[p. 214]
origineel
De kaasmaker.
Een Fabel
.
E
en dorp'ling, op zijn paard gezeten,
Ging naar de Gouwsche kaasmarkt toe.
Hy had in lang geen kaas gegeten
En voelde zich dus blij te moe;
[p. 215]
origineel
Want op hetgeen hy niet bezit,
Is mensch en dorp'ling 't meest verhit.
Het was een zoele zomermorgen:
't Was niet in slachtmaand, doch in Mei.
‘De lui, die u die kaas bezorgen,
o Mensch! die leevranciers zijn wy.’.
Dus sprak, op 't zien van onze twee,
Vertrouwlijk tot mekaêr het vee.
‘'t Is waar, daar is een kaas in 't leven,
Die hoofdkaas wordt door u genoemd;
Doch dees wordt u door 't vee gegeven,
Wanneer 't tot sterven werd gedoemd.
Zij wordt door 't varken u gebracht,
Na dat het varken is geslacht.’
‘Ja, trotsche mensch, dit moet gy weten,
Gy, die de kaas snijdt op uw paard,
Gy kunt geen klein Edammertje eten,
Of 't is u door de koe gebaard.
De melk, die tot de kaas behoort,
Brengt
onze
schoone sexe voort.’
Maar zie, daar treedt in volle pracht
Een schaap te voorschijn met zijn vacht,
En spreekt: ‘o Ossen! wordt gy dol?
[p. 216]
origineel
O koeien! krijgt gy 't in uw bol?
O kalfskop! raakt uw brein op hol?
Of zijt gy blinder dan een mol,
En houdt ge u, of gy zoudt vergeten
De schapenkaas, die menschen eten?
Het keurig lammerenprodukt
Dat na den disch de maag verrukt?
Kwansuis of gy 't niet hadt geweten?
Wy toch, zoo wel als gy, o vee!
Doen aan de kaasnegotie meê.’
- ‘Jandorie!’ zegt hierop een ram,
Die om te luistren naderkwam,
‘Ik dacht voorwaar niet, juffrouw Lam,
Dat gy zoo dapper wist te spreken
En lansen met den vijand breken.
Kom, volg my naar het echtaltaar
En worden wy terstond een paar.’
De dorpeling gaf hier den zwiep
Aan 't ros, dat dit gezwets ontliep.