(Het tooneel verbeeldt het kleedvertrek van mevrouw Dadelpracht, met verscheiden ameublementen. Aan de rechterzijde ziet men tusschen twee armstoelen het klooster in Gysbrecht van Amstel, hetwelk men by vergissing na de laatste representatie heeft vergeten weg te schuiven. In 't verschiet is een open raam, dat ons een landschap vertoont, voornamelijk bestaande uit een boom en een populier, mitsgaders verscheidene gaten in de wolken.)
Eerste tooneel.
de heer dadelpracht, alleen.
Ik ben hier eigenlijk in de toiletkamer van mijn gemalin,
Die moeder zou kunnen wezen van een zeer talrijk gezin,
Zoo wy slechts op eenige kinderen ons konden beroemen,
Die haar dan natuurlijk mama en my wellicht vader zouden noemen.