[p. 267]
origineel
De dankbare zoon.
I
k ben een zeer gelukkig kind,
Wanneer men dit bedenkt:
Mijn vader is mijn beste vrind,
Die my schier alles schenkt:
Zijn afgedragen zomervest,
Zijn oude broeken, en de rest;
Maar dat weet Moeders naaister best.
Hoe lekker smaakt die boterham,
Met dat Sint Nikolaas,
Dat mijn mama my brengen kwam
In plaats van Leidsche kaas.
En och! hoe menig arme man
[p. 268]
origineel
Zijn zoontjen proeft daar nimmer van;
Daar de ouwe 't niet betalen kan!
En daarom noopt my dankbaarheid,
Reeds op het pad der deugd
(Gelijk mijn vader dikwerf zeit)
Te wand'len in mijn jeugd:
Altijd den rechten weg te gaan,
En, met mijn Zondags buisjen aan,
Nooit ergens tegen aan te staan.
Wanneer Papa uit wandlen gaat,
Neemt hy ons dikwijls meê
En reciteert soms over straat
't Sanscritiesch
a, b, c:
En, als ik 't hem dan nazeg, ik,
Dan lees ik in zijn vaderblik:
‘Ik ben ontzachlijk in mijn schik.’
[p. 269]
origineel
En daarom is mijn vast besluit,
O dierbaar ouderpaar -
Dat ik, ofschoon uw jongste guit,
Uw meekrapkleurig hair
Nooit grijs doe worden voor den tijd,
Noch dat ik door gebrek aan vlijt
Het vaderhart u openrijt.
Integendeel, door mijn gedrag
Hoop ik al meer en meer,
- Als ik het zoo 'reis noemen mag, -
Te strekken tot uw eer.
Zoo moogt gy eenmaal, ouwe liên!
Nog in uw jongsten telg misschien
Uw evenbeeld gespiegeld zien.
Verleden week zag ik een zoon,
Die zijne grootmama
Behandlen dorst met smaad en hoon,
De moeder van zijn pa!
Hy zeî: haar man, die ouwe paai,
Sprak naamlijk als een schorre kraai....
- Dat stond dien jongen heer niet fraai.