[p. 156]
Zesde hoofdstuk De verba
Van het verbum geldt hetzelfde, dat boven van het nomen is opgemerkt
(§ 95). Van de verschillende vormcategorieën verschrompelden genus,
modus, persoonsvormen. Echter bleef het tempus in stand, maar naast het oude
praeteritum (imperfectum) ontstond door verbinding van hulpwerkwoorden met het
participium het perfectum. Voor het tegenwoordig taalgevoel behoren bijeen
praesens en infinitief, die zich nauw aansluiten bij de stam van het werkwoord,
en anderzijds praeteritum (waarin singularis en pluralis elkaar genaderd zijn)
en participium.
*
131. Genus. De term
genus ‘geslacht’ hoort bij het nomen thuis, wordt echter bij
het verbum ook gebruikt tot aanduiding van de richting, waarin de handeling
gaat: genus activum, genus medium en genus passivum = actief,
medium en passief. Het idg. had afzonderlijke uitdrukkingswijzen voor het
actief en het medium (zo genoemd, omdat het het midden heette te houden tussen
actief en passief), d.i. het genus dat aanduidt, dat de handeling in de sfeer
van 't subject plaats heeft, b.v. lt. sequor (deponens, d.w.z.
verschijnt alleen in mediale vorm), eig. = ‘ik houd mij aan
iemand’, dan, met begrijpelijke overgang van betekenis ‘ik
volg’. Daar de mediale betekenis vaak dicht bij die van 't passief staat
(vgl. zich verspreiden, zich kenmerken = verspreid, gekenmerkt worden),
kon het medium ook voor het passief gebruikt worden, en voorzover het in 't
ogm. (got.) bewaard is, heeft dit zgn. mediopassivum dan ook die
betekenis aangenomen; got. nimada = ‘ik, hij word(t)
genomen’. Het is mogelijk, dat in 't ndl. bij heten in de zin van
‘genoemd worden’ hiervan resten bewaard zijn: mnl. zw. praeteritum
hi hetede, hete ‘nominatus erat, droeg de naam’. Overigens
wordt in 't germ. het passief omschreven; zo reeds in 't got. door de hulpw.w.
waírþan en, vaak met een klein verschil van betekenis,
wisan (daupiþs warþ of ist naast
daupjada). Het mediaal begrip wordt in 't germ. omschreven door 't pron.
pers. en voor de 3de pers. door een afzonderlijk pronomen, al dekken beide
categorieën elkaar niet geheel.
*
132. Modus. De modus
‘wijze’ drukt uit de geesteshouding van de spreker ten opzichte van
het door het verbum gezegde. Het idg. kende de indicatief die aanduidt dat iets
gebeurt of niet, voorts de imperatief of bevelmodus, de conjunctief of
wilmodus, en de optatief of wensmodus.
[p. 157]
Doordat het onderscheid
tussen de twee laatstgenoemde wijzen weinig scherp was, nam in 't ogm. de
optatief beide functies over en ging de conjunctief formeel verloren. De
imperatief stond oorspronkelijk alleen in positieve zinnen, dus bij gebod (niet
bij verbod); in negatieve zinnen gebruikte men de conjunctief. Een rest van
deze toestand vindt men vermoedelijk bewaard in got. ōgs, imperat.
2 sg., maar oorspr. een oude conjunctief, die hier juist overgebleven is,
doordat vrees niet uiteraard veel meer voorkomt dan vrees; vgl.
voor de uitgang lt. agā-s (praes. conj. 2 sg. bij ago). In
't jonger ndl. is de optatief op enkele resten na verloren gegaan, doordat
omschrijvingen met hulpwoorden er voor in de plaats getreden zijn; ook bij de
imperatief zijn dergelijke omschrijvingen zeer gewoon.
*
133. Aspect en Tempus. Het idg.
kende een praesens (dit is voor 't tijdsbegrip geen geschikte term), en een
praeteritum, dat in sommige dialecten gevormd werd door voorvoeging van het
zgn. augment e- (oorspronkelijk een bijwoord van tijd). Daarnaast had
het idg. uitdrukkingsmiddelen voor de wijze waarop de handeling plaats heeft,
het aspect; deze vindt men b.v. nog in de slavische talen en in
het griekse praesens (= de handeling in haar verloop), in de aorist (= de
handeling zonder meer), in het perfectum (= de afgelopen handeling). Belangrijk
voor het Germaans werden het perfectum en de aorist: in het idg. duidde het
perfectum de toestand aan die in het tegenwoordige is bereikt als gevolg van
een handeling in het verleden, de aorist duidde het momentane aan. Maar bij de
ontwikkeling, naast het aspect van het tijdsbegrip werd in het perfectum het
zwaartepunt verlegd naar de verleden handeling en de aorist duidde de handeling
aan die op het ogenblik van het spreken binnen het waarnemingsbereik van de
spreker was gebeurd, dus een actueel verleden. Uit perfectum- en aoriststammen
ontstond in 't Germaans een praeteritum, een werkwoordsvorm ter
aanduiding van het verleden. Overigens werden en worden de tijden uitgedrukt
door middel van hulpwoorden, vooral hulpwerkwoorden.
Opm. 1. De geschiedenis van de perifrastische tijden van het
werkwoord wordt hier niet behandeld, daar dit onderwerp in de syntaxis thuis
hoort.
Opm. 2. Het praesens vervult in 't ogm. de rol ook van het futurum:
daarnaast vindt men reeds in 't got. soms omschrijving met skal
e.a.
Opm. 3. De vroegere verklaring die in got. iddja een
overblijfsel zag van een augment (t.w. < e-jāt, vgl. lt.
īre ‘gaan’) wordt thans door velen betwijfeld.
134. Persona en numerus
Het woord persoon is de reflex van lt. persona, dit
echter in de betekenis van ‘(masker), rol’; wanneer de oude
grammatici van drie personae spraken,
[p. 158]
bedoelden ze de rollen,
waarin iemand sprekend kan optreden. Wij onderscheiden drie personen: de
spreker, de aangesprokene en de persoon welke noch spreker noch aangesprokene
is.
Numerus of getal is de enige grammaticale categorie, die 't
verbum met 't nomen gemeen heeft, hoewel de uitdrukkingsmiddelen verschillen en
de betekenis van de pluralis ook niet dezelfde is; immers bij 't w.w. drukt de
pluralis niet de pluraliteit van de handeling uit, maar hij heeft betrekking op
't subject: 't is een kwestie van congruentie. Dualisvormen zijn in 't got. nog
bewaard; overigens vindt men in 't germ. bijna alleen singularis en
pluralis.
*
135. De nominale vormen van het
w.w.
a. De infinitief, in vorming een neutraal nomen actionis,
b.v. idg. *bhéro-no-m got. baíran. Oorspronkelijk
is er dus geen nader verband met het praesens; vandaar dat b.v. naast lt.
căpio (met praesens-versterking i) als infin.
căpĕre (zonder i) staat; maar in 't germ. heeft de
infinitief zich nader bij 't praes. aangesloten: got. hafja:
hafjan. In 't wgm. staat naast de infin. het zgn. gerundium, dat
zich voordoet als een verbogen vorm van de infinitief; vgl. b.v. mnl. te
vaerne, te lesen(e), te singen(e) (dat.); in oorsprong
is het echter een oude jă-stam, welks j geminatie van de
voorafgaande n veroorzaakte; vandaar misschien dat in 't mnl. nog
meermalen nn geschreven wordt (te lesenne enz.). De genitief
(b.v. mnl. mijns gaens nes daer niet) is thans alleen in resten (b.v.
peinzensmoede; vgl. ook tot barstens toe e.a.) bewaard; ook na
substantieven die ‘tijd’ aangeven: een uur gaens (reeds
Van Lennep); nog: een weinig hanteerens der
wapenen (
Potgieter), in veel hoofdbrekens en
geïsoleerd hoofdbrekens, klagens hebben, kijves en brommes
krijgen (vgl. echter § 102). In 't Fries onderscheidt men nog
infinitief en gerundium, doordat na prepositie de vorm met -n staat,
b.v. fiskje, maar to fiskjen.
b. De participia zijn in oorsprong verbale adjectieven. Het
germ. kent:
1. het part. praes. act. in 't idg. gevormd door -nt-, b.v.
lt. vehens, gen. vehentis; germ. -nd-, b.v. got.
sokjands, dat over 't algemeen zwak verbogen wordt (in 't got. alleen
nom. sg. sokjands naast sokjanda); ndl. zoekend (met
apocope) naast zoekende (een ritmische kwestie; vandaar ook bij voorkeur
slaande, ziende, dus in dissyllabische deelwoorden) = os.
sōkiandi (geen zwakke vorm, maar ja-stam). Enkele van deze
participia zijn substantieven geworden (§ 108b).
2. het part. praet. pass., in 't idg. gevormd door nĕ /
nŏ of tĕ / tŏ; het laatste is zeer gewoon in 't
lt. b.v. factus, captus, monĭtus, amātus, delētus.
[p. 159]
In 't germ. heeft differentiëring plaats gehad, doordat de
zwakke werkwoorden participia op -þ (
)- (bij de zw. w.w. van kl. I met voorafgaande voc. ĭ), de sterke werkwoorden die op -n- (met voorafgaande voc.
ă) kregen, b.v. got. nasiþs, numans.
Opm. 1. Bij enkele st. w.w. zijn part. met t bewaard als
adj., b.v. got. hafts ‘behept’ = lt. captus, bij got.
hafjan = lt. capio. Ook andere part. zijn als van het w.w.
geïsoleerde adj. of subst. bewaard, b.v. vol, got. fulls uit
*fulna- (§ 52a) bij lt. plēre ‘vullen’,
vgl. lt. plēnus ‘vol’; got. barn
‘kind’ bij baíran; got. -gaírns (in 't
ndl. alleen als bijw. gaarne), vgl. be-geren; ndl. recht,
got. raíhts, vgl. rekken; ndl. licht ‘niet
donker’ < *leuχta-, vgl. lat. lucēre; ndl.
kind en, met ablaut, got. (himina-)kunds, vgl. lat.
gi-gnĕre ‘voortbrengen’; ndl. dood (maar mnl.
is doot kan nog betekenen ‘is gestorven’), got.
dáu-þs bij diwan ‘sterven’; ndl.
koud, got. kal-ds, vgl. kil en koel (met ablaut);
ndl. luid; zat (met fonetische spelling). Ndl. oud bij
got. alan ‘opgroeien’, vgl. got. alþeis; bij
hetzelfde w.w., maar met n gevormd, ndl. al, got. alls
< alna-(§ 52a). Ndl. kond, got. kunþs bij
kunnen, got. kunnan; ndl. wis, got. -wiss, en
wijs, got. -weis, bij weten (§ 31). Zie ook
vet (§ 31 en § 92 Opm. 1).
Opm. 2. Idg. -ĕnŏ- (ablautend met
-ŏnŏ-) vindt men nog in 't got. adj. fulgins
‘verborgen’, bij filhan; in 't got. znw. áigin
bij áih; voorts in het uit got. faginon (en uit de wgm. en
on. vormen) te abstraheren part. *fagins. Waarschijnlijk ook in enkele
mnl. part. geslegen, gedregen, gedwegen, gevlegen; gescepen, beseven,
geheven (nu nog alleen geheven), met een door i-umlaut
ontstane ē;. Immers het schijnt minder juist, bij de vier
eerstgenoemde vormen aan palataliserende invloed van de volgende g te
denken, daar een g in 't ndl. na a toch niet palataal was; ook is
het dan nodig voor de drie laatstgenoemde participia een andere verklaring te
geven: invloed van het praesens en de infinitief (met ĕ). - Soms
ontbreekt de vocaal vóór 't suffix; vgl. boven got.
kunþs enz. en zie § 92 Opm. 3. Misschien behoort hierbij ook
't sterke participium got. usluknans (acc. pl.) (Mc. 1:10).
Opm. 3. In ndl. verkouden uit mnl. vercoudet, vercout
(Kil. verkoudt) is de sterke uitgang achter de zwakke gevoegd (vgl. nog
verkoudheid); de verbogen vormen waren hierbij het uitgangspunt.
*
136. Een karakteristiek verschil tussen het
got. en het wgm. is de wgm. voorvoeging van ge-. Het germ. praefix
ge- (got. ga-) betekende oorspr. ‘samen’ (got.
ga-skōhi, ndl. gebroeders enz.); toen deze betekenis
verbleekte, kreeg het bij uitstek de functie om de voltooiing van de handeling
uit te drukken; b.v. got. ga-hausjan geeft de handeling van horen aan
met het oog op het moment van de voltooiing, dus = vernemen. In 't mnl. is deze
functie nog gewoon in bepaalde constructies, vooral bij een ontkenning; b.v.
ic en conste dat niet gheseggen; bij ons hebben we daarvan nog resten
over: het niet kunnen gebeteren, zich laten gezeggen. In het part.
praet., waar de perfectieve betekenis licht op de voorgrond kon treden, werd
zodoende in 't wgm. ge- over 't algemeen het vaste praefix; men ging
ge- voelen als een integrerend deel van 't participium, en het
[p. 160]
werd daardoor tevens een onderscheidingsmiddel bij die w.w., bij
welke infinitief en participium gelijkvormig waren. Slechts enkele mnl.
participia, vooral van werkwoorden, die reeds op zichzelf perfectieve betekenis
hadden en dus dat ge- konden missen, hebben gewoonlijk nog vormen zonder
ge-: worden, vonden, comen, bracht, leden, en enkele andere, die
zich daarbij konden aansluiten; nog hebben sommige zuidelijke dialecten die
overigens ge- kennen, een of meer van deze participia zonder ge-
bewaard. In 't nndl. ontbreekt ge- - behalve in de met praefixen als
be- gevormde verba - nog in 't part. van de onscheidbare samenstellingen
(vroeger minder consequent dan tegenwoordig), vermoedelijk omdat deze in
oorsprong perfectief zijn. Ook in verschillende (vooral samengestelde) verbale
adjectieven, die vaste verbindingen vormden en daardoor voor het taalgevoel
niet op één lijn stonden met de echte deelwoorden; b.v.
nieuw-bakken (half-, huis-, oud-bakken; vgl. reeds mnl. nieu-,
huus-, out-backen), half-sleten, half-wassen, recht- en
wanschapen (oudnndl. klaarschapen), dronken;
tapte-(melk); vgl. nog mnl. huus-seten, nieu-boren,
nieu-doopt; ook mnl. dus-, so-daen (nu met suffix-achtervoeging
dus-, zo-danig). Dat ge- ontbreekt in de oude groep, in §
135 Opm. 1 vermeld, spreekt vanzelf.
Daarentegen heeft men wel ten onrechte gemeend, resten van een oud
partic. zonder ge- te hebben in zinnen als: hij is komen aanlopen, ik
heb het hem zien doen; waarnaar dan analogisch - toen komen en
zien voor het taalgevoel infinitieven waren geworden - zinnen gevormd
zouden zijn als: ik heb het horen zeggen, ik heb het niet kunnen doen.
Veeleer is hier het participium onder invloed van de tweede infin. door een
infin. vervangen.
Let op ge-b-leven, ge-b-lust, ge-vr-eten; ook op
ge-g-eten; vaak ook ge-g-loofd (afrik. geglo); wvla.
ge-vr-anderd, ge-vr-uisd (= veranderd, verhuisd).
Vormen als gemaskerd, gemanteld, gespikkeld, gestreept zijn
in oorsprong geen verl. deelw., maar afleidingen van masker enz.; vgl.
b.v. naast gehaard (mnl. gehaert) 't ouder type, dat als got.
ga-skōh-s gevormd is: mnl. gehaer. Dgl. deelwoordformatie
komt ook voor met de prefixen be-, ont-, ver-: bedaagd, beschroomd,
bezweet, ontarmd ‘zonder armen’, het jonge ontheemde
‘van zijn woonplaats verdrevene’ (door oorlogsgeweld, enz.),
vergrijsd, verlekkerd. De grote massa dezer vormingen dateert (ook in
het Duits en in het Engels) uit de 16de en 17de eeuw; zij zijn een typisch
renaissancistisch of klassicistisch verschijnsel (het klassieke Latijn o.m.
diende vaak tot voorbeeld: barbatus). Naast het participium komt ook het
verbum finitum voor, maar de participiale vorm is gewoner en meer in gebruik
(hij wijst immers op een toestand die van langer duur was en dringt dus vaker
tot
[p. 161]
het bewustzijn der taalgebruikers door dan de te voren
bedoelde handeling); vele infinitieven zijn buiten gebruik geraakt (b.v.
begaven, naast het nog bestaande begaafd). Daarom is het onzeker,
of er een categorie van adjectiva met be-, ont-, ver- bestaat die men
‘participia praeverbalia’ zou mogen noemen.
Veel groter verscheidenheid dan de algemene omgangstaal vertonen de
dialecten ten opzichte van ge- in het participium. Het zijn in hoofdzaak
die van Vlaanderen, Brabant, Limburg, Zeeland (ten dele in de vorm h
-), Zuid-Holland en Noord-Holland tot het IJ, Utrecht en
het grote-rivierengebied, die g
- kennen. Als
-verschijnt het praefix in het grootste deel van
Gelderland en Overijsel, in de Zaanstreek (deels), in Z.W.-Vlaanderen. Geen
praefix kent het noorden van Noord-Holland; Friesland; Groningen; Drente;
Oost-Twente en het oosten van de Achterhoek. Let men op de relicten van
- in b.v. Zuid-Holland en op de Zeeuwse eilanden
en raadpleegt men de oudere bronnen, dan blijkt, dat het
-gebied vroeger omvangrijker was en de gehele kuststreek
van Duinkerken tot Alkmaar omvatte; nog in de 18de eeuw was Holland tussen IJ
en Nieuwe Maas
-gebied. Dat
-gebied had echter ook te strijden tegen de praefixloze
vormen, die vroeger veelvuldig voorkwamen tot het IJ; in de middeleeuwen vindt
men ze zelfs - zij het ook niet talrijk - veel zuidelijker; vgl. b.v. maect,
spaert, sweghen bij Willem van Hildegaersberch, Dirc Potter e.a. Als de
oude kern van het g
-gebied kan men beschouwen Brabant, Limburg, Utrecht;
van de cultuurtaal uit werd g
- geïmporteerd in Vlaanderen en Zuid-Holland.
Overal gaat echter aan het stadium van
- en van praefixloosheid een gi- participium
vooraf; dat wil dus b.v. voor Zuid-Holland zeggen, dat gí- het
oudste, niet bewaarde stadium is; dat daarop volgde
- en dat dit
- weer verdrongen is door een van elders gekomen g
-. De verhouding van g
- /
- / - is op de volgende wijze te verklaren.
In verschillende - vooral, maar niet uitsluitend in de Ingvaeoonse -
dialecten ging de g vóór de volgende i in j
over. Zo werd dus gi- tot ji-, dat enerzijds i(i)-
en daarna
- kon worden, anderzijds tot j
- kon verzwakken. Het tussenstadium i- vindt men
b.v. bewaard in mvla. (owvla.) igaen (vgl. ook buiten het participium
b.v. inas ‘genas’, jaeritide), op dezelfde wijze als
b.v. in 't oudere Engels yclad ‘gekleed’. In Z.W.-Vlaanderen
vindt men, naast
-, een merkwaardige ontwikkeling tot oe -;
V. Ginneken denkt hier aan een oorspronkelijke
ga- in plaats van gi-, wel ten onrechte, daar soortgelijke
verschijnselen in sommige zuidelijke dialecten zich voordoen bij de -
n. De oorzaak ligt veeleer in de behoefte om een
functioneel belangrijke klank door verzwaring te redden van de ondergang. Het
tussenstadium j
-is in ons land bewaard in 't zuidoosten van Limburg
(Vaals). Het tot
- verzwakte praefix kon licht verdwijnen, in de eerste
plaats na woorden die op een vocaal uitgingen, dan ook in andere positie. Maar
op den duur breidden de vormen met g
- zich weer uit, daar het praefix hier een belangrijke
functie had te vervullen; dit in tegenstelling tot het Engels, waar het als
kenmerk van het part. praet. voorgoed verdween. Vgl. hiertegenover de zeer
verbreide afval van een functieloos g
-: § 94.
Opm. 1. Resten van een part. perf. act. vindt men in got.
weit-wōþs ‘die gezien heeft, die weet’, dus =
‘getuige’ (bij got. wait) en bērusjōs
‘ouders’, pl. (eig. dualis) van *bērusi
‘moeder’ (bij got. baíran).
137. Men verdeelt de werkwoorden in
thematische en athematische, een indeling die ongeveer parallel
loopt met die der zelfstandige naamwoorden in vocalische en wortelnomina
(§ 97). D.w.z. de meeste werk-
[p. 162]
woorden worden gevormd door
achter de wortel een suffix te voegen; zo'n wortel + suffix heet thema of stam
en achter die stam komen dan de persoonsuitgangen, althans in 't praesens. Bij
de athematische w.w. daarentegen staan de persoonsuitgangen direct achter de
wortel; in 't germ. zijn er slechts enkele resten van over. De thematische w.w.
deelt men in naar de aard van het suffix, dat in 't praesens er achter komt; in
't idg. was dit het karakteristieke onderscheid tussen de verschillende w.w. In
't germ. is dit onderscheid veelal uitgewist en daarvoor is een andere indeling
op de voorgrond getreden: naar de wijze waarop 't praet. en 't part. praet.
gevormd zijn (sterke en zwakke w.w.) en naar de klankwisseling die daarbij
optreedt (de ablaut die in 't idg. bij de w.w. een ondergeschikte rol speelt);
daarbij nog als afzonderlijke categorie de redupl. w.w. Men kan tot op zekere
hoogte zeggen, dat de sterke werkwoorden een erfenis van het idg. zijn wegens
de ablaut; de zwakke werkwoorden daarentegen zijn als zodanig een produkt van
de Oergermaanse tijd, hoe het dentaalsuffix ook ontstaan moge zijn (§
145).
De persoonsuitgangen zijn bij alle w.w. dezelfde, behalve dat de
athematische verba de 1e ps. sg. praes. indic. in 't idg. op -mi vormden
(tegenover -ō bij de thematische verba). In 't germ.
verschrompelen de uitgangen hoe langer hoe meer, mede tengevolge van het feit,
dat het onderwerp steeds meer wordt uitgedrukt (vgl. § 95). Zo is
misschien in 't got. de weglating van 't pron. 2e ps. p.l in jabai
aflētiþ mannam missadedins ize (Matth. 6:14) als een graecisme
te beschouwen.
Opm. 1. De termen sterk en zwak zijn van
Grimm afkomstig: de sterke werkwoorden helpen zich zelf in 't praet.,
de zwakke hebben de steun van een suffix nodig.
Opm. 2. Slechts zelden vindt men klinkerwijziging bij een zw. w.w.:
got. briggan-brāhta.
De praesensvorming van de thematische w.w.
138. a. De idg. ĕ /
ŏ-klasse (de lt. 3de conjugatie, b.v. dūco, infin.
dūcĕre) = germ. ĕ / ă-klasse. De
ŏ, resp. ă komt in de 1e ps. van alle numeri (in de
sg. 1 gerekt, zonder verdere uitgang) en in de 3de ps. pl. voor; overigens
verschijnt de ĕ, resp. ĭ. In 't germ. horen hiertoe
bijna alle sterke werkwoorden, zowel de ablautende als de reduplicerende. In 't
idg. waren er twee categorieën, die met de klemtoon op de wortel en die
met de klemtoon op 't suffix. In 't germ. is de tweede soort over 't algemeen
geabsorbeerd door de eerste, maar toch zijn er nog resten, herkenbaar aan de
reductie-trap en de werking van de wet van Verner in de wortel (§ 14 en
67).
[p. 163]
b. Aan het suffix idg. ĕ / ŏ kon als
praesens-element een
voorafgaan; zo ontstonden als een afzonderlijke klasse
de
ĕ /
ŏ-verba (vgl. b.v. lt. capio, infin.
capĕre; de lt. 4de kl., b.v. finio, infin.
finīre) = de germ. jan-w.w. In 't ndl. is de j over
't algemeen verdwenen, maar men ziet de werking er van in umlaut en geminatie
(§ 39 v. en 52). In 't germ. behoren er toe de zwakke werkwoorden van de
1e klasse (got. sōkjan enz.) en enkele sterke werkwoorden, o.a. in
kl. V: got. bidjan, ndl. bidden; liggen, zitten (maar got.
ligan, sitan); kl. VI: got. hafjan, hlahjan, -skapjan, = ndl.
heffen, lachen (blijkens de ch uit -jan) (§ 39),
scheppen; ndl. beseffen (vgl. lt. săpio),
zweren (tegenover got. swaran; vgl. § 52); got.
wahsjan (maar ndl. wassen uit een owgm. vorm zonder
j).
Met de zwakke werkwoorden van de 1e kl. zijn samengevallen de
causatieven, die in 't idg. door 't suff. -ĕ
ĕ- / - ĕ
ŏ- werden gevormd, welk suffix gewoonlijk achter
de wortel met ŏ-vocaal werd gevoegd; de wortelsyllabe had dus
dezelfde vocaal als 't praeteritum indic. sg. van de sterke werkwoorden, en de
slotconsonant van de wortel onderging, indien mogelijk, de werking van de wet
van Verner. Vgl. voor het idg. lt. moneo ‘vermanen’:
me-min-i ‘zich herinneren’ (id. mŏn /
mĕn), en zie voor 't germ. § 16 en 25. In onze taal vormen zij
een beperkte, sedert de middeleeuwen nog ingekrompen groep. Voorbeelden zijn:
drenken, kloven, leggen, leiden, neigen, ge-neren,
steig(er)en, voeren, wenden, zenden, zetten, zogen, mnl.
beten, (oostmnl.) reren, scheinen, senken, sprengen.
Opm. 1. De j van het suffix is na lange klinker bewaard,
b.v. maaien, bloeien, strooien (§§ 80, 68, 54); daar is de
j zelfs in praet. en part. ingedrongen (maaide, gemaaid enz.;
vgl. voor de oorspronkelijke syncope van i in deze vormen § 92).
Ook na r: mnl. erien enz. (§ 52), maar dan door
generalisatie van de andere vorm, die b.v. in de 2. 3. ps. sg. praes. indic.
voorkwam (§ 142), mnl. eren; ndl. gebeuren.
c. Ook andere consonanten konden aan de idg. ĕ /
ŏ voorafgaan; vgl. b.v. lt. sper-no, perf.
sprē-vi. In 't got. zijn twee resten van een dergelijke
voorafgaande n bewaard, nl. fraíhnan - frah - frēhum -
fraíhans (kl. V) en keinan, part. praet. uskijanata
(Lc. 8:6). Van een in de wortel ingevoegde nasaal als in lt.
ru-m-po (perf. rūpi) vindt men een rest in 't germ., n.l.
got. standan - stōþ - stōþum, mnl. standen -
stoet - stoeden.
Opm. 2. Ndl. vragen is een van ouds zwak werkwoord met lange
vocaal. Bij got. keinan wijst 't praet. us-keinōda op
verloop naar de zw.w.w. kl. IV; ndl. kiemen is denominatief van
kiem. Naast mnl. standen staen (§ 147); voorts de
analogische vormen: stont - stonden - gestanden (invloed van
standen) en gestaen (invloed van staen).
139. Behalve de in de vorige paragraaf
besproken klassen bestaan er nog andere, die in 't Germaans ten dele bewaard
zijn. Zo vindt men in
[p. 164]
't got. o.a. nog een ō-klasse
(type salbōn) en een ă / ai-klasse (type
haban: vgl. b.v. habais), gewoonlijk zwakke w.w. van de 2de,
resp. 3de klasse genoemd. In 't owgm. zijn deze groepen nog ten dele bewaard;
in 't mnl. zijn ze echter over 't algemeen niet meer van de andere zwakke w.w.
te onderscheiden, daar de suffixvocaal toonloos werd; alleen ontbreekt umlaut
en geminatie, voorzover ze niet naar de 1e klasse verlopen zijn (zoals in
hebben en zeggen tegenover hgd. haben en sagen).
B.v. verlangen (ohd. langēn, os. langon) tegenover
verlengen (uit *langian).
Opm. Anders staat het met w.w. als kammen: kemmen, zie
§ 39. - Plaatselijk (oostelijk) of literair (Beierse tijdvak) zijn vormen
als mnl. saghen, haven, ic haen (< ic haven; de n
volgens § 147), en limb. have; zie voor vormen als du seghes, du
heves § 145.
*
140. De reduplicerende w.w.
Zoals gezegd is, verdeelt men de w.w. van germ. standpunt in sterke
en zwakke werkwoorden, en deze indeling doorbreekt die, welke op de vorming van
de praesensstam is gebaseerd. Zo omvatten de sterke w.w. dan de idg. ĕ
/ ŏ-kl., alsmede sommige
ĕ /
ŏ-w.w.; tot de zwakke w.w. behoren de meeste idg.
ĕ /
ŏ-w.w. (kl. I), maar ook de w.w. van de got. 2de
en 3de klasse. De sterke w.w. zijn naar hun indeling in klassen vroeger
besproken (§ 13 v.); vandaar dat hier alleen de reduplicerende w.w. nader
behandeld worden.
De reduplicatie heeft in oorsprong een affectief karakter; door de
beginklanken van de wortel te herhalen, legt men bijzondere nadruk op de
semantische waarde van die wortel. Vandaar dat hij oorspronkelijk niet tot het
w.w. beperkt was, en, wanneer hij bij het werkwoord gebruikt werd, in de eerste
plaats diende tot uitdrukking van de aktionsart (§ 133); vgl. nog ndl.
beven (ohd. bi-bēn) met duidelijke herhalingsbetekenis.
Opm. 1. Vgl. zinnen als ndl. loop eens gauw-gauw naar de
dokter, maar vooral 't Afrikaans, dat reduplicatie-formaties kent op een
schaal, die in het overige Indo-germaans ongekend is, en dat met verschillende
functies; b.v. Ou Booi Seland knip-knip sy oë; die bal rol net-net oor
die dwarspaal.
Voorzover de reduplicatie bij het werkwoord gebruikt werd, was hij
dus oorspronkelijk niet tot een bepaalde tijd ervan beperkt; vgl. b.v. lt.
gi-gn-o (perfectum zonder reduplicatie genui), si-st-o
e.a.; zie ook 't bovengenoemde ndl. beven. Maar al spoedig bond zich de
reduplicatie aan het idg. perfectum, waarbij dan de aanvangsconsonant herhaald
werd, gevolgd door ĕ; vgl. lt. cano: ce-cini, pello:
pe-puli; in 't lt. is echter die ĕ vaak ver-
[p. 165]
vangen door de klinker van de wortel, b.v. pungo: pupugi
(ouder pe-pugi), mordeo: momordi (ouder me-mordi).
In 't germ., d.w.z. in 't got., is de reduplicatie vooral bij die sterke w.w.
bewaard, welke geen klinkerwijziging hadden om het verschil tussen praesens en
praeteritum uit te drukken; daarnaast staat een kleinere groep
reduplicerend-ablautende w.w. De reduplicatie bestaat in 't got. uit de
aanvangsconsonant (of consonantgroep) + betoonde ĕ (geschr.
ai), welke vocaal waarschijnlijk onder invloed van die red. w.w., welke
met h, , r beginnen, niet in ĭ is overgegaan. Men
onderscheidt: a. de red. w.w. met ă + twee consonanten: a
+ cons. (got. haitan: haíhait),
a +
+ cons. (got. aukan: aíauk),
a + liquida / nasaal + cons. (got. haldan: haíhald,
fāhan: faífāh § 4); - b. die met
ō (= owgm. oa, enz.) (got. ōpan:
ai ōp); - c. die met ē (= owgm. ā)
(got. slēpan: saíslēp), ook met ablaut in de
stam (got. lētan: laílōt; saian:
saísō).
In 't owgm. is de reduplicatie verdwenen; in plaats daarvan vindt
men in 't praet. ē (= ndl. ī, geschr. ie);
eo, io, ie (= ndl. ī, geschr. ie); dus mnl.
sliep, liet, hiet; maar ook riep, liep. Indien oorspronkelijk
twee verschillende consonanten volgden, vindt men in de regel een korte klinker
ĕ of ĭ (dialectisch verschillend); b.v. bij
houden (uit *haldan) mnl. helt, hilt, minder vaak
hielt.
Van de wgm. ĕ, eo enz. in dit soort werkwoorden is nog
geen bevredigende verklaring gegeven.
Een oudere theorie, de contractietheorie (J. Grimm e.a.)
hield de ē, eo enz. voor een samenvallingsprodukt van de
(betoonde) vocaal van de (in het wgm. wel bestaan hebbende) reduplicatiesyllabe
met de (onbetoonde) stamvocaal, b.v. héhald > hēld,
héhait > hēt, féfall > fēl,
met een neiging tot haplologische dissimilatie; de ē zou an
tweetoppig geweest zijn. Daarenboven ontwikkelde zich in het thans
eensyllabische fēl b.v. tegenover de infin. fallan een
voldoende aanduiding van het praeteritum, een vocaalwisseling dus aansluitend
aan de overige ablautende werkwoorden.
Een jongere theorie, de ablautstheorie (Brugmann, vnl.
V. Coetsem) ziet in de wisselende stamvocaal (ai: e, au:
eo, a: e enz.) van de zgn. reduplicerende w.w. een
ablautsverhouding, anders verdeeld dan in de sterke w.w. (§ 14) en wel
volgens een jongere systematisering. M.a.w., het a-vocalisme komt hier
voor in het praesens, het e-vocalisme in het praete ritum. Volgens
§ 14 vindt men in de praesens-e-groep de ablautreeksen 1. e
/ a
/ i / i, 2. e
/ a
/ u / u, 3. el / al /
, en / an /
enz.; in de zgn. reduplicerende w.w. vindt men de
praesens-a-groep als 1. a
/ e
/ a
in praesens + part. / e
(in praet.), 2. a
/ e
(resp. hetzelfde), 3. al / el, an / en enz.
(resp. hetzelfde). Vandaar in het West- (en Noord-)germaans: haitan:
*he
ta > hē2t (§ 6),
hlaupan: *hleupa > liep (§ 67), haldan:
held. W.w. met ê (lētan) en ō
(os. hrōpan = ndl. roepen) sloten zich aan resp. bij de
ai- en de au-w.w.: liet, riep; vormen als held,
venc (bij vangen § 4 Opm. 1) kregen analogisch een
ē2: hield, ohd. fiang (ndl. ving
< *feng naar § 2).
Opm. 2. Resten van de reduplicatie zijn in 't wgm. vermoedelijk
bewaard in enkele ags. (anglische) vormen, b.v. heht (bij
hátan ‘heten’), reord (bij
ráedan ‘raden’).
Eén werkwoord heeft in 't wgm. (ndl.) zijn reduplicatie
behouden, doordat voor het taalgevoel die reduplicatie tot stamsyllabe werd,
n.l.
[p. 166]
deed bij doen (§ 147). Bij dit - in 't
got. niet overgeleverde - w.w. heeft het owgm. in 't praeteritum een
reduplicatie-syllabe met afwisselend ĕ en
(mnl. â). Op grond van de owgm. vormen is
in 't mnl. te verwachten: Sg. 1. 3. dēde (ē uit
ĕ) (nu dee en deed), 2. dâdes; Pl.
dâden. Deze vormen komen vanouds voor, maar ze werken later op
elkaar in, vooral ten gunste van de ē, die in 't nndl. in 't
praeteritum uitsluitend voorkomt. Dit in tegenstelling tot 't hgd. (ich
tat enz.). In de 16de eeuw zijn de a-vormen zo goed als verdwenen;
de enkelvouds-vorm deed (met e-apocope) is blijkbaar van
Hollandse oorsprong.
*
141. De sterke werkwoorden en hun
overgang naar een andere klasse of naar de zw. w.w., of omgekeerd.
Tegenover een geweldige meerderheid van zwakke werkwoorden staat een
kleine groep van sterke werkwoorden, die men van synchronistisch standpunt uit
om hun gering aantal onregelmatig kan noemen. Zo was ook de opvatting van de
oudere grammatici, maar
L. ten Kate, voor wie regelmaat ‘de kroone eener
tale’ was, toonde aan, dat bij een historische kijk alle onregelmatigheid
wegvalt. Hun getal wordt op ± 150 geschat (mnl.: ± 250, 16de e.:
± 170), en hiervan behoort meer dan 1 / 4 tot de eerste klasse; maar zij
worden zo veelvuldig gebruikt, dat ze, naar de woorden van
V. Haeringen, een ‘taaie
levenskracht’ bezitten. Toch kon begrijpelijkerwijs de bonte veelheid van
vormen niet gehandhaafd blijven. Allereerst naderden in 't praeteritum de
singularis en de pluralis elkaar of werden zelfs gelijk aan elkaar (§ 14),
maar verder hadden verschuivingen van klasse plaats en gingen andere
werkwoorden gedeeltelijk of geheel naar de zwakke klasse over. Reeds in 't ogm.
had de overgang naar een andere klasse soms plaatsgehad bij werkwoorden, die
tengevolge van een of andere klankwettige ontwikkeling buiten het kader van hun
klasse vielen. Zo b.v. got. þreihan, tengevolge van 't verlies van
de
naar kl. I overgegaan (tegenover ndl. dringen met
uit de 3de en 4de categorie).
De werkwoorden, die een liquida vóór de vocaal
(ĕ) hebben, weifelen tussen kl. IV en V; in het got. gaan b.v.
brikan en trudan (§ 14 Opm. 7) naar kl. IV, wrikan
naar kl. V; in 't ndl. gaan breken, spreken, wreken naar kl. IV,
treden naar kl. V; voor plegen zie men § 25. Onder invloed
van breken enz. kreeg dan steken een nieuw part. gestoken;
de 17de eeuw kent de strijd tussen gesteken en gestoken. Got.
speiwan (kl. I) werd ndl. spuwen (§ 54) en verliep zodoende
in 't mnl. naar kl. II (type bluwen); bluwen zelf luidde in 't
got. bliggwan en was zodoende in die taal naar kl. III verlopen.
Bevelen (got. filhan: kl. III) ging tengevolge van 't verlies van
de h tot kl. IV over. Zweren ‘etteren’ (oorspr. kl.
IV) kreeg, evenals scheren ‘snijden’, onder invloed van 't
part. met ō de ō in 't gehele praet. (zwoor -
gezworen,
[p. 167]
schoor - geschoren); bij wegen
(oorspr. kl. V) bevorderde bovendien de voorafgaande w de
ō-klank (§ 53). Vgl. ook hielp, hief e.a. (§
14).
Opm. 1. Men zou hier ook bij kunnen rekenen zweren
‘een eed doen’ (kl. VI): verloop in 't part. praet. naar kl. IV
(gezworen), waarmee de infinitief overeenstemde en waartoe zweren
‘etteren’ oorspronkelijk behoorde; daarbij zou dan ook de w
invloed hebben uitgeoefend (§ 53). De verklaring is echter twijfelachtig
met 't oog op 't feit, dat de o in 't part. praet. reeds voorkomt in 't
ohd. en 't ags., waar de infinitief (swerien, resp. swerian)
verschilde van 't type bĕran.
Ook werden verschillende sterke w.w. zwak, geheel of gedeeltelijk;
bij gemengde vervoeging behield 't part., beschermd als het vaak werd door de
infinitief, vaker dan 't praet., de oorspronkelijke vorm. Vgl. b.v.
dijen, waarvan de stam in 't ndl. op een tweeklank uitgaat en dat
tengevolge daarvan een praeteritaal suffix goed kon gebruiken (kl. I: nog adj.
gedegen; oorspr., evenals got. þreihan, kl. III);
spuwen (kl. I / II; zie hierboven); klieven (kl. II);
kruien, waarvan hetzelfde geldt als van dijen; het behoorde tot
kl. II en wordt in bepaalde betekenissen in minder beschaafde taal nog sterk
gebruikt. Verder belgen (kl. III; verbolgen), dorsen (kl.
III), dat tengevolge van metathesis (§ 58) uit 't gewone kader was
geraakt; baren met zijn afwijkende vocaal (kl. IV; geboren) en
ontberen (beide § 57 Opm. 5); helen ‘verbergen’
(kl. IV; verholen); geschieden (mnl. ghescien; kl. V) met
afwijkende vocaal (§ 33), kneden (kl. V). Talrijk zijn de
overgangen bij de 6de klasse, waar men door het participium praeteriti reeds
aan klankgelijkheid gewend was, en bij de reduplicerende werkwoorden, die
weinig homogeen waren. B.v. schaven (kl. VI), waden (kl. VI),
waken (kl. VI), beseffen (kl. VI), gewagen (kl. VI),
zaaien (red. w.w.), vloeken (red. w.w.). Een gemengde vervoeging
hebben b.v. brouwen (kl. II), barsten (kl. III) met zijn
afwijkende vocaal (§ 58b), kerven (kl. III), zwelgen (kl.
III), wreken (kl. IV), weven (kl. V), wezen (kl. V;
gewezen), lachen (kl. VI), laden (kl. VI), bakken
(kl. VI), spannen (red. w.w.), heten (red. w.w.), stoten
(red. w.w.), vouwen (red. w.w.), waaien (red. w.w.; woei
naar kl. VI). Vgl. ook plegen (§ 25).
Minder vaak, doordat de st. w.w. minder in aantal zijn en uit
afgesloten categorieën bestaan, en dan nog alleen, indien de
praesensvormen pasten in het systeem van een bepaalde klasse van de sterke
verba, werden zw. w.w. sterk; daarbij oefenden de talrijke sterke verba van de
1e klasse de meeste aantrekkingskracht uit. B.v. belijden (§ 37),
gelijken, zwijgen, wijzen (maar: het gewijsde) (alle naar kl. I),
fluiten (naar kl. II), zenden (gezant blijkens de
pluralis-t uit 't hgd.), schenken, schenden (alle drie naar kl.
III), scheren ‘toedelen’ (viel samen met het van kl. IV naar
VI overgegane scheren ‘snijden’); en gemengd: jagen,
vragen (bij beide 't praet. deels naar kl. VI); kluiven (st.en
zw.).
[p. 168]
Terwijl aan een vreemde taal ontleende w.w. in de regel zwak
vervoegd worden, zijn er enkele uitzonderingen: ndl. schrijven (het
oudste voorbeeld, indien het tenminste ontleend is aan lt. scribere);
kwijten, spijten; mnl. finen ‘ophouden’, en soms
plusen (ndl. pluizen); ndl. prijzen (reeds soms in 't
mnl.) in onderscheiding van het jongere, nog als denominatief gevoelde zwakke
prijzen in andere betekenis. Ook mnl. prenden (prinden)
(fra. prendre) wordt zeer vaak sterk vervoegd.
De dubbele vervoeging van scheppen berust op tweeërlei
oorsprong: scheppen ‘creare’ = got. -skapjan, st.
w.w. kl. VI, naast scheppen ‘haurire’ (denominatief van
germ. *skapa?).
Soms gingen de vormen van sterke werkwoorden en zwakke causatieven
door elkaar; b.v. rennen, formeel = got. rannjan, maar semantisch
= got. rinnan. Zo staan bij de formeel causatieve infinitieven
zwemmen en brengen als praet. en part. de vormen van
*zwimmen en *bringen (got. briggan); daarentegen won de
sterke infinitief het bij klimmen en krimpen. Trekken verdrong
mnl. treken, maar werd zelf sterk. Terwijl bij drenken:
drinken het verschil bewaard bleef, nam het st. w.w. verdrinken
ook de trans. betekenis op zich. Bij bederven vloeiden beide w.w.
klankwettig in infin. en praes. samen (vgl. § 57); nu heeft het sterke
w.w. beide betekenissen. Genezen en wegen nemen, reeds in 't
mnl., ook causatieve betekenis aan. Zie voor branden § 58 Opm. 3,
voor liggen-leggen § 145, voor zenden, schenken, schenden
hierboven.
Opm. 2. Een veelheid van vormen in 't mnl. vooral bij spuwen
(speech en spooch, ook jonger spugen § 84 Opm. 2);
ook bij treden (metathesis: § 58 Opm. 3; dan ook naar kl. III
terden - ghetorden).
*
142. De persoonsuitgangen van 't
praesens indicatief
| |
idg. |
lt. |
got. |
mnl. |
| Sg. |
1. -ō |
ago |
= nima |
= nēme |
| |
2. -ĕsĭ |
agis |
= nimis |
= nēm(e)s |
| |
3. -ĕtĭ |
agit |
= nimiþ |
= nēm(e)t |
| Pl. |
1. -ŏmĕs |
(agimus) |
= nimam |
= nēmen |
| |
2. -ĕtĕ |
[agite] |
= nimiþ |
= nēm(e)t |
| |
3. -ŏnti |
agunt |
= nimand |
= nēmen |
Wat de lt. vormen betreft. in de pl. 1 vindt men een ablautende
vorm, terwijl in de pl. 2 de gewone uitgang -itis is, -ite echter
in de imperatief pl. bewaard is. Wat hier overigens van de persoonsuitgangen
gezegd wordt, geldt evengoed voor de germ. sterke als zwakke w.w.; alleen is er
in 't got. bij de zwakke w.w. van de 1e klasse een verschil tussen de lang- en
de kort-
[p. 169]
syllabigen, dus b.v. sg. 2. 3 nasjis, nasjiþ:
sandeis, sandeiþ (vgl. de znw. harjis:
haírdeis). In 't owgm. vindt men alleen -is, -it; in deze
beide personen heeft men dus in 't mnl. geen geminatie (wel umlaut) te wachten,
maar vaak heeft hier gelijkmaking plaats gehad (vgl. § 145).
Sg. 1. De idg. -ō bleef in 't germ. aanvankelijk
-ō, welke in 't got. tot -ă werd, in 't owgm. tot
-ŭ; deze -ŭ moest klankwettig na lange syllabe
verdwijnen (vgl. § 103), maar werd naar analogie van de kortsyllabigen
weer bijgevoegd; dus b.v. owgm. bindu, mnl. binde. De mnl.
-e is in 't Vlaams tot op heden bewaard, in 't Hollands daarentegen al
in de latere middeleeuwen verdwenen (vgl. § 93). De Statenbijbel gebruikt
nog gewoonlijk de e-vorm, ook
Vondel schrijft meermalen de -e. Nu vindt men hem
nog in resten als zegge, verblijve, verzoeke, dus in enige vormen waar
't pronomen personale wegblijft. - Zie voor mnl. -(e)n §
147.
Sg. 2. Naast mnl. du nemes verschijnt nu en dan mnl. du
nemeste, du nemest, welke vormen vooral noordndl. zijn; zij zijn ontstaan
door enclise van het dan later niet meer als zodanig gevoelde pronomen
personale, dus uit vormen als nemes-du > nemestu, opgevat als
nemest-du; analogie naar enkele praeterito-praesentia (§ 144) kan
hebben meegewerkt.
Een derde, vooral in 't jongere mnl. voorkomende vorm is du
nemet, door inwerking van de pluralis op de singularis (zoals omgekeerd ook
ghi nemes) (vgl. § 112); door nieuwe achtervoeging van -s
dan ook du nemets. In ons tegenwoordig Algemeen Beschaafd staan
tegenover elkaar je neemt (met oorspr. t, daar immers je
aanvankelijk een pluralis was), en, bij inversie, neem-je, met een afval
van -t, die reeds in de 17de eeuw in deze positie veelvuldig voorkomt.
Het uitgangspunt vormden hierbij vermoedelijk gevallen als
kook(t)-je, loop(t)-je,
snuif(t)-je, waar de t tussen k, p, f enz. en
j gemakkelijk werd geassimileerd; het algemeen worden van deze
uitgangloze vormen vóór je werd bevorderd, doordat het
onmiddellijk volgende pronomen reeds voldoende karakterisering van de
werkwoordsvorm was.
Opm. Snuif-je: gesproken met v onder invloed van
snuiven; vgl. daartegenover 't diminutief snuifje, waar een
f wordt gesproken (§ 152). Zie voor vormen als mnl.
segd-i § 113 Opm. 1.
Sg. 2 en 3. Indien de stam van 't verbum uitgaat op een - uit
t of d ontstane - t, hoort men in de tegenwoordige taal,
tengevolge van de syncope van de -
-, geen uitgang -t. Men merkt echter nog verschil
met de 1e persoon, indien de stam op liquida of nasaal + oorspr. d
uitgaat: in familiaar ndl. zegt men wel: ik wor, vin, maar niet jij,
hij wor, vin (tenzij in bepaalde dialecten); wel weer met inversie wor-,
vin- jij. Zuidhollands is de afval van -t in de 3de sing. in hij
geeft en dgl.
[p. 170]
Pl. 1. 2. 3. De klankwettige vorm van de 3de persoon
*nēment komt in 't mnl. (uitgenomen in de oostelijke
provinciën) niet meer voor, maar is verdrongen door die van de 1e persoon,
mede onder invloed van de optatief en van het praeteritum, waar de pl. 1 en 3
gelijk aan elkaar waren. In de 2de persoon is over 't algemeen de
oorspronkelijke vorm met -t bewaard, maar toch bestaat bij jullie
sedert ongeveer het midden van de 19de eeuw de neiging, die gelijk te maken aan
de 1e en 3de persoon; intussen klinkt jullie nemen nog iets gemeenzamer
dan jullie neemt.
*
143. Praesens Optatief, -
Imperatief
De optatief werd in 't idg. door het suffix -i-
gevormd, dat dan met de stamvocaal samensmolt; vandaar in 't got. overal
ai (behalve in sg. 1 een raadselachtige -au). De
persoonsuitgangen verschillen in zoverre van die van de indicatief, dat ze over
't algemeen korter zijn (secundair tegenover primair). Het
duidelijkst blijkt dit in de 3de ps. sg.: idg. -t, die in 't germ.
afviel (got. nimai). In 't ndl. vielen de uitgangen geheel samen met die
van de indicatief, behalve juist in die 3de ps. sg., waar aan got. nimai
mnl. neme beantwoordt (nog resten, ten dele met apocope van de
-e: hij leve lang, God beware me, 't ga je goed enz.).
De imperatief: de tweede persoon sing. is gevormd
zonder uitgang, dus gelijk de stam: idg. *ghébhe (lt.
agĕ) = got. gif, mnl. gef, gif. Bij de
jan-w.w. had het mnl. oorspr. -e (got. sōkei = mnl.
soeke), maar beide categorieën gingen door elkaar, dus evengoed
mnl. geve (ndl. geef) en soek; in 't ouder mnl. heerst
echter zekere voorkeur voor de éénsyllabige vormen. Ook
stilistische factoren tellen bij de keuze mee. De vorm met e is in de
tegenwoordige taal nog bewaard in gelieve. Oude imperatieven met
bewaarde ausl. -χ zijn mnl. dwach, slach, sich bij dwaen,
slaen, sien; naar analogie hiervan zelfs lach bij oostmnl.
laen naast laten en doch (doech) bij doen.
Dialectisch zijn hier en daar nog dergelijke vormen bewaard, b.v. gron.
duch, fri. doch en zuidlimb. dooch (vgl. 't genoemde
oostmnl. doch).
Opm. 't Is waarschijnlijk, dat in mnl. gef, gif
laatstgenoemde vorm de oorspronkelijke is; dat dus de -e geapocopeerd
werd na de overgang tot -i. De e van gef laat zich dan
geredelijk verklaren uit de invloed van de andere werkwoordsvormen.
De tweede persoon pluralis stemt vanouds in uitgang overeen met de
tweede persoon pl. van de indicatief. In 't mnl. wordt meermalen de
pluralisvorm gebruikt voor de singularis, wat in de hoofse literatuur aan
dezelfde invloeden is toe te schrijven, die ghi terrein deden winnen ten
koste van du (§ 112)a. Het proces zette zich echter niet voort; in
de 17de eeuw kan men constateren, dat de vorm zonder -t in het enkelvoud
de meest
[p. 171]
gewone is. Opmerkelijk is in die tijd de afwisseling bij
twee gecoördineerde imperatieven, b.v. bij
Vondel: bedwing uw wesen wat; wilt uw gebaer
betoomen; of in Barons Klucht van Lichthart: Gae heen en vraecht mijn
Man (V. Moerkerken blz. 303). Een enkele keer gebruikt men dan in de
pluralis de vorm zonder -t, b.v. Ay, feestgenoten, Ay, schrey niet
meer (Vondel); Wel vrinde.... Heb wat gedult (V. Dalens klucht van
de Kale Edelman: V. Moerkerken blz. 345). Men kan vermoeden, dat de vorm met
-t vooral wordt gebruikt bij behoefte aan emfase; eenzelfde motief heeft
waarschijnlijk de vertalers van de Statenbijbel ertoe gebracht, aan de
verzwaarde vorm met -t doorlopend de voorkeur te geven. In de
tegenwoordige dialecten heerst de grootst mogelijke verscheidenheid; in sommige
(b.v. die van Gelderland en Limburg) is het onderscheid tussen sg. en pl.
bewaard; in andere heeft of de singularisvorm óf de pluralisvorm het
gewonnen. Voorts is het merkwaardig, dat de boven besproken verschijnselen nog
in verschillende dialecten kunnen worden aangetoond. Zo is in het Katwijks,
waar de vorm zonder -t de normale is, sterke nadruk een belangrijke
voorwaarde voor de verzwaring met -t. In Zuidlimburgse dialecten drukt
het onderscheid in vorm getalverschil uit, daarenboven hebben de imperatieven
met -t een beleefdheidsnuance die de andere missen. In Zuidnederlandse
teksten vindt men nog het bovengenoemde gebruik van vormen met en zonder
t in éénzelfde zin. Het Algemeen Beschaafd kent over 't
algemeen slechts één vorm, die zonder -t. Worden de
imperatieven onmiddellijk gevolgd door toegevoegde 2de-persoonspronomina, die
hier een modaal karakter hebben, dan kan de vorm gelijk worden aan die van de
indicatief, b.v. gaat - U zitten, lopen jullie maar door.
*
144. De persoonsuitgangen van 't
sterke praeteritum.
| Indicatief. |
got. |
mnl. |
| Sg. |
1. nam |
= nam |
| |
2. namt |
= names (naems) |
| |
3. nam |
= nam |
| |
|
|
| Pl. |
1. nēmum |
= namen |
| |
2. nēmuþ |
= namet (naemt) |
| |
3. nēmun |
= namen |
Daar de lat. vormen afwijken, worden hier de voorgermaanse vormen
niet besproken. Slechts zij opgemerkt, dat in 't ogm. reeds de sg. 1 en 3 zijn
samengevallen en zich niet meer door een uitgang kenmerken. De mnl. vormen
beantwoorden aan de got. met uitzondering van de sg. 2,
[p. 172]
die in 't
owgm. op een karakteristieke wijze afwijkt. Hier vindt men nl. een vorm van de
3de categorie op -i: nāmi (dus met ā en met
suff. -i). In 't mnl. zou hieraan beantwoorden *nâme, maar
in plaats daarvan vindt men - onder invloed van praes. indic. en optat. en
praet. opt. - nâmes, naems (dus de wortelvocaal van de 3de
categorie). Daarentegen is de ogm. -t in 't owgm. bij de
praeterito-praesentia bewaard, en ook nog soms in 't mnl.: du sout
(salt), macht naast analogisch du sals (salst),
machs (machst); zelden du cont. Aan got. waist zou
beantwoorden mnl. *du weest, maar in plaats daarvan vindt men du
wētes (wets, weets) (met ē uit ĭ, de
vocaal van de 3de categorie dus); echter komt weest (weist) nog
in de Limb. Sermoenen voor. Bijvormen van du names zijn du
nameste enz., als bij 't praesens (§ 142). In 't nndl. je nam
(invloed van sg. 1 en 3), evenals bij de zwakke praeterita (§ 145): je
hoorde; het type je naamt, maar vooral je hoordet is reeds in
de 17de-eeuwse taal der kluchten op weg te verdwijnen. Doordat de
praeterito-praesentia voor het taalgevoel praesentia waren, bleef hier de
t, b.v. je moogt, naast je mag (invloed van de 1ste en 3de
persoon), beide reeds in 17de-eeuwse kluchten.
Opm. De -i van owgm. nāmi is waarschijnlijk een
oude aoristus (idg. -es). Volgens anderen is het een oude optatiefvorm,
ingedrongen uit de directe vraagzin, uit de sfeer van de optativus dubitativus
of potentialis.
Optatief: Deze kenmerkte zich door ī [got.
nēmeis enz.; echter sg. 1 nēmjau; sg. 3 (met
verkorting) nēmi]. In 't mnl. valt de optatief samen met de
indicatief, die zich in de sg. 2 naar de optatief schikte; behalve in sg. 3.
ic, hi nâme.
*
145. Het zwakke
praeteritum.
| Indicatief. |
got. |
mnl. |
| Sg. |
1. hausida |
= hoorde |
| |
2. hausidēs |
= hoordes |
| |
2. hausida |
= hoorde |
| Pl. |
1. hausidēdum |
hoorden |
| |
2. hausidēduþ |
hoordet |
| |
3. hausidēdun |
hoorden. |
Het zwakke praeteritum is in 't Germaans gevormd met een
dentaal-suffix van onzekere oorsprong. Het ligt voor de hand, verband te zoeken
met de dentaal van het zwakke participium praeteriti, dus de dentaal van got.
hausi-da, ndl. hoor-de en die van got. hausi-þs,
ndl. gehoor-d op
[p. 173]
dezelfde wijze te verklaren. Daar voor
die van het participium een idg. t vaststaat (§ 135b 2), neemt men
dus ook voor die van het praeteritum veelal datzelfde aan. Deze
veronderstelling wordt gesteund door de stemloze consonant van
praeterito-praesentia (got. kun-þa: § 146) en van enkele oude
zwakke praeterita (got. baúh-ta: § 92 Opm. 3). Volgens een
van de verdedigers van deze theorie:
Hammerich, zou het zwakke praeteritum dan
oorspronkelijk gevormd zijn uit een nomen agentis op (idg.) *-ten- /
*-ton- + copula, dus hoorder ben ik > ik hoorde. Met het
al of niet aanvaarden van deze hypothese hangt ook de verklaring van de op de
dentaal volgende vocaal (got. -a, -ēs, -a) samen, een punt waarop
hier niet nader kan worden ingegaan.
Tegenover de boven uiteengezette opvatting staat die van anderen,
welke de dentaal tot een idg. dh terugleiden: achter de stam van het
werkwoord werd een suffix (idg.) *dhē / *dhō gevoegd, dat in
oorsprong identiek was met de gelijkluidende wortel van 't w.w. doen
(idg. *dhē-: ndl. daad, gedaan; dhō-: ndl.
doen). De oorspronkelijke betekenis zou in dit geval geweest zijn:
horen deed ik > ik hoorde; vgl. de Engelse constructie met
to do (ook hgd. reden tut er immer enz.). Is dit juist, dan is
het verband tussen praeteritum en participium secundair; in got.
baúhta enz. is dan de dentaal na stemloze of stemloos geworden
consonant verscherpt; in vormen als got. kunþa moet jongere
analogie worden aangenomen.
In de got. pluralis is opmerkelijk de uitbreiding van het suffix tot
-dēd-; heeft in deze taal ook het w.w. doen eens bestaan en
heeft men samenhang daarmee gevoeld?
Wat het ndl. betreft, voor de syncope van de middenvocaal en de zgn.
‘rückumlaut’ zie men § 92. De uitgang -e wordt -
anders dan in 't praesens (§ 142) - niet geapocopeerd, daar hij ter wille
van de duidelijkheid niet kon worden gemist. Een uitzondering vormen die w.w.
welke, doordat zij in 't praeteritum een andere klinker en medeklinker hadden
dan in 't praesens, wel de -e konden ontberen: dacht, bracht enz.
(§92 Opm. 3); vgl. ook wist e.a. (§ 146).
Suffix -te < -de (na stemloze slotconsonant van de
stam, vgl. § 47 en Opm. 2) komt al in het oudste mnl. voor, maar
Zuidoostel. en Twentse dialecten hebben -de nog bewaard.
Daar het praeteritum een i (geen j) had, is hier
evenmin als bij praes. indic. sg. 2. 3. imperat. sg. 2 en part. praet.
geminatie te verwachten. Echter had over 't algemeen gelijkmaking plaats ten
gunste van de geminaat. Soms evenwel - niet meer bij bidden en
sitten, waar de analogie de enkele consonant al vroeg heeft doen
verdwijnen - vindt men in 't mnl. de enkele cons.: zo b.v. bij mennen,
tellen, wennen, maar vooral bij segghen en legghen:
[p. 174]
du seghes, hi seghet; seghe; seghede;
gheseghet } dan ook (zeldzaam): seghen, leghen enz.
du leghes, hi leghet; leghe; leghede;
gheleget } dan ook (zeldzaam): seghen, leghen enz.
Daarnaast ei-vormen: hi seit, seide, gheseit enz.; zie
§ 64.
Du leghes, hi leghet vielen klankwettig samen met 't praesens
indicatief sg. 2. 3 van liggen (vgl. §§ 142, 138b, 32) en zo
werden deze vormen het uitgangspunt voor de versmelting van beide werkwoorden,
zoals men dat vooral in het Hollands (sedert de middeleeuwen) kan horen.
Zeggen behoorde oorspronkelijk tot de 3de klasse (§ 139); evenzo
hebben, waarbij du heves, hi hevet (nog hij heeft), zeldz.
hi heet, de vorm uit de spreektaal, thans nog over in dialectisch
hee(t), heit (beide reeds 17de e.), het, hep,
terwijl de schrijftaalvorm heeft in de cultuurtaal is opgenomen.
Het type 2e plur. ghi hoorde (zonder -t) komt reeds
voor in de 15de eeuw (de tot dusver ontdekte oudste vindplaats is wilde
ghi).
Opm. Vgl. ook mnl. verweent bij verwennen; versmolten
met verwaand, waarmee het in betekenis vrijwel overeenkwam.
De optatief, die in 't got. op dezelfde wijze als bij
de sterke werkwoorden gevormd werd, viel in 't mnl. geheel met de indicatief
samen.
*
146. De
praeterito-praesentia
Het (praesens) perfectum gaf oorspronkelijk de toestand te kennen,
die het resultaat van de voorafgaande handeling is; vgl. § 133. B.v. lt.
dixi = ik heb gezegd, d.i. ik zwijg; ndl. hij is gestorven, d.i.
hij is dood. Zo kon het perfectum zich tot een duratief praesens ontwikkelen,
waarbij dan het oorspronkelijke praesens verloren ging. Dit nu is gebeurd bij
de of althans bij verschillende praeterito-praesentia, die dus met een sterke
praeteritale vorm een praesentiale betekenis verbinden. B.v. lt. novi
oorspr. = ik heb leren kennen, dus = ik weet; lt. odi, memini, coepi;
got. wait oorspr. = ik heb gezien (vgl. lt. vidēre
‘zien’), dus = ik weet. Ze gingen dan nieuwe zwakke praeterita
zonder bindvocaal vormen, b.v. got. wissa bij wait (§ 92
Opm. 3; 122). In 't jongere germ. ontwikkelen zich vervolgens de vormen hoe
langer hoe meer in de richting van regelmatige zwakke w.w. In 't mnl. hebben
echter in de regel de sg. 1. 3. nog geen uitgang (zelden -e, resp.
-t) en heeft de sg. 2 bij drie werkwoorden nog -t (vgl. §
144). In tegenstelling tot de gewone zwakke w.w. viel later in 't praeteritum
de slot-e af, b.v. wist(e), kon(de) (met
assimilatie); het verschil met 't praesens bleef groot genoeg (vgl. §
145); bij wist en kon ontstond voor 't taalgevoel een nieuwe
ablaut.
[p. 175]
De meeste praeterito-praesentia vormen tegenwoordig in zoverre een
eenheid, dat zij als modale hulpwerkwoorden in gebruik zijn. Hoe dicht zij in
betekenis bij elkaar staan, blijkt b.v. uit 't volgende: got. skulan =
ndl. moeten; mnl. moeten = ndl. mogen; mnl. mogen =
ndl. kunnen; mnl. connen = ndl. weten; hgd.
dürfen = ndl. mogen.
Men deelt de praeterito-praesentia in naar de klassen van de sterke
w.w., waartoe ze oorspronkelijk behoorden.
I. got. wait, ndl. weet; praet. got. wissa
(§ 21), maar mnl. wiste (invloed van de gewone zwakke praeterita),
jonger (vooral holl.) woste (§ 53); ndl. wist. 't Part.
praet. in 't got. ontbrekend is in 't wgm. analogisch gevormd: ndl.
geweten, naast oorspr. got. -wiss, ndl. (ge)wis,
als adj. bewaard.
II. got. daug, mnl. dooch, pl. deughen; nu ook
in de sg. de eu. Praet. en part. mnl. dochte - ghedocht (en
gedoghen); nu regelmatig zw. w.w. De eu van deughen
verklaart men gewoonlijk uit invloed van de optatief, waarbij het echter
opmerkelijk is, dat deze modus, die zoveel zeldzamer is dan de indicatief, zo'n
invloed zou uitoefenen. De verklaring wordt echter gesteund door de u
van kunnen, gunnen, zullen, durven, en de eu van meugen;
vgl. hgd. können, gönnen, dürfen, mögen en de ags.
vormen.
III. 1. got. kann, ndl. kan; praet.
kunþa, mnl. conde (ndl. kon) en (onder invloed van
wiste, dorste, moeste) conste; ook - met een uitval van n,
die vrij jong is (zie § 30c) en apocope van de -e - cost [nog zaans
kost; brab. ik kos, meerv. wij koss
(n), kost
(n)]. Part. praet. got. kunþs, maar
mnl. gheconnen (maal gheconst); nu gekund.
2. mnl. an; praet. onde en, gewoner, onste:
part. praet. gheonnen en gheont.
In 't got. alleen 't znw. ansts. In 't ndl. alleen 't
regelmatig zwakke w.w. g-unnen; daarnaast brab. vla. jonnen, ook
in de 17de-eeuwse litteraire taal (
Hooft,
Vondel e.a.).
3. en 4. got. þarf ‘nodig hebben’, mnl.
darf; praet. got. þaúrfta, mnl. dorfte en
dorste: dit laatste (veeleer dan met gedeeltelijke assimilatie ft
> st) in verband te zien met dorste ‘durfde’,
moeste, wiste, conste, onste.
got. ga-dars ‘ik waag’, mnl. dar (i.pl.v.
dars, waarvan de -s tot de wortel behoort; vgl. got.
þarf, mnl. darf) met een -r onder invloed van de
pluralis, waar deze rr ontstaan was uit rz, en der, praet.
got. ga-daúrs-ta, mnl. dors-te.
Het gedeeltelijk samenvallen in 't praeteritum werd het uitgangspunt
voor de versmelting van de twee w.w.; vandaar nndl. durven = wagen, dat
regelmatig zwak vervoegd wordt, waarnaast nog praeteritum dorst.
[p. 176]
IV. got. skal, praet. skulda; praes. pl. skulum
(zwakke trap in plaats van lange vocaal). In de loop van de tijd is de
betekenis van zullen verzwakt; oorspronkelijk gebruikt in de zin van
‘moeten’, heeft het reeds in 't mnl. gewoonlijk de functie van
hulpwerkwoord van tijd. Deze verzwakking van betekenis leidde tot enclitisch
gebruik en geringe klemtoon, en vermoedelijk ten gevolge hiervan is, in onze
taal evenals in 't hgd., de sk tot s geworden: ndl. zal -
zou(de) (vgl. daartegenover 't nauw ermee samenhangende znw.
schuld). De pluralis zullen is van Vlaamse oorsprong en zal in
het A.B. wel via de bijbel- en schrijftaal zijn ingedrongen, maar de
oorspronkelijke Hollandse Utrechtse vormen sel - sellen, waarvan de
e lastig te verklaren is, bleven zich dialectisch handhaven. In het mnl.
is de verwachte klankwettige vorm solen (vgl. got. skulum, en
§ 3) Limburgs; daarnaast, in Zuid-Brabant: selen, met een
onverwachte en onverklaarde ontronding uit sölen, dat Limburgs is
(vgl. Holl. sellen) en voor de eu te vergelijken met dial.
meugen (= mogen, vgl. boven II); sullen is Vlaams.
Opm. De korte vocaal u in sullen is lastig te
verklaren. Plaatst men op een rijtje VI. sullen, Holl. sellen en
(een zeer zeldzaam) Zeeuws sillen, dan ligt het voor de hand aan een
ontronde umlaut te denken, evenals in pit, stik enz. (§ 45); de
sing. Holl. sel kan in die omstandigheden zijn e naar deze
pluralis hebben. Is deze redenering juist, dan moet men een infinitief, praes.
plur. *suljan, *suljum postuleren, met zeer bevreemdende aansluiting aan
de -jan-werkwoorden (vgl. § 138 b, § 139). Wie integendeel
sullen van sellen gescheiden wil houden, zal misschien de korte
u naar de sing. sal verklaren en moet dan uitgaan van een inf.
sulen (met kustmnl. eu-klank, § 40 b), die inderdaad in
West-Vlaanderen in de 13de eeuw een enkele maal voorkomt.
V. got. mag, praet. mahta; praes. pl.
măgum (met afwijkende vocaal). In 't wgm. gaat het w.w. als
skal en kan men het dus tot de 4de klasse rekenen. Mnl. mach;
praet. machte en mochte (ndl. mocht) (reeds os. ohd.
mahta en mohta; de laatste vorm waarschijnlijk onder invloed van
scolda bij scal); part. praet. ghemogen en
ghemocht; nu gemoogd, maar vermocht. Zie voor
meugen onder II.
VI. got. ga-mōt, praet. ga-mōsta (voor
*-mōs(s)a), = ndl. moet, praet.
moeste, holl. brab. moste (§ 31) (ook bij Vondel; nu is
most onbeschaafd); part. praet. gemoeten (b.v. 't had anders
gemoeten).
*
147. De athematische
werkwoorden
In 't idg. was het aantal athematische werkwoorden groot, maar vele
ervan zijn in de loop van de tijd in de afzonderlijke talen door thematische
vervangen. Zodoende zijn er in 't historische germ. slechts enkele resten
over.
[p. 177]
In 't got. bestaan er twee: im en wiljau, in 't wgm.
bovendien doen, gaan, staan. 't Zijn dus alle veelgebruikte w.w., bij
welke immers de anomale vormen minder gemakkelijk door analogie-werking
verdrongen worden. De persoonsuitgangen zijn dezelfde als bij de thematische
w.w., behalve in 't praes. indic. sg. 1: idg. -mi = lt. -m
(sum); ogm. -m: got. im (< oergerm. *ezmi <
idg. *es-mi); mnl. ic bem (in de eerste plaats wvla.) en, met
dialectisch verschil, ben; naast bim, bin (§ 78); nndl.
ik ben. In jongere tijd en nog dialectisch vindt men ook: ic doen,
gaen, staen, en zelfs ic sien e.a.; hier heeft men, althans voor een
groot deel van het taalgebied, veeleer aan invloed van geïnverteerde
vormen te denken (doe-n-ic, sie-n-ic).
a. Het verbum substantivum: idg. wortel es-,
b.v. sg. 2, 3 idg. *es-si, *es-ti = lt. es, est; got. is,
ist; sg. 3 hgd. ist, maar ndl. is (es: § 78). De
vorm zonder -t, die ook reeds in verschillende ogm. dialecten voorkomt,
is waarschijnlijk uit de sandhi te verklaren, daar de assimilatie gemakkelijk
plaats had, als een consonant volgde (vgl. moes(t),
Kers(t)mis, ndd. Os(t)-frislant e.
dg.); bovendien was de -t als persoonsuitgang bij dit onregelmatige
werkwoord overbodig. De idg. nultrap s- is bewaard in lt. s-unt,
s-im; got. sijau; mnl. sî (optat.). Reeds in 't idg.
was dit w.w. defectief, d.w.z. het werd aangevuld door de vormen van de wortel
idg. bhe
-, Schwundst. bhu-: lt. fui, futurus. Zo
ook in 't wgm.: sg. 1. 2. mnl. ben, bes(t) als versmelting van
bhe
- en es-; nu je bent (onder invloed van
ben); ook: we benne(n) enz. Overigens werden in 't germ.
de vormen aangevuld door wezen (got. wisan), een sterk w.w. kl. V
met gramm. wechsel (praet. pl. waren, echter niet meer in 't part.
praet.). In 't ndl. is 't verleden deelwoord zwak geworden (gewezen nog
als adj.). Oorspr. bestond wezen in alle vormen, dus ook in 't praes.
(zo nog in 't mnl.), maar langzamerhand verdwijnt dit praesens; ook 't part.
praes. luidt nu zijnde (maar: nu ter tijd wezende). In de infin.
echter blijft wezen naast het jongere (maar toch reeds owgm.)
zijn; in de imperat. en 't part. praet. worden zelfs het in 't mnl.
reeds zeldzame sî en het daar nog vaak voorkomende ghesijn
verdrongen. - De pl. praes. indic. staat onder invloed van de optat.: mnl.
sijn, sijt, sijn (mede onder invloed van de pl. 1 in plaats van
*sind, got. sind, hgd. sind).
b. Willen: oorspronkelijk athematisch (wortel idg.
wĕl-), vgl. b.v. olt. vol-t uit *vel-t ‘hij
wil’. In 't ogm. is de optatief bewaard, met uitgangen die met die van 't
praet. optat. overeenstemmen: got. wileis, wili (vgl. de lt. praes.
conjunct. velis, velit); thematisch is de sg. 1. wiljau. De
betekenis echter is die van een indicatief; ‘ik zou willen’ werd
tot ‘ik wil’ (vgl. hgd. ‘ich wünschte,
möchte’). Een nieuw zwak praeteritum got. wilda werd ge-
[p. 178]
vormd,
op dezelfde wijze als bij de praet.-praes. In 't ndl. willen: sg. 3
hij wil [daarnaast, met jongere toevoeging van -t, soms mnl.
(brab.) wilt], praet. ik wilde (vla.) en ik wou (holl.)
uit *wolde, os. wolda, ohd. wolta (hgd. wollte),
een oude ablautsvorm (nultrap). Reeds in 't mnl. is de geminatie regelmatig,
ook in sg. 2 en 3 (zelden sg. 3 wele); in sg. 2. staat naast du
willes (wils) onder invloed van de praeterito-praesentia du
wilt.
c. Doen, gaan, staan. De afkeer van de athematische vormen
blijkt het duidelijkst in 't got., waar doen is vervangen door
taujan, terwijl gaan en staan weken voor gaggan
(oorspr. red. w.w.: part. praet. gaggans, maar ééns 't
zwakke praet. gaggida; gewoonlijk iddja; § 133) en
standan (§ 138). In 't wgm. (mnl.) zijn echter naast ganghen
en standen de oude vormen gaan en staan bewaard, welke in
't wgm. ā- en ē-vormen hebben; zo soms nog in 't
mnl.; in 't nndl. echter alleen â-vormen (tegenover hgd. gehen,
steken). Voor 't praet. van doen zie § 140; 't part. praet.
luidt gedaan (ogm.
).
Opm. Gaen staat dus niet tot ganghen als vaen
tot vanghen (§ 25). Wel oefenden de w.w. gaen, staen en
vaen invloed op elkaar uit; vgl. b.v. sting (: ving:
ging), vong en gong (: stong i.p.v. stond).
De vormen vong en gong komen reeds in 't jongere mnl. voor; thans
gelden ze, met sting, als onbeschaafd.
|