terug  begin  verderprepost
[p. 91]origineel

Natuurlijke historie voor de jeugd.

Inleiding.

 
In mijn natuurlijke Historie voor jonge lui,
 
Maak ik met opzet geen gewach van de regenbui,
 
Om dat kinderen in Holland zelfs familiaarder zijn
 
Met den regen, dan wel met den zonneschijn.
 


illustratie

 
Ik heb my dus liever daartoe willen bepalen
[p. 92]origineel
 
Om hun iets nieuws uit het beestenspel der natuur te verhalen.
 
Iets, waar een ander ('t is me 't zelfde of hy dood is dan leeft)
 
Zijn Natuurlijke Historie geen hand water by heeft.
 
Doch dit is juist het laken,
 
Waar ik een rok van voor de Natuurlijke Historie wil maken.
 
By voorbeeld, aangaande een dier zijn instinct,
 
Waarom een ezel, die dood is, niet drinkt,
 


illustratie

 
Of waarom, als 't je blieft, een hond dadelijk stil
 
Blijft staan, zoo dra hij niet langer loopen wil.
 
Waarom een haas, die in 't duin loopt, het land heeft aan een jager,
 
En een runderhaas daar-en-tegen, of een gebraden speenvarken, aan een slager.
 
Voorts wil ik de jeugd attent maken op een beest zijn overleg:
 
Want immers ging die mopshond te Kampen voor 't vuur uit den weg?
 
Op zijn volharding by zijn beroep:
 
Of zat niet Van Rijn1) soms dagen lang op een stoep?
 
Op de naarstigheid van zoo menig dier,
 
By voorbeeld, zoo iemand als een mier:
 
Op de beesten hun eigendommelijken aart;
 
- Of waarom is een oud beest zoo bejaard,
 
En een dood beest in den regel zoo bedaard?
 
En met meer dergelijke belangrijke zaken
 
Zou ik wenschen hen bekend te maken.
 
Daarom geef ik nu dit boek
 
In uwe hand, en verzoek,
[p. 93]origineel
 
O jeugd en kinderen!
 
Dat niets u in 't leeren moge hinderen.
 
 
 
Ontbreekt voorts aan dezen of genen regel somwijlen een voet,
 
Anderen hebben er zoo veel te meer; dat's door elkanderen goed.


illustratie

[p. 94]origineel

De leeuw.

 
Een leeuw is eigentlijk iemand,
 


illustratie

 
Die bang is voor niemand.
 
Zijne oogen en zijn neus
 
Zijn grooter dan die van een reus,
 
En zijn muil
 
Is een ware moordkuil;
 
Met zijn klaauw
 
Is een leeuw geweldig gaauw;
 
Met zijn staart
 
Gooit hy een schutter van zijn paard:
 
En met zijn tanden
 
Durft hy de heele schuttery wel aanranden.
 
Enfin, hy is altijd het verscheurendste beest
 
Onder de dieren geweest.
[p. 95]origineel
 
Onlangs heeft hy immers in Londen
 


illustratie

 
Nog een juffrouw verslonden;
 
Doch, nu ik my bezin,
 
Was hy het niet: het was de leeuwin.
 
 
 
De leeuw wordt viervoetig geboren:
 
Twee van achteren en twee van voren;
 
Of, volgends anderen, twee aan zijn rechterhand,
 
En de twee anderen aan dezen kant.
 
 
 
De leeuw zijn gemalin
 
Is mevrouw de leeuwin,
 
En de jongelui, zoolang zy zich met de borst behelpen,
 
Noemt men gewoonlijk: welpen.
 
 
 
Gouden leeuwen en leeuwen van hout,
 
Mitsgaders de Hollandsche, worden heel oud;
 
Men ziet ze nog wel op uithangborden en schilden, doch zeldzaam in 't woud.
 
 
 
Komt ooit een ware leeuw rechtstreeks op u aan,
 
Dan is 't beste om maar regelrecht uit den weg te gaan;
 
Doch niet als hy opgezet of dood is;
 
Daar er in dat geval volstrekt geen nood is.
[p. 96]origineel

De olifant.

 
‘Onze wieg,’ zegt een Oostindisch olifant,
 


illustratie

 
‘Staat gewoonlijk in ons geboorteland,
 
Net als die van mijn Afrikaanschen bloedverwant,
 
En we zijn beiden twee beesten uit den deftigen middelstand;
 
Want aan edele leeuwen, tijgers royal, en adellijken in dien trant,
 
Heeft men in onze famielje reeds van kindsbeen af het land’.
 
- Als of een naturalist,
 
Die zijn vak kent, dit niet wist! -
 
‘Waarschijnlijk,’ vervolgt hy, ‘omdat wy op de jacht
 
Wel eens door hen worden omgebracht,
 
En hen dus niet van de voordeeligste zij leeren kennen.’
 
Gelukkig, o jeugd! dat wy dat niet bennen!
 
 
 
Als een olifant een ijsbeer of gild-os ontmoet,
 
Vraagt hij doorgaands aan van Aken: ‘Wat is dat voor kleingoed?’
 
Om dat hy zelf zoo groot is; want op zijn voorzaten zag men, in vroeger tijden,
 
Immers heele krijgsbenden in een kasteel naar 't leger rijden.
 
Doch niets, helaas! is bestendig op aard:
 
Diezelfde krijgslui rijden thands meer te voet of te paard!
 
Zoo men aan den schijn alleen het oor woû leenen,
 
Vroeg men licht: ‘Heeft menheer het water ook in de beenen?
[p. 97]origineel
 
Want wáár is eigentlijk 't onderscheid tusschen zijn kuiten en zijn scheenen?’
 


illustratie

 
‘Doch,’ antwoordt de opzetter van 't kabinet te Weenen,
 
‘Hij scharrelt er met allebeî toch nog al kras overheenen,
 
En dat in een Oostindisch moeras,
 
Weêr of geen weêr, door 't hemelhoogste gras,
 
Of 't iemand van menheer van der Hoop zijn harddravers was:
 
En toch betaalt hy jaarlijks zeker
 
Voor zijn winterhielen zooveel niet als gy, aan den stads-apteker.’
 


illustratie

[p. 98]origineel
 
Doch niet alleen is een olifant
 
De kolossaalste viervoet op 't vaste land,
 
(Zoo gy den basilosaurus1) uitzondert, of sprakelooze wallevisch, -
 
Ook een buitenkansjen voor een baker, en de corpulentste van alle visch).
 
Hy is bovendien begaafd met een uitmuntend verstand,
 
En voor zoo'n zwaar zoogdier, zoo buitengemeen by de hand,
 
Meer dan de slankste minister, diplomaat-aspirant,
 
Of politiek prestidigateur calminant,
 
Onder zijn lichter natuurgenooten in de staats-courant.
 
Want met zijn tubuleuze, subconische proboscis -
 
Die, sub rosa, een reus by den staart van een os is, -
 
(Behalve dat hy er de zwaarste zesponders meê licht van 't affuit,
 
Voor de grap een pomp er van maakt of een spuit,
 
En er in de menagerie de vetkaarsen meê snuit)
 
Blaast hy immers regulier onze kindersprookjens uit,
 
Speelt een sans-prendre op de diatonische fluit,
 
Vangt zoo vlug een vlieg of een vijfjen, als een bedelaar een duit;
 
Zoekt, op 't kantoor, een ongelukkigen zesthalf in een zak schellingen uit,
 
En smeert, er een ouwen heer, daar hy een puist aan heeft, ongemanierd meê den huid;
 
Pakt hem by zijn gepoeierd schorseneeltje, of zijn glimmende knoopen,
 
En ketent Heemskerkjen aan 't hart, dat zijn oogen er van overloopen;
 
Trekt, er vervolgens een halfjen ‘groenlak,’ voor u of zijn eigen meê open,
 
En komt deftig zijn ‘zoute bolletjen’ in uw glaasjen doopen.
 
Enfin, met zijn pachydermateuse snuit
 
Voert onze proboscideaansche guit
 
Allerlei antediluviaansche snakerijtjens uit.
 
Als hy echter netelig wordt, zendt hy, helaas! zijn hoeder
 
Er wel eens ad patres meê, of naar zijn moeder,
[p. 99]origineel
 
En stort hem dus op een ontijdige baar;
 


illustratie

 
Want, zoodra hy 't land aan u krijgt, zijt gy in doodsgevaar.
 
Als gy dus, by geluk, eens onder zijne voeten mocht belanden,
 
Zeg dan maar ‘menheer, mijn leven is in uwe handen.’
 
 
 
Doch de zwartste bladzijde in een olifant
 
Is, dat hy strikken voor zijn natuurgenooten spant,
 
En, zonder een blos op zijn wangen,
 
Zich niet schaamt zijn naasten te helpen vangen.
 
 
 
Een museum voor de geologie, alias, kennis der aard -
 
Zijn leêg hok in een gewezen dierengaard, -
 
Of wel 't afgebroken spel van professor van Aken,
 
Is nog altijd de beste manier om hem te genaken;
 
Of men moet van een olifant zijn halsvriend willen maken,
 
Waardoor zoölogische Jonathans wel eens aan 't sneuvelen raken.
 
 
 
Gelukkig dat de Natuurlijke Historie aan ieder beest
 
Zijn specifieke zwaarte geeft en eigenaartige leest:
 
Of wat werd er van menschen in hun ledekanten,
 
Als vlooien 's nachts zoo zwaar en zoo groot waren als olifanten?
 
Voor zoo'n natuurmysterie staat 't kloekste brein stok stil,
[p. 100]origineel
 
Net als een horlogie van bordpapier, dat niet langer loopen wil:
 
Als wy trouwens zulke Gordiaansche knoopgaatjens willen denoueren,
 
Dan zijn wy allen nog maar Alexandertjens in de lange kleêren!
 
 
 
Een olifant is dol op juttepeeren
 
En zit er een Bengaalsch fruitmeisjen wel eens om in de veêren.
 
Doch het acme van zijn geluk
 
Is, entre nous, een bejaard rhinoceros in den druk,
 
Liefst zonder hoorn op zijn neus, en met een kruk;
 
Want op dit dier zijn remarques is hy zeer kitteloorig,
 
En een menagerie is zoo gehoorig!
 
 
 
Hoogmoed brengt echter de besten tot den val:
 
Hy waant zich al te vaak een afgod, in de Oost vooral,
 
Waar men hem over 't paard licht. Doch hier is men niet zoo mal.
 
Aan zulke afgodendienaars doet Holland voorloopig niemendal.
 
Onze jeugd geeft aan olifantolatrie dus geen gehoor:
 
Wy respecteeren hem eenvoudig als uitvinder van ons ivoor.


illustratie

[p. 101]origineel

Het paard.

Een Peerd! een Peerd! mijn bochel voor een Peerd!
Richard III.
 
Een paard,
 
Naar den aart,
 
Is er nog eer dan zijn staart;
 
Hy doet het te voet
 
Net zoo gauw en zoo goed
 
Als een ander te paard het doet,
 
En je kijkt niet om
 
Of hy is al weêrom.
 
Met niemendal op zijn rug
 
Is hy byzonder vlug,
 
En met iemand onder den man
 
Is hy in 't loopen nog zoo'n jan,
 
Dat j'em met je beien niet inhalen kan,
 


illustratie

 
Of, zeg je daarop geen ja,
 
Loop hem dan maar eens eventjes na
 
Met je grootmama;
 
Want eens onder zeil
 
Gaat hy net als een boog uit een pijl.
[p. 102]origineel
 
Hy steekt vervolgens met meer gemak
 
Een heel leger dan een leger een heel paard in zijn zak,
 
(Gelijk de jeugd leest in dat mooie
 
Beleg van Penelopé en de stad van Trooie),
 
En draagt naderhand zelfs den Generaal
 
De straat nog langs in zegepraal,
 
Als namentlijk 't beleg is voltooid.
 
Maar de Generaal draagt hem zelden of nooit,
 
Vooral niet wanneer het ijzelt als het dooit,
 
Of de lieve straatjeugd met sneeuwballen gooit.
 
Enfin, hy heeft nooit gedaan;
 
Maar is nacht en dag op de baan.
 
Nog vangt uw levenstoorts niet aan,
 
Of gy ziet hem by 't licht van de maan,
 
Reeds in 't vigilant aan de onderdeur staan,
 
En om de baker en de bloemkool gaan,
 
Of hy trekt u met uw ouders naar 't doopen,
 
- Ten zij gy, qua koppig zuigeling, ‘liever wou loopen
 
En onderweg wat muizenkeuteltjens koopen.’ -
 
Of zeult u en de ouweluì weêr naar 't stadhuis,
 
Met bruidlief, die al zoo rood ziet, en de bruidsuikers inkluis,
 
Of, blijft gy, na dato, op 't Casino vernachten,
 
Dan staat hy, na dato, aldáár zich weêr dood te wachten;
 


illustratie

 
En daar is nooit een beest
 
In de Natuurlijke Historie geweest,
 
Dat zich op uw zilvren bruiloftsfeest
 
Zoo gruwelijk verveelt als de koetsier
 
En dit dier.
 
Maar, zijn 't ballet en de bruiloft gedaan,
[p. 103]origineel
 
En de gasten reeds lang weêr naar bed toe gegaan,
 
Dan komt hy, voor zijn pleizier, achteraan
 
Nog wel eens hinkend by u aan.
 
Naturalisten, die dit niet verstaan,
 
Moeten Martinet maar eens opslaan.
 
 
 
Zoo lang als een paard zoo mooi galoppeert
 
Wordt hy nu en dan op een harddravery getracteerd,
 
En licht met een gouden zwiep, of een paar nieuwe sporen vereerd.
 
En op kermis eens in 't paardenspel geïnviteerd,
 
Waar hy zijn eigen evenwel minder dan u amuseert;
 
Of je neemt hem 's Zondags in de narrensleê
 
Of in 't speelwagentjen met de famielje meê.
 
‘Bles heeft door de week zoo braaf gewerkt,
 
Dat hy nu ook vry af krijgt;’ doch zonder dat hy 't merkt.
 
Als 't echter, helaas! uit is met draven en hollen,
 
Dan loopt Bles al gaauw mank onder de knollen;
 
De Kolonel van de platte schuttery
 
Klimt er met zijn handen en voeten allebei
 
Op parade nog wel eens over, doch hy valt doorgaans op zij.
 
Maar kan blind Blesjen volstrekt niet meer loopen,
 
Dan komt hem de Minister van Marine voor de trekschuit koopen,
 


illustratie

 
En dan zelfs laat hy in de vliet
 
De schuit met Kaptein nog vaak in 't verschiet,
 
Vooral als de lijn breekt, zonder dat hy 't ziet,
[p. 104]origineel
 
En er dus, tot den passagier zijn verdriet,
 
Een non sequitur ‘volgt’ in 't riet,
 
Zijn Excellentie weet natuurlijk niet,
 
Wat er in een schip, dat ‘van den wal’ is, geschiedt.
 
Ligt Bles eindelijk finaal op de baar
 
Dan nog komt zijn paardenhaar
 
U te pas,
 
In uw paardenharen matras,
 
En, dineer je by een Kees,
 
Dan eet je zijn rookvleesch.
 
 
 
Waar vindt men nu schier
 
Onder de vernuftigen op alle vier
 
Zoo'n nuttig en aangenaam dier,
 
Dat zijn plicht doet met zooveel pleizier?
 


illustratie

 
En hoe komt het, dat hy zijn plicht
 
Zoo vlug en gehoorzaam verricht,
 
En dat nooit met een zuur gezicht?....
 
Omdat zijn grootjen hem nooit over 't paard heeft gelicht.
 
In een paard zijn gezin
 
Valt men zeldzaam over de min;
 
Want daar mag er nooit een in,
[p. 105]origineel
 
Integendeel; - Mevrouw zijn gemalin,
 
Als de baker met 't veulen
 
't Vertrek in komt zeulen,
 
Zegt reeds in 't verschiet,
 
Eer zy 't borstjen nog ziet,
 
Tot het stamhouertjen, dat Hitjen hiet:
 
‘Neem wat in mijn aders vliet,
 
Konings kinderen hebben 't niet.’ -
 
Want gemelde hit,
 
‘Waar de jeugd voor een rid,’
 
Vervolgt Cuvier, zoo graag op zit,
 
‘Is eigentlijk hun oudste zoontjen in 't gebit,
 
Net als het zakpistool
 
Ons jong musket is in zijn kamizool.’
 
 
 
In dit ondermaansch gewemel
 
Zoekt ieder op aard een Hemel,
 
Doch meestal -
 
Helaas! - overal,
 
Behalve waar hy zoo iets vinden zal;
 
Een paard is in alle geval
 
Nooit zoo mal:
 
In plaats van op fokzaal of bal,
 
Zoekt hy zijn Hemel t' huis bovenal,
 


illustratie

 
En vindt hem dan ook 's avonds op stal. -
[p. 106]origineel
 
Jeugdlief, onthou dit vooral,
 
Als de ondergeteekende er reeds geweest zijn zal.


illustratie

De ezel.

 
Een ezel is een heer met een staart,
 
Dien hy van achteren draagt, als een paard.
 


illustratie

 
Het verschil tusschen ezels en geleerde doktoren
 
Zit hem soms minder in 't hoofd dan wel in de ooren.
[p. 107]origineel

De ruiter.

 
Een Ruiter is een mensch te paard,
 


illustratie

 
Omtrent drie voet hooger dan een mensch op aard,
 
En die zich somtijds vasthoudt aan de manen en somtijds aan den staart,

De koei.



illustratie

 
Een koei is iemand met twee ooren,
 
En aan weêrskanten een horen.
 
Volgens den Hollandschen Naturalist Verboom
 
Is zy de uitvindster van de aardbeien met room.
 
Ook waren rundermest en rollenden
 
Vóór de koei heur tijd nog onbekenden.
 
En wat men van haar huid al niet maken kan
 
Ga dat maar eens te Bennebroek vragen aan ‘den Geleerden Man,’
[p. 108]origineel
 
Immers Dido in haar dagen sneed er nog een heele hoofdstad van.
 
Als ik u voorts wilde optellen, wat voor zaken
 
Men al niet van een koei haar horens, hairen en darmen kan maken,
 
Ik geloof dat al je gezamentlijke leien er meê vol zouden raken;
 
Maar mijn verhaal dient niet te uitermate gerekt.
 
En van 't nut, dat men van heur staart en heur pooten trekt,
 
Daar zou ik je tot overmorgen van kunnen vertellen.
 
Hoe zou men 't b.v. op 't schip zonder een koevoet stellen.
 
In 't kort, het is al van ouds een spreekwoord geweest,
 
Zelfs by den lompsten boer, die nooit in Martinet of Plinius leest,
 
Alles is even nuttig, wat er komt van dat edele beest.
 
En wie zou dan, o jeugd, uw en mijns gelijken niet verfoeien,
 
Als men nagaat, hoe gemeen zy zich gedragen jegens de koeien.
 
Piet Agoras heeft het voor een duizend jaar of wat al gezeid:
 
‘O menschdom, gy zijt een toonbeeld van ondankbaarheid:
 
Wanneer ouwe koeien soms in een sloot verdwalen,
 
Dan heet het hoogst onfatsoenlijk, ze daar uit te halen,
 
Zoodra een landman van een koei geen zoete melk meer hoopt,
 
Dan ziet men, hoe hy haar terstond aan den slager verkoopt,
 


illustratie

 
Die haar onbarmhartig vermoordt en de huid afstroopt,
 
En daarna, wat nog het gemeenste is, in een os herdoopt.
 
Enfin, als een mensch gaat bedenken,
 
Wat de koeien hem, zelfs by testament, nog schenken,
 
En hoe schandelijk hy die weldaân vergeet,
 
Dan is hy immers niet waardig dat hy ooit meer biefstuk eet...’
[p. 109]origineel
 
Als Piet Agoras zoo begon te redeneeren,
 
Dan was er geen eind aan, en je hadt niet moeten probeeren,
 
Om, zoo als ik nu doe, hem te interrompeeren;
 
Maar nu hy dood is, raakt het hem niet aan zijn kouwe kleêren.


illustratie

Het kalf.



illustratie

 
Het kalf
 
Kent een natuurkundige maar half
 
Daar er geen tijd is om het te bestudeeren,
 
Zoo gaauw is het uit de lange kleêren.
 
Intusschen weet men uit Plinius, dat dit dier
 
Gewoonlijk pa! zegt tegen een stier
 
En tegen een koe:
 
Moe!
 
En 't antwoord is dan gewoonlijk boe!
 
't Geen in het Chineesch zooveel wil zeggen als how do you do?
 
Voorts zeit hy oom tegen een os,
 
In 't Latijn genaamd bos.
[p. 110]origineel
 
Een koe mag men melken,
 
Maar een kalf zoû er onder verwelken.
 
Ook kuiert hy zelden met zijn ouwen heer
 
Geärmd een stal of een weiland op en neêr,
 


illustratie

 
Zoo als andere jongelieden,
 
Die aan hun voorzaat den arm op de wandeling bieden.
 
 
 
Van het kalf zijn lijf
 
Zijn ons 't meest bekend de karbonaden en de schijf,
 
Mitsgaders het nierstuk (waarmede, terwijl ik schrijf,
 
Een keeshond wegloopt voor zijn tijdverdrijf),
 
En 't poulet,
 
Voor iemand, die op soep zijn hart heeft gezet.
 
Een slachter houdt kalfsvleesch op hoogen prijs,
 
En zegt (want hy is zoo eigenwijs)
 
‘Wie er in een restaurant voor niet van wil schransen,
 
Moet maar wachten ot de kalveren op 't ijs dansen.’

Het speenvarken.

 
Iemand, die in de verte zijn schreeuwen hoort,
 
Zegt: ‘dat is zeker weêr een afschuwelijke menschenmoord.’
[p. 111]origineel
 


illustratie

 
Je moet het hooren om het te gelooven.
 
‘Gelukkig,’ zegt Buffon, ‘zijn de dooven.’
 
Want als men maar even op zijn eksteroog treedt,
 
Dan gilt hy, alsof hy van geen uitscheien weet.
 
En als men hem van de borst durft tillen,
 
Dan maakt hy een lawaai, als ging men hem villen.
 
Onder 't wandelen loopt hy altijd verkeerd,
 
En om hem vooruit te doen gaan, trekt men hem by zijn steert;
 


illustratie

 
Vooral, wanneer hy naar slachters verhuist,
 
Want aan deze heeft hy natuurlijk een puist,
[p. 112]origineel
 
En als er één wat verkouen is, dan lacht hy in zijn vuist.
 
En de keukenmeid en 't braaien
 
Wenscht hy zonder omslag naar de haaien;
 
Want, ofschoon men hem wel op dinees of soupeetjens ziet,
 
Is het voor zijn pleizier voorzeker niet.
 
Enfin,’
 
Zegt hy, ‘ik heb veel chagrijn;
 
Want mijn papa is een compleet zwijn:
 


illustratie

 
En hoe kunnen dan zijn kinderen anders zijn’: -
 
Zijn troost is, dat hy nooit geen verdriet
 
Van zijn eigen kinderen beleeft of ziet;
 
Want gelukkig heeft hy die niet.
[p. 113]origineel

De hond.



illustratie

 
Een hond is vermaard
 
Om zijn gezelligen aart
 
En 't kwispelen van zijn staart.
 
Zijn neus, doorgaands rond,
 
Staat gewoonlijk in 't front,
 
En zoo lang die maar nat en frisch is,
 
Is 't een bewijs, dat menheer zoo gezond als een visch is.
 
 
 
Een hond is iemand, die van zijn baas byzonder veel houdt,
 
Dien hy, om zoo te spreken, als zijn derden vader beschouwt,
 
En die hem dikwijls een heele boerewoning toevertrouwt,
 
Waar hy door zijn blaffen bedelaars en dieven van daan weet te jagen,
 
En den post van portier waarneemt, zonder er ooit geld voor te vragen.
 
 
 
Als een haas niet op zijn tellen past,
 
Wordt hy dikwijls door een hond verrast;
 
Doch een hond loopt er ook wel tegen aan,
[p. 114]origineel
 
Als men hem in de hondsdagen uit laat gaan.
 


illustratie

 
Menig een blinde hond
 
Is verdronken, omdat hy geen zwemmen verstond:
 
Doch zoodra zy dit verstaan,
 
Kan men ze gerust uit baaien laten gaan.
 
 
 
Honden zijn dol op kalfslever en beenen;
 
Doch, volgens Esopus, loopt er zoo dikwijls een derde meê heenen.
 
Ook nuttigt een hond met pleizier water en droog brood:
 
Doch een pak slaag, daar heeft hy een broêr aan dood.
 
Het opzetten is ook iets, daar hy niets om geeft,
 
Als het maar niet begonnen wordt, terwijl hy nog leeft.
 
 
 
Ook blaffen honden niet langer, als ze eenmaal dood zijn;
 
Anders zou het leven op een hondenkerkhof te groot zijn.


illustratie

[p. 115]origineel

De kat.

Men wil wel zeggen, dat, o Batavier! uw stam
Van uit het strijdbaar volk der Katten oorsprong nam.
Helmers Cadet.


illustratie

 
Lavater,
 
In zijn physiologie van den kater,
 
Zegt, dat hy terstond aan zijn manieren ziet,
 
Of hy mijnheer of mevrouw hiet:
 
En de dames onder de katten
 
Schijnen het even als Lavater te vatten.
 
Mijnheer zit op zijn uiterste gemak
 
In de goot tegen een hellend dak,
 


illustratie

 
Alwaar mijnheer
 
Natuurlijk op mevrouw wacht, die ook klautert als een leêr.
[p. 116]origineel
 
En dan knijpt niet zelden onze jonker
 
By die gelegenheid de kat in 't donker.
 
Maar, wat men schaars by verliefde winkeliers en andere menschen zie
 
Ook zelfs om zijn liefde verzuimt een kat zijn affaire niet.
 
En 't is aardig te zien, hoe gaauw onze jonggetrouwden verhuizen,
 
Als zy 't minste geritsel hooren van huisratten of muizen.
 
Is echter dees nationale plicht
 
Eenmaal door hen naar behooren verricht,
 
Dan gaan ze weêr terstond de pannen op, en dat wel zonder licht,
 
En het overige van de nachtelijke uren
 
Brengen zy serenades aan al de buren,
 
En korten op die wijze den slapeloozen tijd
 
Van menigeen die aan podagra of kiespijn lijdt.
 
Zoo weten die edele dieren, als Jenny Lind en
 
Cecilia, hun muzykale gaven met philantropie te verbinden.
 
 
 
Wanneer een kat ons by nacht op zijn concerten tracteert,
 
Dan zou men haast vragen: ‘waar heeft het beest het zingen geleerd,
 
Daar hy over dag zich zoo zelden in den zang exerceert?’
 
Over dag neemt dit dier
 
Doorgaands op andere wijze zijn plezier:
 
Dan wandelt hy, by voorbeeld, wanneer het niet nat is,
 
(Want niemand die zoo bang voor vochtigheid als een kat is;
 
Ofschoon er menige jeugdige kat of kater
 
Om 't zwemmen te leeren als zuigeling gaat te water,)
 
Dan wandelt hy, zeg ik, den moes- en bloemtuin eens om,
 
Mitsgaders het bleekveld, het kippenhok en de eendenkom,
 
Om zich te verzekeren, dat er nergens eenige sordes
 
Of vuiligheid liggen, en dat alles behoorlijk in orde is.
 
Terwijl hy nu en dan, als een volleerd acrobaat,
 
Voetjen voor voetjen over den rand van een schutting gaat
 
En er op- en afspringt, zonder ooit te schroomen,
 
Dat hy niet op zijn pooten weêr te land zou komen.
 
Immers als springer en equilibrist is hy een bol,
 
Die het kan te raaien geven aan den gunstig bekenden menheer Auriol.
 
Ja, hy is nog vlugger zelfs dan nu wijlen Madame Saqui,
 
Al is zy als een zephyr gekleed, in een vleeschkleurd jakkie,
 
En hy altijd in een bonte pels loopt, of winterpakkie.
[p. 117]origineel
 
Somtijds zit hy ook uren lang te loeren naar 't een of ander takkie,
 


illustratie

 
Waar een nachtegaal zit te kwinkeleeren of groene sijs,
 
En dan peinst hy: ‘had ik je hier maar, je waart spoedig prijs.’
 
Want een dergelijk vogeltjen, zelfs ongebraden, is een kat zijn delikaatste spijs
 
Soms klautert hy ook zelf in een boom; - maar, wat men daarvan moog' spreken
 
Ik wil den knappen brillenslijper wel eens zien, die hem er uit heeft gekeken.
 
Soms weêr doet hy de ronde, en let of alles behoorlijk toegaat in huis,
 
En kuiert al de vertrekken rond, zolder en proviziekamer inkluis,
 
En vergewist zich op zijn tournée of al te met de keukenmeid,
 
Als wel eens gebeurt door nonchalance of onachtzaamheid,
 


illustratie

 
Terwijl zy met den brievebestelder, of slagersmof staat te praten,
[p. 118]origineel
 
Een bord met room of gebakken vischjens, of een saucijsjen à l'abandon heeft gelaten:
 
En, opdat Mevrouw het verzuim niet merke en er zich over beklaag,
 
Ja misschien, na veel gekakels over en weêr, in een driftige vlaag,
 
Aan de meid de dienst opzeg met Mei, of haar zelfs stante pede de deur uitjaag,
 
Haast zich onze kat om de onbewaakte kliekjens te bergen, en wel in zijn maag.
 
 
 
Te recht betoont ge u, o lieve jeugd! geheel verbaasd en
 
In bewondering over zulk een zucht tot orde, gemultipliceerd met liefde tot den naasten,
 
Waardoor dit edele dier zich boven zoo velen zijner natuurgenooten onderscheidt.
 
Let voorts nog, o kinderen! op de byzondere faciliteit
 
Waarmede een kat zich, als 't regent of er sneeuw in den tuin leit,
 
Enfin, als hy niet uit mag, zich in huis, met de geringste zaken,
 
B.v. een afgerafeld end touw, een bal, ja een gescheurde Staats-Courant weet te vermaken:
 
Of wel het gezelschap veramuseert met menige grap
 
(B.v. hoe knap krapt een kat de krullen van de trap,)
 
En een baas is ook in het spinnen,
 
(Voorheen zulk een geliefde occupatie by moeders van huisgezinnen)
 
Terwijl gy, o jeugd! schoon nog door St. Nicolaas zoo rijkelijk bedeeld,
 


illustratie

 
Liever dan dat gy er op betamelijke wijze stilletjens meê speelt,
[p. 119]origineel
 
Het huis op stelten brengt, of aan mamaas boezelaar hangt en haar benevens uw eigen verveelt,
 
Nog behoort onder de qualiteiten, die een kat vercieren
 
Boven vele andere menschen en dieren,
 
Speciaal gelet te worden op zijn beschaafde manieren,
 
Waarom hy vooral wordt verestimeerd en hooggeschat,
 
Ja, dikwijls tot groot avancement geraakt, als b.v. de Gelaarsde Kat.
 
Ook ruikt hy altijd vooraf ('t geen als byzonder aardig,
 
Ja, volgens Plinius en Richelieu, als hoogst merkwaardig
 
Te beschouwen is) of men visite te wachten heeft op 't salet;
 
Want dan maakt hy altijd vooruit zijn toilet,
 
Wascht zijn neus, zet zijn knevels op en kamt zijn hairen net.
 
En dat alles, eer nog Mevrouw haar huismuts af- en haar valsche krullen heeft opgezet.
 


illustratie

 
Maar, o jeugd! indien gy nu komt te vragen:
 
‘Waarin schept eigenlijk een kat het meeste behagen?’
 
Ik antwoord: dat schrandere dier zijn liefde en zijn lust
 
Is, als hy, heel gemakkelijk, en zich zijner waarde bewust,
 
Het aardsche gewoel vergetende, op een canapékussen rust,
 
Waar hy dan zoo op zijn eigen over 't ondermaansche ligt te mediteeren,
 
Met zijn oogen dicht, opdat hem geen distracties zouden geneeren.
 
Ja, woont hy soms by een boer in of gepensioneerden soldaat,
[p. 120]origineel
 
Of by een verloopen domenee op zwart zaad:
 
Enfin, in een huis waar geen canapé of easy-chaír staat,
 
Geen nood: onze wijsgeerige maat
 
Weet dadelijk op alle dingen raad,
 
En contenteert zich des noods met op Domenees oude huisjas te liggen, of op de warme plaat,
 


illustratie

 
Welke laatste hy dan ook zelden, voor dat die koud wordt, weêr verlaat.
 
Zoo weet onze maat in de moeilijkste levens-oogenblikken,
 
Zich met wijs overleg naar de omstandigheden te schikken.
 
 
 
Heeft het een kat naar zijn zin,
 
Dan neemt zijn gespin
 
Terstond een begin;
 
Maar gaat men hem plagen,
 
Dan zal hy juist niet byzonder klagen,
 
Ja, er zich veeltijds kalm onder gedragen:
 
Alleen zijn rug
 
Wordt dan zoo rond als een ronde brug.
 
Niemand denke daarom: ‘hy is maar een sul;’
 
Want als hy eens begint, is hy niet mak en dan wordt het wel 'reis ‘katjens-spul;’
 
Ook rekent men het onder de onvoorzichtigste zaken
 
Om een slapende kat wakker te maken,
[p. 121]origineel
 
Of een die dol is, zouder handschoenen aan te raken.
 


illustratie

 
Een kat zijn éénig gebrek
 
Bestaat, volgens Martinet, in een ongeneeslijken trek
 
Naar zoetemelk en naar spek;
 
Maar vooral in den haat, dien hy voedt
 
Tegen 't zwarte gebroed.
 
Daarom heeft te recht
 
Lacépède gezegd:
 
‘'t Paradijs van een rat is
 
Een huis waar geen kat is,
 
Of de kat uit de stad is;
 
Want om een val
 


illustratie

 
Geeft een rat niemendal;
 
Maar van zoo'n levend graf