeling van reeds mondeling gebruikt U.E. tot U heeft al
vroeg in de loop van de 17de eeuw plaats gehad, mede onder invloed van de
objectvorm u en misschien
[p. 140]
door de uitbreiding in de
schrijftaal van Brab. u = Holl. je tot alle functies waarin
je bruikbaar was. Dit U werd de nieuwe beleefdheidsvorm. Het
verraadt zijn herkomst nog, doordat het het w.w. in de 3de persoon bij zich kan
krijgen en eventueel dan ook het reflexief pronomen zich;
begrijpelijkerwijs verdringt echter de 2de persoon van het w.w. de meer
vormelijke 3de hoe langer hoe meer. Dit U wint hoe langer hoe meer in
breedte en in diepte; en het neemt, naarmate democratische
gelijkheidsbeginselen de overhand krijgen, hoe langer hoe meer de plaats van
je, jij in. Laatstgenoemde aanspreekvorm wordt steeds meer beperkt tot
de vertrouwelijke omgang, waarbij het begrip van vertrouwelijkheid zich echter
uitbreidt.
Een andere wijze van aanspreken, de zijdelingse, was vroeger (nog in
de pluralis: ‘Hebben de heren gezien, dat....’) als
beleefdheidsvorm meer in gebruik dan thans. L. ten Kate zegt ervan:
‘Wanneer een Minder zijnen Meerder, of Lieden van Aenzien en Opvoeding
elkander aenspreken, is men thans, volgens de beleeftheid, gewoon, den
aengesprokenen in de 3. Persoon te bejegenen; als, Heeft mijn
Héér dat verrigt? doch plomper klinkt het, Mijn
Héér hèbt gij dat verrigt?’ Ook in de noordelijke
provinciën, waar dit gebruik zich het langst heeft gehandhaafd, wijkt het
snel terug voor U.
Opm. Dat op het ontstaan van U ook de objectvorm invloed
had, is waarschijnlijk door de gelijkheid van je als subject en als
object; parallelle ontwikkeling komt in verschillende dialecten bij andere
pronominale vormen voor, b.v. zeeuws en afrik. ons, hollands hun
als subject.
*
115. d. De pluralisvormen
jullie enz.
Terwijl men in het mnl. de pluralisvorm voor de singularis ging
gebruiken, ontwikkelde zich reeds toen een nieuwe pluralisvorm door
samenstelling met liede, lude. Deze leeft vooral voort in jelui
en het tegenwoordig iets meer gewone jullie. Jelui komt sedert de 17de
eeuw, 't eerst in Hollandse kluchten, herhaaldelijk voor. Het opkomen van deze
vorm leidde ertoe, dat jij (in mindere mate je) allengs
gereserveerd werd voor het enkelvoud, al vindt men tot in de 18de eeuw ('t
laatst bij
Wolff en
Deken) voorbeelden van een meervoudig jij. Tot in
de 19de eeuw handhaafde zich dit meervoudig jij in de verbinding
jij-lui (nog in de
Camera Obscura). Uit dit jij-lui is vermoedelijk
de nominatiefvorm jullie (-ie: § 94 Opm. 3) ontstaan, dat in
het Nederlands ongeveer sedert het midden van de 19de eeuw verschijnt (oudste
voorbeeld
Klikspaan) maar dat naar het getuigenis van het Afrikaans
een eeuw ouder moet zijn. Toen n.l. de verbinding niet meer als samenstelling
gevoeld werd, kwam de volle klemtoon op het eerste lid te rusten en verzwakte
-lui tot -lie; daarmee gepaard ging een verandering in uitspraak
en spelling van het eerste lid. Jullie (§ 94 Opm. 3) bevindt zich
op één lijn met zullie, dat echter een trap lager staat op
de maatschappelijke ladder, en moet beoordeeld worden in verband met
dialectisch wullie, gullie, hullie, alle pronominale vormen welke op
elkaar konden inwerken.
[p. 141]
Een andere verklaring dan de boven
gegevene vindt men bij
Kloeke, die jullie uit joului (vgl.
vrullie naast vroului) verklaart als een zuiver Hollandse
vorm.
116. Samenvatting
De geschiedenis van de aanspreekvormen is ook daarom zo merkwaardig,
omdat een oorspronkelijk verlies (van du) meer dan goedgemaakt is door
een veelheid van vormen, die aan alle eisen van de omgang recht doet
wedervaren. Uit een dialectisch verschil van de pluralisvorm ji-ghi
ontwikkelde zich - terwijl gij, ge in bepaalde streken en overigens in
beperkte mate in gebruik bleef - een nieuwe singularis jij, terwijl de
niet-beklemtoonde vorm je ook voor de pluralis in gebruik bleef. Is het
echter nodig, die afzonderlijk aan te duiden, dan heeft men zelfs twee vormen
tot zijn beschikking: jelui en jullie, die zich uit een
samenstelling met lui(den) ontwikkeld hebben. Het deftige
Uw(e) Edelheid leidde tot een beleefdheids-pronomen
U, dat in kortheid niet kan overtroffen worden.
*
117. Pers. vnw. 3de
persoon. Er zijn drie stammen:
a. germ. ĭ, overal in 't got. behalve in. de nom. sg.
fem. Ook in andere idg. talen, b.v. lt. is, id. Dit wellicht, met
h naar hij, in mnl. het (zelden hit) (maar zie
beneden sub c); mnl. (zeld.) et hoort misschien bij deze stam i,
maar kan door enclise uit het (als verklaard sub c) zijn ontstaan.
b. germ. sĭ, in 't got. in de nom. sg. fem.
(si), in 't wgm. (ndl.) in de nom. (acc.) sg. fem. en de nom. acc. pl.
comm. gen.: mnl. si, (enclitisch) se, ndl. ze, zij (deze
laatste vorm alleen in de nom.).
c. germ. hĭ: in 't got. bewaard in enkele
geïsoleerde vormen (himma daga e.a.: § 6); in 't owgm. oorspr.
in de nom. sg. masc. en dan in 't ndl. - in tegenstelling tot 't hgd. - ook in
de andere vormen ingedrongen, behalve in de nom. sg. fem. en de nom. pl. comm.
gen. (daar alleen s- vormen) en in de gen. sg. masc. neutr. (waar alleen
bij enclitisch gebruik (
)s wordt gebezigd). Mnl. hi (daarnaast,
zelden, hie, hē); neutr. het (zelden hit) (maar zie
boven sub a). Bij enclise viel de h af; -ie,(
)m, (
)t, (
)s enz. zijn dus waarschijnlijk geen oude
ĭ-, maar hĭ-vormen. Hi is (anders dan
si: ze, wi: we, ghi: ge) om fonetische bezwaren
niet tot (h)
overgegaan (maar in de noordoostelijke tongvallen
bestaat wel enclitisch -e, vermoedelijk < hē). Voor de
verlenging van de i bij klemtoon (zodoende ndl. hij naast 't bij
enclitisch gebruik meer gewone ie) vgl. mi (§ 110). Wanneer
de voornaamwoorden (zowel de personalia hij: hem, zij:
haar als de possessiva zijn: haar) ‘de volle zware
toon dragen, doen ze aan personen denken;
[p. 142]
bij
toepassing op zaken moet men gebruik maken van de lichtbetoonde en
de enklitische vormen’ (
Royen). Voor hij (en ze) slaande
op de sexueel indifferente de-groep, zie § 96.
Het verschil ndl. hij - hgd. er berust op een oude
tegenstelling noordzuid (Ingvaeoons-Hoogduits).
Naast -ie is vooral in Noord-Nederland, in elk geval sedert
Spieghel, het oorspronkelijk aanwijzende -die (na
bepaalde medeklinkers -tie) in gebruik (vgl. § 120), dat na
-t van de voorafgaande werkwoordsvorm niet van -ie is te
onderscheiden en zodoende licht op een lijn ermee gesteld kon worden. Als
beschaafd gelden, in Noord-Holland: viel-die, of-tie, hoorde-die. In de
Betuwe o.a. valt naast -ie, en -die of -tie een jongere
vorm met -je te constateren: val-tje ‘valt hij’,
kwam-pje ‘kwam-hij’, toe-tje ‘toen hij’;
in Zuid-Nederland komt -
m als onbetoonde nom. voor, -tem (Brabant) als
nom. acc.
Opm. 1. In de Saksische dialecten van het mnl. drong de h
moeilijker in; vandaar dat men tegenover het ndfrk. type gaetet daar
herhaaldelijk nog het type gaedet vindt (vgl. bij de 2de persoon het
hier algemeen verspreide gaedi: § 113 v.). Voorzover men
tegenwoordig gavv
t, wazz
t zegt, maar gaffi, wassi, bewijst
dit niet, dat
t uit owgm. it (i.p.v. hit) ontstaan is,
maar alleen dat in de laatstgenoemde vormen het gevoel voor de afzonderlijke
zelfstandige delen sterker is dan bij de eerstgenoemde. Intussen heeft men ook
nog met een andere mogelijkheid te rekenen, dat n.l. naast hij et stond,
zoals naast eng. he it staat. In 't mnl. immers komt et een
enkele keer in praeverbale positie voor.
In de nom. sg. fem. vindt men naast mnl. si mnl. (vla.,
vooral bij
Maerlant en nog een enkele keer in 't nwvla.)
soe, het oude demonstratief (= got. sō, fem. van
să), en su, uit owgm. (os.) siu.
In de pl. is si onder invloed van wi, gi in de plaats
gekomen van sie (oonfrk. sia). De vormen hen, hun zijn in
oorsprong identiek; 't was aanvankelijk de datiefvorm, ontstaan uit hem
(soortgelijke vormen in de dat. acc. sg., waar heme de oudste vorm is,
die de oorspronkelijke accusatief *hen(e) - alleen als enclitisch
-en(e) in 't mnl. nog levend - had verdrongen). Daarnaast him,
hin en hun (§ 44), welke laatste vorm thans (naast het
enclitisch en ter aanduiding van zaaknamen steeds gebruikte ze) de
gebruikelijke vorm is voor alle geslachten. Het naamvalsverschil tussen
hen en hun is dus kunstmatig. Vgl. de hiermee evenwijdig lopende
poging van Hooft om in de singularis hum, dat in de 17de eeuw
dialectisch naast him voorkomt, als datief van hem als accusatief
te scheiden.
Opm. 2. De scherpe scheiding, die de grammatica maakt tussen het
persoonlijk vnw. van de 3de persoon en de aanwijzende voornaamwoorden, is in de
idg. talen niet aanwezig; vandaar dat herhaaldelijk vormen van de laatste groep
overgaan tot de eerste. Dat is in zeer oude tijd vermoedelijk het geval geweest
met de boven onder b genoemde s-vorm; dat gebeurde op beperkt terrein
later met bovengenoemd soe; vgl. ook in onze tegenwoordige taal de
wisseling van ie en die (zie hierboven).
Opmerkelijk zijn in 't femininum de ā-vormen: reeds
mnl. hare naast heure, welke laatste vorm geredelijk kan worden
verklaard uit een ook
[p. 143]
voorkomend mnl. here (grondvorm
*hĭrŏ, in de gen. dat. sg. en de gen. pl.; hare
dringt dan ook in de acc. sg. in); vgl. § 43 en § 57 Opm. 5. Bij de
veelvuldig gebruikte enclitische vorm 'r vindt men als bijvormen t'r,
d'r, welke zich in de sandhi (b.v. Hij kan d'r niet gezien hebben,
vgl. wat had ze in d'r korf) hebben ontwikkeld. In het mnl. vindt men
gen. pl. hare ook in datief- en accusatieffunctie: in de 17de eeuw komt
het in volkstaal in de vorm er nog voor.
Opm. 3. De oorspronkelijke gen. pl. er is van het
pronominale verband geïsoleerd; formeel is hij samengevallen met de zwak
betoonde vormen van daar (d'r, 'r).
*
118. Naast de vormen van hij bestond
in de casus obliqui een afzonderlijke vorm voor het reflexief;
vgl. lt. sibi, se; got. seina, sis, sik. In een brede groep van
wgm., in wezen Ingvaeoonse dialecten, nl. in 't ndl. en 't ndd. zowel als in 't
eng. en 't fri., ontbreekt dit pronomen van oudsher; voorzover men er zulke
vormen vindt, zijn ze dus uit 't hgd. ingedrongen of onder hgd. invloed
ontstaan. Zich komt in 't mnl. dan ook vooral in zuidoostelijke teksten
voor; we zien het sedert ongeveer het midden van de 14de eeuw in de Gelderse
kanselarijtaal binnendringen (a. 1368 naast elkaar noch sich
verbonden en hebben noch oen en verbeenden in een tot Holland
gerichte oorkonde); sedert de tweede helft der 14de eeuw komt sich,
later sick, in de noord-oostelijke provincies voor. Zo dringt het dan in
de latere tijd ook Holland binnen (voornamelijk via de reformatorische
literatuur der 16de eeuw) om eerst na hardnekkige strijd met hem en
z'n eigen in de 17de eeuw algemeen beschaafd (maar niet volksaardig) te
worden. Een goed voorbeeld van de overgangstoestand in de 17de eeuw levert
Vondel, die in latere tijd hem enz. vervangt door
zich.
Ook in het ndd. drong de hgd. vorm in, maar daar werd hij
vernederduitst tot sik; terwijl deze vorm in 't mnl. slechts nu en dan
voorkomt, dringt hij dan ± 1600 verder door en vindt men hem bij brab.
vla. en zeeuws-holl. schrijvers (o.a. bij
Marnix); nu nog in 't drents en gron. zuk
(zok) door hernieuwde klemtoon uit zwakbetoond s
k. Naast zich vindt men zeer zelden in 't mnl.
si, dat uit hgd. sich is ontstaan onder invloed van mi,
di. Met het oog op het sporadisch voorkomen van dit si in 't mnl.
moet men hier niet mee identificeren het 16de eeuwse brab.-antwerpse si
(sy, se) selve (b.v. Dit gat is in sy selver niet ront, mer
meer vierkant); identiteit met sijn ligt hier meer voor de hand.
Opm. 1. Afrik. hom (sig alleen onder ndl. invloed).
*
119. De bezittel. vnw.
Got. meins, þeins, seins = mnl. mijn, dijn,
sijn; het laatste wordt reeds in 't mnl. ook niet-refl. gebruikt;
dijn is nu in 't Alg. Besch. alleen nog over in het mijn en dijn.
Over zijn met betrekking tot de de-substantieven, zie §
96.
[p. 144]
Het possessief van de 1e en 2de persoon pluralis kent tegenover got.
unsar, izwar, hgd. unser, euer kortere mnl. vormen onse,
uwe, b.v. onse volc, uwe huus, en nog tegenwoordig ondertekenen
sommigen Uwe dw. dn. Overigens is uwe verkort tot
u(w), holl. u (uw spelvorm naar uwe);
daarnaast je, jou en de spellingvariant jouw (met dezelfde
verschuiving als bij 't pron. pers.); mede onder invloed van je en van
't gelijkluidend pers. vnw. ontstond uit het proclitische m'n me
(algemeen in mevrouw, met stijlverschil in meheer naast
meneer); onder invloed van mijn enz. kwam in de volkstaal
joun op.
Terwijl aanvankelijk het bij het reflexief pronomen behorend
sijn ook bij niet-reflexief gebruik voor alle genera en numeri werd
gebruikt, is in 't mnl. voor 't fem. en de pl. reeds hare, de gen. van
't pron. pers., het gewone woord (vgl. hgd. ihr); daarnaast voor de
pluralis soms al in 't mnl. (eerst in Limburg, later in Brabant) de datief van
't pron. pers. hun (ook hen), die immers ook bezit kon
uitdrukken. Vanaf de 16de eeuw is een gretig gebruik gemaakt van de
differentiatie hun (naar lt. eorum) en haar (lt.
earum): in de 19de eeuw werd het nog in acht genomen. Doch, hun
heeft, in de t.a.v. het genus indifferente pluralis, het op den duur van
haar gewonnen, ook in de levende taal; de enclitische vorm 'r
(d'r) < hare bestaat nog in de noordndl. omgangstaal, alsook
in vele dialecten; in Vlaanderen en Brabant, maar ook elders, gebruikt men in
de tongvallen een vorm van mnl. heur-liede, in Limburg hun.
De flexie is die van 't adjectief, waarbij de possessieven krachtens
hun functie behoren. Alleen vindt men tengevolge van 't proclitisch gebruik
reeds vroeg vormen zonder uitgang (ook bij ons in de Hollandse
volkstaal, b.v. naar ons zin; vgl. reeds mnl. ons vader en ook
fr. uus).
Aanwijzend voornaamwoord en bepaald lidwoord
*
120. Het demonstratief werd in 't idg. van
twee verschillende stammen gevormd, een met s- en een met t-
beginnende stam; de s- hoort thuis in de nom. sg. masc. fem., vgl. got.
să en sō; in de jongere germ. talen, ook in 't ndl.,
zijn deze s-vormen vervangen door andere met germ. þ- (ndl.
d-) < idg. t-.
Bij dit pronomen blijkt het duidelijkst, welke eigenaardigheden in
de casus-uitgangen de pronominale flexie kenmerken tegenover de
substantivische. Een aantal casus stemmen overeen, n.l.
| Sg. |
nom. fem. got. sō |
= giba (§ 105); |
| |
gen. masc. neutr. got. þis |
= dagis; |
| |
acc. fem. got. þō |
= giba (§ 105); |
[p. 145]
| Pl. |
nom. acc. fem. got. þōs |
= gibōs; |
| |
nom. acc. neutr. got. þō |
= waurda (§ 103); |
| |
acc. masc. got. þans |
= dagans. |
De andere casus verschillen min of meer. De meest karakteristieke
afwijking is die van de nom. acc. sg. neutr., welke idg. -d heeft; vgl.
lt. id, illud, istud tegenover bellum, iugum. In 't germ. moest
die d tot t worden en dan bij enclitisch gebruik afvallen,
daarentegen bij klemtoon blijven; vgl. got. a (zwak betoond als pron.
indefin. en soms als interr.); ndl. dat, dit, het, wat. De got. vormen
it-a þat-a hebben dezelfde toevoeging, die men ook in de acc. sg.
masc. þan-a vindt; blijkens got. ainnōhun,
arjatōh is deze -a uit -ō(n) ontstaan.
- Zeer karakteristiek is ook de got. ai (idg. o
) van de nom. pl. masc. þai en de dat. pl.
comm. gen. þaim. Oorspronkelijk had ook de got. gen. pl. masc. die
ai (nog bewaard bij 't adj. blindaize en daar in 't fem.
ingedrongen: blindaizo i.p.v. -ōzō en zelfs in de
gen. sg. fem. blindaizos i.p.v. -izos) (§ 125) maar hier is
de i van de sg. ingedrongen; þizē onder invloed van
þis þizōs; hierdoor ook in de gen. pl. fem.
þizō i.p.v. *þ ōzō. - Een intern
langere vorm heeft de dat. sg. masc. neutr. got. þamma (mm
< germ. zm < idg. sm; de -a uit -ē:
vgl. de instrument. neutr. þē en zie § 99); verder de
gen. dat. sg. fem. en de gen. pl. comm. gen. þizōs, þizai,
þizē, þizō (z uit idg. s). - De nom.
sg. masc. got. sa heeft geen -s (tegenover b.v. got.
dags), maar vgl. daartegenover de andere pron. is, as. Jonger
is hgd. der.
Terwijl oorspronkelijk geen afzonderlijke vorm voor het lidwoord
aanwezig was, ontwikkelde zich in 't Germaans - als in andere talen - uit het
demonstratief door verzwakking van de deixis het bepaalde artikel, op
soortgelijke wijze als b.v. fra. le uit lt. ille
‘die’ ontstaan is. In 't Gotisch is să eigenlijk nog
een anaforisch pronomen, maar het is daar reeds zo verzwakt, dat het, als het
nodig is, ook de rol van 't Griekse artikel kan overnemen. In verschillende
wgm. talen, ook in het ndl. (anders in 't hgd.) differentiëerde het
demonstratief zich, waarbij dan als de zwakke vormen de, 't naast
die, dat ontstonden. Toen de substantieven flexie en genus verloren, nam
het lidwoord die functies over, en toen ook hiervan de vormen verschrompelden,
bleef het in onze taal belangrijk ter aanduiding van verschillende fijne
onderscheidingen.
In 't mnl. is de scheiding tussen de en die nog minder
scherp dan tegenwoordig; trouwens de lagere omgangstaal kent nog die:
dat als lidwoord. In het neutr. kent het mnl. dat (en bij het
demonstr. een [minder beschaafd] emfatisch datte: § 110 Opm. 1),
proclitisch t en verzacht d (b.v. tkint, dwater). Daar de
proclitische vorm, uiteraard voor het lidwoord gebruikt, meest 't (
t) luidde, viel die samen met 't (
t) uit het (pron. pers.); vandaar
[p. 146]
dat men nu - en reeds een enkele keer in 't mnl. - op 't papier en als
spelling-pronunciation het als de volle vorm van 't onz. lidwoord heeft.
Zoals reeds
H. Kern opmerkte: het lidwoord het is
‘in de boeken en op de kansel geboren.’ Overigens is in 't mnl. de
invloed opmerkelijk, die van de nominatieven uitgaat, waardoor de ie in
de casus obliqui dringt, b.v. gen. sg. masc. neutr. dies (naast
oorspronkelijk, maar verouderd dis, des; in 't neutr. ook das
onder invloed van dat); zelden diens (met n van de acc.
sg. masc. > nominatief, waarachter dan de genitief-s werd
gevoegd).
Opm. 1. Een genitief als des, das kan in bepaald syntactisch
verband tot nominatief worden; vgl. de uit partitieve genitieven ontstane
vormen nndl. moois, lekkers, praats, goeds, nieuws. Vermoedelijk hierbij
ook (n)iets (§ 123), zulks en alles; indien
dit laatste echter uit 't hgd. is overgenomen, is het niet een oorspronkelijke
genitief, maar beantwoordt het aan got. allata, mnl. allet
(§ 125).
In de acc. en dat. sg. masc. dringt reeds in 't mnl. vaak de vorm
die (in plaats van dien) in; men heeft hier vooral aan invloed
van 't relatief partikel die (§ 122) te denken, dat in alle casus
werd gebruikt. Zodoende komt er hoe langer hoe meer overeenkomst tussen
mannelijk en vrouwelijk in verschillende casus; de, deze en de
adjectieven volgen het voorbeeld van die; daarbij komt de omschrijving
vooral van de gen. door van, en zo verdwijnen tenslotte alle uitgangen.
Men heeft dus bij deze apocope van de n een analogisch, niet of althans
niet alleen een fonetisch proces dat op één lijn staat met de
apocope van de n in lope e. dgl. (§ 93); hier immers
verdwijnt de n na e in ongeaccentueerde syllabe; bij het pronomen
daarentegen betreft het monosyllaba die soms geaccentueerd waren. Vandaar dat
de -n van het pronomen ook verdwijnt op dat deel van het taalgebied,
waar de fonetische apocope van de -n niet voorkomt.
Opm. 2. Geïsoleerde verbogen vormen vindt men b.v. in: wat
dies meer zij, deskundig, diensvolgens, dientengevolge, van dien aard dat;
indien (vgw.). Vaak heeft men versmelting met de voorafgaande
praepositie: ten, ter (dan ook secundair in b.v. ten mijnen
huize, mnl. ten sinen castele). In plaatsnamen werd de locatieve
datief vaak de algemeen gebruikelijke vorm, b.v. Den Haag,
Ter Apel, R-ijssel.
Naast de instrumentalis got. þē stond in 't owgm.
een instrumentalis os. thiu = mnl. die, de (zwakbetoond), b.v.
mnl. die mere, de minder, de bet. Onder invloed van verbindingen als
dieste en onder invloed van te (verzwakte vorm van owgm.
tō > ndl. toe) ontstond hieruit te: te bet, te
hoghere; vgl. nog deste, niette- (§ 47), en ook hgd.
destobesser, eng. the more the better. Een andere vorm van de
instrumentalis is bewaard in mnl. doe, thans toen (§ 47 Opm.
2) met verzwaring in de auslaut (vgl. hgd. nun; misschien ook invloed
van dan), in de gewone omgangstaal nog veelal toe.
[p. 147]
Een instrumentalis, die in oorsprong waarschijnlijk een locatief was, got.
þei (vgw.), is (als i) bewaard in mnl. be-di (en
be-die: andere schrijfwijze of invloed van die [ghelike]);
evenzo in 't interrogatieve t-wi.
Opm. 3. Het minder beklemtoonde aanwijzend voornaamwoord die
kreeg ook nog een andere functie, doordat het enclitisch als persoonlijk
voornaamwoord van de 3de persoon werd gebruikt (§ 117).
Een met selve verzwaarde vorm mnl. dieselve, oudnndl.
dezelve, waarvan de bijvorm dezelfde na de middeleeuwen een
afzonderlijk bestaan is gaan leiden, heeft een bloeitijd beleefd in de
kerkelijke en ambtelijke taal van de 17de eeuw en vooral van de 18de eeuw, maar
na een heftige bestrijding door
Bilderdijk heeft dit pronomen het in de 19de eeuw
afgelegd.
Andere demonstratieven zijn: a. gēne (geune:
§ 43) en met afwijkende voc. got. jains (j - g: § 84);
vgl. ook ginds (oorspr. bijwoord, mnl. ghens) en degene;
in 't mnl. nog soms de neutrale vorm ghent, ghunt (dialectisch nog
gunt) (§ 125);
b. dēze, dat waarschijnlijk door samenstelling van 't
boven besproken demonstrativum (ndl. de) met het partikel got.
sai ontstaan is; in 't got. komt het woord nog niet voor. Hierbij het
neutr. dit (ditte: § 110 Opm. 1).
Opm. 4. Vgl. voor de-ze vormen als die-daar, afrik.
hier-di, en this here house in moderne Engelse dialecten.
c. got. sah uit sa + uh, voor het ndl. van geen
belang.
Vragend voornaamwoord
121. Bij het interrogativum ontwikkelden
zich eerst laat een femininum en een pluralis; zo kent het got. nog geen
verschillende vormen voor het getal. De stam van het pronomen idg.
kvŏ- (vgl. lt. quod; naast quis, quid met
idg. ĭ), germ. hwa-, vertoont ablaut (idg. ŏ - ĕ);
vgl. got. as: is (gen.); ndl. welk: got.
ileiks, eig. = ‘hoe-danig’. De ndl. vormen wie
enz. hebben sterk de invloed van 't demonstrat. die ondergaan, en,
evenals bij die, dringt de ie-vorm in de casus obliqui vanuit de
nominatief door: g. sg. masc. wes (nog bewaard in weshalve) wordt
verdrongen door mnl. wies en dan door wiens, dat bij Bredero
reeds normaal is; thans is de gewone vorm wie z'n (d'r). Een
vragend voornaamwoord got. aþar ‘wie van beiden’
komt in 't ndl. niet voor; wel een daarmee ablautend mnl. weder, dat in
't mnl. als pronomen zeldzaam is, maar zeer gewoon als correlatief voegwoord
(weder....so); vgl. eng. whether, hgd. (ent)weder.
Als indefinitum is weder bewaard in ieder (§ 123).
Opm. Zie voor de instr. got. ē § 99 en 120,
voor t-wi § 120; een andere oude instrumentalis is bewaard in
hoe (§ 53). Zie voor watte § 110 Opm. 1.
[p. 148]
Betrekkelijk voornaamwoord
*
122. Een afzonderlijk pronomen voor het
aanduiden van de relatieve betrekking bestond oorspronkelijk niet. In 't got.
heeft zich echter reeds een aanduiding ontwikkeld door -ei achter het
demonstratief (of pron. pers.) te voegen, b.v. sa-ei (ik-ei). In
't owgm. en dienovereenkomstig in 't mnl. gebruikt men het demonstratief of
deels ook het interrogatief, voorzover men een pronomen ervoor gebruikt;
daarnaast bestond een relatief-partikel die, dat in alle
functies gebruikt kon worden. Ook in 't nndl. wisselen de d- en
w-vormen met elkaar af.
Het gebruik van welk (mnl. welc) als relatief berust
op navolging van 't lat. in de kanselarij-taal; voor dewelke (mnl.
diewelcke) moet men aan fra. invloed denken (lequel). Vandaar dat
het gebruik ervan zich vooral tot de geschreven taal - en ook daar tegenwoordig
afnemend - bepaalt.
Opm. Uit het ndl. drong dit gebruik van welk in het ndd. en
vandaar in 't hgd., waar het even stijf bleef klinken als in onze taal.
Onbepaald voornaamwoord
*
123. Uit het interrogativum ontwikkelde zich
waarschijnlijk het indefinitum, dat in zoverre in betekenis er mee
overeenstemde, dat beide groepen op iets onbekends wijzen; alleen onderscheidde
het indefinitum zich dan door zwakke toon van het interrogativum (met zijn hoge
vraagtoon). Zo kon in 't lat. quis, quid op beide manieren gebruikt
worden, in 't got. as, in 't hgd. nog wer (es hat wer
geklopft), in 't ndl. nog wat. Maar al spoedig kwamen daarnaast
versterkte vormen in gebruik, b.v. got. az-uh ‘ieder’; in
't wgm. (ndl.) in 't bijzonder vormen met vóórgevoegd ie
(§ 54 Opm. 2); b.v. ndl. (n)iemand (mnl. ook nog
(n)ie-man, en, vermoedelijk gelijkbetekenend met niemand,
mnl. oudnndl. ghiemant met g uit nig als in geen:
§ 129), een iegelijk. Daarbij leidt het zwakke accent tot sterke
verkorting, b.v. (n)iet-s (<(n)ie +
wicht, got. waíhts ‘ding’; vgl. eng.
nothing); zie voor de s § 120 Opm. 1, voor de vorm
niks § 81; de cht is nog bewaard in wvla. nichtemeer.
Voorts ieder (<ie + mnl. weder: § 121). Een derde
middel bestaat in het gebruik van afzonderlijke woorden, b.v. got. sums;
ndl. men (§ 108 Opm. 2), alleen als subject in gebruik; een
(ook in iedereen) en geen (§ 129) e.a. Bij een treft
men de emfatische vorm ene ‘een zekere’ aan, in sommige
streken van ons land vóór mannelijke en vrouwelijke persoonsnamen
gebruikt, b.v. bij
Van Effen
Eene Willem Perry; men vindt het reeds in 't
oudere mnl. Misschien is deze -e van dialectische (zuidelijke)
oorsprong: ontstaan uit enen, dat inderdaad in deze betekenis ook
voorkomt; daartegen echter pleit, dat ene in de eerste plaats Hollands
is. Ook pers. vnw. worden vaak als indefinita gebruikt (we, en vooral
je).
Opm. Voor het onbep. vnw. men § 108.
[p. 149]
II. De adjectiva
*
124. De verbuiging van de bvnw. is in
sterke mate onderhevig geweest aan congruentie. Terwijl aanvankelijk de adj.
vermoedelijk onverbogen waren, namen ze reeds in 't idg. de flexie van de znw.
aan; zo is dan ook in 't algemeen de toestand in 't lt., b.v. bonus - bona -
bonum = hortus - mensa - bellum. In 't oergerm. echter ondergingen ze de
invloed van de pronomina, vooral daar een bepaalde groep, die van de
pronominale adjectieven (al, ander enz.), tussen beide categorieën
in stond. Tengevolge daarvan ontstond een gemengde flexie; men kreeg dus
naamvalsuitgangen, die gelijk waren aan die van znw., en andere, die gelijk
werden aan die van de vnw. (aanw. vnw.). Terwijl nu de adjectieven aldus zich
in de flexie min of meer van de substantieven isoleerden, was een nieuwe flexie
ontstaan, doordat adjectieven in zwak verbogen substantieven konden overgaan en
de vorm daarvan konden aannemen (vgl. b.v. hgd. der Blinde, der blinde
Mann: ein blinder Mann). Bij die zwakke verbuiging, welke in
substantivisch gebruik en na het bepaalde artikel voorkwam, vindt men in 't
mnl. een nieuw gedeeltelijk verloop naar de pronominale flexie van 't
voorafgaande woord; immers terwijl de klankwettige vorm dezelfde zijn als die
van het znw., vindt men naast die vormen in de gen. sg. masc. neutr. vaak
-s en vooral in de gen. dat. sg. fem. en de gen. pl. comm. gen.
-er en bijna altijd in de nom. acc. pl. comm. gen. -e (des
goets mans, der goeder vrouwen naast des goeden mans en een vrij
zeldzaam der goeden vrouwen; zo goed als altijd die goede
mannen), waardoor deze vormen gelijk worden aan die van de sterke flexie
(§ 125).
Opm. 1. Ook in andere talen vindt men soortgelijke
verschijnselen. Zo is in 't lt. in de nom. pl. masc. de pronominale uitgang
idg. -o
(§ 120) = lt. -ī niet alleen bij 't
adj., maar zelfs bij 't subst. ingedrongen (bonī
hortī).
Opm. 2. Het gesubstantiveerde adjectief kon geheel en al tot
zwakverbogen znw. worden, waarbij dan de -
geapocopeerd kon worden. Een oud voorbeeld daarvan is
mens < owgm. menniskŏ, bij got. mannisks
‘menselijk’; voorts de oorspronkelijke comparatieven heer
< owgm. hērĭrŏ (volgens de syncopewet van
Sievers: § 92; bij 't adj. mnl. heer, bewaard in
heer-lijk, hgd. hehr) en de plur. ouders (oorspronkelijk
ouderen); de oorspronkelijke superlatief vorst (bij voor);
vgl. ook jongen (§ 107). Het kon ook de sterke vorm aannemen; vgl.
reeds got. aigin (neutr.) ‘eigendom’; mnl. een sot
(naast een sotte); (sonder) valsc enz.; bij Vondel de
heilig e.a.; nndl. (met verschil in graad van isolering) vrek, zot, gek,
dwaas, zonderling, groen (m.), arm en rijk, oud en jong,
(lijf)eigen, gulden; jong (van een dier),
groen (n.), grauw, wild, (doel)wit, ('t)
vuil, (lief en) leed, recht, ('t algemeen)
beschaafd, 't Duits, 't rood, 't kwaad en 't goed; verkleinwoorden als
grootje, oudje, grauwtje, geeltje, blauwtje, koeltje, nieuwtje, halfje;
familienamen als Klein, De Wit, De Zwart, De Bruin, De Groot, De Mooy, De
Wijs, Dedel (< D'edel), naast De Goede, De Bruine, Groote
enz. Zie voor moois enz. § 120 Opm. 1.
[p. 150]
De verdere geschiedenis is die van 't verlies van de
buigingsuitgangen, 't eerst bij predicatief gebruik, bevorderd doordat de nom.
sg. klank-wettig in 't owgm. z'n uitgang verloren had (maar in 't got. wel
verbuiging, b.v. sadai waúrþun). Voor het ndl. geldt het
bij de pronomina opgemerkte (§ 120); thans is alleen de -
bewaard, terwijl in 't eng. zelfs alle flexie
verdwenen is. Deze vasthoudendheid van de -e, die niet ten offer viel
aan de apocope (§ 93) en ook in de sterke flexie doordrong (§ 125),
heeft men wel verklaard uit invloed van de objectvorm, waarin -
n geapocopeerd werd tot -
(§ 93).
Men onderscheidt in 't ogm. ă- (jă-,
wă), ĭ- en ŭ-st., evenals bij de
znw.
*
125. De sterke flexie van de
ă-stammen
Zeer duidelijk is de gemengde substantivisch-pronominale flexie in
't got. bewaard, zie het overzicht bij b.v. Braune (§ 123) of
Streitberg G.E. (§ 180) en vgl. § 120 voor
blindaizōs, blindaizō;. De got. dat. sg. fem. blindai
is in plaats van de ogm. pronominale vorm (os. blindaro) gekomen,
evenals in 't os. de dat. pl. blindun tot de substantivische flexie is
teruggekeerd (tegenover got. blindaim). De dubbele vormen van de nom.
ace. sg. neutr. got. blind en blindata vindt men nog in 't hgd.
(gut en gutes).
Wat onze taal betreft, is de reflex van got. blindata
bewaard in mnl. allet (bij al), ghent, ghunt (nog
dialectisch gunt), een enkele keer nuut ‘nieuw’.
Voorts kennen de zuidelijke dialecten nog allerlei resten ervan, b.v. zuidbrab.
blāt ‘blauw’ (b.v. een blāt kleed);
zuidlimburgs sjoont ‘schoon’ e.a. Zeer verbreid is, vooral
in praedicatief gebruik, nieuwt (= got. niujata) (a. 1671
zuidbrab. nieuwt gemetst huys), niet alleen in 't Vlaams en Zuidbrab.,
maar ook in verschillende dialecten van 't noorden, in 't bijzonder op de
Veluwe, ook echter b.v. in 't Katwijks (nieuwt, nauwt). Naast
nieuwt komt ook voor overnieuwt. De grote verbreiding van deze
vormen bij dit woord is vermoedelijk toe te schrijven aan invloed van
oud; men lette in 't bijzonder op dial. nout.
In 't mnl. vindt men de volgende flexie:
| |
masc. |
femin. |
neutr. |
| Sg. |
nom. blint, blinde |
blinde, blint |
blint, blinde |
| |
gen. blind(e)s |
blind(e)re, blinder |
blind(e)s |
| |
dat. blinden
1) |
blind(e)re, blinder |
blinden |
| |
acc. blinden |
blinde, blint |
blint, blinde |
| |
comm. gen. |
|
|
|
1) Het vetgedrukte duidt de in oorsprong
pronominale vormen aan.
|
[p. 151]
| |
comm. gen. |
|
|
| Pl. |
nom. blinde |
|
|
| |
gen. blinder(e), blindre |
|
|
| |
dat. blinden |
|
|
| |
acc. blinde. |
|
|
| Sg. nom. |
masc. Deze had oorspronkelijk geen uitgang, maar meermalen
kreeg hij in 't mnl. -e door allerlei analogiewerkingen, zowel naar de
zwakke flexie als naar de jă- en wă-stammen en de
participia praesentia (§ 135 b 1). Zo ontstond naast wijt wide
onder invloed van 't synonieme side en van 't contrasterende
enghe; naast hoech hoghe onder invloed van laghe en
droghe. Ook heeft men bij praedicatief gebruik rekening te houden met
invloed van adverbia op -e (wonderlike es sijn doen enz.: §
164). Toch heeft de analogie de oorspronkelijke verhoudingen in mnl. nog niet
geheel verstoord: zo is bij de a-stammen het ontbreken van een uitgang
nog regel. In de 17de eeuw heeft de -e al verder terrein gewonnen, maar
toch is b.v. bij
Vondel de oorspronkelijke vorm nog meermalen
bewaard, vooral bij persoonsnamen, b.v. groot ridder, een recht
bedrieger. In de tegenwoordige taal heeft men gewoonlijk -e, behalve
in bepaalde gevallen (vooral bij nomina agentis), waarbij ritmische factoren
dan vaak van invloed zijn; b.v. een groot veldheer, een goed onderwijzer,
een Luthers predikant (maar: een Lutherse dominee), een
verstandig man (maar: een verstandige jongen). Vgl. ook § 124
Opm. 2. |
| |
|
| nom. |
fem. Oorspronkelijk geen uitgang in 't onfrk., maar in 't
mnl. gewoonlijk -e onder invloed van de zwakke flexie, de accusatief en
de substantieven; omgekeerd in de acc. fem. soms geen uitgang door de
nominatief. |
| |
|
| nom. |
acc. neutr. Oorspronkelijk geen uitgang, maar vaak -e
onder invloed van de zwakke flexie. Omgekeerd soms bij de zwakke flexie verlies
van de -e. |
| |
|
| gen. |
masc. neutr. Nog in geïsoleerde vormen als
goedsmoeds, blootshoofds; vgl. ook moois e.a. (§ 120 Opm.
1). Een zwakke gen. op -en, nog zeldzaam in 't mnl., in b.v.
grotendeels, vol zoeten wijns. |
| |
|
| dat. |
masc. neutr. Resten in: met voorbedachten rade, in arren
moede enz. |
[p. 152]
| gen. |
dat. fem. Vgl. nog: zaliger enz.; te gelegener
tijd enz. In vormen als ternauwernood is de r van
nauwer proleptisch toegevoegd aan te, terwijl omgekeerd in de
taal van de 16de en 17de eeuw meermalen de r van 't adjectief in die
gevallen als overbodig wordt afgeworpen, b.v. ter naauwe noodt (
Hooft), ter rechte hant, ter goede ure. In
namen is de datief (locatief) soms tot de vaste vorm geworden, b.v.
Heiligerlee, Nieuwersluis; vermoedelijk behoort hierbij ook
Sinterklaas. Hetzelfde geschiedde in enkele andere vaste verbindingen,
b.v. middernacht, linker- en rechterhand. Vgl. § 151 Opm. 1. |
| |
|
| acc. |
masc. Soms geen uitgang onder invloed van de nominatief. |
| |
|
| Pl. nom. |
acc. In 't neutr. oorspronkelijk geen uitgang; soms zo nog in
't mnl. en dan ook wel eens analogisch in 't masc. en fem. (stom dieren,
swaer sonden enz.). |
| |
|
| gen. |
Rest in aller-(beste enz., -wegen, -hande,
-lei, -heiligen, -zielen). |
Van de sterke flexie verschilt in 't mnl. de normale zwakke flexie
nog min of meer in de nom. sg. masc. en de nom. acc. sg. fem. neutr., doordat
hier de vormen met -e regel zijn; zie verder § 124.
Opm. Een instrumentalis (owgm. -u) is bewaard in enkele
mnl. uitdrukkingen (vooral bij participia), b.v. beslotene grave, bi levende
live.
126. De jă-st. (got.
midjis, wilþeis) verschillen van de ă-st. in 't mnl.
alleen nog in de nom. sg., die -e heeft: rike enz.; vgl. nog
blij(de), blo(de), moe(de); ook de
ĭ;- en ŭ-st. (got. hrains, hardus) zijn
meest hierheen, soms ook naar de ă-st. verlopen. Onder invloed van
die ă-st. komen dan in al deze categorieën ook vormen zonder
-e voor; zie voor de verdeling ervan bij de verschillende adjectieven
Franck § 196. De umlaut, die in 't hgd.
veel voorkomt, is in 't ndl. tot enkele gevallen beperkt; vgl. hgd.
blöde, böse, müde, schnöde, träge; dünn,
grün, schwer, schön; ndl. streng, eng, dun e.a. Zie voor
de wă-stammen-(gele: geluw enz.) § 54 v.
127. De trappen van
vergelijking
In 't got. heeft de zwak verbogen comparatief -iz-, bij de
ă-stammen soms -ōz- de sterk èn zwak verbogen
superlatief -ist-, bij de ă-stammen soms
-ōst-; b.v. managiza, managists (bij manags);
frōdōza, frōdōsts (bij
frōþs). Hieraan beantwoordt mnl. -(e)re
(-er), -(e)st, beide met sterke en zwakke flexie. De
umlaut, die op een oude vorm met -i- zou wijzen, vindt men in beter -
best (< *betst, met assimilatie van de t) (got.
bătiza-bătists), die als suppletieve vormen bij goed
dienst doen en als zodanig dus geen
[p. 153]
invloed van de positief
konden ondervinden. Vgl. ook lest (< *letst) naast later -
laatst.
Opm. 1. Geïsoleerde comparatieven en superlatieven zijn
ouders, heer; vorst (§ 124 Opm. 2).
Opm. 2. Zie voor de adverbia § 194.
III. De numeralia
*
128. In de vorming van de telwoorden vindt
men in 't germ. (en deels in 't idg.) opmerkelijke veranderingen na 12 en 60.
Terwijl elf en twaalf (got. ain-lif en twa-lif)
samenstellingen met een en twee zijn (got. -lif zou
betekenen ‘overschietend’, verwant met blijven, got.
bileiban), worden de volgende telwoorden door samenstellingen met
tien gevormd (der-tien, veer-tien = got.
fidwōr-taihun enz.). Twintig tot zestig zijn in 't
got. gevormd met *tĭgus ‘tiental’ (twai
tigjus enz.), de volgende met -tēhund (sibun -
tēhund enz.); een soortgelijk verschil in 't owgm.: zo in 't os.,
waar de telwoorden van 70 af door voorvoeging van ant- worden gevormd
(antsibunta enz., en in 't mnl., waar een rest van dit ant-
bewaard is in tseventich, tachtich, tnegentich (met een analogisch
-tich), ook ingedrongen in tsestich: nog sestig, seventig
(gespeld met z), tachtig, en dial. tnegentig; nu ook
feertig fijftig (gespeld met v). Het zijn resten van een
twaalftallig stelsel; andere resten daarvan zijn hgd. Grosshundert en
eng. long hundred (beide = 120), ndl. schok (= 60-tal).
Opm. 1. Zie voor twaalf de aantekeningen bij §
39.
Opm. 2. Os. ant- is verzwakt uit hund in de (aan
honderd verwante) betekenis ‘tiental’; voorvoeging van
hund hoort thuis in het ingvaeoons. - Sommigen denken bij de ndl. vormen
aan invloed van end(e); men krijgt dan een gelijke verklaring van
40-90 en beroept zich op de meerderheid van de getallen 71, 72 .... 79
tegenover 't enkele 70; bovendien zou 't verschijnsel juist zo duidelijk zijn
in de niet-Saksische streken. Maar ent < ende is zeldzaam
(mnl. entie e.a.; vgl. ook ndl. opentop); ende
*achtig kon niet en tachtig worden; juist bij 40 en 50, die een
analogische f hebben, zeggen velen een en veertich enz. (met
v); bovendien zou men dertig op gewrongen wijze door haplologie
uit ende dertig moeten verklaren. Voorts is de zgn. meerderheid van 71
enz. maar schijn, daar ze veel minder in gebruik zijn dan 70 enz.
Tachtich en tnegentich zijn zeker ook goed Saksisch; in de
Graafschap, waar s en z duidelijker onderscheiden worden dan in
't noorden, zegt men ook sestich, soventich, tach(en)tich,
tnegentich, volgens Gallée ook fiftich,
maar nog veertich.
Opm. 3. Naast tachtig (mnl. ook nog achtich) vindt
men tachentig < tachtentig (mnl. tachtentich,
achtentich, naast tachentig). Deze vorm, die onder invloed van
zeventig en negentig is ontstaan, geldt nu voor minder beschaafd,
in tegenstelling met vroeger.
De telwoorden worden adjektivisch gebruikt. Oorspronkelijk hebben
echter de hogere getallen de functie van een substantief; in 't got. in de
[p. 154]
regel niet alleen *hund en þūsundi,
maar ook de decadennamen (tigus, -tēhund); dus b.v.
skattē fimf hunda. In 't got. onderscheidt men alleen bij ains,
twai, *þreis de drie genera; 3-19 gaan, voorzover verbogen,
naar de i-st., welke flexie in elk geval bij *þreis
oorspronkelijk is; 20-60 (tigjus) naar de u-st.; 70-100 zijn
onverbuigbaar. De mnl. vormen zijn, voorzover verbogen, in de regel die, welke
men verwacht. In verbinding met het pron. personale komt in 't mnl. de datief
veelvuldig voor: hem tween, ons vieren; ook met hem tween, met ons
vieren, dit zowel in de oorspronkelijke betekenis van ‘met twee, vier
anderen’ als in die van ‘in totaal twee, vier personen’. Door
opvatting van het pron. personale als bezittel. vnw. zegt men thans ook: met
z'n (twee)ën, ook bij b.v. een meervoudig onderwerp in
de eerste persoon, b.v. Wij gingen met z'n (twee)ën
naast met ons (twee)ën. De vorm tweeën
vindt men ook in bij tweeën, in tweeën, waarbij
tweeën in de plaats van tween is getreden onder invloed van
de pluralisuitgang van andere telwoorden (vieren) en van de substantiva
(in tweeën = in twee stukken). Op soortgelijke wijze ging de mnl.
genitief tweer over in tweeër - in b.v.
tweeërlei. In wij tweeën veroorzaakte het meervoudig
begrip de toevoeging van een meervoudsuitgang.
*
129. De afzonderlijke telwoorden:
cardinalia
| got. |
ains, ndl. één < idg.
*o
nos (lt. ūnus: § 10). In de
jongere germ. talen in verzwakte vorm (ndl.
n, 'n) tevens als onbepaald lidwoord
gebruikt (vgl. fra. un). Een samenstelling met dit een is
geen < mnl. engheen, negheen, dat, hoewel ontstaan uit
*nih + *aina-, werd gevoeld als een samenstelling met ne
(vandaar dan ook en), welk ne verdween als overal. |
| |
|
| got. |
twai, maar owgm. (os.) twēne, neutr.
twē. In 't ndl. is de oorspr. neutrale vorm twee algemeen
gebruikelijk geworden (maar twēne in twin-tig). Vgl. lt.
duo. Naast twee got. bai, ndl. bei-de. |
| |
|
| got. |
þreis, hgd. drei, ndl. dial. (brab.)
drij (vgl. fri. trije); maar alg. ndl. drie, oorspr. de
vorm van 't femin. (ohd. drîo); idg. *tre
es, lt. trēs. |
| |
|
| got. |
fidwōr, maar wgm. ndl. vier en met andere
afwijking lt. quattuor. In de anlaut wisselen idg. kv
en p, in de inlaut idg. tw en kv (> germ.
hv > γv > w, u en zo
ndl. vier). |
| |
|
| got. |
fimf, ndl. vijf (§ 29 b), maar lt.
quinque. In de anlaut idg. p, in de inlaut idg.
kv, maar dan afstandsassimilatie (in 't germ. ten gunste van
de f, waarbij dan tevens de n tot m werd; in 't lt. ten
gunste van de qu). |
[p. 155]
| got. |
saíhs, ndl. zes = lt. sex. |
| |
|
| got. |
sibun, ndl. zeven: de idg. t (vgl. lt.
septem) is verloren gegaan onder invloed van 't ordinale, waar hij door
dissimilatie (de uitgang was -to-: § 130) verdween. |
| |
|
| got. |
ahtáu, ndl. acht; vgl. lt. octo.
Dualis-uitgang als in lt. duo; de oorspronkelijke betekenis moet dus
‘tweemaal vier’ zijn geweest. |
| |
|
| got. |
niun, hgd. neun, maar in 't ndl., met g
uit w, negen. Vgl. lt. novem. |
| |
|
| got. |
taíhun, ndl. tien = lt. decem.
Hierbij (volgens de wet van Verner) got. tigus, ndl. -tig. |
| |
|
| got. |
*hund (als pl. twa hunda enz., anders
taíhuntaíhund, - tēhund), maar in 't owgm. een
samenstelling hiermee: ndl. honderd uit *hunda + raða,
d.i. ‘honderd-getal’ (vgl. got. răþjō
‘getal’). Vgl. lt. centum. |
| |
|
| got. |
þūsundi, ndl. duizend; dialectisch
nog verder verkort tot duust (vgl. deugd, jeugd; mnl.
doghe[n]t, joghet; hgd. Tugend, Jugend). Daarnaast
mnl. dusentech (invloed van twintig enz.). |
Opm. Got. *hund, idg. *k
tó-m, is waarschijnlijk ontstaan uit idg.
*dk
tó-m bij *dék
t = got. taíhun; een samenstelling met
dit hund is vermoedelijk got. þūsund uit
*þūs-hund-i ‘sterke honderd’. - Het simplex
hond is in 't ndl. nog bewaard als vlakte- en inhoudsmaat, in de
samenstelling hondgeld en in plaatsnamen (b.v. Vijfhondje,
Elfhond, misschien ook Hondsbos).
*
130. De ordinalia, in 't
germ. over 't algemeen als zwakke adjectieven verbogen, zijn meest door 't
suffix idg. -tĕ / tŏ- van de cardinalia gevormd; vgl. b.v.
lt. quartus, sextus; got. saíhsta, ahtuda, niunda; ndl.
vierde, zevende, negende (en onder invloed van deze ook vijfde,
zesde i.p.v. mnl. vijfte, seste, zoals omgekeerd naar eerste,
twintigste enz. ontstond mnl. en nog vla. tienste). Daarnaast in 't
wgm. andere superlatief-vormingen op -ste, vooral vanaf 20 (ook
achtste, mnl. sevenste). Aan lt. tertius (idg. -t
ŏ;-) beantwoordt in vorming got.
þridja, ndl. derde. Een eigen vorming hebben echter
eerste en ander (got. anþar, een comparativische
formatie: het is in 't ndl. als telwoord nog bewaard in anderhalf),
waarnaast tweede een jongere formatie is. Voor eerste (eig. de
superlatief van eer, got. áír ‘vroeg’)
vindt men in 't got. frŭma en frŭmists, verwant met
lt. pro ‘voor’; dus eig. = ‘de voorste’,
waarnaast lt. secundus ‘tweede’ als ‘de
volgende’ staat. Got. fruma = mnl. vorme-, bewaard in
vorme-cnie ‘volle neef’ (broers- of zusterskind), waarin
cnie, evenals in evenknie, de verwantschap uitdrukt.
|