begin  verderprepost
[p. 3]

Problemen rond de plaatsnaam Venray (Ned. Limburg)

Op 16 juni 1224 schonken Gerard, graaf van Gelder, zijn vrouw Margaretha en hun zoon Otto o.a. het patronaatsrecht van Rodhe (Venray) aan het nieuw gestichte ‘Munster’ van Roermond(1). Bij Bondam staat in die oorkonde de versie Rodhem(2). Naar aanleiding hiervan schreven Th. W.J. Driessen (†) en M.P.J. van den Brand :

We hebben dus te doen met een heemnaam evenals bij Rothem in Zuid-Limburg. Onder de tegenwoordige gemeente Venray vindt men overigens nog drie heemnamen, namelijk: Veltum (uit Veltheim), Oostrum (uit Oosterheim) en misschien Leunen (uit Leunheim). Oosterheim wijst op een hoofdplaats westwaarts gelegen. Deze plaats moet Rodhem zijn. Rodhem willen wij niet verklaren als heem op een ontginning, maar als een heem gelegen nabij roodgekleurde broekgronden. Wij leiden rod- af van het Germaanse rauda (rood). ... Venray is het heem bij de broekgronden, die roestkleurig waren door de vele ijzerhoudende stoffen. De ijzerhoudende stoffen waren gevormd, omdat het terrein tevoren veenachtig en moerassig was, door slechte afwatering(3).

Wij achten die interpretatie evenwel zo weinig houdbaar, dat wij ze van de hand wijzen. Vooreerst blijkt Rodhem niet in de oorspronkelijke oorkonde te hebben gestaan. In 1719 publiceerde J. Knippenbergh een oorkonde uit 1224 (met de versie Rhode), die volgens het getuigenis van de openbare notaris P. Petri met het origineel (met een zegel in rode was aan een groene zijden draad) zou overeenstemmen(4). Er bestonden twee oorspronkelijke (niet geheel identieke) oorkonden (aan de andere heeft een zegel aan een rode zijden draad gehangen), die in de 19de eeuw in het bezit van notaris Guillon te Roermond

[p. 4]

waren. Zodoende heeft Sloet beide teksten onder ogen gehad; deze auteur gaf de versie Rodhe(5).

Bondam zag noch een oorspronkelijke oorkonde noch een geverifiëerd afschrift; hij nam zijn tekst (met de versie Rodhem) letterlijk over uit de door Foppens verzorgde tweede uitgave van A. Miraeus, Opera Diplomatica et Historica(6). Hij voegde er ten onrechte aan toe, dat zijn versie door genoemde notaris Petri zou zijn geverifiëerd. Naar zijn eigen zeggen copieerde hij dit laatste uit het boek van Knippenbergh(7). Bij Miraeus werd die oorkonde (op grond van een grafschrift) in 1218 geplaatst, terwijl in de marge werd toegevoegd: Correctum secundum Originalia Abbatiae, d.w.z. gecorrigeerd volgens de oorspronkelijke (gegevens) in de Munsterabdij (te Roermond)(8). Het is geenszins duidelijk of hier de oorkonden dan wel het grafschrift bedoeld werd(en).

Wel blijken Miraeus (of Foppens), Knippenbergh en Sloet, hetzij rechtstreeks hetzij onrechtstreeks, uit dezelfde bronnen te hebben geput. Deze bronnen zijn bewaard gebleven; een fotocopie van een dier twee oorkonden werd afgedrukt in ‘Civitas Ruraemundensis’(9). Daarop kan men duidelijk zien, dat er Rodhe staat. Derhalve werd de oorspronkelijke versie Rodhe ofwel door de auteur ofwel door de drukker, maar volkomen ten onrechte, in Rodhem veranderd. De lezing Rodhe (1224) staat trouwens temidden van een aantal (vroegere, gelijktijdige en latere) vermeldingen van de versie Rode (1220, 1222, 1224, 1228 en ca. 1231), die alle Venray aanduidden(10).

Overigens was de versie Rodhe ook elders een variant van rode-toponiemen. Zo werd Rodhe (1219) door Gysseling als een variant van Rode (z.g. Kloosterrade) beschouwd(11). Anrath, dat eertijds Rode heette, werd in 1147 eveneens als Rodhe vermeld(12). Dat Rodhe ook op andere plaatsen een volwaardig equivalent van Rothe of Rode

[p. 5]

was, blijkt eveneens uit oorkonden van 1108, 1121, 1125 en 1174(13).

Verder is o.i. de afwijzing door Driessen en Van den Brand van Rod(e) in *Rodhem als ‘ontginning’ onvoldoende gegrond. Al komen in die streek dan ook toponiemen voor zoals Roodland, Rodevoort, Rode vennen, Rodebeek en Rodegraaf, toch volgt daaruit nog geenszins, dat een *Rodhem tot diezelfde categorie zou hebben behoord. In die andere gevallen lijkt Rood- of Rode- als adjectief gebruikt te zijn. Als dit bij *Rodhem eveneens het geval zou zijn geweest, zou dat (veronderstelde) heem zelf een rode kleur hebben gehad.

Ook heeft het o.i. weinig zin om hier van een Frankisch Rauda-heim te spreken. Afgezien van de taalkundige onzekerheden in dit verband, diene men ook te bedenken, dat de oorsprong van een toponiem niet steeds identiek is met de oorsprong van de woorden, waaruit dat toponiem is samengesteld. In dit verband merkte D.P. Blok terecht op, dat men bij de naamgeving niet met de oorspronkelijke betekenis van die woorden heeft te maken ‘maar met de afgeleide betekenissen, die op het moment van de naamgeving golden in de betreffende streek’(14).

Tenslotte schijnen die auteurs de betekenis van rode als ‘ontginning’ verkeerd begrepen te hebben. Zij schreven immers: ‘Het in kultuur brengen van de Peelstreek is een proces, dat zich in de loop der tijden schoksgewijze voltrokken heeft. Eerst een grootscheepse ontginning begon in het midden van de vorige eeuw te Grien(dt)sveen e.o. In de omgeving van Venray begon de grote ontginning van de Peel na de eerste wereldoorlog ... en de Vredepeel werd eerst ontgonnen na de tweede wereldoorlog’(15). Zodoende schenen genoemde auteurs de verklaring van Rodhe als ‘ontginning’ mede van de hand te wijzen, omdat een dergelijke ‘ontginning’ pas vrij recent zou zijn geweest. Doch rode betekende niet zonder meer ‘de bewerkte “grond” om er bouwland van te maken’, zoals G. Verbeek schreef(16), en nog minder sloeg het op het droogleggen en vruchtbaar maken van moerassen. Rode duidde heel specifiek een plaats aan, waar bomen of struiken met wortel en al ‘uitgeroeid’ waren.

[p. 6]

Driessen en Van den Brand schreven zelf: ‘Als men weet, dat Loo betekent bos, vooral eikenbos(17), dan ziet men rond Venray Oirlo, Casterlo (later veranderd in Castenray), Veurlo (Veulen), Weverslo en Merselo, terwijl Bosveld en Boshuizen er ook niet om liegen’(18). Aan deze lijst kunnen nog worden toegevoegd: Oploo, Meerlo, Melderslo en Tongerlo. C.F. Egelie schreef over de Peel: ‘Buiten het eigenlijke veengebied overheersten uitgestrekte heidevelden, plaatselijk afgewisseld door eiken-, elzen- en berkenhakhout ... Het eikenhakhout van ... het Peelgebied leverde de looistoffen voor de leerlooierijen ...’(19). H.H.J. Maas schreef bovendien: ‘Van Venray tot aan de Maas (Geysteren) lag een gebied van bos, eik, den, beuk, enz.’(20). Welnu, dat er in die streek gerooid werd, d.w.z. bomen met hun wortels verwijderd werden, blijkt uit de toponiemen Nistelrode, St. Oedenrode, Wanroy, Tienray, Groot- en Kleinray bij Grubbenvorst, en o.i. ook uit Rode (Venray). A.F. van Beurden schreef dan ook terecht: ‘Venray is ... ontstaan op de rode, de gerooide plek van het woud’(21).

Wij wijzen ook de identificatie van dit Rode met Bettelinrode of Betenrode van de hand. De Munsterabdij van Roermond had eertijds bezittingen te Bettelinrode (1221) of Betenrode (1223-1224)(22). P. Tummers en M. Smeets meenden zowel die beide vormen als het in 1144 vermelde Bettenrode(23) te Venray te kunnen localiseren(24).

Uit het ons ter beschikking staande bronnenmateriaal blijkt evenwel, dat het patronaatsrecht van Rode (Venray) pas op 16 juni 1224 aan die abdij werd geschonken, terwijl de bezittingen te Bettelinrode of Betenrode reeds eerder vermeld werden. Ook komt het ons vreemd voor, dat die plaats reeds in 1144 Bettenrode, daarna afwisselend Rode (1220), Bettelinrode (1221), Rode (1222), Betenrode (1223-1224) en vervolgens eeuwenlang enkel Rode zou zijn genoemd. Het bevreem-

[p. 7]

dende zou in dit geval o.i. het verdwijnen van Bet(t)enrode of Bettelinrode zijn, nadat dit toponiem minstens 80 jaar in gebruik zou zijn geweest.

Het is trouwens nog een grote vraag of de rode, waaraan Venray zijn naam ontleende, zo ver zou teruggaan, dat die plaatsnaam reeds in 1144 een onderscheidend eerste lid zou hebben vereist. De grote ontginningsperiode van de Middeleeuwen begon op haar vroegst ca. 1000. Er zijn evenwel slechts weinig rode-toponiemen uit de 11de of 12de eeuw bekend. Evenals van de Meierij uit, een reeks dorpen langs de westzijde van de Peel werden gesticht, zo werden ook de nederzettingen langs de oostelijke rand (waaronder Venray) gesticht vanuit de ermee evenwijdig lopende rij Maasdorpen(25). Vandaar de vele oude oost-west weg-verbindingen tussen de moederdorpen en de dochterstichtingen, zoals Blerik-Horst en (waarschijnlijk) Geysteren-Venray, terwijl de wegen tussen de Peeldorpen onderling pas vrij laat ontstonden en er slechts weinig contact bestond tussen de Peeldorpen aan de westkant enerzijds en die aan de oostkant anderzijds(26). Bovendien lagen Venray en Horst aan de grote weg, die van Keulen over Venlo naar 's-Hertogenbos voerde(27). Evenals dit elders het geval was, zo moet o.i. ook hier aan een verband tussen die landstraat en die nederzettingen gedacht worden. Welnu, 's-Hertogenbos werd pas ca. 1200 belangrijk genoeg om als einddoel van een dergelijke route in aanmerking te komen. Het kasteel van Horst, dat langs die baan gebouwd werd, is pas uit de 14de eeuw bekend.

De oplossing ligt o.i. in Bettrath bij München-Gladbach, op ongeveer 30 km van Roermond en op ongeveer 45 km van Venray. Die plaats werd kort na 1116 als Betherode(28) en in 1196 als Betterode vermeld(29).

Te Venray wordt niet alleen een eeuwenoude devotie tot de H. Oda onderhouden, maar bestaat tevens een mondelinge en schriftelijke traditie, dat die heilige in de 8ste eeuw ter plaatse zou hebben verbleven(30). Van Beurden gebruikte die overlevering zelfs om ‘de

[p. 8]

oudheid van Venray boven alle verdenking te stellen’(31). Van een dergelijk verblijf staat evenwel niets in de oudste Vita(32).

De verering van de H. Oda te Venray zou misschien te verklaren zijn uit de vrij geringe afstand tussen Venray en St. Oedenrode. Maar de legende van een verblijf van die heilige in eerstgenoemde plaats lijkt ons op een verwarring van beide toponiemen te berusten. In de circa 1170 geschreven Vita van de H. Oda staat, dat zij te Rode leefde en stierf. Die plaats werd een eeuw later (1274) als Rode Sancte Ode (St. Oedenrode) vermeld(33). Genoemde Vita werd in 1485 te Leuven en in 1605 en 1616 te Keulen gedrukt. De lezers, die niet wisten, dat St. Oedenrode eertijds Rode heette, identificeerden dit laatste allicht met het Rode, dat hun bekend was. Ingeval de oudste drukkers het Rode van de H. Oda, nl. St. Oedenrode, in hun commentaar als Roda Pelandiae (Rode in de Peel) hebben aangeduid - zoals Guesquières en Thys(sen) in 1794 meer dan eens deden - dan was de identificatie van dit Rode (door de lezers) met Venray welhaast onvermijdelijk. Venray kwam immers circa 1500 nog als Rode voor.

De zuster, die de plaatselijke traditie kort na 1527 in haar klooster te Venray te boek stelde(34), vermeldde zowel aan het begin als aan het einde van haar verhaal, dat zij dit ‘een deels gelesen ende een deels van gueden alden luyden gehoert’ had. In haar verhaal komt o.a. de volgende passage voor: ‘Ende want daer voel orloges was inden lantde soe woende te Rade een deel haefluyde, genoemt die van Wyckrade ... Dese haefluyden deden sancta Oda ende oer gesynnede groeten overlast. Die heilige ioncfrou van Rade toech te sinten Oienrade, over Peel’(35). Dit is op het eerste gezicht vrij raadselachtig, want niet alleen hoort het toponiem Wyckrade o.i. niet in de Peel thuis, maar bovendien gaat het o.i. niet tot de 8ste eeuw terug. Die passage komt evenwel in een ander daglicht te staan, als men bedenkt, dat de plaatsen Venrath en Wickrath dicht bij elkaar (tussen München-Gladbach en Erkelenz) liggen. Het komt ons voor, dat de kroniekschrijfster, die in haar relaas zowel de versie

[p. 9]

Venrade als de lezing Rade gebruikte, zich door de gelijknamigheid van beide plaatsen (Venrath en Venrade) heeft laten misleiden(36). Dit laatste was duidelijk het geval, toen Gallée Venirode (1197)(37), dat een oude vorm van dit Venrath was, met Venray in de Peel identificeerde(38).

 

Freeport, Long Island,

New York, U.S.A.

 

Arthur Schrijnemakers

(1)L.A.J.W. Sloet, Oorkondenboek der Graafschappen Gelre en Zutfen etc. 's-Gravenhage, 1872-1876), nr. 475, pp. 479-481.
(2)P. Bondam, Charterboek der Hertogen van Gelderland en Graaven van Zutphen (Utrecht, 1783-1809), p. 336.
(3)Th. W.J. Driessen en M.P.J. van den Brand, Venray, een ‘nieuwe’ naam voor een oud dorp met een oude kultuur (Venray, 1976), p. 3.
(4)J. Knippenbergh, Historia Ecclesiastica Ducatus Geldriae (Bruxellis, 1719), pp. 78-80.
(5)Sloet, Loc. cit.
(6)A. Miraeus, Opera Diplomatica et Historica, I (Bruxellis, 1723), pp. 304-305.
(7)Bondam, Op. cit., p. 337.
(8)Miraeus, Op. cit., p. 304.
(9)‘Civitas Ruraemundensis’, Gedenkboek ter gelegenheid van het zevenhonderd-jarig bestaan van Roermond als stad (Roermond, 1932), t.o. p. 16.
(10)Mededelingen van de Vereniging voor Naamkunde te Leuven en de Commissie voor Naamkunde te Amsterdam (voortaan afgekort: Meded.), 43 (1967), p. 64.
(11)M. Gysseling, Toponymisch Woordenboek (1960), p. 565.
(12)Th. J. Lacomblet, Urkundenbuch für die Geschichte des Niederrheins, I, nr. 357, p. 245.
(13)Sloet, Op. cit., nrs. 218, 236, 245 en 336.
(14)Tijdschrift voor Geschiedenis 75 (1962), p. 185.
(15)Driessen en Van den Brand, Op. cit., p. 3.
(16)M. Kemp (red.), Het Land van de Peel (Maastricht, 1955), p. 145.
(17)De algemene betekenis van lo(o) was ‘bos’. Al kan men wellicht via pastus porcorum (Nomina Geographica Neerlandica I (1885), pp. 155-160) een verband met ‘eikenbos’ zoeken, toch kan dit laatste o.i. niet als de primaire betekenis naar voren worden geschoven. Men denke bv. aan Berkelo, Elslo, etc. Mogelijkerwijze hebben die auteurs het woord loo met ‘looien’ in verband gebracht.
(18)Driessen en Van den Brand, Op. cit., p. 24.
(19)Kemp, Op. cit., pp. 19 en 24.
(20)Op. cit., p. 45.
(21)Limburg's Jaarboek 25 (Sittard, 1919), p. 105.
(22)Meded. 43 (1967), p. 64. - Sloet, Op. cit., nr. 464 bis, p. 468 bis.
(23)Gysseling, Op. cit., p. 135.
(24)Meded. 43 (1967), p. 64.
(25)Limburg's Jaarboek 25 (Sittard, 1919), p. 91.
(26)Kemp, Op. cit., p. 22.
(27)Op. cit., p. 23.
(28)Gysseling, Op. cit., p. 135.
(29)Lacomblet, Op. cit., I, nr. 553.
(30)H. Welters, Limburgsche Legenden, Sagen, Sprookjes en Volksverhalen (Venlo, 1875), pp. 86-87.
(31)A.F. van Beurden, Beschrijving van Venray (Sittard, 1925), p. 5.
(32)J. Guesquierus et I. Thysius, Acta Sanctorum Belgii Selecta, VI (Tongerloo, 1794, p. 608: Difficultas major exstat in eo, quod S. Oda Venradii & in sylva Weertensi habitasse dicatur, de qua habitatione Biographus nosler nihil habet.
(33)Sloet, Op. cit., nr. 953, p. 921.
(34)Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 85 (1949), pp. 699-700.
(35)Welters, Op. cit., pp. 86-87.
(36)Mogelijkerwijze staat dat verhaal in verband met een eventuele verkoop van de bezittingen te Bettrath door de zusters van de Roermondse Munsterabdij.
(37)Lacomblet, Op. cit., I, nr. 555, p. 387. - Het kasteel Wickerothe werd reeds in 1139 vermeld; in 1310 schreef men Wyckerode en in 1311 Wickerade (Op. cit., 1, nr. 333, p. 223; III, nrs. 95 en 102, pp. 70 en 74).
(38)Nomina Geographica Neerlandica II (1892), p. 52.
prepost  begin  verder