De geboorte van het kind is met gulden sprookjesdraden omsponnen. De ooievaar brengt het, de heilige vogel, die volgens zijn naam zelf ‘met geluk komt’, de heil-över, zooals hij in den Achterhoek heet. Hij haalt het met zijn snavel uit den vijver, evenals op de weilanden de spartelende kikkertjes uit de slooten:
Daar bij zijn komst in het land de groei- en teelkracht in de natuur zich openbaren, verwacht men dan ook de geboorte van het jonge menschenleven:
Te Kuilenburg zingt men:
De ooievaar brengt heil en zegen. Waar hij op het huis zetelt, woont geluk; wie een ooievaarsnest op zijn dak heeft, wordt benijd en een misdaad is het, zulk een nest uit te halen. Niet alleen in Westfalen en de Rijnprovincie, ook in Nederland is hij populair, is hij haast een nationale vogel geworden, vooral in het waterrijke Noorden. Hij brengt voor broertjes en zusjes de ‘muisjes’ mee, Vergel. bl. 109.
Maar de kinderen komen ook uit bronnen, putten, vijvers of uit den watermolen, en wel volgens een Oudgermaansche opvatting, dat nl. het leven uit de bronnen komt en na den dood ook weer tot bronnen en vijvers terugkeert. Wij ontmoeten hier den bronnenkultus, zoo populair bij de Franken, Saksen en Friezen; hij verklaart tevens de verhouding, waarin Holda als godin der geboorte en des doods tot de bronnen staat. In zijn diepste wezen berust hij op wijding en symboliseering der animale vruchtbaarheid en levenskracht. Te Deventer komen de kleinen uit den Hoenderput, te Almeloo uit den Kloosterput, in de stad Groningen uit de Waalpudde, de pomp in 't wijde van de Heerestraat; in de Zaansche dorpen uit de watermolens, in het Oldambt van Groningen uit den Dollard. Elders vinden wij sporen van het oude volksgeloof, dat de bewoners van het zielenrijk over water in een schip het land der levenden bereiken. Zoo komen in sommige deelen van Friesland de kinderen uit de Wouden, en de kraamvrouw doet een Woudreis om ze te halen in een scheepje met een wit zeiltje en een paar witte zwaantjes er voor. Te Amsterdam komen zij overgevaren uit de Volewijk, in de Beemster worden zij met een schuitje uit den rietschoot gehaald. Te Hekelgen (Z.-B.) gaan de kinderen kijken in het Kluizeputteken van O.L. Vrouw-ter-kluis om te zien, of er geen kindje in ligt. Of wel ze leggen zich met het oor op den rand van den put en denken dan soms kindergeschrei te hooren.
Eindelijk, ook de vegetatie openbaart jeugdige levenskracht, en daarom komen de kinderen uit holle boomen, groeien in de boomen, komen uit de kool en andere planten. In de Friesche Wouden en
vooral ook in Noord-Holland groeien zij in de boomen als appelen en roepen dan:
De holle boomen zijn kinderen-telend in sommige gedeelten van Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Groningen en Friesland. Te Utrecht werden de kinderen uit den Munnekenboom geschud, een zeer ouden lindenboom in den tuin van het vroegere Karthuizerklooster aan de Vecht buiten de Weerdpoort. In België laat het volksgeloof ze veelal groeien aan rosmarijnstruiken. Waarom juist aan rosmarijnstruiken? Zeker is het niet toevallig, dat het jeugdige echtpaar bij voorkeur met rosmarijn is getooid en dat ‘de slag met de levensroede,’ die, zooals wij zagen, vruchtbaarheid beoogt, veelal met rozemarijnstengels wordt toegediend. - Wellicht moeten de holle boomen echter anders beoordeeld worden dan de gewone boomen, en zag men in hen slechts een toegang tot de geheimzinnige onderaardsche wereld.
Laat ik hier ten slotte aan toevoegen, dat de kinderen ook door dokter of vroedvrouw gebracht worden, of door de ouders worden gekocht, b.v. in missielanden. Zie hierover vooral Boekenoogen, Volkskunde XXII, bl. 18, 143, 193; XXIII, bl. 29; Knappert, Folklore, bl. 188 vv.; Utrechtsche Volksalmanak, 1853, bl. 2 vv.
Vrouwen in gezegenden staat ondervinden een bijzondere oplettendheid van den kant der buurvrouwen en vriendinnen. Zij mogen geen leelijke of vreemde dingen zien en moeten den aanblik van kreupelen en roodharigen vermijden: het zoogenaamd verzien. Wordt het kind geboren met hazenlip of ander gebrek, dan is dit hoofdzakelijk te wijten aan de onvoorzichtigheid der moeder tijdens haar zwangerschap. Tot haar omgeving staat zij in sympathetisch verband: een boom, die voor het eerst vruchten draagt, zal overvloediger dragen, als een vrouw in den tijd der verwachting van de vruchten eet. Verder is het een algemeen verbreide meening, dat
het zeer verkeerd is gedurende de zwangerschap waschgoed op te hangen, onder een drooglijn door te loopen, met de armen boven het hoofd te slapen. Over deze en dergelijke volksopvattingen zie vooral Dr. J.H. Starmans, Verloskunde en Kindersterfte in Limburg (Maastricht 1930), bl. 30 vv.; verder M.A. van Andel, Volksgeneeskunde in Nederland (Utrecht 1909), bl. 105 vv.
De vertraging der geboorte en het verstrijken van den barenstijd, naar berekening, wordt veelal toegeschreven aan den invloed der maan: ‘Zij zal de nieuwe maan, het eerste kwartier afwachten’, meenen de buurvrouwen.
Wordt het kind met een stuk der vliezen over het hoofd geboren, met ‘den helm’, dan is het beeldwit (blijkbaar een verbastering van het Middelnederl. belewitte, zie bl. 91): zoo iemand kan voorspellingen doen omtrent sterfgevallen, branden en het vergaan van schepen. Sommigen, die met den helm geboren zijn, moeten 's nachts opstaan, om de hekken te openen voor een lijkwagen. De helm en navelstreng spelen ook als toovermiddel in onze landen zoowel als elders een niet onbeduidende rol in het volksgeloof; zie vooral M. Sabbe in Volkskunde XXIII, bl. 91 vv.; en R. Meringer in Wörter und Sachen V, bl. 43 vv. Ook Zondags- en Kerstkinderen kunnen in de toekomst zien; het zijn gelukskinderen, evenals de Woensdagskinderen; Vrijdagskinderen sterven spoedig; een Zaterdagskind wordt een lastige jongen of meisje. Men vergelijke de voor het huwelijk geschikte dagen, bl. 289. Kinderen met een dubbele kruin worden knap of koppig. De roodharigen zijn ‘van God geteekend’ en staan aan plagerij en bespotting bloot: ‘Rood haar en elzenhout groeien op slechten grond,’ meent het volk. Zie Prof. J.W. Muller, Volkskunde XIX, bl. 8; Prof. J. Verdam, Handel, en Mededeel. v.d. Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden 1897-98; H. Heuvel, Driem. Bladen II, bl. 8. De belangrijkste gegevens over de volksopvatting omtrent faktoren, die het geslacht der vrucht beïnvloeden, en de middelen om voorspoedig te bevallen, dan ook bepaaldelijk over de nageboorte en het ‘met den helm geboren
zijn’, vindt men voor Limburg en ten deele Noord-Brabant in het genoemde werk van Starmans, bl. 21, 30, 36, 54 vv. Zie hierover ook S. Gewin, Nederlandsch Volksgeloof (Arnhem 1925), bl. 49 vv.
Terstond na de geboorte ontvangt in katholieke streken het kind den vaderlijken zegen. De baker geeft het eerste bad en met dit badwater worden in Duitschland jonge boompjes begoten: zóo, als het boompje groeit, zal ook het kind groeien en gedijen. Dit hangt samen met de opvatting, dat het leven van den mensch als het ware een dubbelganger heeft in het vegetatieve leven van een boom, die al zijn lotsbeschikkingen deelt of zelfs bepaalt: een opvatting, die stoelt op de animistische voorstelling eener wezenlijke overeenkomst tusschen de plant en den mensch. Vandaar het planten van den levensboom bij de geboorte, een gebruik, vooral bij de Zuid-Slaven in zwang en door Fr. Krauss in zijn Volksglaube und religiöser Brauch der Südslaven (Münster 1890), bl. 32 vv. zoo treffend geschetst. Ook bij de huwelijksgebruiken speelt deze levensboom een rol. In het Limburgsche is dit veelal een eik, beuk of vruchtboom, al dreigt het gebruik thans uit te sterven; en ook in menig Vlaamsch dorp kent men nog het geboorteboompje, doorgaans door den vader in den tuin geplant, als zijn vrouw hem een telg schenkt; dit boompje zal met het kind, als zijn evenbeeld, opgroeien en bloeien, om eenmaal te verdorren. Voor jongens kiest men een noten- of appelboom, voor meisjes een pereboom. Is het een goed noten- of appeljaar, dan worden veel jongens geboren; zijn de peren overvloedig, dan komen veel meisjes ter wereld. Ik herinner nog aan de treffende spreekwijze: ‘zijn levensboom verdort.’ Zie Is. Terilinck, De Plant - een levend, bezield, handelend wezen (Gent 1892); Bloeiende Reuzen (Rousselare 1886); A. de Cock, Spreekwoorden enz., bl. 5.
De vroedvrouw (wiezemoêr, wiesvrouw), die den geneesheer vervangt, is ook meestal zeer bedreven in de lotsvoorspelling van den pas geborene. De baker of verpleegster laat het kind kijken en strijkt daarvoor de gebruikelijke fooien op. - En nu, voorzichtig! De kleine mag niet op de linker zij worden gelegd, anders wordt hij linksch;
men mag niet over de wieg heen reiken, waar hij slaapt; men mag niet met een ledige wieg wiegen, dat verijdelt de nachtrust, of het kind sterft. Het mag niet gemeten worden, anders meet men zijn doodkistje. Houdt het zijn vuistjes gesloten, dan wordt het gierig; houdt het ze open, dan wordt het vrijgevig. Van een stuurschen, onwilligen jongen zegt men in Limburg: ‘hij is overkops gewiegd.’ Ook moet de moeder de nagels van den jonggeborene afbijten, anders leert hij stelen. Het afknippen der nagels en der haren, het baden, enz., hetgeen bij de natuurvolken dikwijls als ritueele handeling beschouwd wordt, behoort tot de zoogenaamde scheidingsgebruiken, die ten doel hebben, ook een inwendige scheiding te bewerkstelligen; zie hierover vooral A. van Gennep, Les rites de passage (Paris 1909), passim; Paul Sartori, Sitte und Brauch I (Leipzig 1910), bl. 18. De scheidingsgebruiken vormen met de opnamegebruiken in hoofdzaak de groep der overgangsgebruiken, die den overgang van den eenen toestand tot den anderen, van de eene sociale groep tot de andere, plegen te kenmerken; bij de volken met lagere kultuur zijn zij meestal in magisch-religieuze vormen gehuld.
Wanneer ik nu zeg, dat tot onze opname-gebruiken in de allereerste plaats het doopsel en de naamgeving behooren, bedoel ik allerminst, hierin een criterium voor lagere kultuur te zien. Integendeel! Immers het lagere ligt niet in het religieuze, maar in het magico-religieuze, - het lagere, zonder dat hierdoor iets ten gunste van de prioriteit dezer kultuurlaag wordt beslist. Peter en meter worden doorgaans genomen uit de naaste bloedverwanten. Veelal geeft de peter aan het kind zijn naam en beschouwt dit als zijn recht; geeft men het kind den naam der ouders, dan sterft het vóor de ouders. Het erft de hoedanigheden van peter en meter; ook neemt de doodstrijd van iemand, wiens meter nog leeft, geen einde, zoolang deze niet aan het ziekbed verschijnt. Bij den doop van den eersten zoon is gewoonlijk de mansvader peter, bij den doop van het eerste meisje de vrouwsmoeder meter.
Ongedoopte kinderen zwerven na hun dood als dwaallichten rond
boven de moerassen of vormen een deel van de Wilde Jacht. Kinderen, die gedoopt zijnde sterven, worden engeltjes: in Duitschland kent men den Engelgarten, de begraafplaats van gedoopte kinderen.
Kinderzegen beschouwt men in Groot-Nederland, althans op het platte land, grootendeels nog als geluk en als eere, al is het treffende Boheemsche spreekwoord onbekend: ‘Zooveel kinderen de vrouw heeft, zooveel sporten komt zij den hemel nader’.
Het doopkleed wordt in vele families zorgvuldig bewaard. Nog bestaan in sommige families kanten doopkleeden van groote waarde, waarin vijf geslachten ten doop gedragen werden. Peter en meter plachten eertijds aan hun petekind een pillegift te schenken, een woord, dat nog voortleeft in het Westvlaamsche villegift: een gouden penning, zilveren lepel, of iets dergelijks.
Natuurlijk gaan geboorte en doopsel ook met de noodige feestelijkheden gepaard, ‘'t Kind verdrinken’, noemde men voorheen het feest voor de buurvrouwen. Ook het doopmaal was vast gebruik. In België wordt na den doop de noodige kindersuiker gekocht, om deze aan de buurtjeugd uit te deelen; en ook in Noord-Nederland worden buren, vrienden, magen, die ‘het kindje komen kijken’, plaatselijk nog op suikerdebol onthaald. Te Weert eet men een soort wittebroodsbollen, lommerten genaamd. ‘Het kindje gaan zien’ is op menig Limburgsch dorp synoniem geworden van: een glaasje gaan drinken in een herberg zonder vergunning. Het gewoon onthaal bestaat echter in koffie, wittebrood en beschuit, bestrooid met suikerkorrels: sòkerkörkes of muisjes, wit en rood, wat nog met de sekse in verband wordt gebracht. De Friesche term is poppebak, en men vertelt, dat de lytse pop (het kraamkind) zulke bakken heeft meegebracht. Of wij hierin een overleefsel van offergaven moeten zien, durf ik niet uitmaken.
Een ander gebruik is dit, dat gedurende negen dagen, die de bevallling volgen en waarin de kraamvrouw het bed moet houden, de buurvrouwen en vriendinnen, veelal gezamenlijk, haar komen bezoeken en het een of ander ten geschenke meebrengen; dit heet in
Limburg: met den eierschoot gaan, in Noord-Brabant: met den krommen arm of de kromme slip gaan. Ook in het noordelijk gebied kent men kraamschudden; het geschenk bestaat gewoonlijk in krentebrood. Te Brugge heet dit gebruik prijken, elders paanderen, ook te paanderinge of te pronkinge gaan.
Na een bepaalden dag houdt dan de moeder den kerkgang, en wel in navolging van Maria, die het voorschrift der Joodsche wet nakwam, waarvolgens de vrouwen, veertig dagen na de geboorte van een zoon, zich tempelwaarts moesten begeven ter reiniging en om het kind aan den Heer op te dragen. De kraamvrouw wordt op dezen gang door de buurvrouwen vergezeld; na afloop van de plechtigheid heeft in katholieke streken dan voorgoed de traktatie op koffie en stoete, en brandewijn met rozijnen of kraamanijs plaats, die den naam van kindjeskermis of kindjeskoffie draagt, en beantwoordt aan het Drentsche wievemoal en de Friesche wievedei. De Westvlamingen heeten dit de koffiebale. Met jonge vrouwen, nog niet moeder, wordt bij die gelegenheid wel eens wat gesold; men geeft ze schijnbaar een eereplaats en zij krijgt den kleine op den schoot. In Friesland nam dit gekscheren enkele malen een ruwen vorm aan; zie Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 222. Deze traktatie wordt ook wel kinderbier genoemd; hierin heeft bier natuurlijk een algemeene beteekenis, die wij nog herhaaldelijk zullen ontontmoeten. Over doop en kerkgang zie nog Starmans, Verloskunde enz. bl. 89 vv., 92 vv.
De ziekten van het kind gedurende de eerste levensjaren worden vaak aan beheksen toegeschreven: stuipen, mazelen, kinkhoest, Oude Man (rachitis) enz. Maar het volk weet raad en heeft voor al die kwalen geneesmiddelen, waarop ik bij de behandeling der Volksgeneeskunde terug kom. Over het algemeen maakt men een veelvuldig gebruik van amuletten, b.v. een snoer pioenzaden, een rozenkoordje (rood katoenen koordje), een kettinkje van lijsterbessen enz. tegen stuipen en moeilijke doorbraak der tanden. Eigenaardig is in België de vereering van Sint Jan den Grijzer of Krijter (Sint Jan
in den Olie) en van O.L. Vrouwe ter Ruste tegen het schreien en woelen der kinderen (sympathie).
Een heuglijke gebeurtenis is het doorbreken van den eersten tand. Op meer gevorderden leeftijd werpt het kind doorbrekende melktanden of ook andere tanden over het hoofd en zingt daarbij:
Zuid-Holland:
Sluis:
Tiel:
Vlaanderen:
Dat de muis, het knaagdier, hier als sympathetisch tooverdier geldt, is duidelijk. Als merkwaardig zij vermeld, dat soortgelijke formules, waarin de muis voorkomt, in gebruik zijn in Brandenburg, de Rijnprovincie, Tirol, Würtemberg, Hessen, Baden, Pruisen en in geheel het Slavisch gebied. Zie van Andel, Volksgeneeskunde, bl. 142 vv.
Nu meene men echter niet, dat alleen tooverij en bijgeloof hun: schepter zwaaien over de prille dagen der kindsheid. Het is waar, geen tijdperk wellicht in het menschelijk leven wordt zóo door traditioneele vormen en leefregels beheerscht, die wortelen in het meest primitieve volksgeloof. Maar den boventoon voert toch koesterende moederliefde en blijde vadertrots, aldoor geprikkeld en gevoed door de hulpbehoevendheid van den kleinen lieveling. Wie in deze eerste dagen de gezellige huiskamer met haar gulden innigheid, haar guitig wiegje, welhaast haar drukken kinderstoel, van zonneglans en zonnewarmte doet tintelen, - het is de kleine dwingeland in het hagelwitte linnen, waarin hij reeds zoo lang werd verbeid en dat de Hollandsche en de Vlaamsche moeder in de blijde dagen harer verwachting met moederweelde en vreugde-kloppend hart heeft toebereid. Hoe teekenend en hoe innig, hoe berekend voor de luistergrage oortjes, die naieve wiegeliedjes, met hun beperkte notenbeweging en hun rijkdom aan klankgehalte, waarin de rythmische wiegbeweging, maar ook moederlijke bezorgdheid en liefde zoo duidelijk hoorbaar doorklinken:
Of:
Dit ver verspreid wiegeliedje vinden wij met talrijke varianten in de verschillende dialekten; zoo b.v. in het Limburgsch:
Een enkel maal behelst het een ontboezeming:
Een in Twente en op de Veluwe zeer bekend deuntje luidt:
Hoeveel naïeve moederzorg ligt niet in 't Twentsche:
Tot de meest gewone Vlaamsche wiegeliedjes behoort wel:
Maar de wiegeliedjes zullen spoedig verdwijnen, nu de bovenkultuur het wiegen onhygiënisch verklaart. En zal het met de groeiende ‘beschaving’ ook niet spoedig verdwijnen, het heerlijk-innige, over geheel West-Europa verspreide, kindergebed?
In een spreukenverzameling uit de XVe eeuw wordt het reeds als oud gebed betiteld; zie hierover o.a. Karl Wehrhan, Kinderlied und Kinderspiel (Leipzig 1907), bl. 72.
De moeder leert aldra het kind loopen en spreken. De leiband is, evenals de loopwagen of loopkorf, reeds lang in onbruik geraakt. Wat het leeren spreken betreft, dient opgemerkt, dat dit voor een groot deel onbewust geschiedt, maar ten deele toch ook opzettelijk en volgens bepaalde beginselen: het vaak laten herhalen van dezelfde klanken of lettergrepen, het vermijden van moeilijke woorden of klankgroepen, het opzettelijk vervormen van woorden, het zich aanpassen aan den lettervoorraad van het kind, enz. Zoo kan men spreken van een voedstertaal, die de volwassenen vormen in navolging der stamelwoorden van de kinderen. De eigenlijke kindertaal is psychologisch hoogst belangrijk en heeft het tijdstip van de ontplooiing der verstandelijke vermogens als grens. Reeds de taal der kinderkamer is zeer merkwaardig en vormt een opmerkelijke groeptaal, al is de sociale groep der kinderen op dien leeftijd nog betrekkelijk onvast. Van bijzonder belang zijn de stamelwoorden, oorspronkelijk zonder beteekenis, maar waaraan door de volwassenen uit de omgeving een beteekenis wordt gehecht, als ada, tata, toetoe enz., meestal geredupliceerde vormen, alsmede de bestanddeelen der algemeene taal, die in den kindermond een eigenaardige verandering ondergaan: opoe, botam (boterham), mek (melk). Buitenmate rijk is deze periode tot het maken van opmerkingen van psychologisch-maatschappelijken aard. Het meest treffend is wel, dat de kinderen het best en het vlugst van elkander leeren. Zie mijn rede
over de Sociale klassieke Taalkunde (Amsterdam 1912), bl. 14, 15. De kinderrijmpjes bespreek ik afzonderlijk in het Zesde Hoofdstuk.
Wordt het kindje grooter, dan neemt moeder het op haar schoot, en nu mag de kleine huppelen en hossen op de maat van het schootliedje:
En dan, welk verrukkelijk genot, paardje te mogen rijden op vaders of grootvaders knie; in het vlugge rythme hoort men het galoppeeren van het paard:
Elders luidt het:
Vaak ook bezoekt men te paard de plaatsen in den omtrek; men lette op de afwisseling van drie en vier heffingen:
Men vergelijke hiermee het Vlaamsche:
Rupelmonde:
Zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust IV, bl. 229 (Wiegeliedjes), 250 (Paai en Koozeliedjes), 291 (Kniedeuntjes); Dr. Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 35 vv., Dr. J. van Vloten, Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen (Leiden 1894), bl. 12 vv.
Thans begint het eerste onderricht: voorwerpen der naaste omgeving, personen, lichaamsdeelen vooral krijgen de beurt en schertsend heet het:
Maar vooral wordt aanschouwelijk en verhalend gewezen op het onderscheid der verschillende vingers:
Te Ieperen kent men den korteren vorm:
Soms wordt de volgorde omgekeerd; aldus in het Hollandsche:
Zie hierover Volkskunde XVII, bl. 88 vv.
Het kindje wordt grooter, de gezichtskring verruimt zich, het verstand ontluikt, naar alle richtingen steekt het zijn voelhoorns uit, de sociale groep wordt omvangrijker en bestendiger, en uit den dreumes groeit een jongen of een meisje. Het onderwijs op school wordt voortgezet, - machtige, nu eens voortstuwende, dan weer stremmende faktor in de volksontwikkeling van het kind. De taal is in hooge mate aan de inwerking van dien faktor bloot gesteld, het wordt tweetalig, terwijl zijn kaste-geest zich treffend in de vele geheime taaltjes en alfabetten openbaart. Ook de speeldrift komt in haar algeheele volheid tot uiting in kinderspel en kinderlust.
Een enkel woord over het kinderspeeltuig der eerste periode. Natuurlijk verandert dit volgens de landstreek en zijn b.v. molentjes; scheepjes en boeiers in het noordelijk volksgebied heel wat veelvuldiger. Maar meer nog houdt het speelgoed gelijken tred met sociale en ekonomische ontwikkeling, met het gevolg, dat het goedkoope, eenvoudige speelgoed van vroeger door steeds duurder - maar niet duurzamer! - en ingewikkelder speelgoed vervangen wordt, waarbij dan tevens de gedachte voorzit, vooral leerzaam speelgoed te bieden. Men zou haast kunnen zeggen, dat de kinderen vroeger meer speelden om te spelen, thans meer spelen om te leeren. Poppen en bouwdoozen hebben zich doorgaans weten te handhaven, maar vertoonen toch meer raffinement; poppen in nationale kleederdracht worden zeldzamer. Den boventoon voeren, althans in de steden, miniatuurspoortreinen, stoommachines, auto's, luchtschepen enz. Tollen, ballen en hoepels behooren tot de kinderspelen der tweede periode, tot de jongens- en meisjesspelen. De zoo talrijke nummers speelgoed in het Museum van Folklore te Antwerpen zijn in dit opzicht zeer belangrijk en leerzaam.
Het heeft den schijn, alsof in de eerste periode meer met het kind gespeeld wordt, dan dat het zelf speelt. Deze opvatting is onjuist: het kind speelt intensief lang vóor het niet alleen hoepel en tol, maar zelfs pop en hobbelpaard heeft leeren kennen. Daar bestaat
een periode van het hoorspel, waarin de kleine in de wieg luistergraag let op den rammelaar, op het kloppen, tikken, spreken, fluiten, zingen, rammelen van sleutels enz. Spoedig begint dan het kakelen en schreeuwen, een schreeuwen zonder smartgevoel, alleen om den speellust te bevredigen. Ook brengt het kind geluiden voort met papier, sleutels, klapt in de handjes, werpt alle voorwerpen op den grond om het speelgenot, ze te hooren rollen. Later maakt dit pleizier in geraas en getier voor welbehagen aan welluidendheid, voor een fijner hoorspel plaats. Daarnaast het gezichtspel. Behalve het ‘licht’ - en laat de moeder haar kind niet allereerst naar de ‘lichtjes’ zien? - neemt het slechts bewegingen waar. Daarna speelt het met den slinger van de klok, met den damp, die opwalmt uit den ketel, met den kronkelenden rook der sigaar, met de hoekige armen beenbewegingen van den hansworst; en al spoedig wordt dit passieve spel in een aktief omgezet. Eindelijk het gevoelspel, dat men ook bewegingsspel zou kunnen noemen. Lachen, schreeuwen, kakelen schenkt den kleine een behaaglijk gevoel, terwijl de organen worden geoefend en in het bijzonder de spraakwerktuigen smijdig worden gemaakt. Allerlei voorwerpen worden betast en beknabbeld, als pennehouders, gummi, rammelaars. Hiertoe behoort ook het trappen op- en afklimmen, kruipen, glijden enz.
Aldus uit en ontwikkelt zich de vroeg ontwaakte, spoedig werkzame, zich-zelf vormende en leidende speeldrift. Zij verwekt gevoelens van lust en welbehagen, die de volwassene met zijn nuchter verstand niet meer koesteren, zelfs veelal niet meer bevatten kan. Het kind leeft als in een droomwereld, in een tooverland van fantasie, waarin ook het stugste en meest bekrompen kind een rijkdom van begrippen, van spraakvormen, van mimiek en pantomimiek vertoont, die vaak verwondering wekken. Een groote faktor is de navolgingslust, die de geheele maatschappij, in het klein, in miniatuurvorm, tracht weer te geven: soldaatjespelen, schoolspelen, moedertjespelen - waarbij dikwijls zulke fijnzinnige verschuiving der voorstellingen plaats vindt - ja zelfs begrafenisspelen behoort tot de
geliefkoosde thema's (zie beneden). De voornaamste spelen zijn van socialen aard en worden door de gemeenschap uitgevoerd, die al vrij dikwijls òf de jongens, òf de meisjes afscheidt: zoo vindt ook reeds in het spel de neiging tot differentiatie haar uiting, en met name de tegenstelling der beide geslachten wordt met het jaar scherper. Herbert Hahn heeft het jonge kind vergeleken met het jonge dier en ziet in het kind ‘ein knospendes, entfaltendes Wesen’, terwijl men bij het dier den indruk krijgt van een verkleind volwassen dier. Het kind verovert zich zijn organisme door in hem werkende kosmische krachten. En de projektie hiervan is het spel.
De grootste tijdruimte der jeugd wordt ingenomen door het spel. Het is veelsoortig, omdat ook de latere menschelijke werkzaamheid zoo veelsoortig is. Het spelen van het kind is reeds berekend op het handelen van den man: het is een voorschool van het leven.
Over den oorsprong van de spelen kan ik kort zijn. Men heeft dien in Indië, in Griekenland, te Rome en waar al niet gezocht. Het bikkelspel vindt men vermeld bij Homerus (Ilias XXIII, 88); het kiskassen, - waarbij gladde, platte steentjes, tusschen duim en voorsten vinger gevat, beurtelings strijkend en opspringend over een watervlakte vliegen - wordt merkwaardig overeenstemmend beschreven in het Onomasticon van Julius Pollux en in den Octavius van Minucius Felix. Maar hier is geen sprake van navolging of gemeenschap van oorsprong, tenzij men als zoodanig de algemeene kinderlijke speeldrift wenscht te beschouwen. Dit neemt niet weg, dat enkele kinderspelen van elders komen, of op eigen bodem, gedurende eeuwen, van geslacht op geslacht zijn overgegaan, zoodat zij nog maatschappelijke vormen bewaren, welke de maatschappij der volwassenen reeds lang heeft afgelegd. Ook in de bijbehoorende rijmpjes kan menig overleefsel besloten liggen. Zoo is in vele aftelrijmen sprake van ‘Engelland’, ‘naar Engelland varen’: hiermee wordt bedoeld het zielenrijk, het Oudgermaansche hemelsche lichtland.
Niemand heeft grondiger en vollediger, en tevens met meer toe-
wijding de kinderspelen onderzocht dan De Cock en Teirlinck in hun standaardwerk: Kinderspel en Kinderlust, 8 dl. (Gent 1902 - 1908); zie verder Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 28 vv.; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 412 vv.; Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 225 vv. Kinderspelen, die met speelliedjes gepaard gaan, bespreek ik in het Zesde Hoofdstuk.
Men heeft dikwijls de meening geuit, dat de verschillende spelen geregeld en op gezette tijden in de verschillende jaargetijden terugkeeren. Dit blijkt slechts ten deele juist. Een groot aantal spelen is noch aan maanden, noch aan jaargetijden gebonden. Met de auteurs van Kinderspel en Kinderlust nemen wij bij de rangschikking als grondslag den aard van het spel zelf. En zoo onderscheiden wij, vrijwel in overeenstemming met hun indeeling: loopspelen, springspelen, dansspelen, werpspelen, ambachtspelen, raadspelen, schommelspelen, knikkerspelen, tolspelen, hoepel- en vliegerspelen, sneeuw- en ijsspelen.
Loopspelen. Het steltloopen was reeds bij de Grieken en Romeinen bekend. Vroeger hadden op verscheidene plaatsen gevechten op stelten plaats; thans verbindt men hier of daar nog het soldaatje-spelen met het stelten loopen. In Vlaanderen spreekt men van schaatsen en krikken. - Zeer algemeen is het krijgertje-spelen, op de eilanden van Zuid-Holland ook wel Jaagje-spelen, elders haarvaartje-spelen, Limb. naloopertje-spelen, België meestal katje-jagen geheeten. - Overoud is het boompje-verwisselen of stuivertje-wisselen, in België meestal vierhoeken genoemd. Van de vijf spelers houden vier een hoek, een boom, een paal b.v. bezet, terwijl bij het wisselen de vijfde moet trachten, een der vrij komende plaatsen in te nemen. Te Zaandijk roept men, als men met een ander van plaats wil verwisselen: ‘Wip hem, soldaatje.’ In Venloo: ‘Eeder van zien alt-alt iezer aaf.’ Vergelijk hiermee het Brunswijksche: ‘Isermänneken, hat kein stänneken, kann kein stänneken finnen.’ Laat ik verder noemen het haasje- en blindemannetje-spelen, wat dikwijls met rijmpjes gepaard gaat. Overal bekend, en een echt jongensspel is het baarspel: de speel-
plaats is door twee lijnen of baren in twee kampen, met een gevechtsterrein daartusschen in, verdeeld. Wie geraakt (getakt) wordt, is krijgsgevangene; hij moet op de baar staan, maar kan door zijn partijgenooten verlost worden. Het verstoppertje-spelen heeft tallooze varianten; ik vermeld slechts het Limburgsch bergermuuske-speulen, het Zaansche honk-uit, het Geldersche piepverstoppen. De honk is de vrijplaats, die bij deze spelen gewoonlijk wordt afgebakend of aangewezen. Een mythologischen ondergrond meent Dr. Boekenoogen (Navorscher 1891, bl. 107 vv.) te kunnen waarnemen bij het spel van den wolf en het schaap, in Friesland de zwarte leider of de ruige wolven genoemd. Aan de Zaan luidt de tweespraak tusschen den leider en den wolf als volgt:
De dikke ruige wolf, gevangen tusschen zon en maan, zou Fenrir, de zoon van Loki zijn, die in wolfsgestalte de Asen vervolgde en eindelijk gevangen en tusschen twee rotsen werd vastgeklemd. Waarschijnlijker gaat dit spel rechtstreeks op een sprookje terug; maar heeft dit sprookje zelf geen mythologischen grondslag?
Springspelen. Bij het haasje-over springen tracht elk speler op beurt over al de andere, die voorovergebogen staan met de handen op de knie, heen te springen; bij het bok-sta-vast staat een jongen met den rug tegen een muur, een tweede legt het hoofd in diens gevouwen handen in gebogen houding en een derde, een vierde enz. staan, den rug biedend, tegen hem aan. De beste springer wipt nu over hem heen, zoo ver hij kan, dan volgen de anderen. Te Leeuwarden dragen beide soorten van springspelen onderscheidenlijk den naam
van bok-over en bok-op. Het hinkspel wordt meer door meisjes dan door jongens gespeeld. Op den grond trekt men een bepaalde figuur met verscheidene vakken en de speler moeten nu het hinkhout van het eene vak naar het andere voortschoppen. Het voorlaatste vak heet in België meestal helle of halve hemel, het laatste hemel; in Baden heet het voorlaatste Ruhe, het laatste Himmel.
Dansspelen. Zoowel bij het eenvoudige dansen, als bij het rondedansen, het reidansen en het touwtjespringen wordt een groote verscheidenheid van speelliedjes gezongen, te behandelen in het Zesde Hoofdstuk.
Werpspelen. Het kiskassen kwam reeds ter sprake; andere benamingen zijn: stipstappen, botjes-schieten, briezelen, dopperen, keilen, kietelen, schiffelen (schievelen) enz. Insgelijks zeer oud schijnt het boeren (boer-pas-op), waarbij een kleine steen, de boer, volgens bepaalde regels, van een grooteren moet afgeworpen worden. Het Friesche tipelen geschiedt met een kort stokje, dat aldus op een steen wordt gelegd, dat men het kan doen opspringen, door er met een langen stok op te slaan. Of wel, het korte stokje wordt over een kuiltje gelegd en met den langen weggeslingerd; de tegenpartij tracht dan het vliegend stokje op te vangen. Ook in Groningen kent men dit spel, zie Driem. Bladen IX, bl. 63. Aan de Zaan heet het puntelen of priegelen, in Hollandsch en Belgisch Limburg pinkelen, terwijl de algemeene Belgische benaming anjelus-spelen is. Veel varianten biedt ook het op-de-streep-gooien met centen of knoopen, van de meet af naar een andere lijn, de schreef; België: overschieten, Limburg: steken, Zaan: botten, Friesland: opsmijten, Gelderland: pleien. Maar merkwaardiger is het overal bekende kruis-of-munt-spelen, vooral wegens de verschillende benamingen der beide zijden van het muntstuk; zoo b.v. Zuid-Limburg: haan of plaat; Antwerpen en Vlaanderen: kop of letter; Leeuwarden: kop of luw; Gelderland: menneken of letterken; Vriezenveen: meunte of misse; enz. Het Vlaamsche teppeke-schieten heet in Limburg stöpke-schieten, en aan de Zaan tukkelen.
Balspelen. De kaatsbal is in Noord-Brabant onder den naam van kwatsbal, in Hollandsch Limburg onder dien van prikkebal, in de Kempen als pakkebal bekend. Bij het gewone kaatsspel staan gemeenlijk vijf spelers in elk kamp; de bal wordt opgeslagen en de tegenpartij tracht hem te keeren. - Ook maakt men vaak zooveel kuiltjes als er spelers zijn. Elk speler tracht een bal in een der kuiltjes te werpen; en nu is het de taak van den speler, in wiens putje de bal terecht komt, den bal te grijpen en een der wegvluchtende spelers te treffen. Hij, die geraakt wordt, krijgt een steentje in zijn kuiltje, en eveneens als de achtervolgende speler met werpen mist. In plaats van kuiltjes bezigt men dikwijls een hoed of pet, hetgeen invloed heeft op de benaming. De gewone straf is, dat men door de roffel (de brits, de spitsroe, de kordons, de stommeling) loopen moet. - Een zeer aangenaam spel, met veel afwisseling, maar dat zelden meer gespeeld wordt, is het beerhoeden, waarbij een der spelers een grooten bal in het grootste kuiltje tracht te drijven, hetgeen de andere spelers, die hun kleiner kuiltjes hoeden, met hun stok trachten te beletten. In Noord-Brabant noemt men dit balspel hillen, in België doorgaans zogdrijven of zogspelen, zoo ook plaatselijk in het Oosten van ons land en in Limburg, b.v. te Doenrade, waar evenals in België de zogput bekend is. Raket- en kolfspel zijn voldoende bekend.
In het bikkel- of pikkelspel kan men twee spelen onderscheiden: een meisjesspel, het eigenlijke bikkelen, en een jongensspel, ook wel kooten geheeten. Het speeltuig verschilt insgelijks: dat der meisjes is de schaapskoot, terwijl de jongens bij hun spel de kooten der koeien gebruiken. Er bestaat een groot aantal benamingen, zoo wel voor den bikkel zelf, alsmede voor de vier verschillende zijden. Terwijl nu bij het meisjesspel tijdens het opspringen van den stuiter of bal de bikkels moeten omgekeerd of opgenomen worden, wordt bij het kooten - een specifiek Noord-Hollandsch spel - door de spelers met een koot (of klauw) naar een rij knikkers gegooid; zie Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal, sub verbo; Terwey, Taal en Letteren III, bl. 47.
Al deze spelen worden steeds meer verdrongen door het uit-heemsche voetbal-, korfbal-, lawn-tennis, cricket- en croquetspel, door het voetbalspel allermeest.
Bolspelen. Het bekende kegelen noemt Ter Gouw ‘den aanval op een bataillon carré, met den bevelhebber in 't midden, wien men bij voorkeur poogt te treffen.’ Vroeger was het ook in Holland vrij algemeen; thans wordt het meestal in Vlaanderen, Noord- en Zuid-Brabant en Zuid-Limburg gespeeld. De koning heet te Brussel de dame, elders de paap, de pee, de zot enz. Het beugelspel is in Noord-Brabant, Noord-Limburg en in de Kempen inheemsch, een zeer hygiënische oefening, die bij goede spelers heel wat vaardigheid en kombinatiegave vereischt. Soms dagen enkele beugelbazen de spelers van een ander dorp uit. Na bepaald te hebben, wie de strijders zijn, en hoeveel partijen zullen gespeeld worden, begint de wedstrijd. Winnen de uitdagers, dan worden de slagers der tegenpartij meegenomen en men spreekt af, wanneer de verliezers revanche zullen nemen.
Over het gewone Vlaamsche bolspel, gespeeld op de bollebaan - meestal onder een afdak, soms ook in de open lucht - vindt men zijn gading in een opstel van V. Verhaegen in het Nederl. Tijdschrift v. Volkskunde XXXIV, bl. 151.
De ambachtspelen berusten hoofdzakelijk op den besproken socialen lust ter navolging of nabootsing. Ik vermeld het bakker-, kleermaker-, schoenmaker-, weverspelen; paardenbeslaan- en koetsier spelen; kruiwagen-rijen; huisjes en ovens bouwen in het zand; tuintjes-aanleggen; zage-zage-menneke, met bijbehoorend speelliedje; botermelk-verkoopen; winkeltje-spelen; schoolspelen; altaar-processie- en kerkhofspelen; soldaatje-, muzikant-, rechtbank-spelen. Dikwijls zijn verscheidene bedrijven in éen spel verbonden en spreekt uit handeling en dialoog heet wat dramatische kracht. Meisjes spelen graag moedertje met de pop; over het bruidje-spelen zie 't Daghet in den Oosten XIX, bl. 42. Zeer typisch is ook de neiging om gebreken na te doen, vooral scheel-kijken en mankepoot-spelen.
Raadspelen. De eenvoudigste vorm is deze, dat een kind éen
of meer knikkers (centen enz.) in de dichtgeknepen hand houdt, deze vooruit steekt en laat raden: paar of onpaar? Raadt men juist, dan zijn knikkers of centen verbeurd; anders ontvangt het kind evenveel van zijn speelgenoot. In West-Vlaanderen vraagt men: effen of ontjes (oneffentjes)? in Friesland: even of on? Amstelland: onkes of evekes? Zaanstreek onk of eef? Limburg: paar of omp? Gelderland en Overijssel: paar of ompert? Als algemeen Nederlandsch geldt: even of oneven? Het omsteken is meer algemeen, n.l. door het vooruitsteken van de hand en het raden naar den inhoud bepalen, wie van de twee spelers iets hebben zal, wie met iets beginnen mag enz.
Van andere spelen vormt het raden een belangrijk bestanddeel, b.v. van Hansje-mijn-knecht (Groningen, Deventer, Friesland), dat vrijwel met het Vlaamsche goud-verkoopen en koleuren-geven overeenkomt. Eén fungeert als heer, verkooper enz., éen of twee zijn dienstbaar (knecht, engel enz.), de andere kinderen krijgen een bepaalde kleur, of verbeelden een voorwerp, als : gouden halsband, zilveren kurk, juweelen ring. De dienaar moet kleur of voorwerp raden en mag het kind dan meenemen. Zijn er twee dienaren, dan vormen zich twee kampen, en het spel eindigt met lijntrekken, dat ook bij andere spelen als finale dient: de partij, die over de lijn getrokken wordt, verliest. Het Vlaamsche kleurenspel is typisch dramatisch; het beeldt uit den strijd om de ziel tusschen engel en duivel in het Laatste Oordeel.
Van de zoekspelen is het slofje-onder wel het meest bekend. Hierbij wordt een slof onder de knieën van de spelers doorgeschoven, die in een kring op den grond zitten. Te Zaandijk roept degene, die de slof heeft, terwijl hij daarmee op den grond klopt, om den zoeker (die ‘er aan’ is) te waarschuwen:
Elders heet het schoentje-schuiven, te Antwerpen schoentje-lap; in het buitenland is dit spel eveneens zeer verspreid (jeu de la savate, Pantoffel suchen).
Ook de orakelspelen kunnen bij deze groep gerangschikt worden. Zal ik trouwen en met wie? Dat wordt op een strengetje koralen afgeteld: edel - bedelman - dokter - burgemeester - koning - generaal enz. - Hoe ben ik in het bezit van jas of vest gekomen? Dat wordt op de knoopen afgeteld: geholen-gestolen - gevonden - gekocht (Limburg); gekocht - gevonden - gestolen - g'had (Vlaanderen); enz. - Waar zal ik na den dood belanden? Weer doen de knoopen dienst: hemel - hel - vagevuur.
Schommelspelen. De eenvoudigste schommel is een boomtak, bij voorkeur een buigzame wilgetak. De knaap tracht hem te grijpen, laat er zich aan hangen en een makker brengt hem in een schommelende beweging. Een andere natuurlijke schommel is de wipplank; het spel heet in den Kempen kwikkwakken, in het Geldersch-Over-ijsselsche wibbelen, op de Veluwe wipperwappen, algemeen wippen. Het eigenlijke schommelspel veronderstelt een koord, met of zonder zitplank. De Noord-Brabantsche benaming, die ten deele ook voor Antwerpen en Brabant geldt, is sturen; in Limburg heet het spel schokken, schokkelen, sjokkelen, joekelen (Kessel), varen (Venloo); elders bijzen (Geeraardsbergen enz.), rennen (Brugge), rijtakken (Kempen), roesjen (Ninove enz.), ruilen (Deventer), talteren en tiltalteren (Noord-Nederland) enz. Maar hierover nader bij de speelliedjes.
Knikkerspelen behooren tot de meest geliefde jongensspelen. Men heeft drie soorten van knikkers: 1. De gewone zuiver-ronde, grijs-blauwe knikker, uit een soort kalksteen vervaardigd: knikker, marbel (België), estrik (Overijssel), huuf (Zuid-Limburg), kuls (Noord-Limburg), knar (Zaanstreek). 2. De ‘knikker’ (in Noord-Nederland maakt men geen verschil) uit gebakken potaarde en geelbruin van kleur; hiervoor is de gewone Belgische benaming knikker, verder: klits (Zuid-Limburg), gepotsiemelde (Venloo enz.), pottebakker (Noord-Nederland). 3. De grootere, schoonere knikker, insgelijks gebakken en zeer hard: de stuiter of stuitknikker, met tallooze plaatselijke benamingen, b.v. bolket, bonket (Vlaanderen), kalebas, alikas (Westzaan, Assendelft, Waterland, Vlaardingen), lavoor (Aalst) enz.
Het knikkerspel is niet alleen in Europa, maar over de geheele wereld verspreid. In het Oosten is het algemeen. Men mag het ook als praehistorisch beschouwen, daar men de kleine, bontgeverfde steentjes, in de Oostfriesche urnen gevonden, gereedelijk als knikkers beschouwen kan; zie R. Andree, Ethnographische Parallellen und Vergleiche (N.F. Leipzig 1889), bl. 92 vv.
Men heeft vooreerst knikkerspelen, waarin geschoten wordt. Het schieten is niet iedermans werk. Een goed schieter klemt den knikker tusschen den top van den wijsvinger en het eerste lid van den duim, terwijl slechte schieters hem tusschen den nagel van den duim en het derde lid van den wijsvinger klemmen. Ook mag men de hand niet vooruitsteken op het oogenblik, dat men den knikker wil loslaten: een goed schieter houdt de hand onbeweeglijk, en alleen de duim ageert. In vele spelen moet de knikker van den speler den anderen raken; in andere niet: dan wint de speler, als hij den afstand tusschen de twee knikkers kan overspannen of overpalmen. Het schieten gebeurt of wel achtereen, of men schiet ingezette knikkers uit een kring; of er wordt kuiltje-geschoten (putje, poet). - In een andere groep van spelen wordt geworpen: de speler werpt met een knikker, meestal een stuiter; ook wordt deze wel eens langs den grond voortgerold. - In een derde soort wordt met de knikkers tegen een muur gestuit, gebot of gebotst; de knikker van den tweeden speler moet, na den muur geraakt te hebben, den knikker van den eersten speler raken of zoo dicht bij hem liggen, dat hij hem kan spannen. Verder worden de knikkers soms gerold: het bekende kuiltje-rollen. Rolt de speler een paar getal in het kuiltje, dan zijn de knikkers zijn eigendom, anders zijn zij de winst van de tegenpartij. De knikkers worden ook veelal in het kuiltje gestuikt. Voor het overgroot aantal benamingen en alle verdere bijzonderheden verwijs ik nogmaals naar het werk van De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust; over dialektische uitdrukkingen in het Venloosche knikkerspel, zie Limburg's Jaarboek XX, bl. 161.
Tolspelen. De meest gebruikelijk Hollandsche benaming is
tol, België top, een woord, dat ook in Holland, Drente en Friesland gevonden wordt. Hiernaast komt voor: priktol in Nederland, pindop in België, dop in Nederland en België. Het woord drieftol vindt men in Nederland benoorden het Noordlimburgsche Afferden; de Zuidlimburgsche benaming voor den drijftol is kokerel, met talrijke varianten. De gewone wijze van tollen met den werptol is deze: de speler neemt den tol in de linkerhand, legt het dunnere uiteinde der koord eerst om de pin, draait dan de koord spiraalvormig om het hout, klemt het dikkere uiteinde tusschen pink en ringvinger, heft de hand boven het hoofd en trekt af. De tol komt op den grond terecht en draait om zijn as; men kan hem nu op de hand wippen en laten doordraaien. De drijftol wordt aan het draaien gebracht of gehouden door een zweep. Van de verschillende samengestelde tolspelen vermeld ik het potje-tollen, Friesch: top-dikeljen, Belgisch: oken-kappen. Men trekt op de speelplaats een kring. Een der spelers zet uit, d.i. laat zijn tol binnen den lering ronddraaien. Nu tracht een ander den tol met den zijnen zoo te treffen, dat beide ver weg spatten. Gelukt dit, en geraakt daarbij de treffer van het gaan af, dan is de eigenaar verplicht, zijn tol binnen den kring te leggen. Deze wordt nu het mikpunt van alle anderen en alle tollen, die hierbij van het gaan af raken, moeten binnen den kring gelegd worden. Zie Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 234.
Hoepel- en vliegerspelen. De hoepel is van hout of van ijzer en wordt door middel van een stok voortgedreven. Hij heet bandel van af het Noordlimburgsche Afferden tot in Gelderland en Overijssel, bendel in Noord-Brabant, reep in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant en Oost-Vlaanderen, reip in Hollandsch en Belgisch Limburg, band in Oost- en West-Vlaanderen.
De vlieger moet meer lang dan breed zijn, b.v. 70 centim. lengte op 40 centim. breedte; ook dienen de twee vleugels even zwaar te wegen. Eerst maakt men het geraamte: lat en stokje, met koord bespannen en met papier overtrokken. Dan bevestigt men het lange touw, waarmee de vlieger wordt opgelaten, en hecht aan het onderste
deel van den vlieger den staart. Dan gaat het naar buiten, waar het waait, maar niet te hevig mag de wind zijn. Men ontrolt een deel van het touw en loopt terzelfder tijd tegen den wind in. Dan zweeft de vlieger omhoog, als een vogel, zegt men in Hollandsch en Belgisch Limburg, als een draak, meent men in Friesland en Vlaanderen, als een ballon, heet het in Kempen. Men kan hem een brief nasturen, door op het koord doorboorde papierschijfjes te steken: deze worden dan door den wind omhoog gevoerd.
Sneeuw- en ijsspelen. Het glijden is een geliefkoosd winterspel: baantje-slieren, zegt men in het Land van Waas, rijzen in Brabant, slabrikken, slidderen, slibberen in Hollandsch en Belgisch Limburg en in Antwerpen. Hierbij kan men den eenen voet achter den anderen zetten, of beide naast elkaar; ook kan men zich onder het glijden op de hurken zetten of andere kunststukjes vertoonen. Het schaatsenrijden is veeleer mannen-, dan kinderspel. Het Vlaamsche woord voor schaats is schaverdijne, het Brabantsche (en ten deele Belgisch-limburgsche) schrikschoen, d.i. loopschoen, vgl. het Middelnederl. scriken ‘met groote passen loopen’, schrikkeljaar ‘springjaar’, het Groningsch, Drentsch, Twentsch en Achterhoeksch skeuvel, dat wel met schuiven, Friesch reed, dat met rijden samenhangt. Zooals bekend, onderscheidt men hard- en kunstrijders. Op éen been rijden en 't lichaam naar die zijde sterk doen overhellen, heet de buitensnee trekken of buitenbeens rijden; beurtelings de beenen overeen leggen, noemt men overleggen. Het voornaamste voertuig op het ijs is de slede. De gewone slee wordt voortgetrokken, terwijl de prikslee met prikstokken wordt voortgestooten en beantwoordt aan den Belgischen ijsstoel. Tot de groep der baksleeën behoort de Venloosche boonebak. - Van de sneeuwspelen noem ik nog het met sneeuwballen werpen en het sneeuwmannen maken. Dit laatste werd eertijds zelfs door de kunstbroeders van St. Lukas beoefend.
Toevoegsel. 1. De laatst besproken spelen behooren tot die groep, welke een nadere betrekking aanduidt van het kind tot de
natuur. Hiertoe behoort ook een eigenaardig vuurspelletje, waaraan ik ten slotte een enkel woord wil wijden. Weinig spelletjes zijn zoo algemeen verspreid als ons Lutje (Jutje) leeft nog: een glimmende lucifer of spaan gaat van hand tot hand; hij, in wiens hand de laatste vonk uitsterft, verliest, en moet pand geven of ‘op Lutjes welvaart drinken’. In België heet het spel: Djilleke leeft nog, of Gilleke leeft nog, te Denderbelle Zielke leeft langst, in Limburg Vonkje leeft nog, vgl. het Duitsche Der kleine lebt noch of Stirbt der Fuchs, so gilt der Balg. Het Brunswijksche Lütche funke lêwet noch herinnert aan de Noordnederlandsche uitdrukking. In het Fransch luidt de spreuk: Petit bonhomme vit encore, in het Provençaalsch Mounet-viou; zie Mélusine I, bl. 170; II, bl. 429. Het spel is ook in Spanje en in Engeland bekend, ja heeft een variant in Siberië: daar gaat een brandend hout van hand tot hand; wie het laat uitgaan, moet als boete voor de anderen een dans uitvoeren.
2. In hun spelen en spelend met elkaar omgaan bezigen de kinderen niet zelden formules en spreekwijzen, die herinneren aan oude, uitgestorven rechtsbegrippen en rechtshandelingen; Gaidoz en Rolland noemen dit: ‘le folklore juridique des enfants’. Het vindingsrecht is bij hen nog volop in zwang. Te Hamme (Z.-B.) vraagt de vinder:
En antwoordt een der kinderen ‘ik’, dan dient hij het voorwerp wel degelijk nauwkeurig te beschrijven, om het verlorene terug te krijgen. Wordt het niet opgeëischt, dan grondt de vinder zijn recht op de spreuk:
Vinden twee kinderen een voorwerp te gelijk, dan is het zaak, het eerst de geijkte formule uit te spreken, om het eigendomsrecht
te erlangen; ook dient de formule onder het oprapen te worden uitgesproken. -
Het schenkingsrecht heeft als hoofdbeginsel: ‘eens gegeven, blijft gegeven’. Ook het ruilrecht doet zich gelden, in zoover elke ruilhandeling vergezeld gaat van een rijmpje of formulier, dat ze bekrachtigt en onherroepelijk maakt. De ruiler wordt met de hel bedreigd, als hij zijn woord breekt:
Aldus in de Groningsche volkstaal: Molema, Wörterbuch der Groningschen Mundart (Norden u. Leipzig 1888), bl. 232. Zie verder De Cock, Volkskunde XV, bl. 193; XVI, 54, 151, waar nog uitvoerig de kindereed besproken wordt: ‘Mijn kop af’; enz.
De eerste schooldag is een gewichtig moment in het leven van het kind. De kinderen verheugen zich op dezen dag, want in en buiten school wordt hun de eerste schrede op den weg der kennis en wetenschap niet zelden in den letterlijken zin des woords verzoet. Over de schoolfeesten, met name over den Gregoriusdag, en het feest der Onnoozele Kinderen, werd reeds gesproken. Feestdag was voorheen, en wellicht nog hier of daar te platten lande, de verjaardag van ‘Mijnheer’; maar de dagen, waarop bij die gelegenheid een schoolklucht gegeven werd met menigen raken zet, behooren overal reeds lang tot het verleden.
Over het algemeen heeft het gemoedelijke der oude scholen, toen de meester meer vaderlijk met de kinderen omging, voor het meer saai-officiëele de plaats geruimd; dit hangt natuurlijk met den vooruitgang der maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkeling, maar toch ook wel met begripswijziging over de vorming van het kind samen. Prijsuitdeelingen, waar ouders en kinderen zich in
plechtgewaad heen begaven, zijn nog slechts uitzonderingen. De nieuwjaarsbrief wordt veelal nog op school opgesteld.
Aan het slot dezer periode (van 6-12) stond nog kort geleden de plechtige eerste-Kommuniedag voor de katholieken; in het noordelijk volksgebied spreekt men meestal van het aannemen, overeenkomstig de uitdrukkingen, gebezigd in de protestantsche kerken. Het aangenomen worden, lidmaat worden of belijdenis doen bij de protestanten, een toelating tot het genot van het heilige avondmaal en besluit van het katechetisch onderwijs, heeft echter in den regel eerst op den leeftijd van om en bij de twintig jaar plaats. In katholieke streken was de Eerste-Kommuniedag een familiefeest in den goeden zin van het woord. Eenige dagen te voren ging in de Oostvlaamsche dorpen de ‘eerste-kommunikant’ aan peter en meter een ‘kruisken vragen’; en algemeen was de gewoonte, onmiddellijk vóor de plechtigheid de ouders om hun zegen te vragen en om vergiffenis. In feeststoet togen dan de kinderen, de jongens in stemmig zwart, de meisjes als bruidjes in het wit en met een bloemkrans getooid, onder de begeleidende tonen der muziek kerkwaarts. Op enkele plaatsen in Limburg b.v. te Venloo, droegen de kommuniekinderen pelmkes, d.i. oleander-, laurier- of hulsttakjes, met goud- of zilverblad belegd, al naar gelang de sekse. Meestal had ieder zijn paar. Een familiemaal, afzonderlijk of ‘paarsgewijze’ gehouden, besloot dezen merkwaardigen dag, voor de meesten een blijde herinneringsdag.
Nu zijn jongens en meisjes kind-af; immers ‘zij hebben de kinderschoenen uitgetrokken en aan de kerkdeur laten staan’.
Minnen en werven. Het woord minnen is niet aan de volkstaal ontleend. Deze kent noch (be)minnen, noch een stamverwant woord van het Hoogduitsche lieben, maar slechts omschrijvingen als: goed mogen lijden, liefhebben of hebben, gaarne zien enz. Daar-
entegen is aan woorden en wendingen, die het begrip ‘vrijen’, of ook een ruweren vorm van minnen en liefkoozen uitdrukken, geen gebrek.
Bij verscheidene gelegenheden trachten de jonge meisjes door liefdesorakels den sluier der toekomst op te lichten, met name op Sint-Thomas-, Sylvester- en Paaschdag; over het schoenwerpen is reeds gesproken (bl. 149); op Nieuwjaarsnacht ziet men den geliefde in den spiegel. Van de Middeleeuwsche minnedrankjes en sympathetische toovermiddelen zijn nog slechts zwakke overleefsels overgebleven, allereerst de zegswijze: ‘een minnedrankje ingenomen hebben’. Van de thans nog bestaande liefdeverwekkende middelen vormen de haren, nagelknipsel, zweet en bloed de hoofdbestanddeelen. Naar men weet, vindt men overeenkomstige gebruiken bij de volken met lage kultuur. Ook bezigt men te dezen einde valeriaan en wilde alsem, in den zak of op het lijf gedragen; zie Volkskunde XI, bl. 242; XII, bl. 62, 136, 242; XXIV, bl. 51. Daarentegen dient het leggen van nestelknoopen, knoopen in een riem of veter, om andermans huwelijksgeluk te bederven. Het is een overoud sympathetisch toovermiddel, waaraan dezelfde volksvoorstelling ten grondslag ligt, als aan de voorzorg, gedurende de trouwplechtigheden geen knoopen in de kleederen te hebben. - Ook versmaadt men niet, bij waarzegsters en kaartlegsters te rade te gaan; en eindelijk, het bloemenorakel speelt nog steeds een voorname rol.
Droomt men van een huwelijk, van een bruiloft, dan heeft men een doode te wachten. Men kan dit volksgeloof door de algemeene ‘droomverklaring door omkeering’ uitleggen en vergelijken met het droomen over geld, hetgeen armoede, over omhelzing, hetgeen verraad beduidt. Deze verklaring wordt ons aan de hand gedaan door Tylor, die bij de Zoeloe's zulke droomverklaringen waarnam, verwekt door een streven, zich tegen dwaling te beveiligen; want de Zoeloe's hadden vaak ondervonden, dat hun droomen zich niet verwezenlijkten. Nochtans geloof ik hier nog een anderen faktor te moeten zien. Telkens en telkens weer openbaart zich in het volksgeloof
de schrijnende tragiek van het leven met zijn gedurige wisseling van lief en leed. Een verdere overeenkomst tusschen de huwelijks- en begrafenisgebruiken is deze, dat beide in betrekking staan tot de zielen der afgestorvenen, vooral van de voorvaderen.
Men moet zijn dochters vroegtijdig uithuwelijken; ‘dochters en doode brasems moet men niet lang bewaren’, meent het volk, en trouwens, ‘wie dochters heeft, is altijd herder’, en ‘een huis vol dochters is een kelder vol zuur bier’. Heeft de jonge dochter drie kruisjes achter den rug, dan komt zij ‘op Sint-Anna's schapraai’ (Limburg: schaap), d.i. huishouding, of -bankske, of -kapelleke. In Vlaanderen kent men nog ‘bet schipken van Sint-Annuit’, wat waarschijnlijk op een verwarring berust: men bedenke ook, dat Sint Anna de patrones van de schippers is (en in Vlaanderen van de kant-of spellewerksters). Dan zegt men, dat ‘Hein-van-pas maar niet wil komen’, of ‘dat haar vent te Wachtebeke woont’. Intusschen gebeurt dit op het land vrij zelden, immers ‘daar is geen potje zoo scheef, of er past wel een dekseltje op’, en ook is ‘geen schip zoo oud, of 't doet nog wel eens een reisje’. Algemeen wordt het gelaakt, wanneer slechts ‘het geld getrouwd wordt’; niet zelden trouwt men echter in de familie, ‘opdat het geld bij elkaar blijve’.
Oudtijds kende men vrijstermarkten, en vooral die van Schermerhorn was bekend. Boerenzoons, die graag een meisje wilden kiezen, bestelden ‘koopdag’ in De Valk, en lieten dit door den dorpsomroeper bekend maken. De trouwlustige meisjes togen dan naar de herberg, waar de koop gehouden werd. Een andere soort van vrijstermarkt was slechts voor 't kermishouden ingesteld, al had deze dan ook meermalen een huwelijk ten gevolge; en hiertoe behoorde de Schagermarkt. Veel overeenkomst hiermee vertoont het gebruik op eenige dorpen van Noord-Holland, dat de meisjes zich des Zondags na kerktijd neerzetten op het muurtje van het kerkhof, wachtende tot er een gezel komt, die haar zal uitnoodigen, om te zamen ter herberg te gaan; en eveneens de Maartekeur te Lochem en te Borculo op een marktdag in Maart, met het oog op de aan-
staande Meimarkt. Dan staan de boerinnetjes in een lange rij over de geheele lengte van het plein en worden met rood of wit krijt op den rug gemerkt. Zie hierover vooral J.H. Scheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen (Utrecht 1832), bl. 65 en Mr. N. De Roever, Van Vrijen en Trouwen (Haarlem 1891), bl. 81 vv.
De gewone en betere wijze is echter een bezoek ten huize, immers ‘de beste koeien worden op stal verkocht’. Hierbij is het verstandig zich eerst van de genegenheid der moeder te vergewissen; want ‘wie eerst de dochter en dan de moeder vangt, vat het varken bij de ooren’. Ook wordt het terrein wel eens verkend door een huwelijksmakelaar, soms heiligmaker, in West-Vlaanderen handknecht genoemd. Dit heiligmaker is een volksetymologische vervorming van heilikmaker, d.i. huwelijksmaker, van het Middelnederl. hîlijc. Aan de Zaan bestond zijn belooning in geld of in een pak nieuwe kleeren: Schotel, Zeden en Gebruiken aan de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 43. Ook de koek, voor het meisje meegebracht, heet hijlikmaker. De verouderde Zaansche benaming is zelschappen; de meer gebruikelijke benaming voor uit vrijen gaan is ten platten lande uit meiden gaan. Hiervoor is de Woensdag- en Zondagavond het meest geschikt; de Donderdag is meer voor weduwnaars; Zaterdagavond is ook niet ongeschikt, maar ‘Zaterdagavondloopers zijn koopers’, zegt het spreekwoord. In de meeste streken moet de vrijer klokke acht bij het meisje aan huis zijn; in alle geval:
Een uitzondering hierop maakt wel Hennaarderadeel (F.); daar zegt men: ‘Die na achten komen, kunnen vóor negenen weer gaan’.
Uit de wijze van ontvangst kan de vrijer al spoedig bemerken, of zijn komst en aanzoek welkom is. Blijft het meisje zitten en laat ze het stoelzetten aan een der huisgenooten over; neemt de Friesche
schoone haar oorijzer van het hoofd en klaagt over hoofdpijn, dan weet de vrijer, hoe laat het is en kan hij zijn matjes oprollen. Maar wordt hem op de vraag: ‘mag ik mijn pijp, mijn sigaar even aansteken’, bescheid gedaan, biedt het meisje hem een lucifer, haalt ze hem een stoel, brengt ze hem een pijp, dan nemen de zaken een gunstiger keer. Nog beter staan de kansen, als hij door de vrijster bij zijn vertrek tot aan de buitendeur wordt gevolgd; dat heet rond Aalst een voois krijgen. Wordt de vrijer afgewezen, dan loopt hij een blauwe scheen, of loopt hij een blauwtje. Deze uitdrukking wordt door Dr. Stoett, Nederlandsche Spreekwoorden, no. 214, zeer zeker het eenvoudigst aldus verklaard: ‘zijn scheen stooten, er tegen loopen; vandaar: niet slagen’. Een andere uitdrukking is: een korf krijgen, door de mand vallen. Prof. Verdam beschouwt deze uitdrukking als een herinnering aan de oude strafoefening, waarbij de schuldige in een schandkorf boven het water te pronk werd gesteld (Handel. v.d. Maatschappij d. Nederl. Letterk. te Leiden 1901). - M.i. hebben wij hier stellig met het overleefsel eener oude strafoefening te doen, maar niet met de boven bedoelde. Ter vergelijking diene het gebruik uit den Eifel, waar de minnaar, die een blauwtje geloopen heeft, door de meisjes gekorfd wordt: ze werpen hem een bodemloozen korf over het hoofd en trekken hem er door heen. In Brunswijk zet men den afgewezene een ouden korf op het dak. Oorspronkelijk wordt de ontrouw bij wijze van volksrechtspraak aldus gestraft, dan ook de onvruchtbaarheid bespot; ik spreek hier over aanstonds nader, bij de behandeling van den dorhoed.
Voorts dient nog vermeld een zonderling, nu als zoodanig uitgestorven gebruik, dat zooals bericht wordt, tot voor eenigen tijd op Texel en Vlieland is blijven voortleven, maar nóg vroeger ook op Wieringen en Terschelling en in vele Noord-Hollandsche dorpen bestond: het kweesten of nachtvrijen; eertijds bestond het in geheel Duitschland (fensterln), ja men mag zeggen over geheel Europa. Dit is een bepaalde vorm van vrijen onder toezicht van de buurt, terwijl de deuren of vensters openstaan, en de minnaar op de deken
zit, waaronder zijn beminde rust. Mocht soms de vrijer het wagen, niet in eer en deugd te kweesten, dan volgde, voorheen althans, steeds de volksjustitie bij wijze van ketelmuziek. In minder behoorlijken vorm zal het zeker nog wel op andere plaatsen zijn blijven voortbestaan dan te Staphorst en Rouveen, al vertoont het daar, naar het schijnt, een vrij gesanktioneerd karakter. Laat ik hier tevens nog vermelden het strunen, het opzettelijk storen der vrijpartijtjes, dat, naar het schijnt, in Friesland aan de orde was. Zie Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 196 vv.; De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk (Gent 1911), passim; Jos. Weigert, Religiöse Volkskunde, bl. 81: hij noemt het fensterln te recht een ‘Unsitte’; v.d. Ven, Van vrijen en trouwen, bl. 52 vv.
Te lange verkeering is over het algemeen niet gewild. ‘Lange vrijage is zelden mariage’.
Dorhoed is de Noordhollandsche naam, waarmee ik eenige algemeen verspreide liefde- en verkeeringsgebruiken wensch samen te vatten. Volgens den Gelderschen Volksalm. van 1837, bl. 106 plaatsten de jongelieden op Pinksterdag een strooman, potsierlijk uitgedost, op een kar en reden het dorp rond. 's Nachts krijgen de meisjes, ‘die zich zoo taai als leer houden, of van vrijers veranderen als van handschoenen’, dien strooman op het dak; soms wordt hij ook aan den hooiberg bevestigd. In Zuid-Limburg strooit men kaf op de stoep van meisjes, die meer dan éen vrijer hebben. Wij vinden hier het gebruik in zijn oorspronkelijken, justitiëelen vorm; de strooman is de tegenhanger van den groenen Pinksterman, den vruchtbaar-heidsgenius; de dorhoed: pop, korf, mand, dorre tak, zelfs kaf alleen, symboliseert onvruchtbaarheid. De dorhoed vormt een tegenstelling met den liefdemei.
In Drente is de zoogenaamde zoore paal (dorre paal) het geschenk voor een vrijer of vrijster, wiens (of wier) vroegere beminde in het huwelijk treedt: een dorre tak, zonder bladeren, gebonden aan de deur van het huis. Ook wordt op vele plaatsen de weg tusschen de
huizen van de(n) ondertrouwde en de(n) verlaten beminde door het strooien van kaf, haksel van stroo, zaagmeel enz. gemerkt, of wordt de verlatene daarmee bestrooid. In sommige Vlaamsche dorpen worden dan lemen (vlasscheven) gestrooid; hetzelfde gebruik is in Zuid-Duitschland en in den Eifel bekend: het bespottingsbegrip, dat in de straf lag opgesloten, heeft zich zelfstandig ontwikkeld.
Het Noordhollandsch gebruik is nauwkeurig beschreven en toegelicht door Dr. Boekenoogen in Volkskunde XIII, bl. 65 vv.; XVII, bl. 112 vv. De verlaten vrijster of den verlaten vrijer wordt een versierde stroopop vereerd; dit is meestal het werk der naaste buurgezellen. Het gebruik schijnt voor het oogenblik echter alleen nog in Waterland en het aangrenzende deel van West-Friesland te bestaan. Dé dorhoed wordt vergezeld van een dorhoedsbrief, waarin verzen voorkomen als deze:
Evenals men nu een pinksterkroon kent (bl. 232), kent men ook een strooien, dorre kroon, en aan deze soort van bruidskroon herinnert nog de benaming dorhoed, later op de stroopop overgebracht. Zoo werd in het Zutfensche den vrijer, wien zijn meisje ontvrijd was, een hoepel met stroo om den hals geworpen. Ook Berkhey spreekt van een ‘kroon van gekapt stroo’. Het gebruik is insgelijks in Noord-Brabant bekend.
Zooals gezegd, is de dorhoed de oorspronkelijke vorm van bestraffing, door het volk den verleider of de verleidster toegediend. Ook wordt zij wel eens toegepast op het paar, dat al te veel in jaren verschilt; zie hierover Scheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen, bl. 125.
Op een groot aantal plaatsen is de stroopop een onmisbaar element bij de ketelmuziek, een anderen zeer gewonen en gebruikelijken
vorm van volksrechtspraak over al degenen, die openbare ergernis gegeven hebben. Hoofdzakelijk is het een serenade met ketel- en ketengerammel, belgerinkel, hoorngetoeter, zweepgeklets enz. voor de woning van de(n) schuldige of beschuldigde, waarbij een oorverdoovend geschreeuw wordt aangeheven.
In België zijn de meest gebruikelijke benamingen: scherminkelen, de beest jagen en den hond branden. Hier beteekenen scherminkel, beest en hond de stroopop. Staphorst en Rouveen kent het wagenrijden, Giethoorn het puntervaren, Drente het kolde brulfte: gebruiken die in graad verschillen, maar niet in wezen. In Noord-Brabant spreekt men van tafelen, in Noord-Limburg van varen, in Zuid-Limburg van varen, toeten, rammelen of huulen, in Midden-Limburg en verder plaatselijk van den ezel (aan)drijven. Wijst het meerendeel der uitdrukkingen op een rondrijden met de stroopop, de(n) schuldige voorstellend, onder geraas en getier, bij het ezel drijven wordt naast de deur van de(n) schuldige(n) een groote ezelsfiguur geschilderd. In Belgisch Limburg spreekt men van ook van den os rijden, en wil men weten hoe dit gebruik met vroegere ezelsritten samenhangt, dan leze men Bulletin no. 29 van den ‘Provinciedienst voor geschiedkundige en folkloristische opzoekingen in Brabant’, onder leiding van den Heer A. Marinus. Zie verder over zulke smaadschilderingen Eberh. Frh. v. Künszberg in Die Volkskunde und ihre Grenzgebiete (Berlin 1925), bl. 106 vv. In het Rijnland staat het gebruik bekend onder den naam van Tierjagen, waarvoor ik verwijs naar A. Wrede, Rheinische Volkskunde, bl. 223 vv. Het gebeurt bij alle laakbare handelingen, of ook handelingen, die het volk als zoodanig beschouwt, b.v. bij een huwelijk met groot verschil van leeftijd, of bij het hertrouwen van weduwnaar of weduwe; en eindelijk in Limburg ook wel bij andere huwelijken in verband met het huulbeer, waarover nader. De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 362 vv., betoogt, dat de ketelmuziek oorspronkelijk bij gevallen van hertrouwen plaats heeft en wel om de booze geesten te weren, met name den
geest van de(n) eerste(n) echtgenoot(e), die uit nijd de(n) hertrouwde zou komen kwellen; vgl. Weinhold, Zeitschrift des Vereins für Volkskunde X, bl. 206. Maar deze meening lijkt mij onhoudbaar: 1. dewijl bijna geregeld de ketelmuziek met het onvruchtbaarheids-symbool verbonden wordt; en 2. daar dan de ketelmuziek aanvankelijk een gunstige beteekenis zou gehad hebben, terwijl toch, zooals De Cock zelf op bl. 372 uitvoerig betoogt, sinds de oudste tijden het tweede huwelijk bij het volk in kwaden geur stond. Ik houd de ketelmuziek dus voor een vorm der volksrechtspraak, waarmee wij boven reeds kennis maakten, en die, zooals gezegd, op Middeleeuwsche rechtsvormen, maar in haar diepste wezen op voldoening van gekrenkte gemeenschapseer berust. In zuidoostelijk Noord-Brabant kent men nog andere wijzen om een weerspannig of slecht befaamd lid der gemeenschap te treffen: de buurt oefent haar vernielzucht uit op een kar van den betrokkene. Typisch is ook het voor den ploeg spannen van een lastigen echtgenoot, en wel krachtens een besluit van de buurt, somtijds alleen van de buurvrouwen. Deze brengen dan zelf ook het besluit ten uitvoer en drijven den voor den ploeg gespannen echtgenoot met haar zweepen en stokken voort. Aldus nog een dertig jaar geleden te Turnhout, Hoogstraten, Bladel, Postel enz. Eenigen tijd geleden was dit gebruik ook in Noord-Brabant, o.a. te Reusel, nog heerschende.
Van den liefdemei was reeds sprake (bl. 220, 280). Laat ik hier bijvoegen, dat te Contich en omstreken de schuchtere minnaar gaarne de gelegenheid te baat neemt, zijn liefde te verklaren, door heimelijk een mei te plaatsen vóor de slaapkamer zijner beminde. Antwerpsche huwbare dochters krijgen Greefs van hun minnaar, d.i. ruiters van spekulatie of marsepein, dien den Greef van Halfvasten voorstellen (bl. 198).
Met verloving wordt bedoeld ‘vaste verkeering’, daar de min of meer plechtige verloving bij de gewone volksklasse zoo goed als onbekend is. Men geve den beminde nooit een mesje of schaar ten geschenke, want dit breekt de verkeering af (sympathie). Wanneer
in Vlaanderen een der partijen beelt, d.i. het gegeven woord breekt, dan heet het ontworpen huwelijk uitgebrand, in 't Westvlaamsch een beel. - Het geven van een ring is een gebruik, dat van de Romeinen tot ons gekomen is; en evenals de ring te Rome eertijds het koopkontrakt bevestigde, zoo verving in onze landen de ring het huwelijksgeld of handgeld, dat met den handslag de verloving voltrok. Over de trouwpenningen zie De Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 113 vv.; Aug. Sassen, Noordbrabantsche Volksalm. 1889, bl. 61. In Friesland waren het meestal drie gekartelde drieguldenstukken of dukatons. In 1923 kreeg Nederland zijn trouwpenning terug: een op 's Rijks Munt geslagen officiëele Nederlandsche herinneringspenning. De ring behoort te worden gedragen aan den ringvinger, omdat, volgens het volksgeloof, van daaruit een zenuw loopt naar het hart. Op het land is de ring niet gebruikelijk; noodzakelijk was ook de trouwpenning niet, want deze kon zeer geschikt vervangen worden door een ander voorwerp: vingerhoed, zakdoek, een paar hazelnoten, ja zelfs een stuk koek. Eigenaardig was vroeger in Friesland de knottedoek, waarin de jonge man eenig geld knoopte, om een en ander het meisje aan te bieden, met wie hij zich wenschte te verloven. Trok zij den knoop toe, en nam zij dus het geschenk aan, dan was de verloving gesloten.
Op vele plaatsen zijn bruidgeschenken, de zoogenaamde bruidstukken, gebruikelijk. De bruid vervaardigt, althans plaatselijk in Limburg - en eveneens in Zwaben, Westfalen enz. - de hemden, die beiden op den trouwdag zullen dragen, alsmede de slaaplakens voor het huwelijksbed. Het bruiloftshemd dient ook als doodshemd en de lakens als doodsmantel. Daarentegen wordt in Gelderland in de dagen vóor het huwelijk het doodshemd met muts en laken afzonderlijk vervaardigd en door de bruid met zwart lint gezoomd of met zwart garen gemerkt. In het Oosten van ons land maakt men hier en daar zelfs de planken voor de doodkist gereed: hier vloeien huwelijksen begrafenisgebruiken ineen; vgl. bl. 276, 277.
Te Stamproy (L.) en omliggende plaatsen moet de bruidegom
enkel de schoenen aan zijn toekomstige echtgenoote verschaffen; bed met toebehoor komt ten laste der bruid. De schoen speelt in de huwelijksgebruiken van alle volken een groote rol, en volgens Ernst Samter, Geburt, Hochzeit und Tod (Leipzig und Berlin 1911), bl. 195, moet hier de schoen als een offer worden beschouwd; zie ook Zachariae, Zum altindischen Hochzeitsritual, in de Wiener Zeitschrift f.d. Kunde des Morgenlandes XVII, bl. 135. Maar ik geloof eerder, dat wij hier met een bepaalde gave te doen hebben, die voor den doode bestemd is, evenals het doodshemd. Het gebruik, den doode een paar schoenen in de kist mee te geven, is overoud en was eertijds bij alle Indo-europeesche volken in zwang: de schoen heeft natuurlijk de bestemming, den tocht naar het verre land aan gene zijde van het graf te vergemakkelijken.
Straks hebben de kerkelijke afkondigingen of roepen plaats, de verloofden ‘rollen van den preekstoel’, zooals het in katholieke streken heet, of ook, ‘zij worden van den preekstoel naar beneden geworpen’; en na den besloten tijd volgt dan meestal het huwelijk.
Bij den ondertrouw wordt in Noord-Brabant alreeds de heug gevierd, en doet men zich te goed aan wittebrood met koffie; ook begint dan alreeds het schieten, waarover nader. Heug, verg. heugelijk, komt van het Middelnederl. hôghe, hö̀‚ghe en beteekent ‘vroolijkheid’. Te Volendam bestaat het gebruik van gemeenschappelijk aanteekenen te Edam op Witten Donderdag.
Huwelijksdag. Het skelet der huwelijksgebruiken is nog steeds Oudgermaansch en vertoont niet zelden Indo-europeesch karakter; maar meer en meer hebben Christelijke en ook moderne elementen er zich aan vastgehecht.
De huwelijksdag draagt in het Duitsch terecht den naam van Hochzeit, het eerst bij Wolfram v. Eschenbach, nog met de toevoeging: ‘der brûdloufte hochgezît’. Immers deze dag is niet alleen het voornaamste familiefeest, als zijnde het kulminatiepunt van twee menschenlevens, maar hij is tevens een feest voor de
gemeente. Naar men weet, was hoogtijd eertijds de benaming van alle hooge kerkelijke en wereldlijke feesten (bl. 125). De namen huwelijk en bruiloft drukken een bepaald deel der plechtigheid uit: huwelijk, vergel. het Gotische laiks ‘dans’, wijst op den dans, waaronder bij onze Germaansche voorouders het huwelijk voltrokken werd; bruiloft, d.i. ‘bruidloop’, beteekende oorspronkelijk den optocht, waarmee de jonggehuwden naar hunne woning werden begeleid; later werd deze benaming op het heele huwelijksfeest toegepast. Zie o.a. Dr. Boekenoogen, Tijdschrift v. Nederl. Taal en Letterk. XI, bl. 14; Dr. J.W. Muller, Woordenb. d. Nederl. Taal, sub verbo.
Daar is wellicht geen feest, waardoor én de familie-én de gemeenschapszin in zoo hooge mate worden versterkt, als door de huwelijks-viering. Men gedenkt zelfs de afgestorven leden der gemeenschap, vanwaar het treffende gebruik, de graven te bezoeken op den huwelijksdag.
Aan Bachofen komt de eer toe, het eerst gewezen te hebben op het belangrijke en vérstrekkende ethnologisch-folkloristische verschijnsel van het matriarchaat. In zijn opzienbarend boek: Das Mutterrecht (Stuttgart 1864), werd een rijk materiaal door hem bij-eengebracht om te bewijzen, dat vóor den tijd der patriarchale familie-inrichting, krachtens welke de man in allen deele het hoofd is van het gezin, het menschdom een periode van vrouwenregeering doorleefd zou hebben, een tijdperk dus, waarin het ‘zwakkere geslacht’ den schepter zwaaide en den man slechts een ondergeschikte rol was toegedacht: volgens hem gaat de matriarchale gezinsvorm den patriarchalen vooraf. Deze theorie steunt in hoofdzaak op het feit, dat tal van stammen met lage kultuur, over de geheele aarde verspreid, het matriarchaat huldigen, en dat de diepste folkloristische lagen van bijna alle volken overleefsels te over bieden, om een karakteriseeren der matriarchale familie-inrichting als de primitieve te rechtvaardigen.
Sommige ethnologen meenden zelfs, dat de folkloristische ge-
gevens hun veroorloofden, nog veel omvangrijker konklusies te trekken. Men achtte zich in staat tot het ontwerpen eener ontwikkelingsgeschiedenis van het huwelijk. De verschillende, opeenvolgende stadia dezer geschiedenis zouden zijn: promiskuiteit, groepenhuwelijk, polyandrie in verscheidene nuancen, polygamie (monandrie), monogamie. Het instituut, dat, volgens de meest gangbare opvatting, van lieverlede den weg effende tot een geregelde familieverhouding, tot de monogamie en met deze tot het patriarchaat is het roofhuwelijk. Op een hoogere sport van ontwikkeling trad voor de ruwe schaking de vrouwenkoop in de plaats: een losprijs, aan den beleedigden stam betaald, om weerwraak te voorkomen, een soort internationaal huwelijkskontrakt. Hier vertoont zich het oorspronkelijk karakter van den bruidschat. Meer en meer trad het begrip van beleediging op den achtergrond, terwijl de zoengave gaandeweg geheel en al de beteekenis kreeg van een koopsom der vrouw.
Verkocht werd echter alleen de vrouw, niet de kinderen. Deze behoorden en bleven behooren aan de moeder en hadden in den oom van moederszijde hun natuurlijken voogd en beschermer. Maar steeds sterker ontwaakt in de vaderborst de liefde tot zijn kroost, zijne kinderen, wier hulp hij trouwens bij het bebouwen van zijn akker niet langer meer kan ontberen, en deze sympathie is het, die een erfrecht te hunnen gunste tracht in het leven te roepen: motieven van ekonomisch-juridischen aard komen in het spel. Een hardnekkige strijd wordt aangebonden, waarvan de inzet is het eigen-domsrecht over het kind, en het einde de volkomen zegepraal des vaders en van het agnatische systeem.
Nu is welhaast de familie gegrondvest, de huwelijksband gestrengeld. Om den vaderlijken haard staat het vereende gezin, de vader aan het hoofd: want hij is voortaan niet slechts de meerdere over zijn kinderen, maar door den losprijs acht hij zich op den duur ook gerechtigd, de vrouw, die hem als koopwaar werd overgeleverd, als zijn volle eigendom te beschouwen. -
De fout van dit systeem, op het oog zoo onberispelijk-nauw-
sluitend, ligt in te oppervlakkige waarneming en te groote generaliseering in de gevolgtrekkingen. Men stelt zich niet tevreden met te beweren, dat het matriarchaat een ver verspreid ethnologisch verschijnsel is en was, - een feit, dat niet valt te loochenen; maar het moet en zal de volstrekt-primitieve familie-inrichting geweest zijn; het heet de eenig mogelijke: terwijl de huwelijkstheorie niet weergeeft het proces, dat zich bij verschillende volkeren ten deele heeft afgespeeld of nog voortduurt, maar aanspraak maakt op den titel van de theorie van het menschelijk huwelijk. Ik zeg ‘ten deele’; want een andere fout is deze, dat in dit systeem verschillende fragmenten, op verschillende punten van den aardbodem verzameld, met een vrij ruime dosis apriorisme tot een geheel worden aaneengevoegd.
Vooral bij het beoordeelen en benuttigen der folkloristische gegevens moet men uiterst voorzichtig zijn. Juist de huwelijksgebruiken en huwelijksvormen bij de verschillende volken heeft men herhaaldelijk als sterk-pleitende overleefsels beschouwd; maar gesteld, dat zij matriarchale trekken vertoonen, wijzen zij dan juist daarom op een primairen toestand? Kan hieraan geen volmaakter vorm zijn voorafgegaan? ‘Im Völkerleben gelten die selben Gesetze der Entwickelung wie im Leben der Individuen’, zegt Paul de Lagarde, ‘und im Leben der Individuen ist ein Sinken überall da festzustellen, wo nicht ein Steigen stattfindet’.
Wat betreft de beoordeeling der afzonderlijke gevallen, een enkel voorbeeld. Wellicht verwijst de Romeinsche huwelijksvorm der coemptio naar een tijd, waarin de manus, d.i. het volle recht van den echtgenoot over de vrouw, niet in schijn, maar in volle werkelijkheid werd gekocht. Maar volgt hieruit logisch, dat de koopsom de losprijs was, voor de geschaakte bruid betaald? Tusschen het huwelijk als koopkontrakt en het roofhuwelijk gaapt toch nog een diepe kloof. Ook is men tot de erkenning gekomen, dat het roofhuwelijk slechts een vrij late vervorming is. - Verder behoort tot het bruilofts-ritueel het bekende gebruik, dat de bruid uit de armen der moeder wordt ontvoerd, om dan in feeststoet geleid te worden naar het huis
van den bruidegom. Hierbij komt op tal van plaatsen een schijn-vlucht, en zoo goed als algemeen, dat de bruid zich verzet of uitbundig weent. Men noemt dit het roofsymbool, en het is zeer wel mogelijk, dat in enkele gevallen dergelijke gebruiken een voormaligen rooftoestand ten grondslag hebben. Maar zou hier een meer natuurlijke verklaring niet veelal te verkiezen zijn? Juist in de laatste jaren zijn dergelijke gebruiken herhaaldelijk als scheidingsgebruiken beschouwd, zoo b.v. in het reeds aangehaalde boek van A. van Gennep, Les rites de passage, bl. 165 vv. Zie ook mijne Essays en Studiën, bl. 162 vv. en vooral de konklusies van Schmidt-Koppers, Völker und Kulturen I (Regensburg 1924), bl. 311 vv. et passim.
Na deze, tot het goed begrip der gebruiken m.i. noodzakelijke voorafgaande bespreking, vat ik den draad mijner uiteenzetting weer op. Wat betreft de bruidsgaven, dient men nog op te merken, dat in alle geval niet als sporen van een alouden koopprijs die gaven kunnen beschouwd worden, welke de bete