AantekeningenI. Algemene OpmerkingenVoor het Oudgermaans, dat alleen ter sprake komt, voorzover het van direct belang is voor het Nederlands, verwijzen wij naar de aantekeningen bij de Inleiding § I-III. Een beredeneerd historisch en bibliografisch overzicht van de Ned. taalwetenschap (sinds 1880) geeft C.B. van Haeringen: Netherlandic Language Research (Leiden, 2de dr., 1960). Voor de taalkundige termen zie men het praktische werkje van Marouzeau, Lexique de la terminologie linguistique3 (1951). Historische grammatica van het Nederlands. Oudere werken: Te Winkel, Geschichte der niederländischen Sprache2 (1901) (ook in Nederlandse vertaling), verschenen in Pauls Grundriss; Vercoullie, Schets eener historische grammatica der Ned. taal4 (1922) (beknopt); Van Der Meer, Historische Grammatik der niederländischen Sprache I (1927) (behalve een zeer uitvoerige inleiding, alleen de klankleer; het tweede deel is nooit verschenen). Daarentegen is de hist. gramm. bijzaak in Lecoutere-Grootaers, Inleiding tot de taalkunde en de geschiedenis van het Nederlands6 (1948). Een ‘Schema van de klankwetten’ publiceerde Weijnen in 1968 (Assen); in 1968 verscheen van de hand van A. van Loey een ‘Inleiding tot de historische klankleer van het Nederlands’ (W.J. Thieme, Zutphen), anders geordend dan maar met verwijzingen naar Schönfelds Hist. Grammatica. Daar de ontwikkeling van het Hoogduits in veel opzichten parallel loopt aan die van het Nederlands, is het vaak wenselijk, die taal te vergelijken. Het geschiktste werk daarvoor is: Van Dam, Handbuch der deutschen Sprache I (1937) (Einleitung und Lautlehre). II (1940) (Wortlehre), waarin dit systematisch gebeurt. Middelnederlandse grammatica: er bestaan twee grote oudere werken, n.l. Van Helten, Middelned. Spraakkunst (1887), en vooral Franck, Mittelniederländische Grammatik (1910). Veel beknopter, maar ook nieuwer zijn twee mnl. spraakkunsten, in Zuid-Afrika geschreven, n.l. die van de Nederlander Bouman, Middelnederlandse bloemlezing met grammatika2 (1948), en het inhoudrijke werkje van de Afrikaners T.H. Le Roux en J.J. Le Roux, Middelnederlandse grammatica (1935) 1) . Van een |
1) De nieuwe druk (1945) kennen wij alleen
uit een bespreking door Van Haeringen (N. Tg. 40, 140 v.).
|
|
breed opgezette Stilistische grammatica van het Mnl. is het eerste deel ‘Vormleer van het Mnl. der 13de eeuw’ uit de nalatenschap van Overdiep door V. Es voor de druk bezorgd (1946). Op dialectologische grondslag berust de Middelnederlandse Spraakkunst4 (I: Vormleer; II: Klankleer) van Van Loey (1969-'70). Overigens wijst De Vooys, Geschiedenis van de Nederlandse taal (1952) de weg. De Vooys schreef, met medewerking van Schönfeld, een Nederlandse Spraakkunst4 (1957), met terugblik tot in het Middelnederlands. ‘Zeventiende-eeuwse taal’ is de titel van een bloemlezing van Weijnen, met tal van grammatische gegevens en literatuur (1956, 2de dr.). Voor ‘het Nederlands van nu’ noemen wij alleen het zo frisse en oorspronkelijke gelijknamige boek van Kruisinga (1938), dat, howel uitsluitend de synchronische taalbeschouwing huldigend, toch ook nog voor de diachronische van belang is (in 1951 ‘omgewerkt’ [vgl. N. Tg. 44, 233] door Godthelp). Onmisbaar voor de beoefening van de hist. gr. is de Taalatlas van Noorden Zuid-Nederland (Nieuwe Noord- en Zuid-Nederlandsche dialectbibliotheek onder leiding van Grootaers en Kloeke: deel I Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland). Deze is begonnen door Kloeke als Leidse Taalatlas (lijst van kaarten NGN. 11, 29 v.v.) en wordt thans voortgezet door de Amsterdamse dialectencommissie van de Akademie van Wetenschappen. Tot dusverre verschenen 6 afleveringen (80 kaarten). Een register op het dialectenmateriaal 1931-1941, verzameld door het Centraal Bureau van de dialectencommissie te Amsterdam, is verschenen als no. 3 van de door de commissie uitgegeven ‘Bijdragen en mededeelingen’. Als nr. 27 daarvan verscheen in 1963 een toelichting bij de Taalatlas I van de hand van Jo Daan en Meertens, als nr. 37 ‘Van Randstad tot Landrand’ (door Jo Daan en D.P. Blok) met een kaart o.m. van de Nederl. dialecten. Nog noemen wij tekst en atlas van Roukens, Wort- und Sach-geographie in Niederländisch-Limburg und den benachbarten Gebieten (1937), welk werk wel in de eerste plaats op volkskunde is gericht, maar ook voor de taalkunde van veel belang is. In het Zuiden zijn de centra van dialectonderzoek
Leuven en Gent. Van de hand van Grootaers
(Leuven) verschijnen regelmatig ‘Mededelingen van de Zuidnederlandse
dialectcentrale’, waardoor men zich alzijdig kan oriënteren over de
stand van het onderzoek. Met Kloeke gaf hij een ‘Noord- en
Zuid-Nederlandsche dialectbibliotheek’ uit, waarin 7 delen zijn
verschenen; wij noemden boven reeds de Taalatlas, die het vervolg erop vormt.
Een ‘reeks Nederlandse dialect-atlassen’ van samenhangende gebieden
(westelijke helft van België o.m. reeds verschenen) wordt uitgegeven door
Blancquaert (Gent) met verschillende medewerkers; de stand tot 1948
werd door hem beschreven in: Na meer dan 25 jaar Dialect-onderzoek op het terrein (Kon. Vl. Academie, reeks III, nr. 28), daarbij nog Orbis I, 1952, 393 v.v. Van groot belang zijn ook de sedert 1927 regelmatig verschijnende ‘Handelingen van de Commissie voor toponymie en dialectologie’. Een opgave van alle kaarten tot 1941 (1942?), die betrekking hebben op Nederlands taalgebied, vindt men bij Schulte-Kemminghausen (Deutsches Archiv für Landes- und Volksforschung 6, 440 v.v.) (met een register van alle behandelde woorden). Een goed overzicht tot 1935 van ‘La géographie néerlandaise’ (tevens met uitkijken op het buitenland) geeft Pée (Revue belge de philologie et d'histoire 14, 1005 v.v.). Als inleiding tot de problemen, die verbonden zijn met de studie der Nederlandse dialecten, kunnen drie in opzet geheel verschillende, maar zeer aan te bevelen boeken dienen:
Weijnen, Nederlandse dialectkunde (19662), een uitvoerig handboek met literatuur, materiaal, vele kaarten en een overzicht van klank- en vormleer en syntaxis;
Van Ginneken, De studie der Nederlandsche streektalen (1943); Album L. Grootaers (1950). Een interessante beschouwing over de betrekkelijke waarde van ‘gesloten’ tegenover ‘open’ kaarten bij Kloeke, Ts. 63, 246 v.v. Van groot belang ook voor ons taalgebied is de ‘Deutscher Sprachatlas’, die sedert 1926 met tekst bezig is te verschijnen; temeer nu het mogelijk zal zijn, de isoglossen door te trekken op Nederlandse bodem, sedert de 40 zinnen van Wenker ook hier zijn rondgevraagd door de dialectencommissie; voor Frings’ Grundlegung, zie § IV. Met de uitgave en toelichting van een Taalatlas van Oost-Nederland en aangrenzende gebieden is K. Heeroma in 1957 begonnen (30 kaarten en toelichting): zie daarover dez. Leuv. B. 45, 20 v.v. Intussen, over de Nederlandse expansie in Westfalen en omgekeerd: Foerste en Heeroma, Bijdr. XV.
Voor de oudste periode (waaruit geen doorlopende teksten zijn
overgeleverd, d.i. voor het midden van de 13de eeuw) levert de
naamkunde onmisbare gegevens: plaatsnamen en persoonsnamen
(uiteraard lokaal gebonden) kunnen, mits zeer kritisch bestudeerd, preciese
chronologische en geografische aanduidingen verschaffen (zie hieronder
Oud-Gentsche Naamkunde). Ook voor de lexicologie en de woordvorming, de functie
van sommige suffixen, de ontwikkeling van de dialecten (in het zuiden vooral na
de 16de eeuw) en de geschiedenis van de Germaanse nederzetting heeft de
naamkunde aan de historische grammatica welkome gegevens verschaft. Jammer genoeg ontbreekt voor de Nederlanden een synthetisch en uitvoerig overzicht. Methodologie, materiaal en literatuur vindt men (met een overzichtelijke inleiding ook door de beginner te gebruiken) bij H.J. Moerman, Nederlandse Plaatsnamen (1956) (vgl. N. Tg. 50, 156), J. Van Der Schaar, Uit de wordingsgeschiedenis der hollandse doop- en familienamen (1953); zie voorts de grondige en degelijke onderzoekingen van M. Schönfeld: Veldnamen in Nederland (2de dr. 1950), Nederlandse Waternamen (1955); voor Zuid-Nederland: het baanbrekend onderzoek van J. Mansion: Oud-Gentsche Naamkunde (1924) en De Voornaamste bestanddeelen der Vlaamsche Plaatsnamen (1935). M. Gysseling publiceerde in 1960 een Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland, vóór 1226 (twee delen). Andere naamkundigen zijn de Zuidnederlanders J. Lindemans, A. Carnoy, de Noordnederlanders P.J. Meertens, D.P. Blok. Een jaarlijks zeer uitvoerig bibliografisch overzicht verschijnt sedert 1927 in de Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie (België); opstellen van kleinere omvang vindt men in de Mededelingen van de Vereniging voor Naamkunde te Leuven en de Commissie voor Naamkunde te Amsterdam, op de omslag waarvan een uitvoerige lijst van monografieën, studiën enz. De Amsterdamse Commissie geeft ook een serie Bijdragen uit. Bovenstaand overzicht van de naamkunde is noodgedwongen zeer beknopt gehouden. Voor het Duits, zie het werk van A. Bach: Deutsche Namenkunde (I: persoonsn., II: plaatsnamen), dat ook voor het Nederlands van belang is. II. Bij de paragrafen2. Gezin: zie voor de betekenis V. Ginneken, O. Tt. 2, 180. 6. Zie de bij § 68 aangehaalde literatuur. Beet, biet: zie ook Baader, PBB. 63, 117 v.v. IJken: vgl. voor de geschiedenis van dit leenwoord Frings, Grundl. blz. 16 met kaart 22, daarbij D' Haene, Leuv. B. 38, 73 v.v. Tegel enz.: moeilijk hiervan te scheiden, maar ook moeilijk te verklaren zijn de vormen met anlautende d: mnl. degel ‘test, pot’, ndl. diggel. Vgl. voor degel J. de Vries, Ts. 48, 180. Over ē2: V. Coetsem blz. 22 v.v.,
enz. 37, 27 v.; Dez., Med. Nk. 38 (1962), 1 v.v. Zie ook Gysseling, Onl. gr. 33 v.v. (vnl. voor de datering van de leenwoorden). 8. Gysseling, Onl. Gr. blz. 44 v. 10. Sommige dialecten: b.v. het Noordbevelands; het omgekeerde is gebeurd o.a. in het Westvlaams: vgl. Jacobs, Wvla. blz. 288 § 16; beide bewegingen in Noordbrab. dialecten: Ts. 76, 149. ei: V. Coetsem blz. 17 v. 14. Hielp: materiaal bij Van Loey Mnl. I § 58. Uit dial. en andere grammatica's over wierp (r + lab.) Van den Berg T.e.T. 9, 75 v.v.; vand Weijnen, Ned. Dial. blz. 207. Holpen, werd wierd, span (bij spinnen) in de 17de eeuw: Santen, p. 118 v. Opm. 4: S. De Vriendt, Sterke werkwoorden... in de 16de eeuw (1965), o.m. blz. 156 v.v. 15. (Meestal) differentiëring: het praet. (got.) type stēlum, gēbum immers sluit aan bij een idg. athematisch aoristtype, met gerekte vocaal, nog te vinden bijv. in Lat. sēdimus; vgl. Rompelman Neoph. 37, 69. 16. dens: Benveniste, Bull. Société de linguistique 32 (a. 1931), 78. 17. Opm.: v. Lessen, Ts. 57, 10 v.v. 18. Van Wijk, Een phonologiese parallel tussen Germaans, Slavies en Balties (Med. NA. Lett. 77A 2 [1934]). Daarbij de kritiek door L.E. V. Wijk, De klinkers der Oergermaanse stamsyllaben in hun onderling verband (1936), vooral blz. 114 v.v. Zie voorts de literatuur bij § 85. 21. Aspiratie van de stemloze explosief, in 't bijzonder in sk (§ 82): Blancquaert, Album Baur I 85 v.v. Verdenius, Ts. 44, 312 v.v. (= Opst. 131 v.v.) verklaart een bij Bredero voorkomende vocatief kynts op soortgelijke wijze als hebbende een uit t ontwikkelde ts. Volgens W. de Vries Verbr. blz. 79 is de aspiratie in de noordoostelijke dialecten van ons land van recente datum; geen aspiratie zowel in 't hoogalemannisch en zuidbeiers als in 't ndl.: Hammerich, PBB - Tübingen 77, 195; zie ook Kloeke N. Tg. 47, 5. Zie voor de overgang van ch tot h V. Ginneken, O. Tt. 1, 380 v.v. 22. Opm. 1: Heeroma (Taalnatuur en taalcultuur, blz. 17 v.) veronderstelt, dat de explosief g gemouilleerd is tot gj en dat deze gj ‘bij de cultuurlijke depalatalisatie averechts hersteld is tot een spirant g’. 24. Gelijkmaking in 't got.: anders Sparnaay Neophil. 31, 60 v. 25. placht: V. Haeringen, N. Tg. 32, 272 v.; V. Loey, Mnl. I § 59. 26. Veel materiaal bij Barber, Die
vorgeschichtliche Betonung der germanischen Substantiva und Adjektiva
(1932). Roosbeek e.a.: Mansion, Bestandd. blz. 137 v.; Schönfeld VN2, blz. 68. Vaars: WNT. 18, 505; Schönfeld, VN2 99. 27. De Germ. klankverschuiving: de stand van het vraagstuk (met literatuur): Moulton, Language 30 (1954), 1-42. Fonologisch beschouwd: Fourquet, Les mutations consonantiques du germanique (1948); hierbij Hammerich, PBB. 77, 1 v.v. Gysseling, Onl. Gr. blz. 11 meent (met Hammerich) dat de verschuiving van bh, dh, gh tot stemhebbende spiranten (die ook in het Italisch en Keltisch plaats had) ouder is dan de eigenlijke Germaanse consonantverschuiving; de laatste actieve fase van laatstgenoemde is gelijktijdig met de eerste Germaanse expansie over België, in de 2de eeuw v. C. 29. b. Kaart vijf-fünf bij Frings, Grundl. nr. 46. Over de combinatie nasaal en f in de onl. psalmentaal: Cowan Leuv. B. 58 (1969), 44 v. c. Kloeke, Festschrift-Borchling (1932) blz. 338 v.v. (met een kaart van ons-uus); Dezelfde, Ts. 54, 82 v.; 273; 55, 148 v.v. (met een kaart van Woensdag); V. Langenhove 1, 154 v.v.; Heeroma, Ts. 58, 220 v.v. (met kaartjes van ons en gans); Frings, Stellung blz. 33 v.; 39; Grundl. blz. 51 v., daarbij Rooth, Neuphil. Mitteil. 53 (1952), 258 v.v.; niet typisch ingvaeoons: Hoekema, Us wurk 5, 57 v.v. Kaart van ganzen: Taalatlas III 15. De verbreiding van de us-vormen in Duitsland op kaart 39 van de DSA. (met tekst blz. 181 v.v.), die van de nasaalloze vormen van gans ald. kaart 45 (tekst blz. 205 v.v.).
De oonfrk. vormen: Van Helten, Die altostniederfränkischen Psalmen-fragmente II § 42.
Zuiden: reeds Winkler heeft in een brief aan Gezelle (Loquela, tot woordenboek omgewerkt, s.v. zonderasem blz. 604) opgemerkt, dat Zonderwijk (N.Br.) en Zonderland (Friesland) een zonder- uit zuider- kunnen hebben, al zou zonder juist voor Friesland vreemd aandoen, W. de Vries, NGN. 11, 77 trekt het vooral voor Zonderveld in twijfel; vgl. ook Kieft, Neoph. 26, 273. Onzeker zijn ook Zunderdorp (Gallée, Ts. 23, 141) en Sonderbosch (Moerman, NGN 7, 12). Sundheim enz.: Van der Meer § 59 Anm. 1.
Uis: in 't oudere Gouds? Kloeke, Ts. 54, 82 v. -muiden: Karsten, It Beaken 3 (1941), 146 v.v. (met oudere literatuur en kaartje); gron. moe: W. de Vries, Groninger plaatsnamen (1946) blz. 161 v.; restricties van Slicher van Bath, NGN. 12, 116 v. Edelswid: Jacobs, Wvla. 23; Ricswi(i)t, vrouwe van Assendelft: F.E. 78, 32; 39 (cf. ook 90, 5; 91, 10), Ricsuinda Dipl. B. blz. 137; Suithardeshaga; vgl. V.D. Bergh Handb. Mnl. Geogr.3 blz. 197 v.v.: F.E. 212, 11 (en vaker); Swiet: Bezoen, Taal en Volk v. Twente, blz. 192. Stide: Lerchner Wortschatz 242. De scherpe spirans al of niet heterosyllabisch: het laatst is deze opvatting verdedigd door V.D. Berg, Leuv. B. 31, 117 v.v. Boes: Fokkema, Uit het spel der klanken, blz. 13; Vleeskruyer, Neophil. 32, 183. Goes, gheese: Schönfeld, Ts. 53, 299 v.v., VN2, 92 v.; Heeroma, Ts. 54, 87 v. Oe(g)stgeest: Muller, NGN. 6, 69 v.v.; 7, 105; Schönfeld, Bijdr. 10, 17; Oosemundskerke, Osdei: Mansion, NGN, 6, 88 v.v.; vgl. ook Dezelfde, OGN. 114 v.v. (Nythardus e.a.); Spijkerboer, NGN. 7, 137 v.v.; 154. Oes: Weijnen, T & T. 4, 46. Zeeuws: smieë enz.: Heeroma Ts. 84 (1968), 275. Mens: mēs: V. Haeringen (N. Tg. 31, 160 v.) gaat zelfs zover om in de tegenwoordige uitspraak van woorden als mens ‘spellingpronunciation’ te zien. De syncope in het Alemans: Bohnenberger, Teuthonist. 4, 13 v.v.; Behaghel, PBB. 58, 294 v.v.; Frings, Grundl. blz. 51.
30. Spidder: Blancquaert en Pée HTD, 7, 335 v.; 338 v. Jongere syncope (-aar, kijeren enz.): men is het over de verklaring niet eens. Zie V. Haeringen, Ts. 42, 280 v.v.; 46, 260 v.; Verdenius, Ts. 49, 102 met Opm. 3; Kloeke: Zuiderzee (1932) blz. 13; Heeroma, blz. 81 v.v.; N. Tg. 36, 218 v.v.; Schönfeld, N. Tg. 36, 255 v. (o.a. over Muieveld); Heeroma, N. Tg. 38, 1; Grootaers, HTD. 17, 397 v.v. Ander in 't Katwijks: Overdiep, Katw. 96 en 130. Aarf enz.: WNT. Suppl. s.s.v.v. Zie voor de verhouding van kind (> kiend > keind) tot kinderen (keinjer > keier) V. Ginneken, O. Tt. 3, 172, 214 v.v.; Dezelfde, Ras en taal blz. 14 v.; 74 v. Opm.: zie voor de mnl. vormen Franck, § 59; Van Loey, Mnl. II § 105 b; mnl. lijnde: Van Haeringen, Suppl. s.v. I lijn. Schijndel: Michels, TTL. 15, 189; Brabantius, O. Volkstaal I, 193; Grauls en Grootaers, Kl. v.h. Hasseltsch D. (1930), § 200. Dyssendach: J. de Vries, Ts. 48, 145 v.v. (vgl.
ook Dezelfde, Altgerm. Religionsgesch. 1 [1935], 173), die echter een
o.i. onaannemelijke verklaring geeft van de naam Dinsdag. Zie voorts Van Haeringen, Suppl. (s.v. Dinsdag); Heeroma, Ts. 58, 226 v.v.; 65, 275 n. 1.
31. Opm. 1. Van Haeringen, Ts. 42, 282 v.v. (met literatuuropgave); Dezelfde, Suppl. s.v. achterdocht (vgl. ook ald. s.v. ambacht); N. Tg. 31, 156; J.H. Kern, Ts. 48, 89; Stoett, Mo. XII; Heeroma, passim (met kaart 17). Zie voor de strijd tussen minder beschaafde ŏ en meer beschaafde ă in de 17de eeuw V.D. Berg, N. Tg. 37, 243. Vriend enz. Van Helten, PBB. 15, 467, Heeroma, Ts. 65, 8 noot 1; laat-mnl. Van Loey, Mnl. II § 71; vrind onbeschaafd in de 18de eeuw: Borger, Ts. 69, 72. Vrund is in de 17de eeuw hoofdzakelijk een schrijftaalvorm: Santen, blz. 59. Verdommen, kommen: Van Haeringen, N. Tg. 21, 135; Kloeke, Ts. 57, 41; Zwaan, blz. 332 (met de daar genoemde literatuur). Kommen door regressie uit 2e en 3e ps. sing. praes. en imperatief, volgens Roelandts, Med. Nk. 36, 118. Opm. 3. Vennoot, vent: WNT. 18, 1748, 1753, 1799.
32. Open en gesloten syllabe: bezwaren tegen deze terminologie zijn ontwikkeld door Paardekooper, N. Tg. 42, 232 v.v., 290 v.v. Rekking van de korte klinkers: H. Kern, Ts. 12, 92 v.v. (in 't bijzonder over 't oostgelders). Zie voor de oudste bronnen Seelmann, Jahrbuch des Vereins für ndd. Sprachforschung 47, 30 v.v., maar ook de daarop door Mansion, blz. 179 terecht geoefende kritiek (vgl. ook ald. blz. 175). In sommige dialecten (de Saksische dialecten van Overijsel en Gelderland, het N.W. Veluws, het Eltenbergs en Limburgse dialecten) is het verschil, vooral tussen ŏ en ŭ, in open syllaben nog bewaard; zie Weijnen, Ned. Dial. blz. 150 (met lit.); Fijn van Draat, Ts. 42, 228 v.v.; Holmberg, 38 v.v.; 47 v.v.; evenzo, in Twente, tussen ĭ en ĕ, alwaar ook nog een gebied bestaat met kort gebleven vocaal: Kloeke, Heeft, blz. 31 v.v., 34 en Zs. f.d. Mundartforschung 26, 117 v.v., overigens Weijnen, Ned. Dial. blz. 149, 158. Anders dan Kloeke ziet Heeroma in de korte vocaal de wijde representant van een oudere (ook Westfaalse) crescendo-diftong: Ts. 79 (1963), 180, aansluitend Entjes T.e.T. 16 (1964), 90 v.v. In het oudoostnfrk. nog niet gerekt, volgens Cowan, Leuv. B. 50 (1961), 11. Smal: Schönfeld, VN2, blz. 115; vaak WNT. 18, 11; verdere vbb. bij Royen, BV. 2, 296 v.v. Opm. 3. Vgl. voor 't hgd. v. Dam 1, 203 v.v. Mnl. qualitatieve verschillen: V. Haeringen, N. Tg. 46,
12 v.v., 17. Palatale a: Weijnen, T.e.T. 7, 20, Ned. Dial. blz.
143; Pauwels, Leuv. B. 39, 75. Delft begin 17de e. (timbreverschil
tussen ā en ă niet groot) Santen, blz. 36; bij Ten Kate is korte a nog [a] en thans nog in Utrecht, elders om [a] zwevend: Jo Daan Zuidhollands (Bij dr. XXX), 19. Lang en kort, vrij en gedekt: V. Haeringen, Album Blancquaert blz. 159 v.v., met lit.; hiervan enigszins afwijkend, vnl. met betrekking tot nnl. ie, uu, oe: Heeroma, N. Tg. 52, 297 v.v. Vgl. Moulton, Lingua XI (1962), 298 v.v.
33. Vee: zie ook Teuchert, blz. 366 v. Viestraat: Muller: NGN. 12, 68 v. Aa: Kloeke, NGN. 11, 140 v. (aan blz. 141 is het citaat ontleend); Schönfeld, Bijdr. 10, 22 (met literatuur). Of Afsnee (bij Gent) -ē bevat, betwijfelt G, Nk. 331. Krommenie: Boekenoogen blz. 523 v., Weijnen, Album Blancquaert blz. 429. Het Y: Hi FE. 93, 5; 8; 10; dat Ye: Okb. HZ. 2, 816 (a. 1292); Schönfeld, Bijdr. 10, 22 (met lit.), WN. 139 v.v.; zie ook WNT. 6, 1395 en vgl. voor Opm. 1 tevens Vanacker, Syntaxis v.h. Aalsters dialect (1948), blz. 57 v.v. 't Schelt: Ogier (De Gramschap, vs. 31), 't school (Warenar), 't Schouwburg (Tengnagel, 1652) (med. De Tollenaere). Coxijde, Raversijde: Mansion, Med. VA. 1933 blz. 123 v.v. en de daar aangehaalde literatuur (korter: Bestandd. blz. 66 v.); Muller, Ts. 59, 192 v.; Frings, Stellung blz. 34 v.; Stevens, Feestbundel V. de Wijer 1, 385 v.; Heeroma, Ts. 70, 159 (Eng. leenwoord).
Paelvoetzide: het eerste lid is een persoonsnaam, zie Beekman, De wateren van Nederland (1948), blz. 153.
Ra: ree: WNT. XII 3, 4. 34-37. Syncope van d: zie vooral Van
Haeringen, Ts. 46, 1 v.v., 257 v.v.; daarbij N. Tg. 31, 103 v.v.; 322
v.v.; Kloeke, Ts. 54, 269 v.v.; Teuchert, blz. 423 v.v. Tegen
Van Haeringen W. de Vries, Med. NA. Lett. dl. 65 A 3 (1928); daarbij
N. Tg. 32, 313 v.; Verbr. blz. 81 v. en 84; Goemans,
Leuv. B. 23, 82; Pauwels, Leuv. B. Bijbl. 39, 81. Verdere literatuur:
Van Ginneken, O. Tt. 3, 192 (d > dj > j);
Verdeyen, Med. VA. 1943 blz. 453 v.v. Het Zuidnl. van de 16de eeuw:
Stoett, Kl. blz. VII v.; het Mechels: Goemans, Leuv. B. 23,
65 v.v.; Van Loey, Mnl. II § 115, T.e.T. 4, 156 v.v.
en N. Tg. 46, de Vooys-afl. blz. 64 v.v.; vgl. voor de slappe articulatie van
d en de dialectische overgang d > r Pauwels,
Album Baur II (1948), blz. 161 v.v. en J. Du P. Scholtz, Die
intervokalische d in Afrikaans (Tydskrif vir Wetenskap en Kuns, X, 2,
223 v.v., inz. 240); het Utrechts: Beets, Ts. 46, 220; de taal van
Huygens' zusters en D.v. Dorp: J.H. Kern, Ts. 48, 94 v.v.; het Delfts
ca. 1630: Santen, blz. 80 v.v.; het westelijk Noordbrabants (syncope
van d na a in de middeleeuwen, later treedt j in de plaats van d op): Weijnen, Med. Nk. 39, 156 (vgl. de Aant. § 35 over Delft); het Haags van de 18de eeuw: Kloeke, Ts. 57, 36 v.; het Katwijks: Overdiep, Katw. blz. 94 v.v. en 152 v. Materiaal uit Huygens en Bredero bij V.D. Berg, N. Tg. 37, 245. Voor de hedendaagse dialecten zie men een kaart van moe in Zeeland bij Weijnen, O. Tt. 8, 159 v.; voor geheel Nederland bij Meertens, O. Tt. 9, 59 v.v. (beide met tekst). Een nauwgezette bestudering van de kaarten van West-Vlaanderen bij Pée, Dialect-atlas West-Vlaanderen (1946) (b.v. kaart 126: blij), zal moeten leren, of de hypothese van West-Vlaanderen als kernland van de syncope van d houdbaar is. Een opstel van Barnouw, Intervocalic-d- in Standard Dutch (the Germanic Review 17 [1942] 81 v.v.), is ons alleen bekend uit een bespreking door Grootaers (HTD. 1946, blz. 149). Over de structuralistische verklaring (ook § 86) van de spirantisering en (samen met v en g) syncope, zie V. Loey, HTD. 36 (1962), 98 v. en Leys, Med. Nk. 39 (1963), 128 v.v. (beide met lit.).
34. I. Uit þ dan wel uit
I. 1b. Leerdam: Mnl. W. 11, 334; zie voor Huis ter Lede ook Muller, NGN. 12, 71. Peel: Schönfeld, VN2 138 v. (met literatuur). Zuur-, Zuurland op Voorne (a. 1696), a. 1565 't Zuyderlant: TAG. 2de reeks 60, 327. Rhoon, Roden: Okb. HZ. 2, 1080. Meel-: Mnl. W. 11, 375 v.; 502. Vgl. ook Zwammerdam: Swadeburg: Mnl. W. 11, 498. I. 1c. Uier: een monografie (met kaarten) van Heeroma, HTD. 10, 113 v.v., waarin ook het parallel lopende luier besproken wordt (blz. 171 v.); daarbij V. Haeringen t.a.p. 11, 325 v.v., met naschrift van Heeroma, t.a.p. 11, 333 v.v.; verder Heeroma, Ts. 65, 10; Weijnen, Taalgeogr. en interne taalk. (1951), blz. 4 v.v. Evenzo pluieren (: pluren?)? zie WNT. s.v. (vgl. ook Ts. 61, 221 v.v.). Koude: kouwe: kou: zie voor het voorkomen der verschillende vormen WNT. 7, 5846 v. Niet hierbij mnl. schouwe / schoude ‘schoorsteen’ (< lat. excava): De Tollenaere Ts. 85 (1969), 241 v. Spellingen met w ook na u in 't Westvlaams: Dupont, Feestbundel-v.d. Wijer 2, 46 v. Opm. 2 Rui(v)en Verstegen, Leuv. B. 36, 52 v. Maar zie ook Leys, Med. Nk. 39, 141: ruden > ru-en (variant ruwen) > ruven. 35. ‘Niederländisch-rheinisch-westfälische Neuerungen’: Frings, 126. Zie voor 't ndd. Lasch, § 326 Anm.; Seelmann, Jahrbuch des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung 58-59 (1933), 90 v.v. De syncope onder Franse invloed: Mansion, Leuv. B. 27 Bijblad 5 v. Ooike: Gysseling, Med. VA. 1943 blz. 840 noot 1; vgl. Hoebeke, Album Blancquaert, blz. 433 v.v. Betwijfeld, wegens onzekere waarde, door Tavernier G. Nk. 473. Bij de mnl. j-vormen vermoedelijk ook mnl. (wvla.) bayen (zie echter Bezoen, Ts. 55, 171 v.v.). - d- resp. j-gebied: Van Haeringen, Neerlandica 128 v.v. - Merkwaardig wegens de datum is de in Picardische teksten, a. 1357, voorkomende vorm laie ‘lade, doos’ = mnl. laeye, lade (vanwaar Frans layette: zie s.v. in Bloch & Von Wartburg, Dict. étymol. langue fr. 1950). In Delft is omstreeks 1630 de oudste d-syncope overal te vinden, maar van de jongere d > j valt nog geen spoor te bekennen: Santen, blz. 85; de vormen met d golden als deftig (blz. 83). Voor de Hagenaar Westerbaen golden de j-vormen van broeyen enz. als een Utrechtse eigenaardigheid: vgl. Heeroma, Ts. 61, 16 v. Bij V. Buchell, Notae quotidianae (uitg. H. Gen. blz. 71: a. 1638) Barlaeus narrabat Tesselscayam viduam Amstelodami superesse picturae et poesios peritam. Raaibraken komt nog in het dialect van Oerle (N.-Br.) voor, naar vriendelijke mededeling van De Bont; radbraken WNT. XII 3, 144. Raai(e) = rade- en (= rode) thans met syncope ten oosten van de Maas, en ald. in Midden- en Noord-Limburg met -j-: T.e.T. 19 (1967), 107 v.v. (rademaker), en Med. Nk. 43 (1967), 67 (rode). Wade, waai: Schönfeld VN2 blz. 144 v. Laai / laa: Kloeke, Noordoost. blz. 78 met kaart (tafel)la. Ontaarding in de gevoelssfeer: Heeroma, Ts. 61, 92 v.v.; 63, 42 v.v.
36. Een poging om regels te geven bij Zwaardemaker-Eijkman blz., 234 v.v.; vgl. ook Eijkman, blz. 130 v., voorts Van Haeringen, Med. NA., Lett., N.R. 26, 8 (1963). Bomschuit: V. Lessen, Ts. 62, 121 v.; Mendels, N. Tg. 41, 189 v. 2. Statenbijbel: zie Zwaan, blz. 204 en 326. Zaêl: vgl. voor het samentrekkingsteken het hiermee de spot drijvende artikel van Royen, T.e.L. 4, 179 v.v. 3. ‘Wanneer ze in jongere tijd voorkomen’: in oudere
tijd behoorden ze wel tot de levende taal; zo b.v. raân, waarvan
de imperatief sing. ra schijnt bewaard in de formule ra, ra, wat is
dat?: WNT. XII 3, 7; 149. Doôn enz.: Vondel gebruikt b.v.
broon ‘broden’ vloe'n, voen, hoen
‘hoeden’ (znw.), ho'en ‘hoeden’ (w.w.) en in
rijm op gemeen (II 124) e'en (znw.). Wou enz.: V. Haeringen, N. Tg. 34, 252 v.; Royen, N. Tg. 35, 208. 4. goelijk enz.: intussen kan goelijk ook geassimileerd zijn uit goetlijc; vgl. Royen T.e.L. 6, 18. Zie voor een dialectisch bewaard lee (zonder -lijk) ‘wreed’ Stapelkamp, N. Tg. 38, 51 v. 5. Kieft, o.a. blz. 25; 43 v.
37. Beekman, NGN. 9, 15 v.v.; Kloeke, NGN. 11, 140 v. (Oud-Ade); Tack, NGN. 11, 145 v.; Van Loey, HTD. 11, 300 v. Tiden ‘gaan’: onzeker; zie het laatst hierover WNT. 17, 63 v. (s.v. tijden). Ader: WNT. Suppl. 1, 229; kade: Van Haeringen, Suppl. 81 (terecht tegen Lindemans, HTD. 6, 71 v.v.); ald. 164 over mnl. strode ‘stro’ en nader V. Loey Med. VA. 1970; zie voor kade ook Teuchert, blz. 48. Puide, WNT. 12, 4730; rade WNT. XII 3, 4; Rading WNT. XII 3, 73 (anders Muller NGN. 12, 74); Zadelstraat: volgens Ketner, Maandblad van Oud-Utrecht 24 (1951) 11: naar ‘de zadelaars, die wij sedert de 14de eeuw in deze straat aantreffen’. Schader-: Mnl. W. 11, 451 v.
39. Het verschil tussen é (= ä) en ë (= ogm. ĕ) is in verschillende zuidelijke dialecten (oosten) tot op de huidige dag bewaard gebleven; zie Van Wijk, Ts. 33, 203 v.v.; verdere literatuur bij Weijnen, O. Tt. 7, 313 v.v., Heeroma, Ts. 79, 173 v.v. Beschrijving met 21 kaarten bij Goossens Die Niederl. Strukturgeographie und die ‘Reeks Ned. Dialektatlassen’ Bijdr. XXIX (1965). Geen umlaut in twaalf (got. twalif): Van Haeringen, Suppl. s.v.; Heeroma, Ts. 58, 205 v.v. (met kaartje). Belle: het laatst hierover Carnoy, HTD. 15 (1941), 295 v.; 295 v.; Schelde: Schönfeld, WN. 73 V. Tavernier G. Nk. 503. Opm. 2. Zie voor de dialectische verbreiding in ouder en jonger tijd Holmberg, blz. 27 vlg.; voor mank: verminken speciaal Frings, Germ. Rom. blz. 184 v. Linge: Schönfeld, Med. Naamk. 29, blz. 5; Van der Bel-Bil: Meertens, Feestbundel-v, d. Wijer 1, 193. Opm. 3. Wetering: Schönfeld, WN. 176 v.v.
40. b. Nadat het probleem aangesneden was door Heeroma en Vereecken: zie Hellinga (blz. 207 v.v.) en nu vooral Kloeke, Afrik. blz. 73 v.v., blz. 99. Voor het mnl.: Van Loey, Mnl. II § 61. Voor eu naast ō in verklankende verba vergelijke men Van Lessen, Ts. 57, 10; steunen, Dez., Ts. 66, 124 v. Deur: Schönfeld, WN. blz. 284, zoon Taalatlas VI 4 en N. Tg. 52, 17. Veulen: Taalatlas I 5, vool Pée, Fryske St. blz. 41 v.v.; zeug: Taalatlas I 8. De ō / eu bij Huygens: Van den Berg, N. Tg. 37, 243; Borger, Ts. 69, 72; Delft: Santen blz. 53 v.v.; bij Ten Kate: zie diens Aenleiding 2, 22. Volgens Tavernier G. Nk. 539 ook Veurne in W.-Vl., hoewel de etymologie nog steeds onbekend is. De werking van de umlaut kent men nog niet in allen dele: b.v. zonder umlaut plat-Aarschots koken ‘keuken’ (J.L. Pauwels, D.v. Aarschot blz. 47; - vgl. Spa. Brab. vs. 1265 de koocken: oppebroken, vs. 1764 stadtskoocken: besproocken), 17de-eeuws oevel, Overflakkees kossen ‘kussen’ (w.w. en znw.), moch ‘mug’, schodde ‘schudden’: Weijnen, Ned. Dial. blz. 166 (met lit.), zie ald. ook blz. 167. Opm. 2. Koegel: Heeroma, Ts. 53, 243 v. en 68, 94; Holl. dialektst. blz. 88 v.: Van Haeringen, Suppl. s.v. kogel (met oudere literatuur); De Bont, K. I § 88 (met kort gebleven klinker: vgl. in onze Hist. Gr. § 65): over ō / ā Van Loey, Mnl. II § 76 Opm. 1, § 77. Vgl. reeds 1267 Asenraede (= rode) Med. Nk. 43 (1967), blz. 50.
41. Zoeken: Taalatlas II 8 (daarbij Van Ginneken, O. Tt. 9, 367 v.v.); groen: taalkaart met tekst bij Van Ginneken, O. Tt. 1, 113 v.; groen, gecombineerd met laag, bij Heeroma, kaart 32 (tekst blz. 104); vgl. voor de middeleeuwen kaart 6 aldaar, met blz. 22 v. (daarbij de kritiek van Kloeke, Ts. 63, 254); kaas: Taalatlas III 10 (daarbij de kritiek van Heeroma, N. Tg. 38, 44 v.; zie ook zijn Holl. Dialektst. blz. 19). Umlaut van lange vocalen: Heeroma, Ts. 58, 202 v.v., maar ook De Vries, Verbr. blz. 36 v.v. (daartegen dan weer Heeroma, N. Tg. 38, 48 v.); daarna vooral Kloeke, Ts. 63, 252 v.v., Afrik. 63 v.v. Het Zuidwestbrabants: Van Loey Zwbrab. blz. 28 v.v. In 't algemeen de zuidelijke dialecten: Verstegen, Leuv. B. 30, 139 v.v. Kustwvla.: Van Loey, HTD. 35 (1961), 149 v.v.
a. Beweren: anders Van Haeringen, Suppl. blz. 19; steeds: Van Haeringen, t.a.p. blz. 161; ongeveer: De Vooys, Nedersaks. en hgd. invloeden op de Nederl. woordvoorraad (Med. N.A. Lett. 81 A 1 [1936]) blz. 8.
b. Hellinga, blz. 90 v.v.; Verdenius, Ts. 62, 201 v.v. (= Opst. 142 v.v.). Boek (= beuk) is ook nog bewaard in een enkel volksrijmpje: Boeken moet men zoeken en eiken moet men wijken (N. Tg. 21, 123). ‘In mijn jeugd was het woord boekeneute (pl., accent op de eu) te Haarlem nog heel gewoon’ (Kloeke).. Ook in namen is de vorm bewaard: Boekelo, Boekenrode; Boekenoogen. Neude: Muller, NGN. 8, 146 v.v.; 9, 150 noot 3. Meu: Taalatlas VI 2. Breukelen: Muller, NGN. 12, 71 v. Broer: Taalatlas V 4 (daarbij Fokkema, De waardering van het Fries [1948], blz. 12 v.); Frings, Stellung kaarten 4 en 22. De verklaring uit de diminutiefuitgang bij Frings, PBB. 63, 46. De umlaut: Heeroma, Ts. 65, 269 n. 5, met nadere verklaring De Bont, K. I blz. 87, vn. 1. Bleu enz.: Karsten, Ts. 53, 175 v. rekent tot deze groep van woorden ook kneuig ‘knus, gezellig’. Woensdag: Kloeke, Ts. 55, 148 v.v. (met kaart); Frings, Stellung blz. 15 v. (met kaart 6), Grundl. blz. 52 met kaart 53 (Weunsdag < *Wodinsdag: eng. Wednesday). Zie voor een oostelijk Goensdag Kloeke, t.a.p.; Heeroma, Ts. 56, 257 v.v. (met kaartje); 68, 93; voorts Van Haeringen, Suppl. blz. 197 (met verdere literatuur). Roekeloos: Van Wijk s.v.; verdere literatuur WNT. s.v. De ie-vormen: Van Haeringen, Ts. 42, 266 v.v. Ongedieve: Buma, N. Tg. 44, 337 v. Kiem / kaam: zie over dit woord en een mogelijke (maar o.i. niet waarschijnlijke) identiteit met kaan (§ 100 Opm. 1), met hun veelheid van vormen, Heeroma, Ts. 61, 88 v.v.; daartegen Van Lessen, Ts. 62, 111 v.v.; dupliek van Heeroma, Ts. 63, 34 v.v. Gesmieden: Heeroma Ts. 84 (1968), 276 v. Het in vroegere drukken § 29 en § 41 vermelde oostel. en noordoost. smeu is denkelijk import uit Westfalen; Zaans smeu zou overgenomen zijn uit Holl. smeudig, dit gerond uit smeedig (met een ander etymon): Heeroma (b. 267 v.v.). Vliering: Heeroma, Ts. 61, 103 v.v. Hiel: Van Haeringen, Suppl. s.v.; zie vooral Taalatlas IV 6, ook Lerchner 108 v. Kieft (blz. 11 v.) schrijft de verdringing van een frank. *haal toe aan homoniemenvrees. Kies (bij Kil. ook keese, kiese): Taalatlas IV 1; zie verder Van Haeringen, Ts. 40, 280, voorts Weijnen, Ts. 78, 86 die veeleer aan ablaut denkt. In diemen en bêken is, volgens Heeroma, Ts. 68, 85 een ingvaeoonse â uit au gefrankiseerd tot ê. Kreen (ook Brab. krien): Buma, T.e.T. 12, 61 v.v. en Weijnen, Ts. 79, 86. Klijster: Lerchner 147.
42. Rooth, Nordfriesische Streifzüge
(1929) blz. 109 v.v. (Lunds Universitets Årsskrift NF. Avd. 1 Bd. 25 no.
6); Dezelfde, Det primära i-omljudet och frågan om
muljerade konsonanter och i-epenteser i västoch nordgermanskan 27
(Vetenskaps-societeten i Lund; Årsbok 1935); Van Ginneken, O.
Tt. 3, 213 v.v. (vgl. ook 302 v.v.); Dezelfde, Ras en taal 14 v.v.; Heeroma, N. Tg. 52, 129 v.v. vgl. ook Kieft, N. Tg. 38, 172 v.v. De anticipatietheorie daarentegen vond indertijd verdediging bij Van Haeringen, De Germaanse inflexieverschijnselen (‘umlaut’ en ‘breking’) phoneties beschouwd (1918), in latere tijd o.a. bij Brinkmann, Sprachwandel und Sprachbewegungen in althochdeutscher Zeit (1931) blz. 77 v.v. De opvattingen van Van Loey (Feestbundel-Van de Wijer 2, 121 v.v.; a. 1944) bewegen zich op hetzelfde plan als de veel uitvoeriger beschouwingen van Höfler PBB-Tübingen 77 (a. 1955), inz. blz. 61 v.v. Over de twee theorieën: E. Rooth, Niederd. Mitt. 6, 140 v.v. (met lit). Voor de mouillering in zuidnederl. dialecten, zie Careme, Leuv. B. 40, 113 v.v.; Grootaers, HTD. 21, 295; Goemans, Album Baur I (1948), blz. 283. Heeroma (Taalnatuur en Taalcultuur, 1949, blz. 7 v.v.) vat de umlaut op als een natuurlijk degeneratieproces in de tijd na de volksverhuizing. Functionele umlauten: Weijnen, Ned. Dial. blz. 167 v.
43. Verstegen, HTD. 15, 299 v.v. (‘De ontrondingsgebieden in Zuid-Nederland’); Weijnen, Ned. Dial. blz. 161 v.v. Dezelfde, ‘Het verspreidingsgebied van de ontronding’ in Ts. 79, 81 v.: hieruit blz. 95 het citaat, ald. p. 96 kaartje met ontronding van oe, tussen p. 98 en p. 99 de ontronding van schön in Duitsland, p. 100 de ontronding van lune in Frankrijk. Voorts ook nog over medialisering en ontronding (bij spontane palatalisering: geen ontronding) Van Loey, HTD. 35 (1962), inz. blz. 149 v.v.; 36, blz. 100 v. Vgl. nog E. Beyer, La palatalisation vocalique spontanée de l'alsacien et du badois (1964).
44. a. Van Loey, Mnl. II § 57; mnl. in de Denderstreek: Vangassen HTD. 38, p. 69 v.v.; Taalatlas I 2: zeven. Van Ginneken, O. Tt. 2, 113 v.v.; 9, 293 v. (ook in 't oosten van ons land expansiehaarden); 1, 287 v. (leunen); Ras en taal 27. Heeroma, Ts. 68, 91. De waardering van de eu-vormen in de 17de eeuw: Van den Berg, N. Tg. 37, 242 v. Reeds vroeg als onbeschaafd beschouwd (Delft, Den Haag) Santen, blz. 37. - Besmeuren: zie echter ook WNT. 14, 2153 (smeuren uit smodderen); steunen Van Lessen, Ts. 66, 124 v.v. Nog andere voorbeelden bij Muller, NGN. 12, 77 v.
b. Blussen, zulver: Van Ginneken, Ras en taal blz. 27 v., voor zulver ook Heeroma, blz. 115; spul: J.H. Kern, Ts. 48, 88; Van Dulven: Meertens, Feestbundel-Van de Wijer 1, 188; skulpad: zie echter ook Bouman en Pienaar, § 62; bun: ben: Van Haeringen, Suppl. s.v. beun; rubben naar vriendelijke aanwijzing van Verdenius voorkomend in Alewijn's Beslikte Swaantje. In het mnl.: Van Loey, Mnl. II § 23. 45. a. Crepelfliet (bij het Kreupelzand in de buurt van Enkhuizen?): F.E. 74, 5.; krepel in Zeeland en overigens westelijk Weijnen, Ned. Dial. § 65 en voorts Ts. 79, 84 v. Nees: Van Ginneken, O. Tt. 2, 88 v. (met kaart en foutieve opgaven: vgl. Kloeke, Noordoostel. blz. 2 v.).
b. Kloeke, De tongvallen langs de Zuiderzeekust (Zuiderzee 1932) blz. 13 v.v.; Dezelfde, Ts. 54, 274 (met kaart van rug); 57, 34 (Haagse volkstaal 18de eeuw); W. de Vries, Ts. 52, 33 v.v.: Dezelfde, Verbr. 28; 33 v.; 57 v.; Heeroma, Ts. 53, 241 v.; Dezelfde, Holl. dialektst. passim (met kaarten); Van Ginneken, Ras en Taal blz. 17 v.v.; Dezelfde, TTL. 27, 310 v.; Dezelfde, Streektalen blz. 76; Karsten, Bijdr. 2, 22; Frings, Stellung blz. 18; 32 v. Speciaal voor Zuid-Nederland: Verstegen, HTD. 17, 299 v.v. (met kaarten van stuk, schutter, knuppel). Taalkaart put (met tekst): Van Ginneken, O. Tt. 1, 148 v.; taalkaart rug (met tekst): Meertens, Taalatlas IV 3. Boers en beschaafd in de 17de eeuw: Van den Berg, N. Tg. 37, 243. De Katwijkse vormen: Overdiep, Katw. 87. Mug, mig, meg: daarbij vermoedelijk met gepalataliseerde g (als in eng. midge) vla. mez(i)e: Kieft, N. Tg. 38, 179. Ticht: WNT. 16, 1835. Impe: Mansion, Bestandd. 67. Bult: hierbij ook de plaatsnaam De Bilt; zie Muller, NGN. 12, 71; maar zie ook V.D. Bergh Handb.3 284 voor Het Bilt.
46. Brug: mnl. bregghe, brigghe: Weijnen, O. Tt. 10, 120; Hoebeke, T.e.T. 1, 123 (ook stic); Schönfeld, VN2. blz. 150. Moeilijkheden levert de naam van de stad Brugge; zie het laatst hierover Gysseling, HTD. 18, 69 v.v. Hil(le): zie voor de betekenissen Mnl. W. 11, 240; hel: Schönfeld, N. Tg. 37, *93 v.v. (spec. 98). Voorts Teuchert, blz. 55 v. Hil in Noord-Brabant: Weijnen, Med. NK. 39, 153 v., Bakx, T.e.T. XII, 153 (ook klippel, rips). Criekenpit: J.W. Muller, Ts. 54, 37. Holl. petten: Mnl. W. 11, 418; Petten: anders W. de Vries, Ts. 52, 33. Warmelde: Foerste, T.e.T. XI, 140 v.v. -Skitte: G. Nk. 505, 568, 431. Greppel (noordwestel.): de geografische verspreiding en de niet zuidelijke oorsprong van de vocaal: Lerchner, 86 v.v.
47. Royen, T.e.L. 3, 41 v.v. en vooral 6,
10 v.v. (met literatuur); Van Ginneken, Ras en taal blz.
100 v.v.; 143 v.v.; De Groot, Neoph. 25, 11 v.; Van Rijnbach en Kramer, O. Tt. 8, 97 v.v. Geen stemhebbende eindmedeklinkers: zie daarvoor Kruisinga, T.e.L. 6, 100 v.v.; 10de eeuw: Mansion, 266, 267, 274; maar sommige (meest: oostelijke) dialecten hebben wel stemhebbende eindmedeklinkers: Weijnen, Ned. Dial. blz. 174. Noord-oosten van Belgisch-Limburg: Leuv. B. Bijbl. 49, 12; Enschede: T.e.T. 12, 120. Zeeuws (Sandhi): T.e.T. 14, 69 v.
Proleptische en analeptische assimilatie: met Royen t.a.p. gebruike men liever deze termen dan de van de letter uitgaande uitdrukkingen regressieve en progressieve assimilatie. Literatuur over en tevens (fonologische) kritiek van de assimilatie: Paardekooper, N. Tg. 53, 303 v.v.; naar aanleiding hiervan juiste opmerkingen, o.m. in diachronisch opzicht, van Heeroma, N. Tg. 54, 245 v.v. Onregelmatigheid van de sandhi-verschijnselen: vgl. b.v. het door Blancquaert en Pée (O. Tt. 6, 6) opgemerkte. Assimilatie: Pée in Miscellanea Gessleriana (1948) II, blz. 979 v.v., Kaiser, Album Blancquaert blz. 31 v.v., Demeulemeester, T.e.T. 14, 20 v.v. Op te man: hoofdzakelijk Leenen, T.e.T. 6, 1 v.v. (met lit), zinsaccent: Van Haeringen, T.e.T. 7, 49 v.v. met antwoord van Leenen, (t < þ) ald. 58 v.v.; in 't Vla.: Tavernier-Vereecken, ald. 6, 147 v.v.; Zuid-Holland: Kloeke, Ts. 74, 296 v.v.; in 't mnl.: Van Loey, Mnl. II § 114 (< þ) met de genoemde lit., Michels, N. Tg. 44, 229 = Fil. Opst. I 232. Ten Kate: Aenl. 1, 126. Voor inclinatie in 't mnl. zie men Franck, Med. NA. Lett. 4e reeks X (1909), blz. 44 v.v.; Verdenius, Ts. 43, 1 v.v.; Overdiep, Mnl. § 21 v.; Loey, Mnl. II § 117 v.v.
Op-en-top: Royen, N. Tg. 40, 159 v.v.
Opm. 2.: zie voor de interjectie toe De Vooys, N. Tg. 16, 177; toch-doch: WNT. 17, 265 v.; bout en bijdehand, aartig e.a.: Royen, T.e.L. 4, 132 v.v.; 5, 82 v.; velten WNT. XVIII. 1653, pleiten Wijk, s.v.; gestolte(n): Royen, N. Tg. 36, 68 v.v.; zat: Stapelkamp, N. Tg. 40, 272; zie voor de geleidelijke verdringing van doe door toen WNT. 17, 570.
Opm. 3: Roelandts, Album Blancquaert blz. 58 v.v. DEZ. T.e.T. XI, 230 v.v. (vgl. nog Med. VA 1962, inz. blz. 112) haalt dialectvormen aan (Brab. puffet < buffet) die hij uit voortonige versterking wil verklaren; het omgekeerde (p > b) ald. p. 233 met lit.; vgl. voor Delft Santen blz. 80. Een expressieve variant met occlusie naast oorspronkelijke fricatief ziet Roelandts (Med VA 1962, 118) in big(ge) < *figjô(n), afgeleid van *fehu ‘vee’ (§ 21), in pink / vinger.
Kloeze: Naarding, N. Tg. 53, 32 v.; sjonge enz.: V. Haeringen, N. Tg. 53, 20. 48. Bessem: Roelandts, Album Blancquaert blz. 55 v. Ginter (gunter) .... loeter: naar aanwijzing van De Bont. Egel: Taalatlas IV 10: de betekenis ‘bloedzuiger’ is in veldnamen in Drente, Overijsel, Gelderland bewaard, vgl. Schönfeld, VN2 blz. 90; zie voorts Taalatl. IV 12: navel. (Steen)huffel: anders Lindemans, Meded. Vla. Top. Ver. 17 (1941), 17 v.
49. Auslautende
Bijvanck: Schönfeld, VN2. blz. 131 v. Klam (bij klimmen uit *klimben?): WNT. 7, 3351.
50. Van Haeringen, N. Tg. 17, 10 v.v.; 18, 70; Blancquaert, blz. 42 v.v.; Kloeke, De Amsterdamse volkstaal (1934) blz. 9 v.; Kruisinga, T.e.L. 3, 92 v.; Hellinga, Ts. 59, 156 v.; Terpstra T.e.T. 4, 101 v.v. (Nijmegen). Owvla. vogala: zie de zin, vermeld Inl. § XI; Vogal, Vogalin: Gysseling, Med. VA. 1943 blz. 840; Velthem: Mansion, blz. 245 v.v. Sm, sn: Kruisinga, T.e.L. 2, 74. Sok, sukkelen: zie ook Van Ginneken, O. Tt. 4, 110 v.
Opm. 1. De Vries als geslachtsnaam: hypercorrect volgens Kloeke, Ts. 43, 162 (vgl. ald. blz. 166 over fiets); fraai: Tiecke, O. Tt 2, 264 v.v., daarbij Schönfeld, N. Tg. 30, 212; saggelen: Stoett, Mo. blz. 152; samen: Royen, BV. 2, 226.
Ogm. þ: zie voor de tijd van overgang vooral Mansion, blz. 248 v.v.; vgl. ook Jacobs, Wvla. blz. 21, 35, 284. Volgens H. Kern, Taalk. Bijdr. I, 175 v.v. en Van Helten, Ts. 28, 305 v.v. spreekt men in 't ndl. twee soorten van d's, waarvan de ene, de alveolare d, de ogm. d representeert, de andere, de supradentale d, de ogm. þ; in de vervoeging (wet van Verner) zou echter gelijkmaking hebben plaats gehad, zodat b.v. gesneden z'n supradentale d aan snijden zou ontleend hebben. Een experimenteel onderzoek zal moeten uitmaken, of hier autosuggestie in 't spel is. þþ(j) > s(s): Teuchert, blz. 204 v.v.; 432 V. Frings, (PBB. 55, 312 v.) bestrijdt de overgang þþ-m > s(s) als een papieren constructie. Kossem: WNT. 7, 5757 (en 5433: s.v. koor [IV]). Pesse: De Vries, Dr. pl.n. blz. 73. Zie voor weesboom Van Gerwen, O. Tt. 3, 351, maar ook de doeltreffende bestrijding door Bezoen, Album-Baader blz. 99 v.v. Opm. 2. terp: vgl. voor noordfri. terp DSA. kaart 47 (met tekst: blz. 211 v.v.); over de betekenissen en de in het Germaans verwante vormen: Foerste, Studium Generale (Berlin) 16, Heft 7 (1963), 422 v.v. til: WNT. 17, 117 v.v.; teek: Opprel, Ts. 56, 209 v.v.; treeft: Frings, Germ. Rom. blz. 87 Vgl. ook terschellings Torenakker en dgl. uit Doorn-akker: Schönfeld, VN2 139. Volgens sommigen hierbij ook Tessel (waarover anders § 81, maar zie de literatuur aldaar). betten: Bezoen, Ts. 55, 171 v.v.; zwetten: W. de Vries, Ts. 44, 204; Heeroma, Ts. 65, 278; Schönfeld, VN2 105, WN. 249.
51. Eijkman blz. 128; Hammerich PBB. 77, 174 v.v. onderzoekt zeer uitvoerig de geminatie in alle germ. talen. De oudere geminatie: verzwakt in de 10de e., verdwenen in de 14de: V. Loey, HTD. 46, 90 v.; verzwakt in het onfrk.: Cowan, Leuv. B. 50, 23. In het vroegmnl. (11de e.): G. Nk. 590.
52. a. ril: Schönfeld, WN. blz. 34 v., 64 (Aerdenhout, Wassenaar). b. Men vindt de geminaat in de Oudgentse bronnen gewoonlijk reeds geschreven (-becca, -rugge, accar e.a.): Mansion, blz. 272 v. Geen geminatie van de r: Van Ginneken, Ras en taal, blz. 48 v.
Opm. 2. Derrie: Lerchner 58 v.v.; Merrie naast dialectisch mĕre, mèrije: Taalatlas I 9. Vgl. ook Franck, § 99. Berrie < *barwjô, derrie < *darχ-jô, merrie < *marχ-iô(n): dus met tussen de r en j een w of χ en zodoende geen open syllabe en geen vocaalrekking: Weijnen Nk. 2 (1970), 155.
De Ackerboom: NGN. 6, 125; vgl. ook Pottmeyer, ZNF. 6, 262. Aker: zie de kaart van eikels: Taalatlas afl. 2 kaart 7. Botter: Heeroma, blz. 21 en 27 met kaart 15. Mekkel-, Mekkelen: NGN. 3, 341; Schönfeld, VN2. 109; vgl. voor mekel ook Frings, Germ. Rom. blz. 223. Nettelhorst: NGN. 3, 361. Sikkel uit lt. sicilis: Van Haeringen, Suppl. s.v. Koper: Kupfer: zie voor de geografische verbreiding vooral Frings, Germ. Rom. blz. 154 v.v. Invloed van 't vulgair-Latijn: Frings, Germ. Rom. blz. 207 met noot 1; Gamillscheg, Romania Germanica 1 (1934), 24 v.; 260.
Opm. 3. In geschriften en in dialecten schuilen nog meer dgl. gegemineerde vormen: vedder (= veer) WNT. 18, 1226, vegger (= veger) WNT. 18, 1339, vekken (= veken) WNT. 18, 1422. d. Wissmann, Nomina postverbalia blz. 162 v.v.; Van Lessen, Ts. 57, 7 v.; Hammerich PBB-Tübingen 77, 187 ziet expressieve geminatie in spotten, snel (-ll), kus (-ss), ww. lokken (verwant met liegen). Nog Roelandts, Med. VA. 1962, 111 v.v.
53. Bilabiale en labiodentale w: Fokkema, Uit het spel der klanken, blz. 20 v.v. Voorts Hellinga, N. Tg. 37, 169 v.v. (en de daar genoemde literatuur); daarbij Van Haeringen, N. Tg. 37, 238 v.v., met repliek van Hellinga, N. Tg. 38, 9 v.v.; bij Van Haeringen Kruisinga, T.e.L. 7, 59 v. - Het Katwijks: Overdiep, Taaltuin 3, 212 en Katw. bl. 96 v. Wreef: Taalatlas IV 7. Wrevel: blijkt geen hypercorrecte spelling te zijn, maar een afleiding bij wrijven: Van Lessen, Ts. 70, 81 v.v. Tiepe zuster: De overgang schijnt in 't ene woord vroeger dan in 't andere te hebben plaats gehad; men zoekt de oorzaak in de u van de volgende syllabe. Vgl. Van Helten, Ts. 25, 62 v.v.; Lasch, § 172; en voor West-Duitsland Frings, blz. 112 v.v. (met kaart). Tussen: Heeroma passim met kaart 10; mnl. twisschen: De Vooys, Ts. 58, 43; Twisk: anders Karsten 2, 161, maar zie nu diens Noordholl. Pl.N. 79. Vgl. nog oostmnl. beteun ‘schaars’ met eng. between en zie daarover Bezoen, Ts. 60, 119 v.v. (met naschrift van Heinsius, t.a.p. blz. 125). Mnl. sulle: vgl. Van Ginneken, O. Tt. 2, 52 (met kaartje van de nog bewaarde dialectische vormen). Worden: anders De Bont, K.L. §§ 50 v. Zie voor woch (woech) naast mnl. wech (bijwoord) Overdiep, Mnl. § 7; spreeuw Foerste, Westf. blz. 27 (+ kaart 9).
Opm. 2. Woe: vgl. ook Van Haeringen, Suppl. s.v. hoe (met literatuur). Voor de toestand in Limburg en aangrenzend gebied zie Roukens, kaart 85. Zie verder Frings, Grundleg. blz. 48 en 51 (met kaart 50).
54. Van Helten, PBB. 16, 297 v.v.; 17, 563 v.v.; 20, 507 v.v.; Franck: Album-Kern (1903) blz. 377 v.v. ‘zich tot een diftong verbond’: die echter niet overal als zodanig bewaard is; vgl. in 't 17de-eeuwse Hollands rijmen als schuw: nu, en zie W. de Vries, Verbr. blz. 113 en 118. Blauw enz.: voor de dialectische schakeringen zie men
Te Winkel, Tongv. afl. 1 blz. 9 v.v. en Ts. 18, 9 v.v.
(daarbij Van Helten, t.a.p. 140 v.); blā uit
blauwe: Peters, O. Tt. 5, 375 v. Voor het oude Zwols
constateert Kloeke (Donum natalicium-Schrijnen blz. 587) nog het
verschil tussen auw en ouw (dus gaauw e.a.). Vondel, die over 't algemeen beide klanken nog onderscheidt, kent toch reeds rijmen als verflouwen: touwen (dl. 7, 801, vs. 639-640). Sleewijk, Sleeuwbeemd: Beekman, NGN. 10, 19 v.; Lindemans en Theys, Drogenbosch blz. 17. Ree: zie voor een ingvaeoonse vorm ra(roof) WNT. XII 3, 347. Heiligerlee: W. de Vries, NGN. 9, 58 v.v.; -leeuw: Mansion, Bestandd. blz. 67. (Dial.) spiejen, spijen: zie voor de verbreiding
Heeroma, blz. 126 v. Mnl. hie: vgl. ook Kloeke, Ts.
39, 266 (vr. hi-j in tegenwoordige dialecten); zie voor hyken en
suytken (Hadr. Junius), 19de-eeuws zoutjen Heeroma, Ts.
64, 121 v.v. Dial. wij: De Bont, K. II, Bijvoegsel II s.v.
w -ouw: Lindemans, HTD. 19, 282 v.v.; Med. VA. 1946, 83 v. 't Is zeer onzeker, of Betuwe hiermee is samengesteld; zie Muller, NGN. 8, 112 v.v. Touwen: J. de Vries, Feestbundel-v.d. Wijer II 139 v.v.
Opm. 2. -oog: vgl. os. hôgias als gen. van hôi ‘hooi’ en ook ags. íeg, ég ‘eiland’. Eiland: fri. eilân, ofri. eiland, maar ook owvla. eylant (Jacobs Wvla. blz. 44). Volgens Carr, blz. 37 v. echter van Friese oorsprong. ‘Frankisering’: Heeroma, Ts. 68, 85 v. Over het in vroegere drukken vermelde, nu geschrapte Appelscha: Miedema N. Tg. 58 (1965), 304 met lit. Kevie, kouw, kooi: zie voor de geografische verdeling en de veelheid van vormen Frings, Germ. Rom. blz. 174 v. Bezwaren tegen de ontlening aan lt. cavea bij Heeroma, Ts. 61, 92 v.v. Ruw, ruig: Van Ginneken, TTL. 27, 310; Knop, Frysk Jierboek 3 (1941), 41 v.v.; rauw: ro, rouw: WNT. XII 3, 401. Ie: dergelijke woordjes, zonder begin- en eindmedeklinker, hadden veel kans te verdwijnen; zie Kruisinga, T.e.L. 2, 65 v.v. (N)ooit: een nieuwe poging tot verklaring bij Heeroma, Ts. 61, 99 v.v. Elk: zie Cowan, Ts. 76, 129 v.v. met lit. Nieuw: Heeroma, passim (met kaarten 3 en 29); Dezelfde, Ts. 64, 126; De Vooys, Ts. 64, 152; Van Loey, Mnl. II § 71; mnl. nouw V.D. Berg, T.e.T. 5, 176 v. Breeuwen: Van Haeringen, Ts. 42, 270.
Opm. 3. Heeroma, Ts. 64, 121 v.v. Zie voor Huygens en Bredero van den Berg. N. Tg. 37, 244. Vloe: WNT. XXI. 2239. 55., De uitspraak van de u van zenuw: Van Haeringen, N. Tg. 31, 160. Valuw: WNT. 18, 14. Hermoes: Teuchert, blz. 203 v.; Foerste, Westf. 85 v. Eluw: vgl. Frings, Germ. Rom. blz. 58. Zwaluw: Van Ginneken, TTL. 27, 311 v. Zie voor de naam Veluwe Muller, NGN. 8, 124 v.v.; vaar WNT. 18, 56. Tarwe: Taalatlas II 3 en 4. Weijnen (naar vriendelijke mededeling) vermoedt in tarwe niet een compromisvorm, maar een Westvlaams leenwoord, gezien de sfeer.
56. De r: Van Haeringen, Ts. 41, 249 v.v.; Pauwels, Germania 2(1936), 66 v.v.; 83 v.v. (‘De wispelturige r’); Hol over de r in 't oosten: Album Kaiser (1951), blz. 47 v.v.; in de diall.: Weijnen, Ned. Dial. blz. 180 v.v.; de huig-R wint veld in Turnhout: Leuv. B. Bijblad 45, 81 vv., Velaire r (in de combinatie rht > rt bij Veldeke): Frings, PBB. Halle 1961, 377, maar volgens Cowan, Leuv. B. 50, 16 dentaal in het oudoostnfrk. Opm. 1. Zie Kloeke, blz. 19 v.; 90 v.; Ts. 57, 55; Van Haeringen, N. Tg. 42, 6 v.; Heeroma, WNT. XII 3, 1 v. In het Silezische Duits bestond de huig-R reeds op het eind van de 16de eeuw, voor de Franse invloed: Moulton, Journ. of Eng. and German Philology LI, 86 v.v. (met lit. over de kwestie). Diender enz.: ook eng. thunder e.a.; ook in 't Frans, b.v. vendredi (: Veneris dies); in dialecten: Stapelkamp, N. Tg. 45, 164. Zie voor de datering ook Heeroma, N. Tg. 38, 61; Van Haeringen, N. Tg. 44, 263; met citaten uit de 13de eeuw Van Loey, Mnl. II § 115. Buitenstaander: boosdoener, en gaanderij: vgl. Van Haeringen, Ts. 63, 215 v.v. Tuilderij: Stoett Mo. blz. 158. Polder: zie voor Kil. polder ‘hoenderstok’ V. Haeringen Suppl. s.v. Vroegere, hollandse, d-vormen: Santen, p. 85.
Opm. 2. Royen T.e.L. 6, 14 v.v., Roelandts, Album Blancquaert blz. 57. Ges - gers: zie Taalatlas I 14, over de zwak gearticuleerde (nog dentale r) Santen, blz. 71.
57-58. Hoofdwerk: Kloeke, Afrik., blz. 100 v.v. die de vroegere literatuur noemt; voorts Van Loey, Mnl. II (b.v. §§ 2, 7, 13, 37, 43, 52, 79); Grootaers, H.T.D. 21, 294. De huidige dialectische situatie wordt geschetst door Weijnen, Ned. Dial. blz. 169 v.v. (met lit.). De tijd van Huygens en Bredero: Van den Berg, N. Tg. 37, 244 v. 57. b. Wvla. Maertens, Oostvla, en Limb. Martens, Brab. Mertens, zuidoost, en Nederl.-Limburg Meertens: Med. Nk. 43 (1967), inz. blz. 42. Opm. 3. Kaart van woerd: Ts. 54, 244a. Zie verder Heeroma, Ts. 63, 45 v.; Ts. 65, 269 v.v.; Stevens, T.e.T. 5, 123. c. staart: Taalatl. IV 13; Taalatl. IV 14 met bespreking in Kloeke, Afrik. blz. 104 v.v.; over paers en waereld nog Paardekooper, Ts. 66, 135 v.v. Maarsbergen: vgl. ook Muller, NGN. 12, 80. Dwars: Taalatl. IV 15. d. ‘Doofheid’: zie nog (voor Delft) Santen, blz. 61 v.v. e. hoorn: verbreiding en verschillende dial. vormen Heeroma, Ts. 65, 277; Schönfeld, VN2 111 v. Morgen (subst. en adv.) Santen, blz. 64.
Opm. 5. Baren: Van Haeringen, Suppl. blz. 12.
Opm. 7. Voorwaarde: Van Haeringen, Suppl. s.v. Naarden: NGN. 9, 150 noot 3. Voorwaarde, Naarden, Baarn (§ 58 c): Van Ginneken, Ras en taal blz. 117, Bruins, Fri. Jierb. 1948, blz. 48; vooral Karsten N.-H. pln., blz. 64. Mnl. Wvla. zijn vormen als darst = dorst, wertel = wortel, maar waerd = woord is oostelijk: Van Loey, Ts. 66, 194 v.v.
58. Zgn. metathesis: zie b.v. Van Haeringen, Ts. 58, 306 en de daar genoemde literatuur. Vgl. verder Van Ginneken, O. Tt. 2, 297 v.v. (met kaarten van treden: terden en fra. cresson: kerson; ook over andere metathesis: rusp, weps); 3, 173; 7, 112 v. (9 sp-kaartjes); Ras en taal blz. 34 v. (sp: ps met kaart); 57 v.v. (met kaart); Weijnen, O. Tt. 4, 286 v.v. (kaart van mispel: mipsel met toelichting); Dezelfde, Ned. dial. blz. 191. Over garnaal enz.: Tavernier-Vereecken, HTD. 24, 46 v. Zie voor de verbreiding van de or-vormen (dorde, korsemis; vors ‘vers’) Van den Berg, blz. 72 v.v. (met kaarten) (vgl. ald. blz. 106 v.v.). Kikvors: Taalatlas I 12. Strijd van born en put (ook reeds mnl. bornput[te]): vgl. Frings, Germ. Rom. blz. 103; 203; 222; Grundl. blz. 24 (met kaart 20); strijd van born en brunn in Duitsland: Grundl. blz. 41 (met kaart 39); Warnsborn Schönfeld, VN2 blz. 146. Baarn: Muller, NGN. 12, 71; zie ook bij § 57. Sport: Taalatlas III 8.
Opm. 1. Aardenburg: NGN. 1, 187 v.v.; HTD. 23, 17; Med. Naamk. 28, 70; 74, vgl. Schönfeld, WN. blz. 76 vn. 2.
Opm. 2. Gras: Taalatlas I 14; zie ook
Schönfeld, VN2 blz. 103. In wrat (hgd. Warze) ziet Heeroma (Ts. 56, 260 v.v.) een hypercorrecte vorm; zie over dit woord ook Dez., Rhein. Vierteljahrsbl. 21, 45 v.v., Teuchert, blz. 324 v.
59. Gewricht: in de toelichting op wreef, kaart no. 1 van de dialectencommissie, wordt een geheel andere, o.i. onwaarschijnlijke verklaring van gewricht ‘wreef’ gegeven. Opm. 1. Utrecht: Muller, NGN. 12, 57 v.v. -drecht: Inleiding § IX (Haastrecht: Spijkerboer, NGN. 7, 141; Mijdrecht: Muller, NGN. 9, 142); Zeldert: Muller, NGN. 12, 90.
Opm. 2. Dorp: derp enz.: Schönfeld, N.
Tg. 31, 180; Geldrop e.a.: vgl. Weijnen, Onderz.
blz. 73 v.; Van Ginneken, Bijdr. 5, 19; 22; De Bont, K. II
s.v. landr
Opm. 3. Sprokkelmaand: Frings, Germ. Rom. blz. 114 v.v.
Opm. 4. Drempel: Van Ginneken, O. Tt. 2, 52 v.v. (met kaartje); daarbij Van Haeringen, Suppl. (s.v. dorpel); Santen, blz. 71 (ald. ook stracke ‘sterke’; voorts r- epenthese in beklemtoonde positie).
60. Vocalisering van de l: Van Ginneken, O. Tt. 3, 304 v.v. Voor het Westvlaams heeft Pée (Album-Verdeyen [1943] blz. 291 v.v.) op een merkwaardige ontwikkeling in een deel ervan gewezen (oekt, oegd, resp. oet, oed). Deze overgang tot oe speelt een rol in de studie van Heeroma, Ts. 64, 132 v.v. Het ontstaan van de gutturaal hierin wordt in een groter verband onderzocht door Grootaers (Rhein. Vierteljahrsbl. 17, 385 v.v.); oude vindplaatsen Leys, HTD. 30, 45 v.v. Over een mogelijke fortis-uitspraak van l (b.v. Bredero: wandellen) Santen, blz. 70 v. Invloed van het Frans? Van Haeringen, N. Tg. 28, 108. in pago Scaldis enz. in de 10de tot de 12de eeuw: Okb H.Z. resp. 249, 145, 173, 155, 156; 132, 136; 90; 91; 85, 87, 91. Verdere voorbeelden bij De Vries, Verbr. blz. 31 v. Zie voor de mogelijkheid van een ander schoud, scheld, schild Lindemans, HTD. 9, 383 v.v. (daarbij NGN. 11, 7 v.). Vgl. ook eng. poult ‘kuiken’ (meng. pulte), šoulde (geschr. shoulder) ‘schouder’ (meng. shulder) e.a., en zie Horn, Engl. Stud. 60, 129. Zie voor gron. old (olt) w. De Vries, NGN. 11, 83 v. Wat het Fries betreft, reeds de dichter Althuysen (18de eeuw) heeft - naar mededeling van Verdenius - spellingen als âde (= oude). Zalt: Kloeke, Noordoost. blz. 103 v.v. Kouter: zie voor de verbreiding in West-Europa Frings, Grundl. blz. 26 met kaart 23, voorts Gysseling, Top. v. Oudenburg (1950), blz. 73 v.v. (met literatuur).
Opm. 1. Heeroma, N. Tg. 33, 76 v.v. Holland: Blok, Fryske St. 419 v.v. Zeer uitvoerig over het Limburgs-Rijnlandse gebied Leenen, HTD. 15, 305 v.v.; zie ook diens lezing Bijdr. 9, 2 v.v.
Opm. 2. Vgl. ook Heeroma, Ts. 64, 137: 65, 17.
Opm. 3. Mansion, NGN. 6, 90 v.v.; W. de Vries, Med. NA. Lett. 65 A 3 blz. 39 v.; Lindemans, Med. VA. 1943 vlz. 799; Dezelfde, Vlaamse persoonsnamen (1944) blz. 21 v.v.; 35 v.v.; 68; Nuiten in W.-N.-Brab.: Weijnen, Roos. blz. 159 v.; vgl. woid- bij Brussel: Van Loey, Mnl. II § 102, ook § 96; Boiden te Turnhout: Med. Ver. Naamk. 28, 113 v., a. 1204 Vindroite (= Vinderhoute bij Gent) G. Nk., blz. 528. Zie voor Limburgs oid (= oud) Franck, § 50 Anm. 2. Kuyvenhoven: Kloeke, N. Tg. 35, 168 (vgl. voor een dialectische ontwikkeling van w tot v Verstegen, Leuv. B. 36, 52 v.). 61. Naald: Naaldwijk heette eens Nadelwich (Okb. HZ. no. 156). Aal(t): Taalatlas afl. 1 kaart 7 (daarbij Van Ginneken, O. Tt. 9, 300 v.v.); zie Kieft, blz. 27 v.v. Maldeghem: Mansion, blz. 104. Rolde: Naarding, De Drenten en hun taal (1948), blz. 42. Nog andere, onzekere vbb. bij Van Lessen, Ts. 49, 266 v.v. (kalven: kavelen, golf: gevel). Nistelrode enz.: Beekman, Mnl. W. 11, 343; Wintelre: Weijnen, Med. Naamk. 24, 65. -el(e)s: Heeroma, passim (met kaart 5); Teuchert, blz. 97 v.v. Zie voorts voor 't ndd. Grunewald, blz. 122 v.v.; 230 v.; Korlén, Niederdeutsche Mitteilungen 1 (1945), 90 v.
62. Schmitt, Akzent und Diphthongierung (1931) blz. 8, 82; Van Wijk, Phonol. blz. 28 v.; 41 v. (met literatuur); Dezelfde, N. Tg. 33, 125, v.v.; Menzerath, Der Diphthong (Phonetische Studien 2) (1941); Caron, blz. 114 v. Volkstaal: v. Coetsem, Orbis I (a. 1952), blz. 360 (met de ald. genoemde lit), Schmitt, a.w. blz. 82 v. c: aldus naar brief (26 nov. 1961) van W.J.H. Caron.
63. ê: ei: Te Winkel,
Feestbundel M. de Vries (1889) 149 v.v. (veel materiaal); Van Helten,
§ 59 Opm.; J.H. Kern, § 50 v.; Van Ginneken,
Ras en taal, blz. 68 noot 3. Zie voorts voor de verdeling van de ê- en ei-vormen Franck, § 26; Roetert Frederikse, LXXVI v.; J.H. Kern, Ts. 48, 90 v.; Fijn V. Draat, Ts. 42, 223 v.v. (Deventers); Winnen, T.e.T. 4, 123 v.v., 7, 108 v.v. (Tienen); Vangassen, HTD. 26, 46 (isoglosse in Klein-Brabant); Tille, § 70; Holmberg, blz. 57 v.v.; Karsten, § 27; Heeroma, passim; een beknopt overzicht bij Weijnen, Ned. Dial. blz. 155 v. uitvoerig voor Brabant en vnl. Oost-Vlaanderen (met aanwijzing van ei-vormen zonder i-uml. in het mnl. Westvl. en in Holland) Van Loey Med. VA. 1967, 31-85 (vgl. § 67 Aant.). Men lette ook op plaatsnamen als Deelen (Veluwe en elders): Deil (Betuwe), Den Deyl (gehucht van Wassenaar). Eik: zie thans ook Roelandts, Med. Nk. 36, 104. Vleis: Heeroma met kaartje 22; daarbij Kloeke, Ts. 57, 44, nog Santen blz. 38 (ook bleik, teiken: Delft); weit: Taalatlas II krt. 3 en 4; ook afl. 2 krt. 7 (eikels) is ten dele te gebruiken voor dit doel. -stein: Muller, NGN. 12, 74 v. Scheiden: vgl. De Bont, K. I blz. 102 Opm. 2 (heiten = heten). Heel: heil (helen: Heiland): zie J.W. Muller, Ts. 57, 63 v.v.; anders Van Lessen, Ts. 59, 62 v.v.; -heid / -heden: Van Haeringen, Suppl. (s.v. -heid). Verschil van ē en ê: zie voor Maerlant Franck, Zfda. 25, 30 v.v., voor Velthem e.a. Van Loey, Mnl. II § 48, overigens T.e.T. XII, 140 v.v. Zie verder voor de samenval in Amsterdam in de 16de eeuw Kooiman N. Tg. 48, 180 v.; sedert Spiegel Hellinga, blz. 254 v.v.; voor de dialectische verdeling Heeroma, Ts. 53, 244 v. Delft begin 17de e.: geen bezwaar tegen een rijm ê: ē Santen, blz. 37; in Scheveningen a. 1717 nog gescheiden Heeroma, Bijdr. XXV, blz. 12. Het w.w. heten (got. haitan) rijmt reeds in 't mnl. opvallend vaak op vormen met ē; zie Franck, Ts. 14, 305 v.v. Tweileidig: C.O. (de Leidsche Peuëraar). Opm. 1. Vgl. Van Coetsem: Leuv. B. 39, 41 v.v.
64. ei uit ĕgi: Van Ginneken, O. Tt. 3, 193; 302; TTL. 27, 309 v.; Heeroma, passim (met kaart 7); Gleissner-Frings, Zs. f. Mundartforschung 17 (1941), 84 v.v.; Frings, Stellung blz. 33, 't laatst Rhein. Vierteljahrsbl. 20, 172 v.v. (seide < segde, zonder middenklinker, uit de ingvaeoonse onderlaag). Segene: Frings, Germ. Rom. blz. 139; fri. wvla. teil ‘staart’: WNT. 16, 1372. Zeer onzeker: slei ‘slijmig vocht’: Bezoen, O. Tt. 4, 120 v.; keilen: Overdiep, O. Tt. 5, 18. Einde enz.: vgl. Franck, § 58; Rooth, Nordfriesische Streifzüge (1929) blz. 5 v.v. (vooral 26 v.v.); Van Ginneken, O. Tt. 3, 91 v.v. (taalkaart drinken, dial. dreinken); 309. Pendrecht: Pagindrecht Okb. H.Z. no. 106 (a. 1114-1127). Opm. 1. De Vries, Ts. 34, 218; Erne, Twee zestiende-eeuwsche spelen van de hel (1934) blz. 92 (G 700). Opm. 2. Mansion, blz. 268 v.v.; vgl. ook Jacobs, Wvla. blz. 32, 35, 283. Legia > Leia > leie vgl. Dipl. B., blz. 420); -dei e.a.: de literatuur hierover bij W. de Vries, NGN. 8, 20 v.; zie echter ook Lindemans, Vlaamsche persoonsnamen (1944) blz. 20 v.
65. Ofri. â en ê: zie Fokkema, Uit het spel der klanken, blz. 9 v.v. a. Taling: WNT. s.v.; anders over de klinker van taling en aterling Heeroma, N. Tg. 29, 344. Ladder: zie vooral Van den Berg, blz. 42 v.v.;
Taalatlas I 4 (onbillijke critiek op Van den Berg door
Van Ginneken, O. Tt. 9, 296 v.). Voorts Kieft, blz. 13;
Kloeke, NGN. 11, 28. Scouthate, asich-: Miedema Nk. 2 (1970), blz. 6-8; - schaprade: volgens Miedema (blz. 10) geen ingueonisme, maar vervanging (in Vl. en Brab.) van ê door ā naar de verhouding streetkijn: straetken ‘straatje’ en invloed van huusraet. Vaak, veek: WNT. 18, 1075. Haamstede: Kapteijn, PBB. 57, 201 noot 2, die de vorm Fries noemt; Miedema Nk. 2, 4-7. Zwaag: Moerman, Ned. Plaatsnamen blz. 225; daarnaast (gelatiniseerd) swechus: zie Formsma, Saxo-Frisia 2, 81. Zie voor dit woord en voor ga(a)st / geest Schönfeld, Bijdr. 10, 21; Heeroma Ts. 65, 277. Deze en nog enkele andere vormen bij Gysseling, It Beaken, 24, 12. Pleister: 1 / Heeroma, Ts. 68, 89; 2 / Wijk, s.v., echter WNT. XII 1, 2521 Klaver: Taalatlas II 5 (met verbeterblad III 11). Heeroma (Ts. 56, 262 v.) ziet in klever een contaminatie van klaver en (hgd.) Klee. Foerste, Festschrift f. J. Trier, 1954, blz. 396 v.v. en Westf. blz. 14, 27, ziet in klâver (: Klee) een ablaut ê: ai; vernuftig maar niet overtuigend Van den Berg, NGN. 14, 183 v.v. (met kaart) die klever voor een umlautsvorm houdt (owgm. *klêwiz-).
b. Zie de taalkaart bij Te Winkel, Tongv. afl. 1. Moot, flikflooien: Heeroma, Ts. 61, 86 v.; 92 noot 1 (ook over aat: oot ‘wilde haver’, eng. oats); Dez., Ts. 68, 84 v. (= ontspoorde frankisering, nl. ingv. â < ai ‘hersteld’ in ô < au). Daarentegen denkt Weijnen aan klankontwikkeling (ai >) â > oo beperkt voor dentalen en i, het uithebben van een Engels verschijnsel: Med. VA. 1965, blz. 399. Toon: Van Haeringen Suppl. (s.v. teen); daarna nog: W. de Vries Verbr. blz. 65; Teuchert blz. 324 c, Van Haeringen, Ts. 40, 269 v.v.; 42, 266 v.v.; Heeroma, passim (met kaarten 1 en 24); Kieft, blz. 62 v.v.; Van Loey, Zwbrab. blz. 95 v.v. en Mnl. II §§ 48, 53; Hoebeke, T.e.T. 1, 124 v.; Frings, PBB. 63, 37 noot 1; Dezelfde, Stellung blz. 36; W. de Vries, Verbr. blz. 30 v.; Karsten, Bijdr. 2, 19 v.v.; Teuchert, blz. 396 v.v. Geheel anders Van Ginneken, Ras en taal blz. 43. Een taalkaart van steen bij Geenen, O. Tt. 6, 174 v.v., wiens interpretatie echter moeilijk aanvaardbaar is. Mnl. thiene(n): vgl. De Vooys, Ts. 64, 166; holl. tiend: Kooiman, N. Tg. 48, 181 v. Swaen, blz. 79 n. 2 vertelt: Wij Haarlemsche jongens plachten elkaar uit te schelden voor ‘donderstien’. Bredero en Huygens: Van den Berg, N. Tg. 37, 242. Lede: Schönfeld, WN. 150 v.v.; Schipluiden: Muller, NGN. 7, 99; Heeroma, blz. 93; W. de Vries, Verbr. blz. 54 v. Een parallel schijnt Markluiden, dat echter in Gelderland ligt en alleen e-vormen kent (Merclede): zie Mnl. W. 11, 334. Delft 17de e.: zeer ouderwets (ie alleen voor n, hieten, swiep) Santen, blz. 39 v.
d. Muller, Ts. 40, 157 v.v.; daarbij W. de Vries, Ts. 44, 195 v.; Dezelfde, Med. NA. Lett. 65 A3 blz. 38 v.
66. Spiegel, en ook Montanus (Delft, 1635): Caron, blz. 112. In sommige woorden was deze oo (< au) ook te horen i. pl. v. ō (< ŏ) vóór r: voort, koord, boord, poort, moord, (thans bijv. nog in 't Antwerps), woord, koorn; vgl. Caron, blz. 50; Van Loey, Mnl. II § 77, over de (onechte) diftong in het mnl. en thans: T.e.T. XII, 139 v. Dialectische toestand: Weijnen, Ned. Dial. blz. 156.
Heeroma, blz. 92 constateert, dat in de Hollandse dialecten de
scherplange ô beter bewaard is dan de scherplange ê.
Zie voor het samenvallen van beide klanken Hellinga, blz. 254 v.v.,
Kooiman, N. Tg. 48, 183 v.v., Van den Berg, Ts, 75, 189;
chrout Winkler II 96; open / Opm. 1. Vgl. Zwaan, blz. 308 v.
Opm. 2. Vlaming: Gysseling, Album Baur I blz. 200
v.v. Beken: zie § 41 Aant. Datnesta en Asdunc: Dipl.
B. blz. 130, 229 en 138 (vgl. Mansion, blz. 114). De oude vormen van
Adinkerke enz. Gysseling, It Beaken 24, 11; van
Oostbroek enz. meest in FE., deels ook in Okb. HZ. Zie voor de
verschillende woorden Gosses, Album Baader (1938) blz. 68 v.v.;
Karsten, It Beaken 3 (1941), 138 v.v.; Beekman, Mnl. W. 11,
303 v.v.; W. de Vries, Verbr. blz. 25 v.; zie voor
koog / kaag ook Heeroma, Ts. 65, 278, Gysseling, It
Beaken 24, 11; sloot: Schönfeld, WN. 179 v.v. (lichte)laaie: 't laatst hierover Heeroma, Ts. 61, 88 noot 2 en 92 v. kapen: 't laatst hierover Van Lessen, Ts. 61, 217 v.v.
Opm. 3. Opdoemen: Heeroma, Ts. 64, 132 noot 9 wijst nog op Oetger: Ootgeer.
67. Heeroma, Ts. 53, 242 v.; Dezelfde, Holl. dialektstudies passim (met kaarten 19 en 23 van vuur: vier); Ts. 57, 238 v.v.; 65, 7 v.v.; Kloeke, Deftige en gemeenzame taal blz. 20; Dezelfde, Ts. 57, 32; Van Haeringen, N. Tg. 30, 305; Van Loey, Zwbrab. blz. 150; Meertens, O. Tt. 6, 44; Daan, O. Tt. 9, 253 v.v.: kaart van kuit (met tekst); nu vooral Taalatlas IV 4; Frings, Festschrift-Baesecke (1941) blz. 46 v.v. (‘Das Wort Deutsch’); Dezelfde, Stellung blz. 5 v.v.; 36 (met kaart 15: vuur); Teuchert, blz. 413 v.v.; Gysseling, Med. VA. 1943 blz. 836; kaartje van lief: Weijnen, Ned. Dial. blz. 157, ald. blz. 158: bespreking van vuur, kuit en ie / uu. In het woord Diets / Duits lag de isofoon in de buurt van de grens van Vlaanderen en Brabant: Goossens Leuv. B. 55 (1966), 101, taalgeografisch en structureel parallel met ê / ei (§ 63): Van Loey Med. VA. 1967, 81. 17de eeuw: Van den Berg, N. Tg. 37, 244. Over het type ndl. buigen: hd. biegen zie Lerchner blz. 53. Mier: Van Haeringen, Suppl. (met literatuur); Teuchert, blz. 61 v.v.; 354 v.v Opm. 1. Duivel: Frings, Germ. Rom. blz. 28; Lessiak, Beiträge zur Geschichte des deutschen Konsonantismus (1933) blz. 198 v.v. Kies en kuis: Van Haeringen, Suppl. s.s.v.v. (met literatuur); daarna nog over kuis Kaspers, PBB. 67, 151 v.v.; over kies Teuchert, blz. 302 v.
Opm. 2. Deemoed tegenover ndl. ootmoed, beide vertaling van lat. humilitas: Frings, Germ. Rom. blz. 21 noot 2, Grundl., blz. 23; veertien: Heeroma, passim (met kaart 11), en WNT. 18, 1295, veertig ib. 1302.
68. De onl. vormen en spellingen:
Gysseling, Onl. Gr. ō: blz. 46 v.v., ê blz.
40. Limburg (oudoostnederfr.k) Cowan, Leuv. B. 50, 13 v. De in de
tekst gegeven voorstelling stemt in hoofdzaak overeen met die, welke door
Frings is ontwikkeld in een even diepgaand als breed opgezet artikel
(PBB. 63, 1 v.v.); eveneens gallo-romaanse invloed bij R. Bruch
(Deutsche Wortforschung in europäischen Bezügen, hrsg. von L.E.
Schmitt, Bd. 2, 1963, blz. 421 v.v., 466); bij Frings vindt men alle
vroegere belangrijke literatuur vermeld. Ongeveer terzelfder tijd verscheen het
belangrijke proefschrift van Hellinga, die zich (blz. 41 v.v.) in 't
bijzonder met de spelling van de oe in 't Nederlands bezig houdt en daaruit tracht de klankontwikkeling te reconstrueren; naar zijn mening is de oe ‘een uiting van taalontwikkeling op papier’. Ook naar hem zij verwezen voor verdere literatuur. Dat men rekening heeft te houden met overgangsklanken, blijkt uit de tegenwoordige dialecten, waar het zelfs voor een geoefend oor niet altijd mogelijk is, vast te stellen, of een ō dan wel oe gesproken wordt; vgl. Kloeke, Ts. 63, 249; thans ook voor Holland Kooiman, N. Tg. 48, 177 v., Weijnen, Ned. Dial. blz. 154. Voor de ê beschikt men over minder materiaal dan voor de ô. De rijmklanken in 't mnl.: Overdiep, Mnl. § 13. De spelling van de o bij Van Leeuwenhoek (Delft): Mendels, N. Tg. 41, 127; over de gecompliceerde situatie in Delft 17de e.: Santen, blz. 48 v.v. Zie voor de spelling met ue en ou in Holland onder invloed van Brabant, resp. Vlaanderen V.d. Berg, Ts. 65, 74 v.v. ‘Détresse phonologique’: I. Dal in Archiv f.d. Studium der neueren Sprachen, bd. 188, jrg. 103, blz. 115 (met literatuur). Vgl. nog J. Fourquet, La palatalisation spontanée de l'alsacien ‘hüs, brüeder, köife’ in Essais de philologie moderne (1953), blz. 181 v.v. en het in § 43 genoemde werk van E. Beyer. Erasmus: Caron, blz. 84 v.v. (ald. ook blz. 92 en blz. 112 nader over de variant ou, die nauwer was dan oe). Mnl.: Van Haeringen, N. Tg. 46, 14.
Moor-: juist bij dit woord schijnt de ô zich lang gehandhaafd te hebben; vgl. moirvelden e.a. bij Weijnen, Roos. blz. 51. Met moer- / moor- is te vergelijken stroet / stroot, zie Schönfeld, VN2 194. Wvl. ou: naar een schriftelijke mededeling van Paardekooper. Maar Gysseling, Onl. gr. blz. 149 houdt ou voor aanduiding van een ō-achtige klank, herkomstig uit het Picardisch. In zuidoostel. W. Vl. Willemyns T.e.T. 22 (1968), 65 v.v. Loom: Van Haeringen, Suppl. s.v. De oe in vla. loeme ‘bijt’, waarover 't laatst Teuchert, blz. 376. 17de eeuws oy: vgl. ook Nauta, Taalk. aant. op Brederode § 18; voor Hooft d'Angremond, blz. 29.
69-75. Hoofdwerk: Kloeke, De
Hollandsche expansie (1927) (met kaart; kleine correcties bij Kloeke,
Leuv. B. 22, 121 noot 1). Van de geschriften van zijn voornaamste bestrijders
noemen wij: W. de Vries, Is uu voor oe Holland in- en
uitgevoerd? (Med. NA. Lett. dl. 63 A5) (1927); Salverda de Grave, N.
Tg. 22, 65 v.v.; 154; Neoph. 21, 257 v.v.; Kern, Ts. 48, 80 v.v.
Overigens verwijzen wij naar Hellinga, die (blz. 111 v.v.) alle
belangrijke literatuur tot 1938 vermeldt; zie voorts Dezelfde, Ts. 59,
144 v.v.; Bijdr. 4, 27 v.v. (Fries en Stadsfries). Van 1938 dateert
Heeroma's artikel Ts. 57, 276 v.v.: vgl. daarbij W. de Vries,
Verbr. blz. 42 v.v. In 1941 verscheen het proefschrift van
Janssen, De verbreiding van de uu-uitspraak voor westgermaansche û in Zuidoost-Nederland (met 21 kaarten), dat in wezen een bestrijding van Kloeke's expansie-theorie is; daarbij Dezelfde, O. Tt. 10, 103 v.v. Een kritiek op deze dissertatie door Kloeke, N. Tg. 36, 128 v.v., met scherpe antikritiek van Janssen, O. Tt. 10, 256 v.v. Een aanvulling voor Zuid-Limburg gaf Endepols, N. Tg. 38, 109 v.v.; een voor Delft (V. Leeuwenhoeks taal) gaf Mendels, N. Tg. 41, 126; ‘een aanvulling van de muis-huis-kaart’ gaven Kloeke en De Knegt, T.e.T. 4, 147 v.v. Kaarten van buik en kuit, met tekst, bij Daan, O. Tt. 9, 251 v.v.; 281. Noord-Brabant: Weijnen, O. Tt. 6, 11 v.v.; 8, 368 v.v. Zuidwest-Brabant: Van Loey, Zwbrab. blz. 143 v.v.; 215 v.v.; daarbij Heeroma, Ts. 63, 130 v.v. Oost-Nederland in de 19de eeuw: Heeroma, N. Tg. 30, 218 v.v. Diftongering bij Vondel: Michels, blz. 162 v.v.; vgl. ook Zijderveld, Ts. 61, 246 v.v. Delft / oe. / : Santen, blz. 47.
69. De uitspraak van de diftong: vgl. Zwaardemaker-Eykman, blz. 155. Voor ‘de ou-diftongering in het Nederlands’ zie vooral Heeroma Ts. 64, 121 v.v., volgens wie de holl. ou uit Brabant is geïmporteerd. Zie speciaal voor nu-nou Van Haeringen, Suppl. s.v. nu; Kruisinga, T.e.L. 2, 73. Vgl. voorts bij § 54. Opm. 3.
70. Heeroma, Ts. 64, 134 v.v. betoogt, dat de Veluwe (en Urk) ten onrechte als niet-diftongerend worden beschouwd; ou- diftong: Kloeke, Afrik. blz. 51 n. 73, Weijnen, Ned. Dial. blz. 155. In de oostelijke Noordbrabantse Kempen gaat het huidige ou / oe. / op û (niet uu) terug, met diftongering voor 1300: De Bont, T.e.T. XII, 117, 120, ook De Bont, K. § 121 en blz. XLI. De middeleeuwse uu / oe-grens lag verder westelijk dan heden: V. Loey, HTD. 35, 160.
71. Oudgents: Mansion, blz. 202 v. Toponymische oe-relicten: Schönfeld, Med. NA. Lett. 73 A 1 (1932) (met literatuuropgave over de oe-woorden); daartegen W. de Vries, Ts. 52, 18 v.v.; 301 v. Boer: het laatst hierover Heeroma, N. Tg. 37, *48 v.v., die de oude etymologie (boer = bouwer) verdedigt; zie aldaar de vroegere literatuur. Doffer: Taalatlas I 6; Kloeke, NGN. 11, 28. (Een) loer (draaien): zie echter ook Van Lessen, Ts. 61, 221 v.v. Moeskoppen wordt meestal als een germanisme beschouwd; vgl. b.v. De Vooys, Med. NA. 81 A1 (1936) blz. 14 n. 2. (Robbe-)does en smuilen: zie echter ook Van Haeringen, Suppl. s.s.v.v. Poes, poezel, poezen: zie voor deze woorden, waarvan de
onderlinge ver- houding niet geheel duidelijk is, WNT. 12, 3017; 3018 v.; puisje vangen: WNT. 12, 4773. Kloet: Lerchner 147 v.v. Knoet: Kloeke, Ts. 46, 256. Roest: Teuchert, blz. 313 v. Sloef: maar zie Stoett, Kl. blz. 87 v. Ook ploert (vgl. WNT. 12, 2713)? Natuurlijk zijn niet opgenoemd specifiek oostelijke woorden en uitdrukkingen als koeze ‘stok’ (: kuis); oetoe (Verdenius, Ts. 62, 208 v.); ploeren en mnl. coeren (Van Lessen, Ts. 61, 221 v.v.).
Opm. 1. Spoeg(en): W. de Vries, Ts. 48, 234; Heeroma, blz. 126 v.v.; Dezelfde, Ts. 63, 18 n. 2.
Opm. 2. De Vooys, Med. NA. Lett. NR. V 3 (1942) blz. 11 noot 3; zie ook Heeroma, Ts. 63, 8 noot 2; 17 v.
Opm. 3. Van Haeringen, Supp. s.v. kaproen.
72. De overgang van ū tot ü: volgens de in de tekst gegeven opvatting heeft deze in 't fra. reeds vroeg plaats gehad; de meningen daarover verschillen. Verschillende geleerden verklaren de ndl. en fra. overgang uit een Keltisch substraat (vgl. Brits i < ü < ū). Vooral J. de Vries (Ts. 50. 181 v.v.) heeft echter aangetoond, op hoe losse gronden deze opvatting berust (zie aldaar ook de oudere literatuur; daarna nog Koppelmann, Ursachen des Lautwandels [1939] blz. 115 v.v.). Over de fonologische ontwikkeling ū > ü in het Gallo-romaans (westfrans: 11de eeuw), zie thans G. de Poerck, in Romanica Gandensia I (1953), inz. blz. 79 v. Palatalisatie uit het Picardisch (12de eeuw; in het Normandisch eerste helft 11de eeuw) in het aangrenzende Vlaams binnengedrongen wordt nog voorgestaan door Gysseling, Onl. Gr. blz. 50 v. Meer of minder vroege neiging tot diftongering: 't is de vraag, in hoeverre voor Holland vroegere zuidelijke invloed hierbij in 't spel is. Zie voor de positie vóór vocaal Van Haeringen, Ts. 46, 261 v.; Caron, blz. 114 v.v. (blz. 138: ‘de ui toonde eerder neiging tot diphthongering dan de ij’). Uu-vormen: Van Haeringen, N. Tg. 21, 135; Verdenius, Ts. 48, 9; Van Ginneken, O. Tt. 2, 380 v.v. (met kaartje van duizend); Weijnen, N. Tg. 39, 151. Zie ook Mansion, Leuv. B. 27 Bijblad blz. 11, Den Haag: Borger, Ts. 69, 59.
73. Fonologische theorie: L. van Wijk,
Ts. 67, 161 v.v. (met lit.) (ook nog Niederd. Mitt. 6, 121 v.v.); in de
samenval van wgerm. û met ui2 (ook van wg. î en ei in een ei-foneem, en van ae / aa in aa) overwon het eenvoudigste foneemsysteem: Paardekooper, Ts. 65, 217; behoud van î en û als extreme vocalen, dus wegblijven der diftongering, in Limburg: Weijnen, Taalgeogr. en interne taalk., blz. 21. Critiek op de ‘spontane’ ontwikkeling: Kloeke, N. Tg. 47, 4. Kritiek op de fonologische verklaring, pro medialisatie van
uu: V. Loey, HTD. 35 (1961), 131-216 (met lit).
74. Cahen, Bulletin de la société de linguistique 26 (1925) blz. 168 vlg. heeft terecht de opvattingen van Karsten bestreden, dat er niet alleen gemeenschappelijke tendentie, maar ook historische samenhang tussen de verschillende germ. diftongeringen zou zijn. De wordingsgang van de hgd. diftongeringen: Frings, Grundl. blz. 40 met kaart 35, de grenzen er van: zie kaart 24 van DSA. (Hause) met tekst blz. 107 vgl., zie verder voor de hgd. diftongering (van î en ū) Naumann Deutsche Vierteljahrsschrift für Literaturwissenschaft und Geistesgeschichte I (1923) 143 v.v.; Dezelfde, Jahrbuch für Philologie I (1925) 60; Lerch, ald. blz. 108 v.v.; Wagner, blz. 35 v.v. Vgl. voor een mogelijk verband van Nederlands en Ripuarisch (via het Oostnederfrankisch) Leenen, HTD. 4, 165 v.v. (met literatuur). De fonetische oorzaak: zie vooral Schmitt, Akzent und Diphtongierung (1931), die de diftongering in allerlei, vooral germ. gebieden behandelt en naar de fonetische oorzaken speurt; voorts Heeroma, Ts. 64, 139 v.v. Wie romaanse invloeden aanneemt, vindt een aardige parallel beschreven in PBB. 55, 193 v.v. (Kessler, Zur Mundart des Schanfigg). Over allerlei dialectische diftongeringsverschijnselen: Weijnen, Ned. Dial. blz. 164 v.v.
75. ui1 en ui2: Muller, Ts. 40, 140 v.v. (met literatuur); daarbij W. de Vries, Med. NA. Lett. dl. 65 A 3; samenval: Hellinga, blz. 188 v.v. Geen samenval in Delft begin 17de e.: Santen, blz. 44, wel in Scheveningen a. 1717: Heeroma, Bijdr. XXV, blz. 16. Ruif: als leenwoord uit het middenduits Kloeke,
T.e.T. 3, 1 v.v., evenals luif(el): Dez., Rhein.
Vierteljahrsbl. 17, 42 v.v. Kloeke's met materiaal verantwoord betoog geeft een
juistere oplossing voor luif dan Heeroma, die (Ts. 68, 85 v.)
tevens schuin en stuiten als ‘averechtse
frankiseringen’ beschouwt. Luifel is toponymisch bewaard in de
vorm Loifen, naam van een buurt in de stad Utrecht: Muller, NGN. 12, 64 v. Bluisteren: De Tollenaere Ts. 86 (1970), 1 v.v.
76-77. Zie in 't algemeen de literatuur, genoemd bij de ū (§ 69-75). Voor het parallellisme in de diftongering van ī en ū zie Van Wijk, PBB. 28, 243 v.v. Vgl. ook Kloeke, N. Tg. 28, 76 v. Zie voor de verbreiding van de diftong ook Heeroma, blz. 75 v.v.; voor de datering in N.-Br. Weijnen, N. Tg. 40, 32. Evenmin als bij de oe zijn hier de specifiek oosten noordndl. woorden genoemd als kiep, stiems ‘stug’, stiep ‘steunsteen’ en stiepen ‘steunen’, stieper ‘steunpaal’; tiek; vgl. ook tiepelen, waarvoor men echter tevens zie Heeroma, Ts. 63, 7 v. Kloeke, Noordoostel. blz. 105 zoekt de oorzaak van de diftongering in een lichte overdrijving van de uitspraak van ‘de Franstaligen die zich van het Vlaams bedienden’.
76. Ten Kate: Aenl. 1, 155 v., zie ook Caron, T.e.T. 7, 98. In Haarlem eind 17de e. geen verschil meer: V.d. Berg, T.e.T. 13, 201.
Opm. 1. Bij, dij, lij: Van Wijk s.s. v.v.;
yder enz.: Weijnen, Album Blancquaert blz. 430. Ontieg: Muller in: Niederdeutsche Studien (Festschrift für Borchling, 1932) blz. 310 v.v. Rarekiek, kiekkast: zie ook WNT. XII 3, 343 v. Bietebauw: Mansion, Leuv. 27 Bijblad blz. 11.
77. In hoofdzaken sluit de verklaring aan bij Te Winkel, Ts. 20, 81 v.v., maar reeds bij Bilderdijk, Nederlandsche Spraakleer (1826) blz. 37 v.v. vindt men het standpunt van overneming uit het zuiden. Kaart bij Te Winkel, Tongv. afl. 2. Kaart van pijp, met toelichting: Geenen, O. Tt. 6, 202 v.v.; van rijk dito: Van Ginneken, O. Tt. 7, 93 v.v.; van pijn: Van Ginneken, Streekt. (tegenover blz. 28). Mnl: Van Loey, Mnl. II § 66, 68; te Mechelen reeds om 1300: Vangassen, HTD. 26, 41 v.v.; in Noord-Brabant in 1582: Weijnen, T.e.T. 1, 46. Amsterdam: Kloeke, De Amsterd. volkstaal blz. 4;
Twe-spraack: zie ook Michels N. Tg. 51, 30; diftongering in de 15de
e.: Vangassen, De Ned. ij te Amsterdam (XIVe-XVIIe eeuw) (1965), met een aanvulling samengevat door Vandenberg N. Tg. 58, 280, die N. Tg. 58, blz. 58 Rotterdamse vindplaatsen aanhaalt. Het beschaafde Haags: J.H. Kern, Ts. 48, 80 v.v. De rijmen bij Huygens e.a.: De Vooys, N. Tg. 26, 178; Van den Bosch, N. Tg. 28, 118 v.v.; Engels, N. Tg. 29, 325 v. Voorts Borger, Ts. 69, 52 v.v.; Weijnen, Zeventiende-eeuwse taal (1952), 17. Delft: Santen, blz. 42 v. Volgens Caron, 131 diftongeerde Vondel niet; volgens Michels (bij Weijnen) wel, uitgenomen bij zwakke klemtoon, vóór r, en in iever, vliet, bie, viant, tiger. Zie verder voor vreemde woorden (catholiek, autentiek) Borger t.a.p. Hgd. diftongering: zie kaart 6 van DSA. Klanknabootsende invloed: De Vooys, Med. NA. Lett. NR. V 3 (1942) blz. 11.
78. ĕ: ĭ: Weijnen, Ned. Dial. blz. 146 v.; vgl. voor 't mnl. Franck, § 67-69, die (§ 33) ten onrechte sente uit de lt. genitief sancti door umlaut verklaart; Van Loey, Mnl. II § 9, § 15. In Delft in de 17de e. treft men vormen aan met e waar de huidige algemene taal i heeft: hette, crebbe, schemp, - richten: Santen, blz. 58 v. Is een woord alleen met wvla. ĕ overgeleverd, dan is het daardoor wel eens moeilijk uit te maken, of ĕ of ĭ oorspronkelijk is; zo b.v. bij 't adj. mnl. geles ‘gewoon’ = *gelis (ablautend met leren): J.H. Kern, Ts. 51, 16 v.v. (met naschrift: blz. 136). |