
De volkstaal wordt veelal gelijkgesteld met taaleigen of dialekt. Dit nu is onjuist. Tegenover het taaleigen staat de algemeene taal, of landstaal. Deze ontstaat meestal uit een tongval en is het gewrocht van 't staatkundig, maatschappelijk, kerkelijk en letterkundig overwicht van zeker gewest, partij of richting. De Nederlandsche algemeene taal of landstaal onderging achtereenvolgens den overheerschenden invloed van Limburg, Vlaanderen, Brabant en vooral van Holland.
Maar tegenover de volkstaal of vulgaire taal staat de beschaafde - in de beteekenis van hooger beschaafde - taal of kultuurtaal. ‘Algemeen’ wijst op het opgaan van de verschillende tongvallen in een centraal dialekt; ‘beschaafd’ wijst op het verschil in spreken tusschen de hoogere en de lagere standen der maatschappij. De volkstaal is uiteraard en in de normale gevallen slechts spreektaal, de kultuurtaal is beide: spreektaal en schrijftaal.
Nu kan men wel zeggen, dat de algemeene taal hooger staat dan het taaleigen in sociale waarde of beschaving. Maar dit neemt niet weg, dat ook het taaleigen zijn volks- en kultuurtaal heeft. In kultuurdialekt gestoken zijn niet alleen tallooze dicht- en prozawerken van Westvlaamsche, Friesche, Limburgsche en Geldersche schrijvers; maar kultuurdialekt spreken ook de beschaafde kringen van menige Nederlandsche stad, waar de algemeene taal, het ‘algemeen beschaafd’, wèl in openbare bijeenkomsten maar lang niet algemeen als omgangstaal zelfs in de meest gegoede families gebezigd wordt. Het algemeen beschaafd is dus niets anders dan een kultuurdialekt, dat zich tot landstaal heeft weten op te werken.
De volkstaal is een realiteit, al vertoont zij tal van schakeeringen en afwijkingen. De kultuurtaal volgt wel een bepaalde norm, - al is zij blootgesteld aan verschuiving bij verschuiving der maatschappelijke verhoudingen; maar voor duizenden is zij toch een abstraktie, een maatstaf, die aangeeft, hoe in beschaafde kringen gesproken moet worden. Zij is als een wetboek, dat gewijzigd kan worden volgens de eischen van den tijd. Terwijl de volkstaal vrij is en ongebonden, is de kultuurtaal binnen enge grenzen beperkt.
De volkstaal is doorgaans gedifferentiëerd: zij houdt vast aan overleverde taal, aan plaatselijke vormen en uitdrukkingen, aan zegswijzen, die in de kultuurtaal aldra voor verouderd gelden en dus zoo ongeveer voor minderwaardig. Deze is integreerend van aard, streeft naar eenvormigheid, vermijdt het te individuëele, het ongewone, het platte, het onwelluidende. Het te bizondere lijkt haar tegenover sprekers uit andere kringen onheusch, het onkiesche stootend en hinderlijk. Zij heeft grootere sociale waarde dan de volkstaal, die over het algemeen op hooger natuurlijke kunstwaarde kan bogen.
Immers, de volkstaal is kleurig en karakteristiek; daarentegen verliest de kultuurtaal vaak in expressieve kracht, wat zij wint door polijsting in netheid en door vereenvoudiging in vaardigheid.
Maar welke de voortreffelijkheid der volkstaal ook zijn moge, - overal waar zij een ernstigen strijd te voeren heeft met de kultuurtaal, moet zij de vlag strijken. Wij zien dan ook dagelijks de volkstaal terrein verliezen, elk onzer in zijn naaste omgeving. En evenzeer moet de dialektische kultuurtaal onderdoen voor de algemeene kultuurtaal. Dit blijkt wel het duidelijkst uit den taalstrijd in België. Het is mijn vaste overtuiging, dat de zoo rechtmatige eischen der Vlamingen in veel ruimere mate zouden zijn ingewilligd, wanneer zij tegenover de Fransche kultuurtaal van meet af aan een algemeene Nederlandsche kultuurtaal hadden gesteld. Hier kant zich weer het praktisch belang tegen de kunst. ‘De taal is de taal gelijk de sterren sterren zijn’, schreef Guido Gezelle; en waar zijn verdediging wordt
opgenomen door Hugo Verriest schrijft deze: ‘Moet hij daarom als particularist gedoemd worden, dan is elke vogel te bossche en te velde een particularist, en de nachtegaal de grootste van allen’. Maar die betooverende verscheidenheid heeft met het oog op praktisch nut wellicht te lang de noodige kultuurkrachtige eenheid tegengehouden. Ik weet zeer goed, dat heden ten dage de voornaamste Vlaamsche voormannen vrij wel de algemeene Nederlandsche kultuurtaal bezigen. Ik zeg ‘vrij wel’, want het ligt in den aard der zaak, dat de Vlamingen bij voorkeur zullen putten uit den rijkdom der Vlaamsche tongvallen, en dat hun spreken en schrijven de meerdere expansieve kracht en soepelheid zal vertoonen, die het zuidelijk volksgebied met zijn Keltischen grondslag eigen is. Maar toch ook zóo slechts vermogen zij een evenwaardige, in elk geval gelijkgeaarde taal te stellen tegen de algemeene kultuurtaal der Waalsche provinciën. Niet zoozeer de vasthoudendheid aan de dialekten heeft de Vlamingen parten gespeeld, maar veeleer de verkeerde, kortzichtige gevolgtrekkingen uit het feit, dat sommige dezer dialekten zich tot hoogstaande literaire kultuurdialekten hadden ontwikkeld, getuige de taal van een Gezelle, Streuvels en zoo vele anderen: deze nl., dat bedoelde tongvallen ook in voldoende mate kultuurkrachtig zouden blijken in den strijd met het Fransch. En waar in België zelf ter aaneensluiting een kultureel centrum met voldoende overwicht ontbrak, daar bleef het zich-aansluiten aan de Noordnederlandsche algemeene kultuurtaal de eenige aangewezen weg. Maar laten wij niet te streng rechten. Het taaie vasthouden aan eigen idioom, óok waar het gemeenschappelijke belangen geldt, heeft iets licht-verklaarbaars, ja iets groots, iets edels: het weerspiegelt de volksziel met haar trotsche zelfbewustzijn, dat ook de kleinste der kleinen siert. Slechts vergete men niet, dat in dit zelfbewustzijn kracht en zwakheid liggen beide. -
Verder loopt de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal niet evenwijdig met die in sociale groeptalen, welke berust op de maatschappelijke struktuur van elke taalgemeenschap. Hiermee worden bedoeld
de verschillende sociale groepen, die hare eigenaardige spreekvormen en uitdrukkingen hebben, waardoor rimpeling en golving de effen gladheid van het taalniveau verbreekt. De afzonderlijke sociale verhoudingen toch, zoo tastbaar en toch zoo onvoldoende onderzocht en in het oog gehouden, voeren tot zoogenaamde ‘Sondersprachen’, waardoor meer taalvariatie bedoeld wordt, dan een afzonderlijk dialekt.
Somtijds bestaan zij slechts uit een komplex van enkele woorden of woordgroepen, maar andere malen hebben wij te doen met een uitgewerkt taalsysteem, dat door zelfstandige woord- en zinsvorming wordt gekenmerkt; zie verder mijn Rede over Sociale Klassieke Taalkunde (Amsterdam 1912), bl. 12 vlg. Onder de groeptalen nemen de vaktalen wel de belangrijkste plaats in. De sociologische struktuur der Nederlandsche taal wordt voortreffelijk behandeld in de eerste deelen van het Handboek der Nederlandsche Taal van Dr. J. van Ginneken.
Men mag zeggen, dat de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal die in groeptalen snijdt. Bij den groei en de ontwikkeling der taal is zij de latere. Immers, bij het voortschrijden der kultuur wordt de hoofdgroepeering der maatschappij zelf anders, en loopt de scheidslijn veeleer tusschen de spreekvormen der lagere maatschappelijke klassen, en die van het meer beschaafde gedeelte der maatschappij. De sociale hervorming differentiëert dus de taal in volkstaal en kultuurtaal. Dan volgt definitieve integratie in de algemeene kultuurtaal.
Nu ligt het echter voor de hand, dat het volksleven en volkswezen zich het trouwst weerspiegelt in de dialektische volkstaal. Daar komen het best de algemeene caracteristica der volkstaal tot hun recht; daar geeft zich de man-uit-het-volk met heel zijn eigenaardig begrips- en gevoelsleven, met zijn breedsprakigheid, zijn herhalingen van woorden of zinsneden, hetzij in hun geheel, hetzij in verkorten vorm, zijn schijnbaar onlogische konstrukties, zijn emphatisch karakter, zijn voorliefde voor spreekwoorden en zegs-
wijzen, zijn volkswijsheid en volksredeneerkunde. In deze taal krijgen de sprookjes hun tooverglans. ‘Jede Provinz’, zegt Goethe, ‘liebt ihren Dialekt, denn er ist doch eigentlich das Element, in welchem die Seele ihren Athem schöpft’. In de streektaal is de volksman op eigen terrein; daar groeit de volkstaal uit de gemeenschap; daar spreekt het volkswezen het best, ook omdat de sociale bestanddeelen zich daar huwen aan momenten van ethnischen aard. Wij wenschen dus de volkstaal vooreerst en hoofdzakelijk te leeren kennen in en uit het dialekt; een zuiver-taalkundige behandeling der dialekten ligt natuurlijk buiten het bestek van dit werk.
Onze Nederlandsche tongvallen behooren tot de westelijke groep der Germaansche dialekten. Deze omvat nl., behalve de weinig bekende taal der oude Longobarden, de dialekten der Germaansche veroveraars van Engeland: Angelen, Jutten en een deel der Saksers; verder het Friesch, dat zich uitstrekte tusschen Schelde en Weser; het Saksisch van het vaste land; het Frankisch; het Hessisch en Thüringsch; het Allemannisch en Beiersch, de voornaamste dialekten van het Opperduitsch. Overeenkomstig den stam der volken, die opdrongen uit het Noorden en Oosten, om onze gewesten te bevolken, zijn onze Nederlandsche dialekten van Friesche, Saksische en Frankische herkomst. Plaatselijk zijn ze met andere, met name Keltische bestanddeelen vermengd.
Ook heeft men gemeend Oereuropeesche invloeden en bestanddeelen te kunnen waarnemen, zooveel als Oereuropeesche fossielen: overeenstemming met Keltische en Slavische taalverschijnselen, die zou berusten op gemeenschappelijk Oereuropeeschen grondslag. Als zulk een fossiel beschouwt men b.v. de ratelende z (zr, rz, rs), die in Oost-Brabant, d.w.z. het grootste gedeelte van de Meierij, met de landen van Cuyk en Ravensteyn, tot in het westelijke deel van Maas en Waal in het Noorden en tot in Peel- en Kemperland in het
Zuiden gehoord wordt in plaats van de gewone r, b.v. rooster: rzeuster; berispen: berzispen; kar: karz. Deze klank vertoont inderdaad groote overeenkomst met de Boheemsche ř. Maar fonetische overeenkomst behoeft niet noodzakelijk door gemeenschap van herkomst te worden verklaard.
Nog dien ik iets te zeggen over het Ingvaeonism en-probleem (vgl. Tacitus, Germ. 2: proximi Oceano Ingaevones). Aanvankelijk was dit een term voor secundair lijkende Friesche en Saksische bizonderheden in primair Frankische streken. Nu moet echter door de onderzoekingen van Ferdinand Wrede, die een reeks van Ingvaeonismen in Zwitserland en Zuid-Duitschland ontdekte, de heele oude beschouwing waarschijnlijk in dien zin gewijzigd worden, dat de Ingvaeonismen van Zwitserland en van de Noordzee-kust als peripherie-relikten moeten beschouwd worden, die eenmaal aan elkaar vast zaten, en geheel Hoog- en Nederduitschland hebben beheerscht. Een Gotische stroom heeft zich toen van uit het oude Pannonië, via Beieren en Midden-Duitschland baan gebroken, en is via Maastricht in Brabant terecht gekomen. Vandaar uit heeft hij zich noordelijk tot in het Gooi en Amsterdam verspreid. De Ingvaeonismen zijn dus, evenals van Ginneken's drie Anglische infiltratiegebieden (zie de taalkaarten in het nieuwe Tijdschrift Onze Taaltuin, 1ste jaargang 1932), geen secundaire invloeisels, maar de oudste misschien zelfs der Germaansche relikten (survivals) van het oer-oudste Nederlandsch; terwijl heel het Brabantsch dan als een Frankische innovatie moet worden beschouwd, die op niet opgehelderde wijze met den Gotisch-Hoogduitschen stroom door Middel-Duitschland samenhangt. Zie ook G.G. Kloeke, Zum Ingwäonismenproblem, in de Festschrift-Borchling, bl. 338 vlg.
1. Het Friesche taaleigen. Friesch leven, taal en volksaard, wij zagen het reeds (I, bl. 7), heerschte eertijds in de provincies Groningen en Friesland, in het Westen van Drente, Overijsel en Utrecht, in Holland met uitzondering van Kennemerland, in Zeeland en het Vrije van Brugge. Thans is het Friesch gebied heel wat ineen-
gekrompen. Het Landfriesch, zoo heet het zuiverste Friesche dialekt, wordt gesproken tusschen Vlie en Lauwers en omvat 1. de tongvallen der Waldjers in het Noordoosten; 2. die der Klaikers in het Westen en 3. het Zuidhoeksch, dat grenst aan den Saksischen tongval van de Stellingwerven. Verder behoort hiertoe 4. het taaleigen van West- en Oost-Terschelling. Te Midsland op Terschelling wordt tegenwoordig hetzelfde Noordhollandsche dialekt gesproken als op Texel.
De Klaikers zijn de bewoners van de kleistreken, de Waldjers de bewoners van de Dokkumer woudstreken of zandgronden. Het is zeker niet louter toevallig, dat hun dialekt eenigermate afwijkt, al wordt dit verschil thans met den dag geringer. Gesteldheid van den bodem op de allereerste plaats, wellicht in samenwerking met het klimaat, heeft een sociologische differentiatie tot stand gebracht, die niet zonder invloed op het dialekt gebleven is. Ook de lokale afwijkingen van visschersdorpen als Wierum en Moddergat zijn sociologisch licht verklaarbaar; zie vooral Joh. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon ('s Gravenhage 1874) I, bl. 428 vlg. Ligging en bedrijf hebben ongetwijfeld ook hun invloed doen gelden op het afwijkend taaleigen van Schiermonnikoog en eveneens op het Hindeloopensch, dat over de taal van Molkwerum meer de overige, boven genoemde dialekten nadert. Is Hindeloopen niet in alle opzichten uitermate karakteristiek, zoo in vorming als in kleeding, zoo in volksvoorstellingen als in zeden en gebruiken?
Trouwens de gezamenlijke Friesche taal- en volksgroep draagt zoo heelemaal een eigenaardig cachet van vasthoudendheid en vastberadenheid, tweelingstelg uit zijn huwelijk met de zee. Theod. Siebs verklaart den naam Fresa(n) door verwantschap met het Oudhoogduitsche freisôn ‘in gevaar zweven’, waardoor bedoeld worden de gevaren der zee. De Friesche taal neemt onder de Germaansche talen dan ook een geheel bizondere plaats in: zij is een tak der Engelsch-Friesche taaleenheid, en het Angelsaksisch - met name het Northumbrisch - bestaat haar het naast in den bloede. De Friezen behooren
tot de weinigen, die thans nog wonen, waar zij zich in de oudste tijden vestigden, zij het ook met belangrijke beperking van hun gebied. Het vokalisme is vrij eentonig; zoo b.v. schaap: skieëp; jaar: jieër; rijk: riek; voet: foeët; huis: hoes; deel: deel; steen: stieën; oog: eeag; sturen: stjoere; hand: haan; oud: aald; vogel: foegel; hond: hoen enz.1) De drie persoonsuitgangen eindigen in het meervoud allen op een toonlooze e. De n wordt in de onbepaalde wijs en in de verbuigingsuitgangen na toonlooze e weggelaten. Het verleden deelwoord kent geen voorvoegsel. Een eigenlijk wederkeerig voornaamwoord ontbreekt. Ook het konsonantisme streeft naar eenvormigheid. De groep sk blijft in 't begin, midden en einde der woorden: skieëp, woskje, fisk; ch wordt ks: okse, en niet ss als elders. Ook is zangerigheid aan het Friesche taaleigen vreemd, - zegt men niet: ‘Frisia non cantat’?
Dit Landfriesch of Boerenfriesch heeft zich weten te verheffen tot een rijk kultuurdialekt. Laat ik aan de hand van Winkler hier de namen vermelden van Gysbert Japicx, ‘den frieschen Vondel’; Tjeerd Ritske's Velstra, ‘den frieschen Poot’; Waling Dijkstra, ‘den frieschen Fritz Reuter’. Verder de gebroeders Halbertsma, Rein Postumus, die o.a. eenige werken van Shakespeare in het Friesch vertaalde, en Tiete Roelof's Dijkstra, oprichter van het Selskip for frîske tael- en skriftekinnisse.
It forneamde Kleaster Sint-Odolf te Starum, dat în 'e earste helte fen 'e 19e ieuw bouwd wier, waerd letter troch de sé înslokt. -
By in tîge lege sé în 1430 en in kear of whet letter, koe min de oerbljuwsels van de Kleasterkapel op it hege tsjerkhôf sjen. - Dit plak în 'e Sudersé wirdt troch de séljue nog altijd as ‘it tsjerkhôf fen Ald-Starum’ oanwîsd en hja komme as 't kin, der net tichte bij. -
Bij it bouwen oan it Kleaster Sint-Odolf, wier forgetten de ségen oer de klokken üt te sprekken; mar dat hie în 't bigjin gjin neidélige gefolgen.
Hondert jier lang gong it goed. Mar do waer throch ien, dy it by oerlevering lîke te witen, de saek oan 'e biskop fen Utert forklapt; - dy, tîge lilk wier do 't er det hearde, en rîp: ‘Dan binne dy klokken des dîvels’. - Dat wier alheel whet for Joost. Hy fleag nei de toer fen Sint-Odolf, helle de klokken der üt en slingere se foart, oan it doarp Himelum ta. Der sloegen se in gat în 'e groun, sa great, dat er wel in boeresküre în stean koe. Mar de âlde hellebaes wier meî dizze bût sa în 't snjit, dat hy der mear plesier fen ha woe. In neef fen him wenne bij de Galamadammen, en die der saken mei in âlde tsjoenster, dy 't in bulte kwea die.
Alle nachten bigounen Joost en sîn neef nou mei de beide klokken te keatsen.
Omke siet te Himelum en neef op 'e Galamadammen; sa smieten se elkoar de klokken ta en sloegen se wherom, krekt as in keatsebal. Dat gong in nacht of whet goed. - Mar do die de jonge dîvel in misset; hy wier net sa handig en bedreven as de âlde. Ien fen 'e klokken liet er în 't wetter fen 'e Galamadammen truzzelje en de oare, in eintsje der ôf, în het mar de Fluessen. De swiere metalen gedrochten, drongen throch de ierdkoarste hinne en kamen în 'e onderwrâld torjuchte.
Sint dy tyd hearre de fiskers op 'e Fluessen en de biwenners van de Galamadammen 's nachts soms in dof gebombam în 'e djipte.
Dan liedt de dîvel de klokken fen Sint-Odolf. Men heart dit net altyd gelyke dûdlik; soms is it hast net to hearren en dan ek wol wer is whet better.
Het lieden heart men it beste, as immen op in heel lot în 'e
Haagsche lotterij de hûndert tûzen trokken hat. - Dan is der blydskip în 'e hel.
__________
Het Stadfriesch, dat vooral te Leeuwarden, Harlingen, Dokkum, Franeker en Sneek, maar ook te Midsland op Terschelling en op Ameland gesproken wordt, is eigenlijk een mengelmoes, waarvan men niet weet, of men het Saksisch-getint Friesch dan wel Frieschgetint Saksisch moet noemen (waarschijnlijk wel het laatste). Merkwaardig is het, hiervan na te gaan, welke dialektische bizonderheden de taaiste levenskracht vertoonen. Het zijn: sk voor sch; de scherpe uitspraak van v en z als f en s in het begin der woorden; het ontbreken van het voorvoegsel der verleden deelwoorden en de omgekeerde volgorde van twee onbepaalde wijzen, b.v.: ‘Dou hât dat wel laten kunnen’ (Je hadt dat wel kunnen laten); eindelijk de uitspraak bien, tien, breg, pet, voor been, steen, brug en put.
Voor Ameland moet ik echter een reserve maken. Taal en volkswezen zijn er niet voldoende onderzocht, maar stellig een afzonderlijk onderzoek overwaard. De landnamen en persoonsnamen zijn wel zuiver Friesch. Ook de boerenwoningen vertoonen een gemengd type, terwijl het huisornament herinnert aan Hindeloopen (veel rood en groen).
Deze eigenaardigheden vindt men dan ook als overleefsels aan de overzijde der Zuiderzee, te beginnen met Strandhollandsch (of Strandfriesch), het taaleigen, gesproken in de visschersdorpen Egmond, Wijk aan Zee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Scheveningen. Hoe verschilt dit dialekt, dank zij ligging en bedrijf, van dat in het naburige Bloemendaal, Sassenheim, Rijnsburg en Loosduinen. Men hoort hier ook nog de Engelsche w als beginletter. Dan volgt het Noordhollandsch met de dialekten van Kennemerland, de Zaanstreek en Waterland. Wat Amsterdam betreft, het zeventiende-eeuwsch, ons uit de kluchten van Bredero bekend, komt in meer dan éen opzicht overeen met het dialekt, dat thans benoorden het IJ wordt gehoord. Het oorspronkelijkst echter, en
het minst door Hollandschen invloed gewijzigd, is de volkstaal van West-Friesland. Dit gewest bestaat uit twee deelen: het eigenlijke West-Friesland, tusschen Alkmaar en den Helder, en het tusschen Hoorn, Enkhuizen en Medemblik gelegen Drechterland. Hiertoe behooren ook de eilanden Texel en Wieringen.
't Volgend schetsje werd me aan de Zaan gedicteerd door een man uit het volk.
Oitje is een eigenaardige uitdrukking voor prettig uitstapje en onder jachie of glaze jachie verstaat men die kleine, vaak met verguld en gekleurd snijwerk versierde plezierjachten, die door één man geroeid worden en in hunne overdekte en met veel raampjes voorziene ruimte plaats bieden aan vier tot zes personen. Vroeger bezat bijna ieder der gegoede Zaansche familiën zulk een vaartuigje, dat vaak keurig net was ingericht. Men liet zich er mee ter kerk of familiebezoek brengen.
Tegenwoordig wordt hun getal zeer klein. Hoofdzakelijk bij de kermissen ziet men ze nog op de Zaan. Zij dienen dan om een of ander gezelschap, meest vrouwen, naar de plaats van plezier te brengen.
Voor zulk een oitje wordt door de gezelschapjes vrouwen uit de nijvere volksklasse het geheele jaar door geld bijeen gelegd, en ik heb het aan de Zaan van menig huismoeder gehoord, dat ze geen grooter plezier kende, dan zoo'n oitje met een jachie op de Zaandammer- of Wormerveerder kermis. Wat het bijeenbrengen der gelden voor zulk een feestje betreft, 't gebeurt wekelijks met de grootste stiptheid. 't Is trouwens merkwaardig, met hoeveel voorliefde er aan de Zaan ‘gepot’ wordt voor vele soorten van zaken.
Men brengt wekelijks iets bijeen voor een leesgezelschap, voor een uitstapje in den zomer, ja, voor brandstof en andere zaken, en velen bewaren alle dikke-nieuwe-centen, om aan 't einde des jaars voor bijzondere uitgaven een apart sommetje te hebben. Verder laat ik het woord aan den verteller.
't Was Zaandamse kermis. Al een week had er een rumoer en gejoel e-weest, dat hoore en zien je vergong, en 't was ook wel te begraipe. Op zoo'n kermis den rake die mensche, zooals olieslagers, pelders en andere, eres uit er dommelechaid eskud. Voor heurloi is 't alle dage maar net hetzelfde; van daag begin je zoo en morge is 't nag zoo. Maar met zoo'n kermis, den haal je je asem nag eres bai je reg op en je slane je vlerke nag eres oit as en veugeltje in de lucht.
Zóó dochte ook Griet en Train, Ma en Neel. Ze hadde een potje op-egaart; alle weke een stoiver, om deer veur met 'et jachie te kermis te gaan. Ook hadde ze 'et esteld op Vraidag, dat was nag al een drokke dag; want hoe drokker, hoe liever.
Dus, 'et jachie en die het roeie most, ware 'ehuurd voor Vraidag; den most het beure - weer of gien weer; - ze hadde er al goeie lucht op.
Maar wie zou 'et jachie oitreste?
Gien ien leek er eerst zin in te hewwe. Achterné zait Griet: ‘Nou, den zel ik 'et wel doen. Ik bak een dikke-koek of twee; - wet brood met vleesch, wet garreneel, sla met aiere, en, om niet te vergete, een avvekateborrel, en we binne klaar.’
‘Goed’, zegge de are, ‘of-esproke.’
De Vraidag kwam. 't Was wel windig, maar toch aars goed weer. Nou aan 't klaar make. Griet dribbelde op er moile zonder hiele, om toch de boel maar goed in orde te brenge en om het zoo netjes, as ze op heur menier kon, voor te zette.
De knecht kwam met 'et jachie en nou wier de boel 'elade. Wel man, 'et zag er maar avvenant oit.
‘Hè’, zai Griet, ‘ik ben der loof van. Deer is heel wet an te
stunnike eer het zoo veer is, maar dat doet er niet toe. Ik loof, dat we toch wel ket en norrie hewwe zelle. Deer mekeert het nooit an, asse we oit benne. De op-egaarde Zeeuwe zelle der an geloove, al zoue we der ook voor in de mallemole gaan of ze aan bulleboissies versnoepe.’
De are drie kwamme nou ook en héel gauw gonge ze skeep. Elk had en nuwe jas an en de kap met drie naalde op. Ze keke allegaar eve bloemzoet en meukel en ze kakelde as kippe, die pas een bietje garst ekrege hewwe. Wet zatte ze premantig achter de gerdaintjes te glure, toe ze zoo langs de Zaan eroeit wiere as prinsesse.
Je kon wel zien, dat ze 'et alle dage niet ewend ware om oit te gaan. Wet lachte ze, as een turfskipper veurbai voer, die een pus met water skepte en derloi een mal woordje toeriep. Ja, ze gierde het bai taie oit om 't lekker oitje en dat ze nou al zoo'n lol hadde.
Op iens zait Neel: ‘Groote groen in 't hoissie, weer is me knippie?’ - Ze voelt in der zakke, maar vindt het niet.
‘Wat,’ vrage de are, ‘je hèt je knippie toch niet estrooid, Neel?’ ‘Nee,’ zegt deuze, maar da's nou toch nochter van me. Ik bedenk me deer net. 'k Heb het leete legge op 't bontje, vlak bij 't hoochie van den smoiger. Da's een malle boel. - Maar wacht eres. 'k Heb nag een buultje in me zak, deer ik dikke centen in opgaar. Deer ken ik het wel mee redde, om eres in een kaikspul te gaan of in de rollebol te speule.’
‘Nou,’ zait Ma, die ook ereis in der zak voelt of ze wet vergete hèt, ‘je hewwe toch zeker meer noodig. Je wille toch zeker ook welderes bai een liedebord of Jan Klaasse-spul kaike, dat kost je toch ook gauw een cent of wet, as je ten minste niet al te gierig bene.’
‘Wet,’ zait Neel, ‘ik gierig? Nee, ik durf van me arremoed of nag wel een cent te geve an een kerel mit ien arm of ien bien, en hew ik hem niet, dan zou ik hem nag wel te lien kraige van deuze of giene.’
‘Hou nou je groote babbelbek maar es dicht,’ zait Griet. ‘Deer hè-je een avvekaatje.’
‘Zoip, zwager, oome Jan is jarig.’
Meteen neme ze elk een ferme wup oit er glassie. Nou kwam er an 't kakele gien end. De ien wist dut, de aar dat. Die praatte over der man, die over der lieve kind; de ien over der buurwaif en de are over de dure taid. Ze leke wel spraakwater in ekrege te hewwe en zagge zoo rood as een haan.
__________
Maar ik kom nog even terug op het Amsterdamsch dialekt, dat van groot belang is voor de studie der volkstaal. Het behoort tot het Waterlandsch. Het is lang niet eenvormig en valt in verschillende tongvallen uiteen. Wij hebben hier m.i. vooral te doen met de inwerking van het bedrijf op de taal, waardoor afzonderlijke sociale taalgroepen geboren werden; somwijlen schuilt de oorzaak in scherp-omlijnde plaatselijke afscheiding. Amsterdam staat hier trouwens niet alleen, maar het verschijnsel openbaart zich in meerdere of mindere mate in alle groote steden, b.v. te Brussel. Daar spreekt men in het noordelijke deel der stad, en in de noordelijke voorsteden Schaarbeek, St. Joosten-Oode enz., anders dan in het middelste deel der stad, rondom de groote markt, en ook weer anders dan in het westelijke gedeelte van Brussel en dan in de westelijke voorsteden en dorpen, St. Jan's Molenbeek enz. Ook te Gent verschilt de volkstaal van de eene wijk tot de andere. Men heeft hier vooral twee onderscheiden tongvallen. De eene heet te Gent de Nieuwbrugsche, omdat hij vooral inheemsch is in de wijk der Nieuwe Brug of van de Neder-Schelde. Hier wonen veel werklieden en fabrieksarbeiders. De andere tongval geldt als het Gentsch bij uitstek, en wordt gesproken door de eigenlijke kern der Gentsche bevolking, zelfs door de hoogste standen, wanneer deze hun moedertaal spreken. Ook in kleinere steden verschilt wel eens het taaleigen der eene straat van dat der andere. J. ter Gouw, een volbloed Amsterdammer, kende niet minder dan negentien Amsterdamsche tongvallen, waarvan de meeste thans nog in leven zijn. Ik schakel hier het Joden-
hoeksch uit, dat weer uiteen valt in het Amsterdamsch Joodsch, het Joodsch-Hollandsch en den tongval der Christenen, die in den Jodenhoek wonen; en wel, omdat hier een vreemde faktor zijn inwerking doet gevoelen. Maar wij hebben verder vooral nog het Kattenburgsch, het idioom van de voormalige Kattenburger scheepstimmerlui, met het bedrijf thans sterk in verval. De vraag b.v.: ‘moet je ook geschoren worden’ luidt in den Kattenburgschen tongval: ‘mój jók geskórre wórre’. Hiervan verschilde vroeger het Rapenburgsch eenigermate, thans is geen verschil meer te hooren. Het Nieuwmarktsch wordt gesproken van af de Nieuwmarkt tot de Oude Schans, en aan de andere zijde langs de Kloveniersburgwal en de Hoogstraat. Het is ontstaan uit het beroep der kleerekramers en winkeliers in linnen, sajet en breikatoen. Bepaald klankrijk is het Bierkaaisch, de tongval gesproken door de zeer afgescheiden en haast oorspronkelijke bevolking van het doolhof van steegjes en dwarssteegjes, gelegen in den vierhoek tusschen Warmoesstraat, Oudekerksplein, Voorburgwal en Pijlsteeg. Het Komkommerbuurtsch hoort men in de zoogenaamde Komkommerbuurt: 't Weesperplein, Roeterseiland, Varkenseiland en Weesperveld. Het Franschepadsch werd vooral gesproken op de Goudsbloemgracht, in de Goudsbloemstraat en Palmstraat en in de dwarsstraten en stegen daartusschen, en kenmerkte zich door zijn rijkdom van woorden en uitdrukkingen, aan de dieven- en bedelaarstaal ontleend. Laat ik ten slotte nog vermelden het Kalverstraatsch, het Gebed-zonder-endsch, een echte vischwijventongval, en last not least het sociologisch zoo merkwaardige Duvelshoeksch, inheemsch in den Duvelshoek, een labyrinth van stegen tusschen de Reguliersbreestraat, Reguliersdwarsstraat en Vijzelstraat. Het Duvelshoeksch is een taaltje van de platste platheid, ‘doormengd met tal van woorden uit de dieven- en bedelaarstaal, uit het mofsch en koeterwaalsch der kermisgasten, négociants, nomades, colporteurs, vagabonds, chevaliers d'industrie, duitsche kwakzalvers, luikerwaalsche tooverlantaarn- en rarekiekvertooners, keulsche potten- en kannen-
wijven, fransche goochelaars, rottevangers en “verdrijvers van wandgedierten”, savooische lieremannen, orgeldraaiers en marmottejongens, italiaansche schoorsteenvegers, tot verloopende en verwaaide duitsche en brabantsche studenten incluis, die er allen hun verblijf hielden en er te zamen een duvelshoeksch jargon prevelden’: Joh. Winkler, Dialecticon II, bl. 92. Ik voeg hieraan toe het Haarlemmerdijksch.
Op de Heeren- en Keizersgracht spreekt men eigenlijk meer een daar gelokaliseerd kultuurdialekt. Een analoog verschijnsel vindt men b.v. te Hasselt (Belgisch Limburg), waar de taal der hoogere en lagere standen vrij veel verschilt. De kultuurtaal heet het eigenlijke Hasseltsch, de volkstaal het Beeksch, dewijl deze meestal door de minder gegoeden gesproken wordt, die ‘obbe Beek’ wonen. Zie Gittée, Nederlandsch Museum 1888, II, bl. 310.
2. Het Saksisch taaleigen. Het zuiverste Saksisch wordt op Nederlandschen bodem gesproken in de Graafschap, Salland en Twente. Hierbij dient echter opgemerkt, dat het Zutfensch zelf niet bij het Graafschapsch, maar met het Arnhemsch, Doetichemsch enz. bij het Zuidoostveluwsch behoort, dat zich vooral onderscheidt door den deminutiefuitgang -ien, en door lief, bier. Het Oostdrentsch (Rolde, Grolloo, Norg enz.) wijkt belangrijk af; vooral dit is een kenmerkend teeken, dat de oorspronkelijke korte, maar gerekte a in het Oostdrentsch den oa-(ao)klank heeft aangenomen, terwijl zij in het Twentsch den helderen a-klank bewaard heeft. Dus: Twentsch dage, hane, Drentsch doage, hoane. Prof. te Winkel, Inleiding tot de Geschiedenis der Nederl. Taal II, bl. 302, ziet in deze en andere eigenaardigheden het gevolg van mislukte pogingen, door de oorspronkelijke Frankische Drenten gedaan, om zich het Saksisch volkomen meester te maken; vgl. ook Vragen van den Dag XIV, bl. 117 vlg. Twente en de Graafschap vormen inderdaad het Saksische kernland. Daar vindt men nog het ‘losse hoes’, de hoeve met éen enkele ruimte voor mensch en vee. Daar vindt men ook het zuiverst de Saksische kleederdracht. Met het eigenaardig type der
boerenwoningen, dat men te Staphorst en Rouveen aantreft - type, zooals wij zagen, met beslist Saksischen grondtoon (I, bl. 51 vlg.) - stemt overeen het feit, dat het dialekt dier dorpen verscheiden Friesche schakeeringen vertoont op een Saksisch patroon. Naar men weet zijn Staphorst en Rouveen verschoven veenkolonies.
Het merkwaardigste kenmerk van het Saksische taaleigen is stellig de meervoudsvorming van den tegenwoordigen tijd: 1ste, 2e en 3e persoon gaan uit op t. Het verleden deelwoord wordt voorafgegaan door een toonlooze e: estoan (gestaan). De Sakser is gesloten, óok in zijn taal; het terughoudende en berekende vindt er zijn uitdrukking. Hij rondt zijn woorden niet af, hij bijt ze veeleer af, laat de klanken niet in hun volheid komen over de omheining der tanden, zooals nog blijkt uit het vervormen van den uitgang en tot een sonantische n: dus hooren wordt heurn. Verder zijn î en û niet gediphthongeerd en zegt men derhalve mien, wien, huus (hoes), zoegn. Konservatief betoont zich het Saksisch verder in behouden van al en ol voor een volgende d en t, b.v. old (oud) en talter (schommel). Maar vooral ook de woordvoorraad is belangrijk en werpt op het karakter der Saksische volkstaal het helderste licht. Hier is het weer Gallée, die zich het meest verdienstelijk maakte door zijn Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch dialekt (Den Haag 1895).
Volgen nu twee dialektproeven uit het Saksische kernland, beide van folkloristischen aard, óok om hun inhoud.
'n Klein zetjen eleden sloog 't half eene op ten Eibargschen toorn; 't warkvolk is allemaole noa 't hoes hen en de kindere bunt oet de schoole; ze zölt wal haoste met 't etten edaone wèzen, want ze holt zich om 't zeggen: ‘Ellef uur den pot op 't vuur, um twalef uur
wat etten’. Op ten schoolplas is no nog nummes te zeene. Joa toch, doar kump net Batjen langs 't hekke van den meister zînen hof hen en hé loert es of nog geen kameraods zut; zee daar he'j den dikken Bennad, daor gens kump Lulefken ok al andraven; doar kuj van op an, he hef zien grotmoder ok weer leelik veur den aap ehad, want zo vrog mag hé nooit het hoes oet. Henne zal no ok wal gauw kommen, den kan zoo lomp gauw etten. Daor he'j 'm al. Oet de wîte smit ê al met ne sleiferkei en he röp: ‘ik magge 't eerste oetsmîten watte? we doot toch knikkeren? Zonnen fijnen sleiferkei he'j noo nog nooit ezeene; 'k heb 'm evondene op de Grolsche grinte bie Hendrik van den Trekpot, kik es wat 'n mooien!’ ‘We doot kuultjen scheeten’ zegt Batjen. ‘Oa wat! weês toch wîzer, we doot oetsmîten, want van de meete is mie niks weerd; doar hek gisteren toch zoo mee verknold,’ zeg ten dikken Bennad. ‘Vîve an, wée dut er mee?’ schreeuwt Lulefken. ‘No, too dan moar,’ zeg Batjen, ‘dan wil ik 't laatste oetsmîten heur!’ ‘'k Heb 't anders al lange ezeg’ schreeuwt Henne, ‘maor 't kan mie ok neet schellen, 'k komme toch wal bôven alles!’ Noo zet ze de knikkers fijn op een heupken, hoo meer köpkes, hoo mooier, dan he'j ok nog meer kans dat ze melken mot. ‘Hier zal de kip wèzen,’ zeg Batjen, en hé trök ne streepe adig kort bie de knikkers, zee da's 't kortste bie, da 'i meugt liggen. ‘Ik zal wal 't eerste oetsmîten,’ zeg Bennad. He geet achter 't pötjen staon en smit met den sleiferkei 'n pas of tine wît. Doar maakte ê'n streepken. ‘Daor gao 'k boaven,’ röp Henne, den altîd bôven alles wil wèzen; moar al kan ê fijn knikkeren, verspöllen deut ê toch op ten doer en manges is ê heelemaole bos. Kik 'm es en onmundig ende smîten. Den steen rolt ok nog, zoodat ê eiges röp: ‘Da 's ok wît genog’ en de andere lacht en zegt: ‘Henne wat bu 'j toch 'ne onwîzen.’ Lulefken smit tusschen Henne en Bennad in. No mot Batjen oetsmîten. ‘Wacht’ dech e, ‘ze könt ter wal es allemaole langs hen mikken en he röp ‘'k gao op de kip, dar!’ Zeezoo, no kan 't beginnen. Batjen geet ter achter staan en Henne smit: den steen sleifert fijn, 't geet er goed op aan, joa, he raakt ze efkes,
een paar köpkes valt ter of. ‘Melken, melken’ röp e! En noo geet e der op de kneene bie liggen en de anderen ok allemaole der ummehen, want ze wilt zeen of e ok jödden wil, maar dat deut e neet; he nemt zoovölle van 't heupken af ase kan zonder dat er en köpken völt; met spieë mag neet, heb ze ezeg. ‘Noo, mîne vîve he 'k,’ schreeuwt Henne, too 't köpken völt, ‘no mot ie Lulef.’ Lulef smit, maor raakt niks; he smit vlak langs Bennad zînen klomp; of e um eraakt hef? ‘Ze hebt 'm emeut Bennad,’ röp e, ‘mozze motte weerumme.’ ‘Dat leeg ie.’ ‘Da 's al.’ ‘Ik zeg oe van neet.’ ‘No,’ zeg Lulef, ‘ik nemme mîne vîve’, en he löp ter as'n haze hen. ‘Neet grîpen’ schreeuwt Batjen en veur de sekurigheid grip e eiges 't heele pötjen op; ‘dan mot Lulef moar översmîten.’ Lulef smit maor raakt niks. ‘Onreg verdeelt zich,’ schreeuwt Batjen. ‘'t Is toch gemeen, he had 't anders secuur edaone, leelekert,’ röp Lulef. ‘Lig toch neet te schennebekken,’ zeg Henne, ‘ie mot smîten Bennad.’ Kik 'm es loeren en mikken. 't Geet er wal ne voot biehen en Batjen, den vlak bie de knikkers ligt, zet ze net op ten kop en ze stoevet oet mekare. Moar wat grip e ze nèrig op, want he vertrouwt te anderen geenen cent. ‘Kom jongens, noe nog 'n pötjen,’ rup Henne al weer, ‘der bunt er nog meer biêkommen, dat zal 'ne fijnen pot worden. Vive an! Haroet, haroet!’
H.P.t.B.
Doar wazzen es en Hanenèfken en Hennenichjen en die wonden bij mekāre en kokten samen de pot. Toe de beeste 's arfstens op de spörrie etuurd wieren kä(r)nden ze zich en pötjen beste spörriebotter en zetten et in de kelder. ‘Zee, nichte,’ zei Hanenèfken, ‘doar zöw ons nog es an verslakken as de sneebluemkes vleêgt’.
Hanenèfken gong den volgenden margen uut hen krèien en pie(r)n
vangen en Hennenichjen mos es effen goan kîeken of 't pötjen der nog ston en prüven of de botter ok stark wier. 't Pötjen ston der nog en de botter smekte goed en was nêet stark.
En 's margens derop ging Hanenèfken weer uut en Hennenichjen gong hen kîeken en prüven.
En as Hanenèfken uut was ging Hennenichjen iederbots kîeken en prüven.
Zie, ij konnen nîet wetten, dat ko'j nêet.
't Wier kolder en kolder en de botter was zoo an de krimp eraakt, dat Hennenichjen der van schrök. Zie krabde zich met den poot langs de nebbe en wis nîet, wat ze zol anvangen.
Toe haalde ze de botter der uut, knèden het tönneken voel hôonder-kötteltjes en leî der baoven en dun bäomken botter aover hen.
Den volgenden margen vlaogen de sneebluemkes en Hanenèfken zeg tegen Hennenichjen: ‘haalt mîn het pötjen met botter uut de kelder.’
‘Toe, Hennenichjen! pik ij der moar eerst niet,’ zei Hanenèfken. ‘Nee, Hanenèfken, ij gaot veur!’ Toe pikten Hanenèfken 't eerste en hie hadde de heele nekke voel .... hōonderköttels.
Godsbarmelik, wat was e kwaod. Hî maakten zich zoo nîdig, dat e Hennenichjen 't vel aover de oorne trok. Hî hong et velleken bij den puttenpos op den bézenbos um te dreugen.
Toe kwamen Grîsgrauwgruwweltjen en haalde Hennenichjes velleken weg.
Hanenèfken kwam buuten en 't velleken was weg. Hî maakten zich en kaore van en wortele, die höllen e uut en spannen der rattemoeze veur. Toe ging et naor 't huus van Grîsgrauwgruwweltjen. Hî was weg en toe kwam um en osse in tegen. Die zei ‘Hanenèfken, waor geet dat nao tôo?’
‘Ik gao nao Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.’
‘Za 'k moar met gaon?’
‘Jao, sprink maor achter op de kaore.’
Veerder kump um en hane integen, die zei:
‘Hanenèfken, waor mo'j nao töo?’
‘Ik gao nao 't huus van Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.’
‘Za'k maor mee goan?’
‘Jao, sprink maor achter op de kaore.’
En toe kwam der nog een hekkele, en spelde, en naolde, en ei en en slîpsteen en allemaole sprongen ze achter op de kaore.
Zoo kwammen ze bij 't huus van Grîsgrauwgruwweltjen. Maor .... de deure was op de gruntele.
‘Hoe dook der met,’ zeg Hanenèfken.
‘Ik witte raod,’ zei de Hane, ‘ik zal deur 't hôondergat kroepen en de deure lös doen.’
Zoo ezeg, zoo edaon. De hane mîk de deure lös. Hî zöch de kaste nao en vund Hennenichjes velleken in en deusken.
‘Doe doew der now met?’ zeg Hanenèfken.
‘Daor zölle wij wel veur zorgen,’ zekt die metereden bunt.
't Ei geet in 't vuur liggen, de spelde en naolde kroept in de matte van den stool.
De hekkele geet met de rugge in 't bedde liggen; de osse geet in de stal staon en de hane achter in de kōostal op 't rik. De slîpsteen henk zich op baoven de deure.
's Aaovens kump Grîsgrauwgruwweltjen in huus. Hî wil de lampe anstekken, en ‘poef!’ zeg et ei en vlug um in de oogen ‘O! min oogen’ krouwt e en hî völt op den stool neer; maor, daor stekt um de spelde en de naolde: ‘O! mîn eers, mîn eers!’ Van pîne löt e zich in bedde vallen, waor de hekkele lig. ‘O! mîn rugge, mîn rugge!’
Van benauwdheid mot e uut de bokse. Hî löp nao den stal, maor de osse nump um op de häorne en kwakst um tegen de hilde. ‘Smît um mîn maor boo,’ schreeuwt de hane, ‘dan za'k um nog anders toetakelen!’
Van schrik wil e nao buuten en toen e de klinke van de deure wil lös doon, völt um de slîpsteen op den kop.
En too wasse ha(r)dstikke dood.
G.J. Klokman.
Ik besprak reeds het mengdialekt van Staphorst en Rouveen. Ook te Vollenhoven, Genemuiden, Zwartsluis, Kampen enz. wordt een Saksisch mengdialekt gesproken. Maar de twee voornaamste Saksische mengdialekten, met Frieschen inslag, zijn het Groningsch en het zoogenaamd Stellingwerfsch, dat weer in verscheiden kleinere idiomen uiteenvalt.
Het Groninger dialekt lijkt de Friezen hard en zwaar; bij het spreken wordt de mond breed geplooid. De voornaamste bijzonderheden zijn wel: de uitgang -en van den 1sten en 3en persoon meervoud van den tegenwoordigen tijd; het ontbreken van de e vóor het verleden deelwoord; de voorliefde voor den ai-klank, tegenover de Saksische ee en ei. Wat het Stellingwerfsch betreft, dit wordt o.a. gekenmerkt door den 2en persoon meervoud jimme, en door voet, boek tegenover voot en book.
't Was Dunderdagaovend. 't Vroor dat 't knapte. De lucht was helder van sterens en de grond zoo hard as 'n bikkel. Snij lag d'r nich; 't weide ook nich en nò was 't zoo heur in de lucht, dat m' duudelk heuren kön, dat 't leeren oetkwöm. Men kön wol heuren wel stevels en wel klompen aanhad'n.
Zug, daor koomt drij jongs aan op klompen, man ijne hef twij stevels op de nakke hangen. Zij gaot deur de achterweg, waor 't anders veul te modderg en te glidderg is, man nò keunt ze d'r best langs. Ik wijt wol, waor ze hen wilt: zij gaot nao de schounmaoker; dat dout ze alle Dunderdagaovend um 'n beetk'n te proten en 'n kop koffie te drinken. IJn van heur hef altied wol 'n bösschop.
Ik gao d'r ook hen; 'k wil ijs heuren of mien schoune klaor bint; dan kan 'k ijs wat mit proten over 't ies en 't weer en wat 't 'r meer
veur 'n dag komp. Wie gaot de bansterdeure in over de deele en bint dan vot in de keuken.
‘Gaot man zitten jongs; trekt man 'n stoele bie 't vuur. Och, Aoldien, doe steist door net bie de hörn, smiet nog 'n kijnstobbe op 't vuur, de ooren vrijst joe van de kop! Hinderk, geef doe mie de beentbessem ijs aan ....’ ‘Wacht man, boas, ik schal de plaote wel even aanvegen.’
Bijter krig de tabaksduize oet de vessienbuze (vestzak) en zeg as he stopt hef: ‘wolt ook aansteken, Geert?’
‘Nee,’ zeg Geert, ‘'k heb 'n kolle’ (pruim). De duize knapt weer tou en geit weer op 't olle stee. ‘Geef mie de tange ijs Hinderk, doe bist 'n de hörn kropen, magst bedijnen van aovend.’ De tange geit in 't vuur, komp 't 'r mit 'n koolk'n vuur oet, dij in Pijter zien borstklopper geit. ‘Hij! doe stichst brand, daor lig 'n kole vuur bie dien klompe op de vlouer.’ ‘O, wacht man, loat de tange man staon, 't geit zoo wol,’ en Pijter trekt de klompe oet en schept de kole vuur in de raokeldobbe. ‘Verbraanst dien zokke.’ ‘Nee, 't schal wol gouw gaon. Haf' we Jan Tools zien hond hier man, dan höf we nooit 'n kole vuur aanvegen.’ ‘Wat dee dij hond dan?’ ‘Hest nooit van dij looze hond heurd?’ zeg Pijter, as m' tegen dij hond zee: haol mie de tabak, dan göng vot nao 't kammenet en kwam mit de punt in de bek weerum.’ ‘O, dat kan onze boer zien hond ook wol.’ ‘Ja, man Jan Tools zien hond dee dat ook mit 'n kole vuur. As 't 'r 'n kole oet 't heerdk'n op de plaote völ, höf ie niks te zeggen as: Stroom, pak op! in dan kreeg he de kole in de bek en smeet hum weer op 't vuur.’ ‘Dat kön nooit, dan brandde zien bek ja!’ ‘Ja, jong, man hij m .... de kole eerst oet.’ ‘Luchst allemaol; zeg mie man lijver, wat 'r op dien piepkop steit, daor heb 'k al zoo lank tegen aankeken.’ ‘Daor, kiek man ijs goud, 't kan best wezen, dat 't nog familie van die is.’ ‘Wel kerel, jijzes man! nò man daor bin ik gijn familie van - ik zij wel 't is - horens op de kop en bokspoten. Ik wijt nich, houst 'r mit loopen duurst.’ ‘Wat mijnst dan wel 't is,’ zeg Pijter. ‘De olle knecht, gijn ijne
anders.’ ‘Laot ijs zijn’, zeg Hinderk. ‘Verdold, Geert hef gliek, 't is hum.’ ‘Man, wat mot dij schaope d'r toch bie,’ zegt baos, dij ook nieuwsgierig worden is en mit 't hekke (bril) op de neuze de piepkop bekik, ‘'k heb nooit heurd, dat de duvel op de schaope past. En 't is net of het zit te fluitspeulen.’ ‘Dij schaope kan he wol stolen hebben. Mien bier hef hum op de Hoge IJ ijs 'n maol op 'n aovond zijn, dou he achter drij Vrijsche schaopen aanzat.’ ‘Man hest hum zölf wijl ijs zijn?’ Geert zee niks. Man opijns: ‘Um de waarheid te zeggen, jao. Ik heb hum zijn achter 't iemhok van Janoom, en ik wil die vertellen, dat ik s'aovends daor nooit weer achter 't hoes langs gao.’ ‘Hou zag he d'r dan oet, net as op mien piepkop?’ Dat kön 'k zoo nich zijn, man 'k schal joe vertellen wat 'k zijn heb. 't Was verleden jaar op Steffen. Ik was met Berend Sips en Hiske van Muike bie Wubbe Lots west, man ik was net zoo nöchtern as op 't oogenblik. Bie de handwiezer göng ik van de anderen of en um de houk bie Janooms hoes keek ik onwillekeurig nao 't iemhok, umdat mien boer mie ijs verteld hef, dat Janoom zien vader daor ijs 'n hijle nacht mit de duvel op de nakke rondzwabberd har. Dij har daor wat zijn achter 't iemhoes en hij was zoo dom west um te kieken wat 't was. Um d'r te komen mös he 't heksk'n deur en dou was he van zien recht of. Op ijns heurt he, 'n geschatter en daor springt d'olle knecht hum op de pokkel .... en de hijle nacht hef he d'r mit um argewijerd; in 't leste har he 't heksk'n mit d'ijne hand pakt en dou mös de duvel hum weer löslaoten; hij was weer op zien recht.’ Hef dien boer die dat verteld?’ zeg Pijter. ‘Jao en dij lug nich.’ Geert har 'n grenzeloos vertrouwen op zijn boer, de grootste osse van hijl Westerwolde. ‘Zeg man aan dien boer, dat Janoom zien vaoder de nachtmerrie had hef.’ ‘Ja, doe wolt niks leuven, dat wij 'k wol, man wat ik d'r zölf zijn heb dat kaanst mie nich oet de zin proten. Ik zag op ijns 'n kop boven 't iemhok oet komen. Ik wör d'r kel van, want ik dacht vot aan Janoom zien vaoder, wat dij d'r beleefd har, 't was net op 'k aan de knijen tou deur 't zand göng. Man ik keek nog ijs weer, en dou was 'n d'r twij
koppen, ik dochte: jong, red di, het gijt um dien zijle en ik op de rek (aan de haal). Dou 'k veur onze valdeure kwöm, har 'k aan ieder haor'n zwijtdrup. 'k Bin boven over de underdeure hensprongen, 'k heb de deure dicht maakt en bin op bedde kropen.’ ‘En dat is de duvel west?’ ‘Wat mijnst doe dan? Doe möst dij grelle kop man ijs zijn hebben.’ ‘Och kerel, 't was Steffen, daar hebt 'n jong en 'n wicht mit 'n ander staon te vrijen. Schost d'r man gerust hen gaon wezen, meschijn har 't wicht die ook wol 'n smok geven.’ ‘Jawol, ik har 'n smok kregen van 'n hijl ander, zukke smokken begeer ik nich. Man doe hest nö 'n hijl woord, en ik wijt wol dat doe nich hijl bange oetvallen bist; ik mög toch wol ijs zijn, dat he die tegen kwöm um ijs gewaar te worren hou hard doe loopen kaanst: de maorze schol die nich schimmeln.’ ‘Ik heb hum al 'n maol zijn’ zeg Pijter hijl dreuge. ‘Doe? Waarzoo? En wat hest dou daon?’ ‘'k Heb hum de nakke umdreid.’ ‘Verrek um mie, nö heb 'k genog van die leugens: het rookt die boven de kop!’
‘Wolt 't nich leuven jong, zegt Pijter terwiel he Geert in de knij knip, ‘'t is echt waor. Jong, Aoldienmeu, hei je d'r nog 'n kopk'n in, dan keer 'k nich um.’ ‘Jewol, jong, vertel man op.’
‘Te wijt wol baos, dat ik vrouher dijnd heb bie Brug Engel. Zien dochter Geertruud, dij laoter nao de Opstreek trouwd is, was dou nog in hoes en dan hadden ze 'n meid oet de Pekel, Jantje. Hou ze wieder heit, wij 'k nich meer; 'k wijt wol dat ze altied stom kwoad was, as wie tegen heur zeden van Jandien, dat wol ze nich wezen, want in de Pekel hijtte ze altied Jantje, zee ze. 't Was 'n vief ding, man 'n beetke'n eelsk en ongemakkelk plaogerg oetvallen. Zij en Geertruud dij gijn haor beter was, hebt mie vaok bedonderd, man ijnmaol hebt ze mie 'n schrik aanjagd, dij 'k heur nie gouw vergaf.
Ik kwöm ijs op 'n aovond um tien uur 't loug (deel van 't dorp) oet um vot op bedde te gaon, en göng over de deele nao de kougange, waor ik sluip. Ik trok mien overschrijter oet en dee de beddeure open, .... en stönd stief van schrik: daor lag de duvel mit zien gleude kop op mien bedde. Ik stende 't eerst oet van benauwdheid en 't
göng mie net as Geert, ik wör kel as is. Man 't duurde nich laank; ik kreeg mien kracht weerum en ijk wör duvelsch. Ik zee: “satan, olle duivel, hest mie noch nich! Ich bin nich bange veur die - koom man op, satan! en anders griep ik die ....” en ik griep hum mit beide handen bie de strötte .... en wat har ik te pakken? twij törven, dij aan 'n ander bonden wad'n. Oogen, neuze en mond bestönden oet glimholt. Ik stön verstomd. Man daor heurde ik in 't kaarnhoes 'n verdacht gegnies en dou 'k kieken wol, stoven dij beide vrouwluu in draf weg. Ik was wol zoo vergreld, als ik 't 'r ijne van pakt har, dan hak heur vijerkant in de kougroupe stopt. En dou 'k dij meid d'ander dag alleine achter 't hoes trof, zee'k tegen heur: as 'k die 'n raod schuldig bin, loop dan nich te dichte aan mie langs, anders könst wol ijs 'n schop kriegen, daorst genog aan hast. Dou keek ze raor op en 'k heb laoter gijn last weer van heur had. Man ik was laoter ook nich bange meer veur d'olle, umda 'k hum de nakke umdreid en de kop over de kougange mieterd har.’ ‘Jijzes, Pijter,’ zee Geert, ‘wat bist doe 'n kerel. Kiek, as mie 't overkomen was, ik was vot nao 't veurenne vlogen en har de boer roupen.’ ‘Ja, zoo geit 't jong, as m' de boudel nich underzöcht. 'n Smid oet Wedde vertelde mie ijs, dat he 's aovends van de Pekel komen was langs 'n binnenpad over de heide. Op ijns heurd he daor veur zuk wat stemmen en daor kiekt hum twij gleude oogen aan. Maar hij was ijne, dij ook nich gauw umliggen göng, hij geit 't 'r op of en wat is 't? 'n Lijk schaopk'n dat op de heide achterbleven was. As ik nò nich zoo goud döst har, zee he, dan was ik daor deur de heide posterd en har overal verteld, dat ik de duvel zijn har. En daorum zeg ik die nog weer, Geert, as 't 'r zoowat is, gao d'r dan rustig op of en underzuik 't en dan scholt zijn, dat 't allemaol 'n natuurlijke oorzaak hef. Wat zegst doe, Hinderk!’ Hinderk dij nog niks zegd har, kik op de klokke. ‘Ketijer veur tiene? Dan wot 't mien tied. As ik nao tiene in hoes kom, verandert mien ol mensch in 'n saotan, daor al joen duvels kwajongs bie bint. Genaovendsaom.’
‘Wacht,’ zegt Geert, ‘ik gao mit, dan heb 'k zoo wied gezelschop.’ ‘Ja, ik gao ook mit,’ zeg Pijter, ‘baos ik heb joe mien stevels bie deure hen zet, kan 'k dij Zaoterdag wol weerum haolen? D'r mout halve zolen en hakken under.’
‘'t Schal wel gaon. Gòjenaovend.’
A.H. Smith.
__________
3. Het Frankische taaleigen. Hier en daar met Friesche en Saksische bestanddeelen vermengd, wordt het Frankisch gesproken in Vlaamsch België, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg, Utrecht en een gedeelte van Holland. Aan Maas en Rijn heeft het Frankisch element beslist de bovenhand. Maar eng verbonden hiermee hebben wij reeds herhaaldelijk het Keltisch ontmoet, dat ik als substraat beschouw, waar anderen aan een Keltischen kultuurinvloed de voorkeur geven. Kelten waren wellicht de vertegenwoordigers der Klokkebeker-kultuur in Utrecht, Drente, Twente en op de Veluwe. Kelten waren stellig de Galliërs, die omstreeks 300 n. Chr. de Hallstatt-kultuur brachten in onze zuidelijke provinciën. De algemeene Nederlandsche taal kent Keltische plaatsnamen en andere Keltische leenwoorden. Een hoeve-type, hoogstwaarschijnlijk van Keltischen oorsprong, het langgevel-type, vinden wij hoofdzakelijk in België, Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe, op de Veluwe en in de duinstreek. De brunetten zijn het sterkst vertegenwoordigd in Noord-Brabant, Limburg, zuidoostelijk Gelderland en Zeeland. Ook het emotioneele volkskarakter stemt hiermee overeen, met uitzondering van de Veluwe. Maar op de Veluwe stooten de drie Nederlandsche hoofdstammen aan elkaar; nergens trouwens is de invloed van het landschap, - hier: de schrale, sombere heidevelden - zóo merkbaar inwerkend op de geaardheid des volks. ‘De bodem der N.-W. Veluwe’, schrijft W. van Schothorst, ‘is met uitzondering van de lage, waterrijke, en hier en daar veenachtige Westelijke helft, hoog, dor en onvruchtbaar. Slechts dennen, sparren en eikenhout vindt men op den schralen grond, wanneer deze niet met heide is
begroeid of uit stuifzanden bestaat. Een onafzienbare heivlakte met golvenden bodem, aan den gezichtseinder begrensd door donkere bosschen en rijen witte zandheuvels, als stoffage een enkel boerderijtje met wat armoedige boompjes, en op een verheffing van den bodem een kudde schapen door haar eenzamen herder met zijn trouwen hond gehoed, ziedaar een typisch Veluwsch landschap!’ (Het Dialect der Noord-West-Veluwe, Utrecht 1904, bl. III).
Ook kleederdracht en versierselen wijzen op gemeenschappelijken Keltischen inslag. In Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van Nijmegen en in Zeeland worden hangers gedragen. Met eenigszins gewijzigden vorm vinden wij den hartvormigen hanger, de schoef genaamd, ook in het Zuiderzeegebied met het Gooi. Nauwer hangt dit gebied door een breeden, platten ring met spiraalwerk van blaadjes weer met Zeeland samen. Eigenaardig-bewerkte knoopen, gordelen broekplaten, halskettingen van bepaalden vierkanten vorm treft men aan in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden, in het Gooi en op de Veluwe om de Zuiderzee.
Wij krijgen aldus een uitgestrekt samenhangend gebied; en vergelijkt men dit met het gebied, waar nakomelingen van Frankische stammen te vinden zijn (I, bl. 9), dan zal men tot de bevinding komen, dat beide territoren elkaar nagenoeg dekken. Hierbij komt, dat de dialekten der bevolking, hoe uiteenloopend ook, een aantal kenteekenen vertoonen, die men althans ten deele ook in de Keltische talen weervindt. Waar wij nu van een Keltisch-Frankisch huis gesproken hebben, zal men het dus niet kunnen misbillijken, dat ook de benaming van Keltisch-Frankisch dialekt door ons gebezigd wordt. Natuurlijk behoeft elke overeenkomst op zich niet op gemeenschappelijke herkomst te berusten, ik wijs slechts op het nasaleeren van een klinker vóor gedekte nasaal en het verwaarloozen der h, ook elders nawijsbaar, zie b.v. Groninger Volksalman. 1900, bl. 28.
Enkele der meest eigenaardige kenmerken van de Keltisch-Frankische dialektgroep laat ik hier volgen.
1. Het voorvoegsel ge bij het deelwoord.
2. Het wegvallen der n van den uitgang -en, behalve vóór klinkers, h, b en d. Vergelijk: de groeëten boum, den domme mins, de groeëte minse (Venloosch taaleigen). Keltisch survival? - Het meervoud van den tegenwoordigen tijd gaat dus uit op e of en, t, e of en.
3. De d tusschen twee medeklinkers wordt j (i) of verdwijnt: moede, moeje, moe.
4. De groepen al en ol worden tot au en ou vóor d of t. Dus: ald en gold worden in zuiver Frankisch oud en goud of nauwverwante klanken.
5. Lange i en û zijn meestal tweeklanken geworden, dus: mijn huis, tegenover Saksisch mien hoes. Dit verschijnsel is van Keltischen oorsprong, zie te Winkel, Inleiding II, bl. 304 en N. van Wijk, Taal en Letteren XII, bl. 36 vlg.
6. De tweeklank au wordt oo, b.v. dood, oog, tegenover Friesch deead, eeag.
7. De groep ft gaat over in cht. Dus: koopen: gekocht; verder lucht, gracht, hecht enz. Slechts hier en daar bleef een sporadische f behouden, zoo te Tilburg en in Oost-Brabant: zoft (zacht); Sliedrecht: zoft, gekoft (gekocht); Veluwsch koften voor kochten. Ook wordt de chs geassimileerd tot ss, vgl. Brussel: Bruxelles; Tessel: Texel. Hier is eveneens Keltische invloed werkzaam geweest; zie te Winkel, Inleiding II, blz. 304; van Ginneken, Handboek I, bl. 87.
8. De Westgermaansche a wordt vertegenwoordigd door â en oa, b.v. schaap, schoap. Alleen in het Zeeuwsch en in het Zuidoost-Hollandsch hoort men schaep.
Nu meent van Wijk, Tijdschr. XXX, bl. 161 (vgl. Indogerm. Forsch. XXVI, bl. 275), dat deze ae een ouderen toestand vertegenwoordigt, dien wij ook voor het Noord-West-Veluwsch en voor het Nederbetuwsch kunnen rekonstrueeren. Wij mogen dientengevolge met vrij veel waarschijnlijkheid een nauwere verwantschap veronderstellen voor een gebied, dat Zeeland en een deel van Zuid-Holland, de Neder-Betuwe en een deel van de Veluwe omvatte. Ja wij kunnen ons dit gebied nog ruimer voorstellen, zoodat het zich dekt met het terrein van hetgeen men zou kunnen noemen: de Hollandsch-
Frankische dialekten, d.i. West-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, Neder-Betuwe, N.-W.-Veluwe, Zeeland en West-Vlaanderen, reikend van Elberg tot Duinkerken. Zooals wij zagen, pleiten ook enkele bizondere versierselen voor een nauweren samenhang juist van deze gewesten. De geheele groep wordt nog gekenmerkt door het gebruik van de pronominaalvormen jij en jou.
Te Winkel noemt deze dialekten in zijn Charakteristik, bl. 12, met uitzondering van het Veluwsch en Nederbetuwsch, Friesch-Frankisch. Het is zijn recht. Want inderdaad hebben zich Friesche invloeden hier doen gelden. Wij kunnen ze dus het best beschouwen als Frankische dialekten met Keltischen ondergrond en met een Friesch vernis. Voor het Zeeuwsch vermoedt ook de Amsterdamsche hoogleeraar Keltischen inslag.
Zou nu met dit uitgestrekt dialektgebied ook niet samenhangen het taaleigen van enkele streken om de Zuiderzee, en van enkele eilanden, waar men ook in lichaamstooi en kleederdracht overeenkomstige versierselen vindt? Ik denk allereerst aan het Gooi (Hilversum, Laren, Blaricum, Huizen), maar ook aan Vlieland, Schokland, Urk, Enkhuizen en aan een strook van den Overijsselschen zeekant: Vollenhoven, Genemuiden, de Kuinder enz., waar men een Friesch-Saksisch mengdialekt spreekt. Ook deze dialekt-groep toch wordt door enkele bizonderheden met de ae-groep verbonden; ik noem het wegvallen van de h en den Urker-Gooischen ae-klank in schaep. Onderling houdt zij verband door een eigenaardigen i- en u-klank. Zij vormt een overgang van het Frankisch naar het Friesch of van het Friesch naar het Frankisch en ten deele naar het Saksisch; en de veronderstelling van Winkler lijkt zeer aannemelijk, dat wij te doen hebben met de taalresten van een afzonderlijken, niet volboed-Frieschen stam, die in het eerste millennium onzer tijdrekening woonde op de oevers van het meer Flevo; zie Dialecticon II, bl. 52; vgl. II, bl. 20, I, bl. 381. Zou ook hier de Keltische grondslag niet kunnen dienen ter verdere oplossing van het ingewikkeld probleem?
Andere eigenaardigheden wijzen op nauweren samenhang van het
Oost-Hollandsch met het Brabantsch en het Strand-Hollandsch; vooral deze, dat de vierde naamval voor eigennamen en persoonsnamen zonder determinatief den vorm heeft aangenomen van den tweeden naamval, b.v.: Ik heb et vaders gezeid; ik heb tantes nog gekend; ik ben bij Janne geweest. Zie hierover van Ginneken, Handboek I, bl. 94, 95.
Miekelief! 't Hef noe gans en gaor gin fatsoen, da je miin liefde zoa kold en zoa verwierd handelen bliift. Hoe 'k et oak mit oe zuuk te riigen en te plooien, ik kriig er maor nie zoa ak et gaerne ha. Altiids bliift oew hart nog rechtevoort tägen mii as stiif linnen. Mennig kamezaol, boks en wammes van de goeje luuj heb ik bekant stik verknipt en versniien, daor 'k zat, en miin heufd oaver oe tornde en pluusde. Da 'k er oak heftig oaver epruust heb, en er vinnig ziek af ewest bin, da's oe bekend; en nao de leste krupsie bin 'k nog nie zoa 'k heur, want hoe 'k et wend of drääi, 'k weet oan oe gin mouwen te passen.
Zeg et toch glad uut, wa je tägen mii het, dat je mii as en olde lappe op zii' smiit. Bin 'k nie zoa goed bii de pinken as de beste veur miin brood? De heele wäke, van 's maondags tot zaoterdags, zit ik jummers stik staovast van 's märgens tot 's aovens bii baos Nol op 'e taofel: en veur miin jannever-centen laot de wäärd ūūt de Golden Ploege gin neie schuur bii 't huus zetten. Zondag, da mis nie, zie je me altiids in de predekaotie en 's aovens, nao koffietiid, bii oew vaoder op den haerd, om te höören naor 't neis ūūt de krant. Dan doe 'k jummers puur alles veur oe, en 'k maok et oe zoa handzaom, as in miin krank vermeugen is: en da naodje zol zoa deurloapen as i ens miin vrouw waort gin enkele steeke zal er aon losgaon.
Maor 'k leuve, daor zit um de kneupe nie. 't Is nog die ägenste smalle heerschop, die klarke van onzen notaoris, die 't um duut. Daorum gao je, oak deur den dag altiids zoa mooi aon'edaon, 'egold en 'ezilverd, bekant of i nao de karke gaot. Miekelief! Miekelief! waor dwaolen ouw zinnen; hoe kan i zoa bot ziin? 'k Heb oe al zoa mennigmaol oaver dissen gepokkeneerden snoeshaon onder 'tparsiizer 'ehad en zint er nog de olde knepen niet uut? Hoe kan oe et hart toch zoa hooge staon, da je um dien kwibus en goeien wärkman onder stelt?
Meinde mit um te zullen äten uut de kurf zonder zörge? Nemaor, da's vlak de lappe neffen 't gat. Da klarken lait um maor wiendaiers: en zolt i de maot holden veur de juffer van en notaoris al is 't oak op en plat dörpke? Nemaor, daerne! daor zii i nie toe 'esnejen: da zol oe vugen as en neie lap op en old wammes; da stao nie en da holdt nie. - Da mot dissen verwierden heerschop oak nie vremd ziin, hoe zunig hi kiiken kan, maor hi teutelt mit oe, um oew rooie wängkes en oew blaouwe eugkes, en as i oe in d'ellene hef ebrocht, zal i oe handelen as en lapzalver; waor veinde dan heul veur oew hartepiin? Daorum, Miekelief! stel dissen springer uut oew zin en hold oe lääg bii 'e grond, dan val i nie hoog. Denk aon 't spreukske: ‘Ongeliiken aord, dient niet 'epaord’. Wij passen mekaor, waor je et beziet, um saomen genuuglik te läven en onzen staot te bliiven vuren. Kwik er ens mit oew olders, daor doe je braof aon; die zullen et oe wel veurmäten; en as ik zondag bii oe kom en i mii beduudt, da je met mii houwen wilt, zal miin martelen en ärmoeien t'ende ziin, en van klinklaor plezier za'k oe en heftig mooi loddereinsdeuske kaopen veur en present, al kost et oak en golden dekaot.
Hadee, Mieke! tot zondag.
S.
Ter wos e kér e våder, è jâ twé zuns.
Den årme man wos wéewåre! È de joengsten va de twei hâde goesten om e vojåz̆etsje te doene. Mo de kwèsje wos va d'ortsjes! De joenge brakke goeng no ze vådere èn i zej: ‘Våder, gée m'osjeblief 't chelt da me toekomt, 't part va moeder zåliger!’ De våder schuddege zen hôofd èn zej: ‘Joengen, joengen, je lop no jen oengeluk!’ - ‘Ba, 'k en doe, antwordege de kwåpèrte: lat et min mo riskieren!’
È je kréég ze part! È je goenk nor en vèrre stréke, olover 't zeitsje! È je wos nog mo fine 't gat üt, of je begoste va ze gèld te léven, lik God üpt Sas! Olle dågen schinken è drinken, smeiren en teiren mè de schonste nichtsjes, è ze traktéren mè tartsjes è spekken è gŏedewèrk.
E ja, è dat en kostege azo ni lange deuren: ze portekadee gerocht olichte léég, ze kleiren vielen in slunsen, je zâch ter üt lik ne schooier! Mè véle rooi kwaamp i te lange laste bi nen beistekŏpman in de kost: mor in platse van olle dågen ze bükstje goe vul te krigen, wos 't årmoe va god za m' zégen! En os zen dèrmen grolden, je mochte nog üt den trog va de zwins ni mêe éten! Mèd ol ze werken è vroeten ât en, os 't ol te fin effekte kwam, nog gén någel om ze gat te krauwen! 't Wåter liep va zen èrte, os 't en an 't üs pejsde, wo dat de knechten åten è droenken è tafeltje-dèk-je spéélden! Wo dat de stüten zo vèt gebutterd wåren, è 't Roesselaersch bier zo lèkker!
Tŏe tat en up ne schonen dag ol zen koeråže in zen 'anden pak-
tege, è no ze våder goenk è zej: ‘Våder, 'k èn ol me gèld vertsjoekt; 'k zin te vül dan 'k nog je zeune zoen kunnen zin: mo lat me bi joen blüven voe knècht!....
‘Wei, joengen toch!’ riep ze våder: ‘è je zoe tog ni willen zéker! Gée me zeire en tóóte: 'k èn tog zo lange no je gewacht!’ È je kréeg nieuwe kleirs en nieuwe sluffers an: è je wos wéer de zeune va ze våder!
__________
Het Brabantsch vormt den middelterm tusschen het Hollandsch en het Limburgsch; en onder Brabantsch verstaan wij hier het Westbrabantsch, het Antwerpsch, het Aalstersch, het Leuvensch, het Oostvlaamsch. Wij wezen op de overeenkomst met het Oost- en Strand-hollandsch. Maar slapheid van artikulatie verbindt de taal van de afstammelingen der Salische Franken toch ook met de Zeeuwen, die zij immers ook zeer nabij staan in volkstype en in innigheid van temperament. Op gemeenschappelijk Keltisch substraat wijst, behalve de eigenaardigheid van de behandeling der finale n, de herhaling van het persoonlijk voornaamwoord vóor en na den werkwoordsvorm: ik-ekik enz. En anderzijds verbindt hen de Keltische toon, de lossere volksaard, het sanguinisch temperament weer met Limburg. De bonte staalkaart der Brabantsche dialekten - mag ik even wijzen op de voortreffelijke behandeling van het Aalstersch door Prof. Colinet en van het Leuvensch door L. Goemans - is het reflex van hun sterk-uitgesproken gemeenschapszin, van hun aanhankelijkheid aan stad en dorp, van de versnippering van hun grondgebied.
In dânen tâd (tijd) waz et spel nogal dikkels de woegel oep1): den iene kie woere de Sponjoede mister, dan wee d'Oestenrâkers, ofwel probeede de Vloinderiers den boes te speele. Et was altâd e wa fes: vechten en battere zonder oepaave. Te Leeve woere z' oek noet ni grist. Moe ze woere der doevee oek oep verzien, zelle: d' iel stad was oemringd mee vestinge mee dikke mieren oep. Doe kost niemand in och uit de stad nit, as dee de poote on de groete stieweege en dâ woere bewokt dee saldoete.
Oep ene kie aa 't er wee lilek gespanne en wit er van iene pas gebrand en gemoet: 't was tegen den oevend, oep den Eksentoore, woe da naa de luibank stoet oep den boelvar Remie. Da was doe de verstêreking van de Brisselse poot; 't kloester van de Sellebries stont doe toen nog nit achter en doemee kost de schilwacht van doe den ielen Brisselse stieweg overzien tot on den Azeren bereg, mee klier wier. Zoe tisse licht en doenker ziet dâne woeker iet van den Azeren bereg af kome gelak en troep saldoete, mee witte broeke en doenker jasse: ‘Da moette d'Oestenrâkers zân!’
Rietepakie loept em den tooren af en goet de wacht verwittege. De poot wed toegedon en nen troemelier loept de Brisselse stroet af vee de garsevik bojien te troemele: al et folk kwam boete gebetteld en d'iel stad stond oep en ing. 't Was er e lieve van den elsen dievel: de joengelen on 't blête, de vraalie on 't jenken en de manne roepen en tieren onderie.
Twie boemkeetels woeren oep den Eksentoore geplaceet en de saldoete mee donderbissen en gewiere doeneffe. Tisse de boeme
zoege ze dâ witgeplekte troep oep eer zeevetien gemakken afkome, jist ofda z'oep wandel woere. Na was doe iene van dâ manne, die janfatoet wilde speelen achter ze sjietgat. Zonder noe de kapetaan te wachte sjit em ze gewier af flak in den troep oep de stieweg. Zoe gaa as d' ander dad oede begoste z' oek te sjiete: toe iene van de boemkeetels toe goenk mee ne lileke slag af!
D' Oestenrâkers stoven oetien last alle kante: e stik of twie kwoempen in volle charge oep de stad afgeloope, woe dat de verschrikte Leeveniers zoege daddet koeie woeren in ploits van saldoete.
Seedert toen widde de Leeveniers Koeisjieters ge iete!
A. Hedde de wiele van oew kèr al laote veraandere, Bart?1)
B. Neeë, Arjaon! zou da toch mötte?
A. Jao, jao, da möt zeker; ik hoar zegge, das ze d'n earste van d'aander mand mee smalle raoje niemar meuge rije.
B. Nou, de mijn zulle dan toch nog nie veraanderd zen; d'aambachte kunne 't ok aomal nie gedaon krijge. Hedde gij de jou al veraanderd?
A. Van m'n éan kèr wel; die he 'k mee breeë wiele laote maoke, al vur 'n jaor of twea, om vur de waaie te gebruike; mar mee d'aandere möt ik er nog aon.
B. Vur de waaie geloaf ik das ze goed zen de breeë raoje, mar om vur dur 't zand te rije, jonge, davvur zen m'er mee vernukt.
A. Da sa 'k nie zegge: mee de breeë wiele zulde zo'n groate
gaote nie in 't spoor maoke, as mee de smalle, en ge kunt het spoor ok makkelik verlegge.
B. Jao, protte ge mar; mar smenke zegge, dagge mee de breeë bedeane vast zit, as 't nat is.
A. Neeë man, ze zulle de wege dan zo nie kapot rije: de breeë wiele snijen er zo nie deur, en te zomer zal den weg zo schoan zen azne dörsvloer.
B. Nou, dan zulle ze toch mear motte paniere as ze tegenworrig doen.
A. Neeë, jonge, davvur hoeve ze niks mear te paniere, want d'n weg zal uit zen aaige goed blijven, omdat er dan g'n gaote en kuile mar zulle gemakt worre.
B. Mar in d'n baomus dan, as 't nat is, dan zulle ze toch wel blijve steke.
A. Da sa 'k nog nie zegge. Ikke en Koop van Hentjes hebbe vleeën baomus den healen dag mis gereeë mee twea kère dur 'n heal nat straotje, en 's aovus waor d'n weg nog net zoo goed as 's maregus mar we haaie 't spoor dikkels verleet. En as ge da mar doet, dan zulde g'n gaote rije, en dan zulde 't mee breeë raoje langer volhouë as mee smalle. As de meense der mar is aon gewoan zen, dan zulle ze g'n smalle raoje mar verlange; mar nou zen ze der op tege, omdas z' aomaol der wiele mötte laote vermaoke, en da sen groate koste; mar as ze 'n paor wiele vur niks krege, dan zouwe ze der nie tege pruttele.... Mar ik houwe vur 'n goei ding, die breeëe wiele.
B. Jao, gij prot goed; mar wa zulle de klène boerkes doen, die mee nun os rije? Die kunne, as 't nat is, toch ginnen weg.
A. Jao, jao, genog; mar 't is vur hullie èrig, omdas z' in de zak zulle mötte. Mar as ze der wiele mar is hebbe, dan zulle ze der wel over kontent zen.
B. 't Kan gebeure; mar ik mot het earst zien, vur ik 'et geloaf.
__________
Zoo komen wij ten slotte tot de Limburgsche dialekten. Het Frankisch in zijn geheel genomen is door de zoogenaamde tweede
klankverschuiving in twee groote helften gesplitst: het Neder- en Opperfrankisch. De aandrang ging uit van het Opperduitsche bergland; langzaam plantte de golving zich voort, om weg te sterven tusschen den 50sten en 52sten breedtegraad. De grenslijn draagt den naam van Benrather linie, omdat zij benoorden het plaatsje Benrath over den Rijn gaat. In oostelijke richting doorsnijdt zij geheel Duitschland tot aan de Poolsche grens, westwaarts loopt zij bezuiden Neuss, Rheydt, Erkelenz, Heinsberg, en overschrijdt bij Geilenkirchen het Nederlandsche grondgebied. Dit verlaat zij weer tusschen Cottesen en Vaals, en valt dan omstreeks Malmedy samen met de scheidslijn tusschen het Germaansche en Romaansche taalgebied. Men mag dus beweren, dat het in Groot-Nederland gesproken Frankisch zoo goed als uitsluitend Nederfrankisch is.
Dit nu wordt verdeeld in Noordlimburgsch en Oostbrabantsch (Meierijsch) eenerzijds, en Zuidlimburgsch anderzijds, en wel door de zoogenaamde Uerdinger linie, die benoorden Uerdingen den Rijn overschrijdt en den dam vormt, waartegen de laatste golvingen der tweede klankverschuiving breken: ik bedoel de verschuiving van k tot ch in de woordjes ik en ook. Benoorden en bewesten de linie, waar men dus ik en ook hoort, liggen Herongen-Venloo, Blerik, Maasbree, Meijel, Leende, Borkel en Schaft; en in België: Lommel, Baelen, Tessenderloo, Sichem, Bekkevoort, Thielt, Bautersem. Bezuiden en beoosten, waar men ich en auch zegt, liggen: Leuth-Tegelen, Baarloo, Helden-Panningen, Ospel, Nederweert, Maashees, Soerendonck en Budel; in België: Achel, Neerpelt, Exel, Hechtel, Beverloo, Beeringen, Diest, Roosbeek en Vertrijk. Bautersem en Vertrijk, westelijk en oostelijk eindpunt der lijn, liggen ongeveer een uur gaans ten westen van Thienen, het groote uitstralingspunt der Nederlandsche dialekten. Daar stuit de Uerdinger linie op de Waalsche grens of, nauwkeuriger gezegd, op een dier grensstrooken, die door het Romaansch op het Germaansch veroverd zijn; zie God. Kurth, La frontière linguistique en Belgique et dans le nord de la France (Bruxelles 1895-98) II, bl. 526; III, bl. 4 vlg.
Een juister indeeling zal, naar ik hoop, de vrucht wezen van een meer uitgebreid onderzoek der Zuidoostelijke dialekten. Ook hier groote differentiatie, evenals in het Brabantsch, maar die benoorden Venloo daarenboven op een ethnische reden stoelt. Daar immers, de lezer herinnere het zich, is een Saksisch menggebied, maar waar de Saksische bouwtrant vrij wel als uitgestorven kan worden beschouwd (I, bl. 52, 54). Wij hebben hier te doen met een dier zeldzame gevallen, waarin de taal taaier en duurzamer bleek te zijn dan de hoevenbouw. Want benoorden de linie vinden wij een dialekt, door te Winkel Saksisch-Frankisch genoemd, en dat uiteenvalt in het taaleigen van Venraai, van de Landen van Cuyk en Nijmegen, de Lijmers (Eltenberg en omstreken), de Duffel en de Over-Betuwe. Hier hoort men b.v. ald (aald) en kiend, en doorgaans bleeëk, deeël, steeën, dooëd, pooët (of bleiëk, doeëd enz.). Van het aangrenzende Brabantsch (Meierijsch) onderscheiden zich deze dialekten door het niet-diphthongeeren van i en ü, dus: mien, riek, wief, zoor (zoer), hoes. In dit dialektgebied vertoont een bepaalde landstrook, die de plaatsen Venloo, Blerik, Maasbree, Velden, Grubbenvorst, Lom en Arcen omvat, grootere overeenkomst met het Zuidlimburgsch; zie hierover mijn artikel in het Tijdschrift voor Nederl. Taal en Letterk. XXVI, bl. 81 vlg.
De geheele streek bezuiden de Uerdinger linie noemt men het Mich-kwartier, een benaming, die uit België schijnt afkomstig te zijn; en wel omdat daar de oude akkusatieven mich en dich zijn bewaard gebleven. Ook hoort men hier ich en meestal auch (ook). Te Winkel spreekt van Ripuarisch Frankisch. Toch vindt men ook hier tal van verschillen; met name het dialekt van Belgisch Limburg vormt voor het meerendeel een zekere eenheid, die wel eens West-limburgsch genoemd wordt; deze benaming kan echter tot verwarring aanleiding geven. Verder is de Oudgermaansche sk, die in het Friesch haar oorspronkelijken klank behield, in bijna geheel het Michkwartier gepalataliseerd tot sj, dus Friesch: skaap, Hollandsch: schaap, Roermondsch: sjoap. Deze palataliseering vindt men ook op de
Veluwe en in Eemland, wat weer op gemeenschappelijken ondergrond wijst. Maar daarenboven is bezuiden de Uerdinger linie de stemlooze spirant s in de klankverbindingen sp, st, sl, sm, sn en sw tot sj geworden beoosten een lijn, die van af het dorp Panningen in zuidwestelijke richting geheel Limburg doorsnijdt. Eerst volgt zij den linker Maasoever, gaat bij Wessem de rivier over en vervolgt nu haar weg op den rechter Maasoever, tot zij tusschen Maastricht en Breust de Belgische grens en het Romaansche taalgebied bereikt. Deze linie noemde ik de Panninger linie. Het ruimere gebied der palataliseering van sk tot sj wordt begrensd door de Panninger zijlinie. Zie hierover mijn artikels in het Tijdschrift voor Nederl. Taal- en Letterk. XXI, bl. 249; XXVI, bl. 81; Limburg's Jaarboek XIII, bl. 229; Leuvensche Bijdragen 1908. Laat ik nog vermelden de dialektstudies van J. Houben. Het dialect der stad Maastricht (Maastricht 1905); L. Grootaers, Het Dialect van Tongeren (Lier 1910); en voor de studie van het Noordlimburgsch: H. Bruijel, Het Dialect van Elten-Bergh (Utrecht 1901).
Het Limburgsch wijkt sterk van het algemeen Nederlandsch af en de Limburger handhaaft zijn taal met zeldzame taaiheid. Eerst in de laatste tientallen van jaren wordt in sommige families van den deftigen stand de algemeene Nederlandsche kultuurtaal gesproken. Aan differentiatie heeft het, zooals gezegd, niet ontbroken, en ook scheppen nog steeds handwerk, beroep en industrie - tabaksbewerkers, leerlooiers, steenbakkers, mijnwerkers, tuiniers1) -- talrijke sociale groepen en groepjes. Toch blijft een sterk gevoel van nauwere psycho-ethnische verwantschap zich handhaven.
Tot de eigenaardige algemeen-Limburgsche dialekt-verschijnselen behoort het isosyllabisme van de nominale meervoudsvormen met die van het enkelvoud; b.v. bal: bel; kop: köp; knoak: knök; enz.
Verder het eigenaardige muzikaal accent, met name de syllaben met stijgenden sleeptoon, die heel wat taalverschijnselen kunnen verklaren. Ook het zinsaccent, de zinsmelodie en het spreektempo zijn in deze dialektgroep zeer eigenaardig en sprekend, en wel in veel hoogere mate dan in de noordelijke tongvallen. Dit blijkt zelfs, wanneer een bewoner der zuidelijke provinciën de algemeene kultuurtaal spreekt: men zegt dan ‘dat hij zingt’. Er is natuurlijk verschil tusschen vraag, uiting van verwondering of andere gemoedsbeweging en simpele bewering, - een uitgestrekt terrein, dat nader dient te worden onderzocht. Eindelijk de retrogressieve of terugwerkende assimilatie bij het zwakke praeteritum - veelal van palataliseering begeleid -, waar het algemeen Nederlandsch progressieve of vooruitstrevende assimilatie vertoont; b.v. pakte: pagde en pagd'e1); danste: danzde. Ook bij andere vormen ontmoeten wij dit verschijnsel, dat allicht met het accent in betrekking staat.
Laat ik ten slotte nog even wijzen op de grootere eenheid van Zuid-Limburg. Zij wordt gekenschetst door de hoeve van het Frankisch-Romeinsche type, maar ook door het doorgaans ontbreken van de afzonderlijke hoeven, geisoleerd liggende te midden der afzonderlijke landerijen (I, bl. 61, 38). Van een nauwere dialektische eenheid bezuiden Sittard diene als specimen het gerundium op -têre; loupentêre, lachentêre enz., dat men te Maastricht, Sittard, Heerlen, Tongeren, Hasselt, kortom over geheel het zuidelijkste gebied verspreid vindt. Over het gebruik te Hasselt zie Gittée, in het Nederl. Museum 1888, bl. 306. Het verschijnsel is nog steeds raadselachtig in wezen en herkomst, en dient nader te worden onderzocht. Zie verder de isethnenkaart.
Op ein half oor van de stad, aan de Winkelveldstroat, leet Besjeshoaf, en dên hoaf hebbe de akkerlu Van R. sterk twieë ieëwe van elder tot elder bewoeënd. Op ein paar nao de leste van eur, die doa den reek hanteerde, waas Sjang van R., eine strausse mins mit snuje geis, dê ei nateurlik slaag had van vertelle en al waat de stadsboetenieë raagde, hoarklein kinde. Bij de Venlu stȯnte veur gelierd, want hê kos in den almenaak lêze, ziene naam schrieve en mit kriêt rêkene. Ouk waasse drijmoal keuning gewês: twieëmaol bij 't vogelschete in 't Kraneveld, en eine kier bij 't rieje van de gaas aan Sinter Banus. In 1848 isse gestorve, 92 joar ald, - des neet in de weeg, wie?
Mit eine Julidaag van 1778 trok Sjang mit ziene knecht Bêr, eine Veldese jȯng, noa de Hêringse hei um struitsel te houwe in eine kamp, dêje veur zes vette kukes 's joars, aan 't hoês Caan in Stroale te levere, gepach had. 't Waas dên daag schreujend heit, en doarum ginge ze iers smiddaags um vief oor van den hoaf, veurnemes door te werke zoeë laat azzet gong. Veur de lochtigheit zote eeder eine lichte vink op en as oavesête nome ze drij bokeskeuëk mei in vere gesneje, en doabij twieë tuite bȯtermelk, die ze op de gebroekelike meneer mit reemkes aan de heizigs gebȯnde euver den rök hȯnge.
Weus en akelig waas in dên tiêd nog de Venstreek, die ze ein ind meuste doortrekke. Aan weerszie van den alde Stroalse wêg loge wiedluipige zȯmpe en peul, dich begreuid mit luus en reet en umzuimp mit elze holt, vane en broamelestruûk. Doa hoort me niks as 't gekwaak van de kikvörs en 't gesnater van de ênde, woavan der soms 'n klȯch oêt de zȯmp opvloog.
Toe Sjang mit zienen Bêr bij de kamp waren aangekome, loge
ze eure knapzak tösse einen berke stroêk en begȯste te hakke. Jonk en ieferig wie ze ware, gunde ze zich gein rös as um wat oassem te schöppe en te drinke of knips ein half oor um eur proviand aan te sprêke. Ze wisten ouk van gein oêtscheije, en doe ze 't struitsel in huip hadde gezat, waas den oavond al ein hieël ind gevalle. Ze nome de heizigs weer op de schouwers en gȯngen noa den hoaf truuk.
Doeëd meug door de zwoaren en lankwieligen erbeid sukkelde oos Besjeslu gedoek en druimerig veuroet, in volle kompenie mit de hiere van 't brook, die bij eeder stap verschrik veur eur opsprȯnge. Maar klam hadde ze den Arenborg en Genroai achter den rök, of doa, aan einen tȯmp van de wêg, meined Bêr inens ein gedruus en gejuister in de lȯch te hure. De mood zagden-um in de hoaze, en vol engs greeppe Besjesboer bij den erm en reep: ‘baas, kiek ens umhoeëg. Eine veurige wage mit veer pêrd en eine mins derin, dê lammenteert!’
‘Jȯng,’ zag Sjang, ‘zêgen dich en bêj eine Vaderȯns, det ȯs gei kwaod euverkump. Ik weit wê 't is.’
Doe magde ze bein en kêrde ze den diek euver noa den alde Stroalse wêg, op de hakke gezête, wie ze meinde, door allerlei buës gespuus, woatêge einen heizig niks vermaag. En neet veur det ze de töp van Besjes hoeëg linde in 't verscheet krege, veel eur de schrik van et hert en doe vroog de knech: ‘baas, wê hebbe we gezeen? Zoe et de man mit ziene wage zien, dê nȯw en dan door de lȯch riet en woavan Sint Hoeberts Drik nog pas hêt opgehoald?’ - ‘Precies jȯng,’ zag den ander, ‘hê was et. Hazepoeët de Schelm, dê de loeën van de werklu achterheel.
‘Zien straf is nog neet oet; zoolang mȯtte mit ziene gleujende wage door de lȯch rieje en wuurte geschreuid, totte zal hebbe voldoan: ein waarschouwing veur andere van zie slaag.
‘Nȯw is 't te laat, maar ezondaag zal ik dich zien hieël historie waal ens van nödje tot zö̂kske vertelle, ik kin ze.’
__________
Ter kenschetsing van de dialektische volkstaal steunden wij in het bovenstaande, zooals gebruikelijk, vooral op klankleer en flexie.
Toch zijn ook woordenschat en syntaxis van het grootste belang, vooral wanneer men de volkstaal behandelt in tegenstelling met de kultuurtaal. Wij kunnen hier echter onmogelijk diep op de zaak ingaan en verwijzen dus naar de afzonderlijke idiotica. Zoo b.v. Gallée voor het Geldersch-Overijselsch, Molema en K. ter Laan voor het Groningsch, Bergsma voor het Drentsch (onvoltooid). Waling Dijkstra en Buitenrust Hettema voor het Friesch, Boekenoogen voor het Zaansch, Bouman voor de volkstaal in Noord-Holland, Opprel voor het Oudbeierlandsch, van Schothorst voor het N.W. Veluwsch, van de Water voor de volkstaal in het Oosten van de Bommelerwaard, Simons voor het Roermondsch, Jongeneel voor het Heerlensch. Zuid-Nederland heeft in het opteekenen der idiotismen meer ijver en belangstelling getoond dan Noord-Nederland. Wij kunnen hier wijzen op het omvangrijke Algemeen Vlaamsche Idioticon van Schuermans, op het West-vlaamsche Idioticon van De Bo, op het Waasch Idioticon van Amaat Joos en op het tot een Idioticon omgewerkte Gezelle-tijdschrift Loquela. Verder maakten Cornelissen en Vervliet zich verdienstelijk door het opteekenen van de volkstaal van Antwerpen, Tuerlinckx en Claes voor het Hagelandsch, Rutten voor het Haspengouwsch, Teirlinck voor den woordenschat der Zuidoostvlaamsche tongvallen; enz.
Hier liggen inderdaad ‘schatten van de volkstaal’ opeengestapeld. Hoeveel beter dan in de kultuurtaal zien wij hier de strooming en tegenstrooming van integratie en differentiatie, het zich splitsen, zich vertakken, en weer ineenvloeien van de verscheidene beroepstalen, het eenerzijds stoer-behoudende en anderzijds ook weer koenvooruitstrevende in het leven der taal. Archaïsmen, ware survivals uit overoude tijden, vindt men in de meest gewone populaire zinswendingen. Zoo b.v. het Limburgsche ‘met bed en bult vertrekken’, waar bult nog de beteekenis heeft van het Middelnederlandsche bulte, bult ‘stroozak’; de uitdrukking ‘van het bed op het stroo komen’ herinnert aan een overoud lijkgebruik (I, bl. 332). In het
Sallandsche: ‘hi kan lêzen en broodsnieën’, d.i. hij kan twee dingen tegelijk doen, heeft lêzen de oude beteekenis van ‘bidden’. De algemeene Nederlandsche volkstaal kent uitdrukkingen als ‘van den hak op den tak’, waar hak nog de oude beteekenis bezit van ‘krommen tak’; - ‘hij heeft kind noch kraai’, waar kraai ‘den kraaier’ beteekent, d.i. den haan, welk woord immers etymologisch samenhangt met het Latijnsche canere ‘zingen’; - in ‘kap en kogel verliezen’ is kogel de halskraag; - in de zegswijze ‘wie het onderst uit de kan wil hebben, die valt het lid op den neus’ is het lid de deksel. Naast deze archaïsmen staan echter ook weer neologismen, vooral, naar wij zullen zien, in de woordvorming.
De volkstaal beweegt zich doorgaans in analytische richting. Regelmatig worden de omschrijvende naamvallen voor de verbogen naamvallen gebezigd. Men zegt dus niet: ‘vaders jas,’ maar ‘de jas van vader’, of ‘vader zijn jas’. In plaats van den vergrootenden of overtreffenden trap wordt somtijds het woord in den stellenden trap herhaald: ‘het is droevig en droevig’; en zoo vervangt men ook het bijwoord: ‘het gaat beter en beter’, d.w.z. steeds beter. Het woord beter wordt echter ook als positief beschouwd, en dan vormt het volk den eigenaardigen komparatief beterder. Het meervoud, of liever het begrip ‘enkele’, vindt men niet zelden omschreven door ‘een of twee’, of door ‘een gas’, ‘een koppel’. Potentieële vormen treft men zeldzamer aan, naar mate men dieper in de lagen der volkstaal doordringt. Het twijfelende en onzekere bij vermoeden of veronderstelling wordt uitgedrukt door een bijwoord als ‘misschien’ of door een hulpwerkwoord. Bij deze richting sluit zich aan het sloopen van de werkwoordelijke tijden. De verleden tijd gaat in de volksvertelling hard achteruit. Meestal bezigt men het praesens of perfectum, dat veelal nog de plaats moet ruimen voor het plusquamperfectum: ‘wij waren geweest, wij hadden gezien’, voor: ‘wij zijn geweest, wij hebben gezien’. Deze meer dan voltooid verleden tijd komt vooral veel voor in Zuid-Limburg. Het praeteritum weet zich echter te handhaven in het zoogenaamd apologische spreek-
woord (zie Vijfde Hoofdstuk I), dus als een soort van empirisch praeteritum, terwijl de tegenwoordige tijd het tempus is van het volkslied als praesens historicum. Het futurum wordt dikwijls vervangen door het praesens. Zoo vloeien de grenzen van het feitelijke en het mogelijke, van het verleden en van de toekomst meer ineen dan in de kultuurtaal. - Daarentegen beweegt zich een tot indirekt reflexivum verzwakte dativus ethicus weer in synthetische richting: ‘zich een pijp rooken, zich een glas drinken’.
Het terrein der werkwoorden doen en laten strekt zich in de volkstaal veel verder uit dan in de kultuurtaal. Hoogst belangrijk is ook de woordvorming, stout en realistisch, met bepaalde voorliefde voor frekwentatieven en diminutieven. Als voorbeeld van de verscheidenheid en het koloriet der populaire woordvorming diene de synonymie (natuurlijk met genuanceerde beteekenis) van het werkwoord gaan in de Graafschap (zie Driem. Bladen III, bl. 105 vlg.). Men kent daar goan: gaan; sjoksen: loopen en in de knieën zakken; snoksen: de voeten bij het loopen op ongewone en tevens onverschillige manier neerzetten; gèspelen: draven; flearen: het vlug en driftig loopen eener vrouw; zobben: op een draf loopen met zwaren gang; bizzen: vlug loopen; bozzeken en foddeken: vlug met kleine passen loopen; sabelen: vlug met groote stappen loopen: schriêden: stappen; loopen; kuiern; hompelen: gebrekkig loopen; strompelen; geiselen: zoo vlug mogelijk loopen; drapsen: herhaaldelijk eenzelfden weg loopen; striêken: flink stappen zonder de voeten hoog op te lichten; steigern: met den neus in den wind loopen; tippeln: licht loopen met vluggen tred; krummeln: langzaam met kleine passen loopen; pladdeken: met bloote voeten loopen.
Dat deze expressieve en oorspronkelijke populaire woordvorming vooral ook bij de scheldwoorden en scheldnamen tot uiting komt, behoeft wel geen betoog. Laat ik nog enkele volksuitdrukkingen voor drinken aanhalen, door De Cock bijeengegaard (zie De Navorscher, XLVII, bl. 56; XLVIII, bl. 40; IL, bl. 130): Bekeren;
pimpelen; borrelen; borlesoesen; borleboppen; toeteren; fleppen; swobbelen; gulpen; duimen; loreeren; zich bekladderen; tullen; pullen; avoezen; sippen; lepelen; leppen; lepperen; petteren; pampelen; sassen; heften; kiepen; spichteren; kwasten; kwiskwassen; schossebrokken; zoppedoppen; swijnswansen; swijnswollen; slampampen; enz. enz. - Typisch is ook het klanknabootsend element in de scheppingen der volkstaal; het is zoo goed als interprovinciaal. Hoe roept de boer het vee? De jonge ganzekuikens met wiede-wiede-wiede-wiede (of wiele enz.); de eenden met piele-piele-piele-piele; de jonge kippetjes met tik-tik-tik-tik-tikketikketik. Het roepwoord wordt, naar men ziet, meest viermaal herhaald. Dit geldt ook voor het roepen op de kippen: tuut; op de jonge katjes: pie; (het roepwoord voor oudere katten is poes); op de geit: sik; op de jonge schaapjes: suuk; op jonge kalveren: kies; op het veulen: siesken; op de koe: hooi. Biggetjes roept men door een smakkend geluid met de tongpunt, die artikuleert tegen het gehemelte. Den hond roept men bij zijn naam. Zie Driem. Bladen VI, bl. 58.
Merkwaardig zijn nog de uitermate veelvuldige en expressieve vormen, die een bevestiging, ontkenning of verwondering te kennen geven, als: menschekinderen! heeremijntijd! welallemachies! kindergoads jóngesjóngens! dit laatste is zelfs tot in Sleeswijk doorgedrongen. De ontkenningspartikel wordt somtijds verdubbeld zonder de ontkenning op te heffen; men denke aan ‘niets niemendal’. De Maastrichtenaar kent twee bevestigingspartikels, éen gewone en éen beleefdere, welke met het is samengesteld, dus joa en joat.
De woordvoorraad en de semantiek der volkstaal eischen verder onze volle aandacht. Het is een fabel, dat deze heele voorraad slechts uit een paar duizend woorden zou bestaan. Zonder twijfel ontbreken in de volkstaal tallooze uitdrukkingen voor begrippen uit het gemoeds- en geestesleven, uit het gebied van wetenschap en techniek. Zoo is het zelfs met de verklanking der gevoelens van liefde en vriendschap gesteld, toch zoo diep geworteld, en van sommige zinnelijke waarnemingen, met name van kleur en reuk. Maar
hier staat tegenover, dat het volk woorden in overvloed heeft om schakeeringen van de een of andere handeling uit te drukken, zooals wij dit zagen voor het begrip ‘loopen’. Het kan weergeven de meest verscheiden toestanden en soorten van planten en dieren, van weêr en natuurverschijnselen in het algemeen, van lichaamsdeelen, huisraad, maten en gewichten enz. enz.
Ook moet men bij de beoordeeling van dit alles zeer voorzichtig zijn. Ik zal mij tot enkele voorbeelden bepalen. Op tal van plaatsen in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland noemt het volk elken kleinen vogel een musch, evenals de Amsterdammer over een finkie spreekt. Wat is echter gebeurd? Het woord musch, hoogstwaarschijnlijk aan het Latijn ontleend, waar het ‘vlieg’ beteekende (musca), heeft een groote uitbreiding, een verwijding van beteekenis ondergaan en heeft generische waarde gekregen als synoniem van ‘kleine vogel’. Of liever, het heeft ‘vogel’ in deze beteekenis verdrongen. De afzonderlijke vogeltjes missen dan ook geenszins hun afzonderlijke benamingen, soms ruw, andermaal geestig, steeds karakteristiek. Het muschje zelf heet b.v. te Beesel koarerakker, te Lottum koarevrêter, te Blitterswijk koarepikker of koarejietser (Limburgsch jietsen is synoniem van biesen, d.i. ‘vlug loopen, vliegen, schieten’), te Swolgen korepikker, te Swalmen en Neer guut (guit), te Niftrik huiskrits, te Groesbeek huusklets, te Grubbenvorst floets, te Maasbree schroep, te Helden hoeskets. Om beurt wordt het landelijke, diefachtige huiselijke, vlugge, brutale, ja komische van dit bij uitstek populaire vogeltje voortreffelijk uitgebeeld! Men denke ook aan het Hoogduitsche Spatz, een komische kortnaam voor Sperling. Hoe rijk vertoont zich hier de volkssemantiek, waarvan echter slechts gekleurde kaarten in den trant van die van Gilliéron een overzichtelijk en tevens verklarend beeld zullen kunnen geven.
Een ander voorbeeld. Voor ‘kikvorsch’ kent het volk de benamingen kikker(t), kwakker(t), kwekker(t), kwakvorsch, kwakvos, kwak (Panningen), maar ook kikbil (Wanroy) en peddemoeëk (Weert). ‘Êrst kuulkop zeen, êr men kwakkert wêrtj’, meent men te Beeg-
den, en te Lottum gaat men hiermee akkoord: ‘Hê mint enne kwekvorsch te zien, en hên is nog genne pannestart.’
De groote, zwarte korrels in rijpende roggearen, het zoogenaamde moederkoren (secale cornutum), dat bij bevalling medische toepassing vindt, vandaar zijn naam, is ook onder dezen naam bij het volk bekend. Maar het heet ook wolfskoare (Maashees), wolvepitten (Reusel), wolfstand (Niftrik, Wanroy), doevekoare (Weert), mössekoare (Panningen), pèrdentaand (St. Anthonis, Deurne), krog (Berghern), duvelskŏre (Swolgen), brantj-in-'t koare (Beegden, en met fonetische wijziging te Mheer).
Tot de belangrijkste verschijnselen op het gebied der beteekenisleer behooren wel de benamingen van den vlinder in de volkstaal. Men treft in Limburg en Noord-Brabant vooral verscheidene samenstellingen met -vogel aan; zoo b.v. zomervogel, roevogel, pannevogel, pennevogel, kapelvogel (d.i. manteltjesvogel), vereenvoudigd tot kapel, fenienvogel (rupsvogel) enz.; elders komen namen als kog, en snuffelter voor, deze laatste in noordwestelijk Limburg. Van uit het Romaansche taalgebied drong het woord pepel binnen, zooals onze isethnenkaart aanwijst. Zie mijn opstel Vlindernamen (met kaart) in De Beiaard 1917, I, bl. 26 vlg.
Merkwaardig is ook het verspreidingsgebied van de verschillende benamingen voor de roode aalbes in Zuid-Nederland. Prof. L. Grootaers heeft die in kaart gebracht (Leuvensche Bijdragen XVI, bl. 75 vlg.) en komt tot de slotsom, dat men deze benamingen kan groepeeren als volgt: een centraal gebied, bestaande uit drie gedeelten, te weten roode bezie, aalbezie en zeebezie. Deze vormen worden van uit het westen teruggedrongen door jenever- en troskesbezie, van uit het oosten door St. Jansbeer en den bijvorm St. Jansbezie. Op zijn beurt wordt St. Jansbeer langs de Maas door wijnbeer en langs de Waalsche grens door roode kroezel in het nauw gebracht.
In den zinsbouw treft ons weer vooral de analytische richting, die zich hier uit in de parataxe of nevenschikking, waar wij in de
kultuurtaal meestal onderschikking aantreffen. In plaats van: ‘Wil je zoo goed zijn, mij dat boek te geven,’ konstrueert de man-uit-het volk: ‘Wil je zoo goed zijn en mij dat boek geven’, of: ‘Wil je zoo goed zijn en geef mij dat boek’. Opvallend is ook de voorliefde voor werkelijke tusschenzinnen, die b.v. de bevestiging van den spreker inhouden, dat hij spreekt, of de reden, waarom hij spreekt: ‘Dat kan wel zijn, zeg-ik, dat hij ziek is, zeg-ik’. Hier speelt het emphatisch moment wel een hoofdrol, waarover nader. In andere gevallen hebben wij te doen met een streven naar verduidelijking, zoo b.v. in het boven aangehaalde: ‘wie het onderst uit de kan wil hebben, die valt het lid op den neus; - die eerst komt, die eerst maalt’. Een streven naar vereenvoudiging ligt ten grondslag bij het weglaten van voorzetsels, als het taalgevoel sterk genoeg is, b.v. in de spreekwijze ‘hê geit heim’ (Zuidlimb.), voor ‘noa heim’, d.i. huiswaarts, en bij de ellipse van woorden als ‘jaar’ en ‘dag’.
De meest markante trek van de volkstaal is wel haar emphatisch, eenigszins gezwollen karakter, ofschoon, zooals terecht is opgemerkt, het niet aangaat, Friezen, Hollanders, Limburgers en Brabanders over éen kam te scheren. Luister slechts naar het verhaal van een representatief man uit den volksstand, en let op zijn breedsprakigheid, zijn samengekoppelde voegwoorden alsdat, alswanneer, luister, hoe hij herhaaldelijk spreekwoorden of zegswijzen in zijn verhaal- en betoogtrant invlecht, hoe hij aldaar vergelijkingen en omschrijvingen bezigt en in herhalingen valt, somtijds in beknopten, resumeerenden vorm: ‘Mijnheer, ik zeg, dat is niet eerlijk; neen, dat is het stellig niet’. Of ook: ‘Piet moet maar blij zijn; dat moet-ie.’ Ook het negatieve parallelisme is den volksman niet vreemd.
Hij wil u de zaak ophelderen, u overtuigen. Daartoe bezigt hij - nog afgezien van gebarenspel en mimiek - krachtige, ja pikante uitdrukkingen, frekwentatieven, diminutieven, superlatieven, ja desuperlatieven, zelfs dichterlijke uitdrukkingen, als het gewone
hem te slap voorkomt. Inderdaad raken de dichterlijke taal en de volkstaal elkaar niet zelden, omdat beide behoefte hebben aan ruimheid en vrijheid.
Deze breedsprakigheid en zucht tot vergelijking uit zich vooral ook nog in de straatroepen, die een afzonderlijke folkloristische studie zouden wettigen, niet alleen met betrekking tot de volkstaal, maar ook tot de volksmuziek. Van ouds typisch in de straatventerstaal is de term ‘haal’, vandaar: haal Zeeuwsche mosselen, ze benne zoo fijn. En verder: Leest, burgers, leest; - Kom nou juffrouw, kom nou; - Elft als zalm; - Rapen als kinderhoofdjes. Herhaling is natuurlijk schering en inslag; men lette ook op rhythme en rijm: viér cént het pónd, riép en rónd. Laat ik aan de hand van een tweetal uitstekende artikelen over dit onderwerp in het Tijdschrift der Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis IX (1914), bl. 3 vlg., 17 vlg. van J.H. Garms (I) en X (1922), bl. 87 vlg. van Frans Sagers (II) enkele grepen doen uit de Amsterdamsche straatroepen. Aan het eerste artikel bl. 31 vlg. en aan het tweede bl. III vlg. ontleen ik tevens enkele karakteristieke melodieën.
Man. Stroohoeden: Ze loopen te praten vooruit dan maar, hou ze in de gaten 'n kwartje maar (ik neem de gebezigde schrijfwijze over).
Pantoffels: Zeven dubbeltjes, neem maar mee, voor zeventig centen heb je twee.
Kant: Wie mot er nog mooie kant, kant, kant!
Peulen: Nou ken je doppen!
Uien: Een kop voor vier sjente, ach(t) sjente twee mate!
Kersen: Mooie Meikerse, 'n stooter maar 't pon(d)!
Sinaasappelen: Lekkere sinaas-ap, faif om e dup, as 't kan ses!
Garnalen: 'n Stuver 'n bak garnaolen, tjonge wat 'n brokken!
Pieterman: Pieterman, met de kop er an!
Aardbeien: 'n Dubbeltje 'n mand aarebei, mooie aarebei.
Haring: Uit de ton en in de ton, uit de ton en in de ton.
Bloemen: 'n Stuivertje maar, een paar narcisse, kom nou juffrouw, 'n stuvertje maar 'n paar. - Nou kan je plante viole.
Boer. Aardbeien: Kijk wat 'n mooie aarebei, acht cente 'n mand.
Jood. Angurkjes: 't Zijn de laatste van 't jaar, wat 'n mooie augurkies. - Drie kom dub mooi, drie kom dub mooi (komkommers voor een dubbeltje maar). Vier om 'n dubbeltje maar, mooie waar, dat zijn de lange.
Zakdoeken: Dat heb je nooit gedacht, wat 't joodje het mee gebracht, dat heb je nooit beleef', al wat een koopman geef.
Vrouw. Aardbeien: Aorebeie, ach(t) cente 'n volle mand! - Wat heb ik ze mooie!
Bloemen: Wat heb ik 'n mooie blomme.
Fruit: Twee om 'n cent, pak weg drie.
Aardbeien: Mooie aardbei, twalef cente maar 'n paar.
Kersen: Wat zijn ze bruin en mooi, 'n stooter 'n pond.
Bessen: Dat benne de mooie rooje besse.
De straatroep gaat soms parlando verder; b.v.: 'n