terug  begin  verderprepost
[p. 92]

Zesde hoofdstuk.
De volkskunst.

Staat de mensch tegenover God en de maatschappij als redelijk en maatschappelijk wezen, als zinnelijk wezen staat hij tegenover de natuur, en als zoodanig zijn zijne betrekkingen deels van praktischen, deels van theoretischen aard. Praktisch is hij werkzaam op ekonomisch gebied; - bij het volk, wij zagen het reeds, gaat de ekonomie geheel op in woningbouw en grondbeheer; theoretisch werkzaam toont hij zich in kunst en wetenschap. Immers de geest van den mensch is een spiegel van het heelal: een mikrokosmos. Maar die wereldopvatting is geen doode, volstrekt-passieve afspiegeling, maar veeleer tevens een opgewekte werkzaamheid. Want bij het aanschouwen voegt zich het wel-bewuste omvatten en doordringen van het objekt, de reproduktie van het aanschouwde in beelden en vormen, kleuren en tonen, groepen en typen.

Kunst is: zelf-openbaring van den geest door belichaming van het ideale in de stof. Zij beduidt een streven, met de beste zielekrachten in te grijpen in de buitenwereld, en kan zelfs beschouwd worden als een worstelen om bezit en behoud van de ideale goederen des levens. De met het leven vergroeide volkskunst streeft niet naar de hoogste idealen; maar zij volgt toch ook den zieledrang, te scheppen en te belichamen, en met streelende zelfvoldoening vermeit zij zich in hetgeen verstand en wil en fantasie konden wrochten. En waar het scheppend vermogen te kort schiet; daar neemt het volk volle welbehagen in de bevrediging van zijn navolgingsdrift. De enkeling kan als volwassene met zijn nuchter verstand de momenten van lust en welbehagen meestal zelfs niet meer bevatten, die de speeldrift hem als kind zoo ruimschoots toebedeelde. Maar het volk leeft en

[p. 93]

blijft leven, evenals het kind, in een tooverland van fantasie; zijn navolgingsdrift is speeldrift, en die speeldrift verwekt den lust te zingen, te rijmen, te bouwen, te schilderen, te sieren. In dezen zin mag men zeggen, dat ook bij de hoogere, de kultuurkunst, de speeldrift ten grondslag ligt.

Want volkskunst en kultuurkunst, of, zoo men wil, beschavingskunst1), zijn geen wezenlijk-verschillende begrippen; zij berusten beide op dezelfde aesthetische grondvesten, gelegd in den bodem der éenvormige menschelijke natuur. Principieele verschillen bestaan tusschen volkskunst en kultuurkunst evenmin als tusschen de kunstuitingen der kultuurvolken en die der natuurvolken, hoe ruw en tastend deze laatste dan ook zijn mogen.

Bovenkultuur zonder kunst is ondenkbaar; maar onderkultuur evenmin. De volkenkunde kent dan ook geen kultuurlooze, wel kultuurarme volken; en men mag zeggen, dat met het kunstgehalte de kracht en teerheid van het volkswezen groeit. ‘Een volk zonder kunst is geestelijk dood,’ schrijft Poelhekke. Het sterft den hongerdood. Want het haken van het volk naar kunst onder allerlei vormen, zelfs dan, wanneer overbeschaving in die vormen het snelstwerkend venijn verborgen heeft, kan mede gelden als bewijs voor de eeuwige waarheid: dat de mensch van brood alleen niet leven kan.

Gevoel voor het schoone en behoefte aan uiting en bevrediging van dit schoonheidsgevoel behoort tot het mensch-zijn, is het normale bij het individu en moet tevens als een normaal maatschappelijk verschijnsel worden beschouwd. Want bij de volkskunst treedt het sociaal-psychische element sterk op den voorgrond; ook de volkskunst behoort tot de ‘sociale feiten’, wier substraat de gemeenschap is, en die met hun imperatief karakter een sterken dwingenden invloed op het individuëele leven uitoefenen.

Kunst, zelf-bewust vormen en scheppen, is een terugwerken, een op beurt ingrijpen van den vrijen menschelijken wil in de buitenwereld, die wil en gedachte door haar inwerking heeft bepaald.

[p. 94]

Kunst is zelfopenbaring, en de ongeschoolde volkskunst is de zelfopenbaring der volksziel, maar tevens een worstelstrijd om levenslicht en levenslucht, om niet onder te gaan in het individuëele en banale, om niet te worden overweldigd door de doode en doodende stof. Waar het volk zijn eigenwaarde nog beseft, daar kan het op den duur geen weerstand bieden aan die drift, dien scheppingslust van eigen beeld en gelijkenis, die wortelt in zijn verstandelijk kenvermogen en het koningszegel drukt op zijn pogen en wrochten; ja, die een trek is zijner Godverwantschap. Het gevoel dezer Godverwantschap is zelfs de bron van het menschelijk artistieke welbehagen.

Maar de verhouding van de volkskunst tot de kultuurkunst dient ietwat uitvoeriger te worden aangeduid. Vooral belangrijk is ook hun verhouding tot dien anderen grooten kultuurfaktor: de taal. De romantiek heeft stellig veel en veel overdreven en de genetische zelfstandigheid van de volkskunst in belangrijke mate overschat. Maar zij heeft het juiste voorgehad door de kunst te vergelijken met de taal.

Naar men weet heeft F. de Saussure het eerst den gewenschten nadruk gelegd op het verschil tusschen parole en langue. Naast de parole: de individueele, partikuliere spreekdaad, staat de langue: het geheel van konventies, die door een bepaalde gemeenschap worden aanvaard om het verstaanbaar-zijn van de parole te verzekeren. De persoonlijke, individueele innovaties van de parole kunnen op heel wat bronnen teruggaan: verhoogd affekt, aesthetische drang, spreekfout, funktioneele aanpassing enz. Maar van de geboorte van een taalkundige nieuwvorming kan slechts dan sprake zijn, wanneer zij tot een sociaal feit geworden is, m.a.w. wanneer zij door de gemeenschap is aanvaard.

Taal en kunst zijn beide faktoren van de gemeenschaps- of volkskultuur. Wat geldt voor de taal, geldt ook voor de kunst. Gesteld, zeggen de Russische geleerden P. Bogatyrev en R. Jakobson in een voortreffelijk artikel in het Donum Natalicium-Schrijnen, bl. 900 vlg., een lid van een bepaalde volksgemeenschap heeft iets per-

[p. 95]

soonlijk gewrocht: sprookje, sage, lied, raadsel of wat het ook zijn mag. Wordt dit om een of andere reden door de gemeenschap niet aanvaard, dan is het van de volkskunst uitgesloten. Gold het slechts een mondelinge uiting of mededeeling, dan kan zij alleen dan bewaard blijven, wanneer zij uit de sfeer van de mondelinge schepping naar die van de schriftelijke literatuur overgaat. Volkssprookje, -sage, -lied enz. zijn dus inderdaad een ‘uiting der volksziel’ - hoe romantisch dit ook moge klinken - niet alleen omdat elk individueel gemeenschapslid slechts zóo produceert als elk willekeurig ander lid dat zou kunnen, maar ook omdat de volksgroep inderdaad aan de individueele kunstuiting het leven schenkt en haar voortbestaan waarborgt: dat wij met een kollektieve schepping te doen hebben blijkt wel het best uit het feit, dat zij tot folkloristische daad eerst wordt in het oogenblik van haar aanvaarding door de gemeenschap.

Nu bestaat een belangrijk onderscheid tusschen volkskunst en kultuurkunst, hoezeer ook wezenlijk niet gescheiden, hierin, dat de eerste geheel op de langue, de tweede geheel op de parole is gericht, en dat dit gericht-zijn haar bizonderen aard bepaalt. Het folkloristische kunstwerk is geheel onpersoonlijk, het voert slechts een potentieel bestaan, terwijl elk produkt van de kultuurkunst geobjektiveerd is en een konkreet bestaan voert, onafhankelijk van lezers en hoorders. Ook is de aard van de censuur verschillend. In het eene geval is deze imperatief, in het andere: ik zou haast zeggen fakultatief.

Maar tusschen beide kunstvormen bestaan tal van betrekkingen. Daar is vooreerst het feit, dat bij de kultuurkunst de volkskunst als het prius wordt verondersteld: het primitieve, simpele lied, het vlotte volksverhaal, de volksmelodie, ja boert en grol worden in de kultuurkunst als gekristaliseerd. ‘Aus den Gütern der primitiven Gemeinschaftskultur strömt eine köstlich-frische, erdhaftjunge, ewig-urwüchsiche Kraft’, zegt Hans Naumann. Dan ook bergt de volkskunst heel veel ‘gesunkenes Kulturgut’, zooals we bij de behandeling van de afzonderlijke genre's zullen zien. Maar bepaalt de rol van het volk zich in het laatste geval dan niet tot

[p. 96]

een slaafsch en achteloos overnemen uit hoogere lagen, en kan dan nog wel van kollektieve scheppingen sprake zijn? Zonder twijfel. Want de funktie van het ontleenen, de keuze en de - zij het niet altijd even gelukkige - reproduktie en vervorming van de stof is zelfstandig en de reproduktie sluit elk passief overnemen uit. Ook is zij verschillend voor elke volksgemeenschap en nationaliteit, zoodat zij inderdaad eigen kultureele werkzaamheid verraadt. Het zelfstandige zit vooral in de keuze van de stof en in de aanpassing daarvan aan een andere omgeving, andere verhoudingen en andere tradities. Hier heeft, naar het woord van Tynanow, slechts een omschakelen van funkties plaats. En inderdaad: van funktioneel standpunt uit zijn beide kunstwerken geheel verschillende verschijnselen.

Ook leveren en leverden tal van sprookjes en verhalen het thema van kultuurwerken, die naderhand weer tot het volk terug keeren en tot naar omlaaggezonken kultuurbezit worden. Dit geldt wel vooral van de lyriek. ‘Kunstlyrik [met de beteekenis van hetgeen ik kultuurlyriek noem] ist zunächst nichts als kultiviertes und individualisiertes Gemeinschaftslied’, meent Naumann; maar het is ook wel de kultuurlyriek, die het meest tot het volk afdaalt.

Nog dit: men stelle zich het gebied van de oorspronkelijke, primitieve volkskunst of gemeenschapskunst, die niet slechts ontleent, maar ook zelf scheppend werkzaam is, niet te beperkt voor. Wel zijn bij het ontstaan der volkskunst aanmerkelijke verschillen in den graad van het individueele waar te nemen. Bij bepaalde vormen van volkskunst, b.v. spreekwoorden, anekdoten, zoogenaamde Schnaderhüpfel e.d., is bijna de geheele gemeenschap tevens producent en konsument. Daarentegen ging, en gaat ten deele nog, in Italië en Rusland het vertellen van volksverhalen en het dichten van geestelijke liederen van bepaalde groepen uit, die er een beroep van maken. Hier tusschen in staan de groepen van begaafde dilettanten, die bizondere kunstvormen, zoo b.v. het vertellen van sprookjes, min of meer monopoliseeren. De Cock en De Meyere weten

[p. 97]

van zulke sprookjesvertellers in Vlaanderen te verhalen. Meestal produceert iedere groep voor zich zelf en deze produktie, die van visschers, herders, landlieden, soldaten enz. uitgaat, kan met de groeptalen op éen lijn worden gesteld. Ook aan leeftijdsgroepen moet worden gedacht. Het behoort tot de taak van de synchronistische volkskunde, den aard van de kunstvormen te bepalen, die het repertoire van een bepaalde volks- en kultuurgemeenschap uitmaken. Ook hier zal stellig met isethnen dienen te worden gewerkt (zie Deel I, bl. 48, 296)1).

 

Van de zoogenaamd permanente kunsten bespreek ik slechts de bouwkunst en de dekoratieve kunst; van de momentane, wier scheppingen strikt genomen verdwijnen met de spanne tijds, waarin zij voltooid worden, behandel ik eerst de lagere vormen van raadsels, spreekwoorden en zegswijzen, om daarna langs de sprookjes- en sagenladder op te klimmen tot het volkslied.

I. Raadsels en Spreekwoorden.

De raadsels behooren tot de lagere trappen der kunstuitingen, in die mate, dat de litteratuur van sommige laag ontwikkelde volken - ik denk o.m. aan de bewoners der Battalanden - zoo goed als uitsluitend uit raadsels en volksverhalen bestaat. Toch schijnt het raadsel niet volstrekt algemeen te zijn; W. Thalbitzer zegt, dat b.v. de Eskimos het niet kennen.

Juist omdat het raadsel behoort tot de meest primitieve kunstuitingen, treedt de primitieve gemeenschapskultuur, die stoelt op de naieve wereldbeschouwing en levensopvatting van den

[p. 98]

mensch, waarin animisme, prae-animisme1), orendisme, manisme enz. hoogtij vieren, zoo vaak op den voorgrond. In deze kultuur is voor ons vooral van belang de praelogische denkwijze, die niet in het wezen der dingen vermag door te dringen en geen scheidslijn trekt tusschen den mensch en de hem omringende natuur, die onverschillig is met betrekking tot tegenspraak en objektiviteit, die niet vermag te abstraheeren en opgaat in konkrete begrippen en détail. Hier ontbreekt het individueele niet geheel, maar het kollektieve domineert toch in hooge mate. In den bodem van deze gemeenschapsvoorstelling en dit primitieve, praelogische denken wortelt de gemeenschapskultuur en met name de gemeenschapskunst, die gaarne met mechanische associaties opereert (vgl. Deel I, bl. 85 vlg.). Raadsels, tooverspreuken, volksverhalen, sproken en sagen bloeien hier welig op; ook spel en dans behooren tot de aandrift der primitieve gemeenschap.

De typische vorm van het raadsel, de uniforme techniek, die geen uitzondering duldt, wijst op haar herkomst. Doorgaans bestaat het raadsel uit éen strofe, die een periode met parataktischen zinsbouw vormt. Vaak staan de zinsdeelen asyntaktisch naast elkaar, hetgeen strookt met den aard van de volkstaal (zie bl. 44 vlg.). Maar de parataxe heeft hier een speciale beteekenis, en duidt aan, dat het individueele onbelangrijk is en slechts aan zijn betrekking tot het onbekende waarde ontleent. Vooral echter de afzonderlijke terminologie wijst op het feit, dat de taal van het raadsel eigenlijk en oorspronkelijk een groeptaal is, en dat het hier als het ware een groep van ingewijden geldt, waartoe de oplossing van het raadsel toegang verleent. Men kan dus het raadsel als een soort van wachtwoord en inwijdingsformule beschouwen; men denke b.v. aan het aldoor bezigen van den omschrijvenden vorm. Zie hierover A. Jolles en W. Porzig in de Festschrift-Sievers (Halle 1925), bl. 632 vlg.

Raadsel en spreekwoord zijn nauw verbonden en geven tot vele identieke trekken aanleiding: beiden zijn op het verstand van den

[p. 99]

hoorder gericht, vertoonen neiging tot tegenstelling, tot figuratieve opvatting en verlevendiging van het levenlooze, beiden hangen samen met tooverspreuken en magie. Misschien is het spreekwoord wel het oudst.

Meestal zijn de raadsels gestoken in rhythmischen vorm, en naast het gewone rijm vertoonen zij veelal nog assonantie, stafrijm en andere eigenaardige klankvormingen en vervormingen. Uiteraard is de karakteristiek der dingen duister. Ook volgt uit de primitieve voorstelling der dingen, dat b.v. in het raadsel van de zeven vogels zonder bezwaar de bij en de vleermuis worden meegeteld.

Het volksraadsel kan bogen op een reusachtige oudheid en verspreiding. Van de eilanden in de Noordzee tot Meklenburg en zuidwaarts tot de Alpen reikt het duizendjarige raadsel van de sneeuw, die door de zomerwarmte smelt. Op Ameland luidt dit:

 
Daar vloog een vogel Vederloos
 
Op een boom Bladerloos,
 
Toen kwam een juffrouw Mondeloos,
 
Die at den vogel Vederloos
 
Van den boom Bladerloos.

Ik schrijf ‘Vederloos’ enz. met hoofdletter, want het is hier werkelijk als eigennaam bedoeld. Zoo heet de kers Roodrok, het varken Knorrepot, de appel Gladkop, de ooievaar Hap-op, de donder Holderdebolder, de wieg Wikkeldewakkel, de kikvorsch Hipperdewip, Hip-op, Ikkerdebik, de zwaan Mijnheer De Wit, het water Juffer De Lang. Dit zijn klanknabootsende en begrips- en gevoelsverklankende benamingen, zooals ook het kind die zoo gaarne aan levende en levenlooze zaken schenkt, alvorens met de veelal afgesleten benamingen bekend en vertrouwd te raken.

Merkwaardige raadsels vinden wij vooral in het Oosten: bij de Hebreeën, de Perzen, de Indiërs, de Arabieren; maar ook bij de oude Germanen en niet het minst bij de Grieken en Romeinen. Het gaat trouwens, wat de onderlinge verwantschap betreft, met de

[p. 100]

raadsels als met de sprookjes, en het is uitermate moeilijk bij gelijkenis van patroon over de autochthonie onzer volksraadsels te oordeelen. Zoo kennen wij b.v. een Grieksch raadsel in dezen vorm:

 
Daar was een man, en 't was geen man,
 
Hij liep op een pad, en 't was geen pad,
 
Hij droeg water zonder vat;
 
Ra, ra, wat is dat?
 
 
 
(Een bruidegom, die op het ijs liep met een stukje ijs in zijn hand).

Een Latijnsch raadsel luidt bij ons:

 
Die het maakt behoeft het niet,
 
Die het vraagt behoudt het niet,
 
Die het koopt begeert het niet,
 
Die het heeft die weet het niet.
 
 
 
(Een doodkist).

Het raadsel van den vogel Vederloos schijnt met oeroude tooverspreuken samen te hangen en ofwel op een Oudgermaanschen of, wat waarschijnlijker is, op een Latijnschen oervorm uit de Xde eeuw te berusten; zie A. Heusler, Archives suisses des traditions populaires XXIV, bl. 109 vlg. en A. Jacoby, ib. XXV, bl. 291 vlg.

Het raadsel kent dus ‘Wanderung’ en polygenese. Door vergelijking en analyse bestaat de mogelijkheid tot den oervorm van het raadsel op te klimmen. Verder vertoont ook de nationale raadselschat naar omlaag gezonken kultuurbezit naast gewas van eigen bodem.

1. De beschrijvende raadsels zijn verreweg de schoonste. Het regent hier beeldspraken en gelijkenissen. Het volk praat dan kinderlijk-gemeenzaam met en over steenen en bloemen langs de wegen, en allerlei levende en levenlooze dingen. ‘Hier ziet gij beurtelings de wijde natuur met heure verschijnselen,’ schrijft Amaat Joos, ‘de sneeuw, het witte laken, dat Onze Lieve Vrouw over

[p. 101]

land en zand spreiden komt; den donder, het roode veulen dat ginder verre staat te breisschen; de wolken, de duizend lapkens die zonder naald of twijn aaneengenaaid zijn; het ijs, de groote plank die door God over de waters geleid wordt; de zon, het wonder ding dat door het glas valt en 't niet en breekt; de sterren, het geld dat ge niet tellen kunt; den hemel, het laken waar niet aan te vouwen valt; - den mensch met al zijn bedrijf en gerief: den mond, rood huizeken, de tanden, witte stoelekens, en de tong, rood tapijteken; de keers, madameken met een wit kleedje aan en een rood hoedeken op; de lamp, aardig ding dat zijn vleesch eet en zijn bloed drinkt; den vingerhoed, zoo klein en toch zoo rijk in vensters als een koningshuis; de naald, stalen peerdje dat rijdt met vlassen steertje; de egge, heeren die het land omkeeren; de zeilen van den meulen, roode wijvekens die malkander nutteloos achterna loopen; den meulen, hooge droge boom die altijd bloem draagt; - de dieren die loopen en vliegen: den haan, wonderen profeet die de dooden verrijzen doet; de spin, aardig wijfken dat, zonder naald of draad, zijn roksken 't onderste boven naait; de vlooi, stout boven stout, die iedereen, te water en te lande, aanranden durft; de koe, vreemd gestel van vier gangers, vier hangers en twee tuinenbrekers [overoud raadsel, nawijsbaar van Noorwegen tot de Alpen]; - de boomen en planten met hunne vruchten: de kool, die op éenen poot staat en heur hoofd in heur herte draagt; den doorn, manneken uit het veld met een rood hoedeken op zijn hoofd; het vlas, koning met de blauwe kroon; het graan, dat tusschen twee steenen zijnen naam verliest; den kriekelaar, die op éen been staat en duizend steenen draagt; den eik, honderdduizend nesten en in ieder nest een ei; den appel, met zijn groene muren en witte geburen; de noot, die op haar stoeleken zit met een groen kazaksken aan.’

Op het dorp, in den blijden, gullachschen landelijken kring voelt dit raadsel zich weer het meest thuis en bij voorkeur, wij hoorden het, kleedt het veld en weiland, plant en dier, akkerbouw en veeteelt in een fantastisch gewaad. Het legt zijn oor te luisteren naar

[p. 102]

de geheimzinnigheden der levende en levenlooze natuur; en lichtelijk neemt het een plaatselijke tint aan, in overeenstemming met de landstreek, waar het vertoeft.

 
1.
 
Holderdebolder
 
Liep over den zolder;
 
En zeven mansheeren
 
Die konden Holderdebolder niet keeren.
 
(De donder).
 
2.
 
Verre boven de drieschen
 
Hoorde ik een peerdeken brieschen;
 
Daar is noch wijf noch man,
 
Die dat peerdeken breidelen kan.
 
(De donder. - België).
 
3.
 
Mijn moeder kent een laken, dat kan zij niet vouwen,
 
Mijn vader kent een appel, dien kan hij niet schellen,
 
Mijn zuster kent kralen, die kan ze niet tellen.
 
(Hemel, maan, sterren).

Belgische vorm:

 
Laken, dat ge niet vouwen kunt,
 
Een appel, dien ge niet schellen kunt,
 
En geld, dat ge niet tellen kunt.
 
4.
 
Tusschen hier en Romen
 
Staan zeven hooge boomen;
 
't Zijn geen iepen, 't zijn geen esschen,
 
Je zult het niet raden, al was je met z'n zessen,
 
(Het zevengesternte).
 
5.
 
Achter in mijn vaders tuin,
 
Daar staat een boom met kralen,
 
En die die kralen tellen kan,
 
Die is de baas van allen.
 
(De sterren).
[p. 103]
 
6.
 
Lapken, lapken,
 
Duizend lapken,
 
't Is genaaid zonder naald of twijn,
 
'k Geef u te raden welk lapken dat zou zijn.
 
(Een wolk. - Dendermonde).
 
7.
 
Tusschen hemel en aard
 
Staat een lange groene gaard.
 
't Zijn geene eiken, 't zijn geene esschen,
 
Je zult het niet raden, al waart je met zessen.
 
(De regenboog. - Limburg).
 
8.
 
Ons Lieve Vrouwken van Laken
 
Spreidt een wit laken
 
Op land en zand,
 
Maar niet op den waterkant.
 
(De sneeuw. - Antwerpen).
 
9.
 
Daar staat een juffrouw in de deur,
 
Met een witte schorldoek veur.
 
Hoe meer dat ze staat,
 
Hoe meer dat ze vergaat.
 
(De sneeuw).
 
10.
 
Eene planke
 
Van Godes danke;
 
Het en is noch hout noch eeke,
 
Noch eeke noch hout.
 
Als gij het kunt raden,
 
Geef ik u eene ton met goud.
 
(Het ijs. - België).
 
11.
 
Daar gaat een ding om het huis,
 
Dat kijkt door alle gaatjes.
 
(De zon.)
[p. 104]
 
12.
 
Rondom de meulen
 
Liepen twee pèretjes speulen.
 
Der is geen eenen ouwen man,
 
Die déé twee pèëren keeren kan.
 
(De zon en de maan. - Zeeland).
 
13.
 
Toen ík was jóng en schóon,
 
Droeg ík een bláuwe króon.
 
Toen ík was óud en stíjf,
 
Slóegen ze me óp het líjf.
 
Tóen ik wás genóeg geslágen,
 
Werd ik van prínsen en gráven gedrágen.
 
(Het vlas).
 
14.
 
Eerst zoo wit als vlas,
 
Dan zoo groen als gras,
 
Dan zoo rood als bloed,
 
En dan zoo zwart als roet.
 
(De Braambes).
 
15.
 
Van binnen wit, van buiten zwart,
 
Drie ruggen en geen start.
 
(De boekweitkorrel).
 
16.
 
Der sit in jifferke yn 't grien,
 
Mei in mooi read rokje oan.
 
Als men ze knypt den skriemt se,
 
En dôch het se in stienen hert.
 
(De kers. - Friesland).
 
17.
 
Daar staat een boom in 't Westen,
 
Met twee en vijftig nesten,
 
Ieder nest met zeven jongen,
 
Râ, wat namen zij ontvongen?
 
(Het jaar).
[p. 105]

Dit raadsel vindt men met eindeloos vele varianten haast over de geheele wereld verspreid. Ook heeft het tot raadselsprookjes den stoot gegeven. Zie Antti Aarne, Vergl. Rätselforschung, bl. 74 vlg.

 
18.
 
Stou ṇ dinkje wit op den diek,
 
Zien oogjes gongṇ van kiekerdekiek,
 
Zien hoartjes gongṇ van krollerdekrol,
 
Kinst 't nait roadṇ, al wòrst ōok dol.
 
(Een schaap. - Groningen).

Talloos zijn de raadsels van het ei. Sommige vormen zijn bekend bij alle Germaansche stammen.

 

Ons bekend rijmpje:

 
19.
 
Hummeltje Tummeltje klom op den wagen,
 
Hummeltje Tummeltje viel van den wagen,
 
Daar is geen eene timmerman,
 
Die Hummeltje Tummeltje maken kan.

waarvan een Vlaamsche lezing luidt:

 
20.
 
Hippekentippeken op de bank,
 
Hippekentippeken onder de bank;
 
Daar is geen smid in Ingeland,
 
Die Hippekentippeken maken kan.

vertoont in Brunswijk den vorm:

 
Hummelke Trummelke lag up'r bank,
 
Hummelke Trummelke feel von'r bank;
 
Et was kein doktor in'n gansen land,
 
De Hummelke Trummelke we'er mâken kann.

In Engeland luidt het raadsel aldus:

 
Humpty Dumpty sate on a wall,
 
Humpty Dumpty had a great fall,
 
Three score men and three score more
 
Cannot place Humpty Dumpty as he was before.
[p. 106]

Bekend in geheel het zuidelijk volksgebied (dus ook b.v. in Hollandsch Limburg) is het eiraadsel:

 
21.
 
Ik klopte al op een witte deur,
 
Daar kwam een bruine pater veur.

Ruim verspreid is ook het raadsel van de Snijboonen, natuurlijk met de noodige varianten:

 
22.
 
Achter in mijn vaders tuin
 
Daar staat een boom met groente;
 
Hier een boom, daar een boom,
 
Ieder boom een tak;
 
Hier een tak, daar een tak,
 
Ieder tak een nest;
 
Hier een nest, daar een nest,
 
Ieder nest een ei;
 
Hier een ei, daar een ei,
 
Ieder ei een zwart plek op 't gat;
 
Râ, râ, wat is dat?

De Groninger vorm van het bekende knijp-raadsel luidt:

 
23.
 
Jepmie en Kniepmie
 
Dij woondn in n hoes,
 
Jepmie ging vot,
 
In wèl bleef in hoes?

Op hetzelfde stramien is geborduurd het Limburgsche raadsel van Ekmich en Lekmich (lik me) met een zoen tot besluit.

 

Ik kan niet nalaten nog op enkele waardevolle raadsels te wijzen, waarin zoo menige trek van dichterlijke natuurbeschouwing en gevoel voor het landschappelijk-schoone spreekt:

 
24.
 
Oude, grijze, grauwe,
 
Staat alle nachten in de dauwe,
[p. 107]
 
Heeft vleesch noch bloed
 
En is voor alle menschen goed.
 
(De molen).
 
25.
 
Er vloog een vogel snel
 
Al over de diepe del (de zee);
 
Hij droeg botten en beenen
 
En had er zelve geene.
 
(Het schip).
 
26.
 
Achter molens duun
 
Dèr leit in oud peerd bruun,
 
Zonder kop en zonder steert,
 
Al syn ribben leggen verkeerd.
 
(Een omgeploegd stuk land. - Ameland).
 
27.
 
Daar waren eens vier zustertjes,
 
Die klommen op hooge mutstertjes;
 
Daar waren eens vier broertjes,
 
Die klommen op hooge stoeltjes;
 
Ze naaiden zijden kapjes
 
Van honderd duizend lapjes,
 
Zonder naald en zonder twijn:
 
Je zult het niet raden, al ben je fijn.
 
(De spin, die haar net maakt).
 
28.
 
Er ging een mannetje door den dam
 
Met een fluweelen wammesje an.
 
(De mol).

Of ook:

 
29.
 
Jan De Bruin
 
Zat in den tuin,
 
Hij had geen paard of ploeg,
 
En toch bouwde hij land genoeg.
 
(De mol).
[p. 108]
 
30.
 
Daar is een ding
 
Dat pinkt
 
Dat knipt en winkt
 
En lacht en vinkt ....
 
'k Zou alzoo wel willen pinken,
 
Knippen en winken
 
Lonken en vinken,
 
Gelijk dat ding,
 
Dat pinkt
 
En knipt en winkt
 
En lonkt en vinkt.
 
(Een Ster. - Vlaanderen).
 
31.
 
Daar gíng een mánnetje óver den dijk
 
Mét zijn óogjes kíjkerdekíjk,
 
Mét zijn háartjes krúlderdekrúl;
 
Je zúlt het niet ráden, al wérd je dúl.
 
(Het schaap; vgl. no. 18).
 
32.
 
Het is, waarin het water vloeit,
 
Het is, waarop de bloeme bloeit,
 
Het is, waarop bij dag en nacht
 
De moede mensch de rust verwacht,
 
Het is, gelijk men dikwijls zegt,
 
Van dat, waarin men dooden legt.
 
(Het hout. - Land van Waas).

Somtijds is de inkleeding van het raadsel dramatisch. Zoo vraagt de ketel aan het water, dat uit de pomp vloeit:

 
33.
 
Dribbel drabbel dribbelgat,
 
Hwêr komst dou fen dinne?
 
- Ut de ierde,
 
Swart forbarnde tsjettelkop.
 
(Friesland).
[p. 109]

Hoogst merkwaardig is het gesprek tusschen weide en beek, dat zeer oud is en wijd en zijd verspreid:

 
34.
 
- Du kromme, du lange,
 
Van waar komde gegangen?
 
- Ei du met dijn geschoren gat,
 
Waarom vraagde mij dat?

De Zeeuwsche vorm luidt:

 
35.
 
- Joe kromme, joe slomme,
 
Wer kom je van dèn gezwomme?
 
- Joe afgeschoren schietgat,
 
Wèrom verwiet je me dat?

Men vergelijke hiermee het Brunswijksche:

 
- Lanke krummumme, wo wutte hen?
 
- Korte vorschorne, wo frägste nâ,
 
Kann mînen weg bî dâge un bî nacht finnen.

2. De verhalende raadsels zijn somtijds zeer ingewikkeld. De oplossing omvat niet zelden een vrij groot aantal personen of zaken en raakt zelfs historische gebeurtenissen, veelal verhalen uit het Oude Testament. Zoo b.v.

 
36.
 
De kist, die leefde,
 
Die er in zat, beefde;
 
De kist, die at,
 
Die er in zat,
 
Bad.
 
(Jonas in den visch. - België).

Ook het raadsel van de sneeuw, waarvan boven sprake was (bl. 99), is een verhalend raadsel: de sneeuw valt op een boomtak, smelt door de zonnewarmte en droppelt er van af.

[p. 110]
 
37.
 
In 't Land van Cadsant
 
Ging een man over zijn land
 
Met 'nen ginger,
 
Met 'nen springer,
 
Met 'nen hoepsasa;
 
Hij hield iets in zijn handen;
 
Hij ging al zoo zeere
 
Om zijn land te keeren
 
(Hij ging met een paard en een riek).
 
38.
 
Hoop en vrees zat op den wagen:
 
Hij zag tweebeen vierbeen dragen.
 
Heeren raadt en zegt het mij,
 
Als ge 't niet raadt, dan ben ik vrij.

Dit raadsel maakt op ons een vrij zonderlingen indruk. Maar het dagteekent uit oude tijden en past in het kader der raadselverhalen, waardoor misdadigers, ter dood veroordeeld, zich het leven konden redden door de rechters een raadsel op te geven, dat deze niet kunnen oplossen. Wij moeten hierbij in aanmerking nemen, dat voorheen hoog-ernstige menschen zich bezighielden met elkander raadsels op te geven. De raadsels behooren tot de groep van folkloristica, die, bij het wijzigen van de tijden, van de ouderen tot de jongeren, en van de hoogere tot de lagere kringen zijn afgedaald: ook omdat de volkskunst uit ruimere kringen verbannen is. Zoo ging het met het Sint-Maartensvuur, met het luilak-gebruik enz. (vgl. I, bl. 129, 154, 225). Bekend is de raadselwedstrijd tusschen Wolfram van Eschenbach en den toovenaar Klingsor; en eveneens de raadselstrijd van Odhin met koning Heidhrekr in de Oudnoorsche Edda. Deze lost b.v. het raadsel op, door Odhin, als Gestumblindi, hem gesteld: wie het paard is, dat ter vergadering rijdt, met drie oogen, tien voeten en éen staart, - antwoordende, dat het Odhin op het achtpootige paard Sleipnir is (vgl. I, bl. 96, 111).

Bovenstaand raadsel nu werd aan de rechters opgegeven door een

[p. 111]

veroordeelde, die de belofte had weten te verkrijgen, dat hij zijn leven zou kunnen redden als hij een raadsel kon opgeven, dat de rechters niet vermochten op te lossen. De oplossing luidt: toen de misdadiger op een wagen naar de galg gevoerd werd, had hij een ooievaar zien vliegen met een kikvorsch in den snavel. Hij hoopte, dat niemand het mocht raden, en vreesde de terechtstelling. Somtijds is het ook de vrouw, de moeder of de dochter van den schuldige, die verzoekt het raadsel te mogen opgeven.

Een raadselverhaal, dat nog leeft in West-Vlaanderen en in het Meetjseland, geldt een moeder, wier drie zoons soldaat moesten worden. De koning ontsloeg hen van den dienst, indien de moeder hem een raadsel wist op te geven, dat hij niet kon oplossen. Bij het ter kerk gaan vond zij in het doodenhuisje een doodshoofd liggen, waarin een musschennest met vijf jongen. Van daar dit raadsel:

 
39.
 
Ik ging en ik kwam
 
Waar ik vijf levenden uit éenen doode nam;
 
Die vijf maakten mijn drij vrij;
 
Weet ge 't, zegt het mij.

Een variant hiervan is het verhaal van de vrouw, die haar echtgenoot door een raadsel kan redden. Langs den weg vindt zij een paardenschedel, waarin spreeuwen nestelen. Op den bepaalden dag keert zij terug, neemt de vijf jongen uit het nest en geeft het raadselverhaal op:

 
40.
 
Toen ik henenging en wederkwam,
 
Vijf levenden uit den doode nam,
 
De zesde maakte den zevende vrij,
 
Nu, heeren, raadt en zegt het mij.

Zoo ook het Groninger richterroadsel van Eli:

 
41.
 
Op Eli goa ik
 
Op Eli stoa ik,
 
Op Eli vestig ik aal mien moud,
 
Komt, heern, komt heern, in zegt het goud!
[p. 112]

De rechters konden kwalijk weten, dat Eli de naam was van den hond, van welks huid de vrouw haar pantoffels had laten maken.

Wijd en zijd verspreid is ook het raadselverhaal met het motief, dat een man, tot den hongerdood veroordeeld, heimelijk door zijn dochter met de borst wordt gelaafd. Zoo stelt deze het raadsel:

 
42.
 
Gezogen, gezogen,
 
Landsheeren bedrogen,
 
Kind geweest
 
En moeder geworden.

Dit luidt in West-Brabant (Ternath en omstreken) aldus:

 
43.
 
Heeren bedrogen,
 
Muren doorzogen,
 
Wiens kind ik ben,
 
Wiens moeder ik wierd.

‘Muren doorzogen’, omdat hier de dochter haar vader door een buis in den muur met voedsel laafde.

 

Tot de groep van raadselverhalen, dienen ook gerekend te worden het overgroot aantal raadseltjes, waar personen of zaken naar het getal der beenen of pooten tweebeen, driebeen enz. genoemd worden. Zoo b.v.

 
44.
 
Tweebeen zit op driebeen
 
En trekt aan vierbeen.
 
(Het melkmeisje).
 
45.
 
Tweebeen zat op driebeen,
 
Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten,
 
Toen nam tweebeen driebeen,
 
Om er vierbeen mee te smijten.
 
(Een man pakt een drievoet om er een hond mee te smijten).

3. De eigenlijke, direkt-vragende raadsels werden door Guido Gezelle kwelvragen genoemd. Het zijn inderdaad kwelraadsels

[p. 113]

in zoo ver zij den gevraagde trachten te verschalken door hun algemeene bewoordingen, door hun listig bijgevoegde gedachten, hun afleiden van de aandacht, hun verrassende zinspelingen, hun opzettelijk maskeeren van den juisten klemtoon, hun dubbelzinnige woordopvatting.

Tot de meest bekende behoort wel het raadseltje van Keizer Karels hond:

 
46.
 
Keizer Kárel hád een hónd,
 
Hóe heet Keizer Karels hond?

De naam van den hond was Hoe. Let hier vooral weer op het stafrijm en eveneens op de allitteratie. Als tweede versregel hoort men vaak: ‘Ik leg het woord al in uw mond’, of iets dergelijks. Deze regel is stellig een bijvoegsel van jongeren datum.

Vergelijk hiermee, wat betreft het antwoord in de vraag, het Achterhoeksche:

 
47.
 
Krom omgebogen,
 
Vlecht door getogen (getrokken),
 
Wan ik jou 't zekg,
 
Zul ei 't niet roan.
 
(De wan).

Zeer bekend is nog het kattenraadsel:

 
48.
 
Daar ging een mannetje over de brug,
 
Met zeven katten op zijn rug,
 
En ieder kat had zeven jongen,
 
Râ, râ, hoeveel pooten over de brug gongen?
 
(Twee).

Op de tweeduidigheid van het woord heeten spekuleert het raadsel:

 
49.
 
Koolwarmoes, die koud is
 
En drie dagen oud is,
 
Hoe heeten ze dat in Brabant?
 
(Boven het vuur).
[p. 114]

Overoud is het volgende raadselrijmpje, waarbij de oude versmaat weer even onmisbaar is, als bij dat van Keizer Karels hond:

 
50.
 
A'msterdám, die gróote stád,
 
Met hóeveel létters spélt men dát?
 
(Met drie: dat).

Volgen nu nog eenige raadselvragen in denzelfden trant: 51. Waarom dragen de meeste boerinnen rooie kralen? (Om den hals). - 52. Wat voor haar had Mozes' hond? (Hondenhaar). - 53. Hoe is de eerste vloo over den Rijn gekomen? (Bruin). - 54. Hoeveel eieren kon de reus Goliath nuchteren op? (Eén). - 55. Wat weegt zwaarder, een pond veêren of een pond lood? (Even zwaar). - 56. Wie gaat op zijn kop naar de kerk? (De spijkers in de schoenen). - 57. Hoeveel krullen zijn er in een rechten varkensstaart? (Geen een). - 58. Welke weg wordt niet begaan? (De melkweg).

Meer spottend van aard, en dus eigenlijk behoorende tot de volksluim, zijn raadsels als deze: 59. Waarom knijpt de haan zijn oogen toe, als hij kraait? (Omdat hij zijn liedje van buiten kent). - 60. Wie heeft de eer, den koning bij den neus te vatten? (De barbier). - 61. Wie steekt er 's morgens het eerst zijn neus in de kerk? (De sleutel). - 62. Hoe hiet Mozes, toen hij klein was? (Mozesje). - 63. Wie zit tot over de ooren in de schuld? (Wie een slaapmuts draagt, die nog niet betaald is). - 64. Wat zeggen ze in Den Haag tegen een lantarenpaal? (Niets).

Eindelijk, tot de letterraadsels behooren: 65. Wat staat er midden in den hemel? (De letter m). Zoo ook:

 
66.
 
't Is in de vrouw en niet in den man,
 
't Is in 't bier en niet in de kan,
 
't Is in 't koren en niet in de wan,
 
't Is in Karel en niet in Jan;
 
Zeg mij wie dit raden kan.
 
(De letter r).
[p. 115]

4. In de raadselsprookjes, ook bij ons in ruime mate bekend, huwt de koning veelal zijn dochter uit aan dengene, die bepaalde raadsels kan oplossen, of wel raadsels opgeeft, die niemand raden kan. In andere sprookjes komen raadsels ook buiten dit verband voor, zoo b.v. in het verhaal van den herdersknaap, die antwoord geeft op de drie vragen: ‘Hoeveel water is er in de zee? Hoeveel sterren staan er aan het uitspansel? Hoe hoog is de hemel? Geheel als raadsel op te vatten, is een sprookje als het volgende, ons door Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II, bl. 143 meegedeeld:

Er was eens een meisje, dat vrijde met een ruiter. Zij wist niet, hoe de ruiter heette en evenmin, wie hij was. Eens op een avond kwam hij bij haar te paard, en vertelde haar, dat hij een mooi groot slot had, daar wilde hij haar heen brengen; maar het was heel ver weg. En toen nam hij haar bij zich op het paard en reed met haar weg, zeer ver, zeer ver, door den duisteren nacht, zoo snel, zoo snel, dat geen vogel zoo snel vliegen kon. En de ruiter zong:

 
Het maantje dat schijnt er zoo helder,
 
Het paardje dat loopt er zoo snelder,
 
Zoetliefje, zoetliefje, berouwt het je niet?

Eindelijk kwamen zij aan het slot. En toen trouwden ze en hebben bruiloft gehouden. En het meisje is nooit weer bij haar vader en moeder teruggekomen.

Raad eens, wat is dat? -

Dat meisje had de tering en de ruiter was de dood.

 

Zeer eigenaardig is het slot van vele raadsels. Soms klinkt het uitdagend: Je kunt het niet raden, al was je met je zessen, - in geen zeven jaar, - al ben je fijn, - al werd je dol, - tot Baafmis, - tot Sinter Merten, - tot morgen noen. Andermaal wordt de oplosser geprezen: Als je het raadt, ben je bekwaam; en evenzoo wordt hij, die het op moet geven, gelaakt. Sommige raadsels

[p. 116]

zeggen den oplosser een belooning toe; wellicht berustte dit voorheen op werkelijkheid.

Zie vooral de voortreffelijke voordracht van Dr. Boekenoogen, in de Handel. en Mededeel. van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden, 1900-1901, bl. 36, waaraan ik menig raadsel en menige beschouwing ontleende; A. Joos, Raadsels van het Vlaamsche Volk (Brussel 1928), mijn hoofdbron voor de Zuidnederlandsche raadsels; Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 257; A. de Cock, Volkskunde XVII, bl. 25, XVIII, bl. 45; Schoonjans, Volkskunde XXII, bl. 85 vlg.; K. ter Laan, Nieuw Groninger Woordenboek (Groningen 1929), bl. 817 vlg. Verder H. Naumann, Grundzüge der deutschen Volkskunde (Leipzig 1929), bl. 127 vlg.; R. Petsch, Das deutsche Volksrätsel (Strassburg 1917) en Jan de Vries, Das Märchen von klugen Rätsellösern (Helsinki 1928).

 

Zijn de raadsels meer uitingen van het gevoelsleven, in de spreekwoorden van een volk openbaart zich vooral de volkswijsheid en praktische levenservaring in beknopten, ja gedrongen vorm: het spreekwoord is de bijzondere vorm, waarin het volk inkleedt zijn waarnemingen en ondervindingen op ethisch gebied, de uitkomst van zijn denken, de slotsom van zijn waarneming in een bizonder geval.

De man-uit-het-volk houdt van dubbelzinnigheid in zijn raadsels, maar niet in zijn spreekwoorden en zegswijzen, al vertoonen die vaak een emphatisch karakter en al klinken sommige spreekwoorden als oplossingen van raadsels, zoo b.v.: De tong is vlugger dan het hoofd. Hij noemt de dingen bij hun naam, en ook preutschheid ligt hem verre. Zoo is heden ten dage het spreekwoord, en zoo was het in de hooge oudheid en bij alle volken. Het behoort, wij zagen het reeds, tot de eigenaardige vormen, waarin de spreektaal zich vertoont en door stijl, gemis aan persoonlijkheid, en zijn konkrete voorstellingen uit het dagelijksche en uit het dierenleven toont het zijn saam-

[p. 117]

hoorigheid tot het primitieve gemeenschapsgoed. Ja voor een groot deel zijn de spreekwoorden gemeen-goed van het geheele menschdom. Het zijn ‘gevleugelde woorden’, die, hebben zij eenmaal de omheining der tanden overschreden, vrij en onbelemmerd rondfladderen, de karavanen begeleiden op hun tochten, neerstrijken op de masten der snelzeilende en snellerstoomende schepen en landen en zeeën doorkruisen in alle richtingen. Vele Nederlandsche spreekwoorden zullen wij dan ook elders weervinden, en deze overeenkomst zal dan weer berusten hetzij op historischen, hetzij op algemeen-menschelijken grondslag. ‘Visch moet zwemmen’ vindt men bij Petronius, en het spreekt wel van zelf, dat ‘Wanderung’ hier een dwaze verklaring zijn zou. Natuurlijk moeten wij ook bij de spreekwoorden rekening houden met omlaag gezonken kultuurbezit.

Toch bewaart het spreekwoord steeds frischheid en jonge, opgewekte levenskracht. Want het loopt van mond tot mond en wordt telkens verjongd, ja telkens opnieuw geboren, of legt althans een ander gewaad aan, bont en druk in het Zuiden, sober en stemmig in het Noorden, steeds overeenkomstig den aard, het karakter, de levensverhouding, de sociale groepeering der taal- en kultuurgemeenschap. Het krijgt een lokale kleur en kleurt weer de taal van den spreker op overeenkomstige wijze. Het spreekwoord is een kunstvorm van de taal van den gemeenen man (die ook weer in de kultuurkunst wordt gekristalliseerd) -, en als zoodanig wensch ik het hier met enkele woorden te behandelen.

Natuurlijk kan hier van een verzameling van spreekwoorden in de verste verte geen sprake zijn. Noch Tuinman's, noch Harrebome's spreekwoordenboek, noch Cauwberghe's Nederlandsche en Vlaamsche Spreekwoorden, noch Stoett's magistrale verzameling wensch ik te overtroeven. Slechts zou ik aan enkele voorbeelden duidelijk willen maken, hoe zich het volkskarakter in spreekwoorden uit, tevens, voor zoover mogelijk, rekening houdende met hun socialen oorsprong, d.i. met het sociale milieu, de sociale groep, waaruit zij zijn opgegroeid.

[p. 118]

Aanschouwelijkheid kunnen wij niet als karakteristiek kenmerk van het Nederlandsche spreekwoord laten gelden. Formuleeringen als: ‘beter éen vogel in de hand, dan tien in de lucht’ vindt men ook elders in menigte. Ook het stafrijm, als in ‘kap en kogel (kat en kogel) verliezen’, ‘met bed en bult vertrekken’ enz., is algemeen-Germaansch en aan vele andere volken niet vreemd; men denke b.v. aan het Latijnsche cras credo, of sanus salvus, dat in het Fransch sain et sauf werd. Slechts mag men beweren, dat de allitteratie in onze spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen nóg welig en met onverzwakte groeikracht voorttiert. Dit geldt ook voor de assonantie en het rijm; zij staan in gunste, en verschalken ons, als wij den waren zin van een spreekwoord trachten te achterhalen. Zoo berust de uitdrukking ‘zooals het reilt en zeilt’ (of ‘treilt en zeilt’, Zuidnederl. ‘reist en zeilt’) op een rijmloos: ‘zooals het rijdt en zeilt’, d.i. zooals het schip voor anker ligt (‘rijdt’) en zooals het zeilt; zie Stoett, Spreekwoorden no. 1646. De symmetrie in onze spreekwoorden, het streven om beide zinsdeelen aan elkaar gelijk te maken, als ‘wat niet weet, wat niet deert’, - ‘komt tijd, komt raad’, is wellicht een flauwe herinnering aan den bouw der beide Oudgermaansche halfverzen. Over deze en andere eigenheden zie vooral Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal4, bl. 163 vlg.

Voorbeelden van deze en dergelijke ongekunstelde kunstvormen in onze volksuitdrukkingen en spreekwoorden zijn in grooten getale bijeengebracht door A. Joos in zijn keurig boekje: Schatten uit de Volkstaal (Gent 1887). Aan het Tweede Deel, dat de ‘Gepaarde woorden of wederwoorden’ bevat, ontleen ik het volgende.

Stafrijmen. Bakken en boteren (druk bezig zijn). - Biezen en bijzen. - Hij is begraven zonder bimmen of bommen. - Blikken noch blozen. - Boe noch ba zeggen. - Buigen of bersten. - Vóor dag en dauw. - Door dik en dun. - Ditje's en datje's. - Van alles dubbel en dik hebben. - Dit is maar een gapen en gieten (gemakkelijk). - Glibberen en gabberen (zonder reden lachen).

[p. 119]

- Groen en geel. - Daar zal hen noch haan over kraaien. - Hij kwam hink en honkel aan (stijf of krom). - Hij wil hot noch haar (ongewillig, aan de voermanstaal ontleend). - Kant en klaar. - Hij gaat naar kerk noch kluis. - Kijven en krakeelen. - Kind noch kraai hebben. - Iemand buiten de deur zetten met kisten en kasten. - Klitsen en kletsen (met de zweep). - Klodderen en kladderen. - Spreken over koetjes en kalfjes. - Kort en klein slaan. - Voor kost en kleeren zorgen. - Kris en kras. - Iemand van lap en leer geven (een pak slaag). - Lief en leed. - Listen en lagen. - Lonken en liefoogen. - Lui en lekker. - Vergaan met man en muis. - Perk en paal stellen. - Van Pontius naar Pilatus sturen. - Met potten en pannen. - In rep en roer. - Rijden en rossen. - Schade en schande. - Schobben en schooien. - Slag om slinger vechten (hevig). - Dat gaat zonder slag of stoot. - Sloffen en sleffen (al slepende gaan). - Stijf en stom staan. - Taal noch teeken geven. - Vast en veilig. - Iemand nijpen tusschen vel en vleesch (bedektelijk berispen). - Visch noch vleesch zijn. - Het is altijd vuur en vlam. - Vrij en vrank. - Wankelen en weifelen. - Hij gaat door weêr en wind. - Hij weet van wijken noch wankelen. - In zulke handen wint en woekert het geld (groeit het aan). - Wisjes en wasjes. - Zuur en zoet. - Zuchten en zagen (ontevreden zijn). - Zwieren en zwaaien. - Zwoegen en zweeten.

Eindrijmen. Blikken en flikkeren. - Bobbels en knobbels. - Brassen en plassen. - Dringen en wringen. - Drinken en klinken. - Hij kan gaan noch staan. - Garen en sparen. - Gedrang en geprang. - Gelapt en getapt, gelapt en getrapt (gansch versleten). - Met geld en geweld. - In geur en fleur staan. - God noch gebod ontzien. - Goed en bloed geven. - Hij komt aan zijn kost met habben en krabben (moeilijk). - In handel en wandel. - Zich verdedigen met hand en tand. - Daar bleef helder noch pelder of spelder over (niets). - Tegen heug en meug. - Van hoeten noch toeten weten. - Hoog en droog zitten. - Hotst het niet, dan botst het. - Hou en trouw. - Huis noch kluis hebben. - Jan en alle-

[p. 120]

man. - Kikken noch mikken. - Zich kunnen kleeden en reeden. - Knotteren en stotteren (lastig zijn). - Krinkelen en winkelen (bochten maken). - Land en zand koopen (rijk worden). -'t Is alles krank en mank. - Mikken en prikken, totdat ze gaan vliegen (de gelegenheid laten voorbij gaan). - Iets van naadje tot draadje uitleggen. - Naam en faam verliezen. - Met pak en zak vertrekken. - Met raad en daad iemand bijstaan. - Rapen en schrapen (gierig zijn). - Rooken en smoken. - Wij hoorden ruit noch muit (niets). - Schot noch lot betalen (niets). - Schrijven en wrijven. - Smeren en teren (smullen). - Stank voor dank. - 't Vriest steen en been. - Steen en been klagen. - Loopen langs stegen en wegen. - Met tijd en vlijt. - Vrij en blij. - De zaak zooals zij waait en draait. - Wasschen en plassen. - Wroegen en zwoegen (hard werken). - Daar blijft geen zierken of geen spierken meer over. - Altijd zot of bot zijn. - Zwieren en tieren.

Halve rijmen. Dag en nacht werken. - 't Zijn al eindjes en tuitjes (stukjes en brokjes). - Ergens gewonnen, geboren en getogen zijn. - 't Is met den zieke halen en dragen (nu wat beter, dan wat slechter). - Iets volhouden bij hoog en bij laag. - Jokken en gekken. - Iets opeten met ooren en pooten (vgl. het allitteerende ‘met huid en haar’). - Met stukken en brokken. - Tusschen waken en slapen.

Rijmlooze wederwoorden. 't Is uit en amen. - Iets voor een appel en een ei verkoopen. - Baas en meester zijn. - Iets achter banken en stoelen steken. - Begekken en bespotten. - Over berg en dal. - Op dag en uur. - Door deur en venster slaat de rook naar buiten. - Na lang dingen en bieden. - Iemands doen en laten kennen. - Hij is al lang dood en begraven. - Eenzaam en verlaten. - Eer en faam verliezen. - Hij wil noch eggen noch aarden (is ongewillig). - Door eksters en kraaien uitgescholden worden. - Eten en smullen. - 't Is gedurig gaan en komen. - Iemand bedreigen met galg en rad. - Gelaarsd en gespoord. - 't Moet altijd gelepeld en geboterd zijn (gepast). - Bij leven en

[p. 121]

welzijn. - Iemand kennen van haar tot pluim. - Vol haat en nijd zijn. - Daar zijn haken en oogen aan. - Hals over kop. - Met handen en voeten. - Have en goed. - Hij geeft om hel noch duivel. - Een leven, dat hooren en zien vergaat. - Een man van ijzer en staal. - Als kat en hond zijn. - Men moet kiezen of deelen. - Met koets en paard. - Het heeft kop noch staart. - Met kousen en schoenen in den hemel komen. - Lachen en boerten. - Iets wagen op leven en dood. - Mager en gezond. - Iemand man en paard noemen. - Bedorven in merg en been. - Moord en brand roepen. - Bij nacht en ontij. - Oud en wijs genoeg zijn. - Tusschen pot en glas spant de duivel zijn netten. - Proper en net. - Rust noch duur hebben. - Iemand snap en beet geven (bits antwoorden). - Slaven en wroeten. - Stellig en vast. - Vergaan tot stof en asch. - Loopen langs straten en wegen. - Op tijd en uur. - Verhuizen met tafel en bed. - Van toeten noch blazen weten. - Vast en zeker. - Met vedel en fluit. - Van iemands vleesch en bloed zijn. - Vloeken en zweren. - Vrede en peis (peis en vree). - Bij weêr en ontij. - Iets doen uit wrok en nijd. - Zang en dans, zang en spel. - Iemand niet kunnen zien of luchten (niet kunnen uitstaan). - Zonde en jammer.

Tot de algemeene faktoren, die invloed op den spreekwoordenschat van ons volk hebben uitgeoefend, behoort zeer stellig het bijbellezen; ik noem slechts: ‘waar het hart van vol is, loopt de mond van over’; - ‘die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in’ enz., zie b.v. Dr. E. Laurillard, Opgave en toelichting van spreuken en gezegden in de volkstaal aan den Bijbel ontleend (Amsterdam 1875), en C.F. Zeeman, Nederlandsche Spreekwoorden, spreekwijzen, benamingen en volksuitdrukkingen aan den Bijbel ontleend (Dordrecht 1877). Ook de invloed van Vader Cats en voorts van Betje Wolf, Aagje Deken e.a. is niet te onderschatten. Maar voor ons meer van belang dan het ontleende is het oorspronkelijke, meer dan het vreemde, het litteraire en kunstmatige, is het karakteristieke: wij bevinden, dat onze volks- en spreekwoorden

[p. 122]

en uitdrukkingen worden gekenmerkt door de eigenaardigheden van Frieschen, Saksischen en Frankischen volksaard, door vaderlandsche beroepen en bedrijven, door klimaat en gesteldheid van den bodem, door sociale invloeden van allerlei aard. Over het algemeen komt tot uiting een groote mate van praktisch-nuchter overleg, gepaard aan gulle trouwhartigheid.

Bij de Saksers met hun gesloten halle-huis weerspiegelt zich vooral het berekende en terughoudende in de gangbare spreekwijzen van het gewest. Ik geef enkele voorbeelden uit Twente:

't Mot nen grooten sprekkert wezen, diê 't nen zwiêgert verbettert.

In der tiêd, dat zich nen wiêsen bedenkt, kan zich ok nen gek bedenken.

Met fiêne leu en stofreggen, door woj met bedroggen.

Aj 'n ekster uutstuurt, krie 'j 'n bonte vogel weer in huus.

Aj 't gat oetleent, möj oet de ribben schiêten (al te goed is buurmans gek).

Leer um leer, kulst doe mij, ikke dij weer!

Ai-j twee slimmen in de wan doot, komp ter altied wal een slimmen boaven. Vgl. Driem. Bladen III, bl. 48; enz.

Maar ook, hoeveel innigheid en poëzie schuilt niet om den huiselijken haard onder het reuzendak van het halle-huis! Of is zij niet bij uitstek dichterlijk de uitdrukking, die men in Twente bezigt voor ‘als het wintert’: ‘as de witte bijen vleegt?’ Dit karakteristieke halle-huis vinden wij met al zijn onderdeelen in de spreekwoorden weer.

Het dak: Doar is te völ dak op 't hoes (er zijn te veel luisteraars).

De onderschuur: Wisse bis doe baas - in 't onderschoer as de hond er nig is (Denekamp).

De hilde (zoldering boven den koestal): Asset eenmoal op de gaffele hef, krigget ok wol op de hilde.

De haard: Ieder raakt de assche op ziênen kooken. - Den 't vuur schelt (mankeert), zoch 't in de assche. - An de pan sloan, dat 'n kettel der van rapt (grootspreken, ook wel lasteren).

[p. 123]

De gemoedelijke Graafschapper denkt bepaaldelijk aan het ekonomische voordeel, dat zijn haard met de ruime schouw hem biedt. Een voorn uitwerpen om een kabeljauw te vangen heet bij hem: ‘met een metwo(r)st noa een ziêje spek gooien.’ Het gelag betalen is ‘het haal schoeren’.

Men lette voorts op de groote rol, die de huisdieren spelen in het Saksische spreekwoord:

Wat hes door? ‘Niks’. Door kans de kat met doodvoeren.

Der um hen drêjen as de kat um 'n gleuinigen pap.

Ai-j de kat op 't spek bindt, dan wil het 't nich vretten.

Alles moêst, wat van katten komp.

Van 't hondengeleuve wezzen.

't Geet um as 't hondebiêten (op beurt).

Zoo drok, as de hond, di zeuven tellers te likken hef.

Armeleu ossen en riekeleu kinder bint vroo groot.

Nauwverwant zijn de Drentsche en Groninger spreekwoorden. Wat Drente betreft; ‘eerst bijna ontoegankelijk, later opzettelijk buitengesloten, lang op zich zelf aangewezen’, hier hebben uiteraard tal van oude zegswijzen het leven kunnen rekken; zie Dr. J. Bergsma, Woordenboek bevattende Drentsche woorden en spreekwijzen (Groningen 1906), I, passim, en voorts Drentsche Volksalman. 1839, bl. 185, 207 vlg. Veel poëzie mag men bij de stroeve bevolking der Drentsche veendorpen niet verwachten. Van iemand, die een blauwe scheen kreeg, heet het: ‘hij heeft het achterhek mede gekregen’; - iemand in gevaar brengen: ‘iemand het vuur op de hilde beuten’; - wie wil geven, maar liefst het geld in den zak houden: ‘hij wil poesten en houden het meel in den mond’; volgens schriftelijke mededeeling van zeer geachte zijde zou dit echter moeten zijn: ‘poesten en houden het meel in den zak’. Beteekenis: hij wil wel varkens houden, doch geen meel verbruiken; hij wil bij kleine hoeveelheden uit den meelzak nemen, er uit poesten of met den mond blazen, zóó weinig, dat de inhoud van den zak niet vermindert. Het gezegde betreft gierigaards. - De een is nog minder dan

[p. 124]

de ander vertolkt de Drentenaar: ‘huis is karnemelks borge’ (echter ook Veluwsch: Geldersche Volksalman. 1879, bl. 175). Typisch is vooral de zegswijze voor het begrip sterven: ‘de vork neerleggen’.

Uit een eigenaardigen trek, dien wij ontmoetten in de Drentsche volksgebruiken, b.v. te Weerdinge, Emmen, Meppel en Hoogeveen, bleek, hoezeer de bijenteelt in die streken in eere staat (I, bl. 329, 336). Dit getuigt ook het spreekwoord. Hoe meer voorspoed, hoe meer onwilligheid, kleedt men gaarne in dezen vorm: ‘hoe meer de iemen winnen, hoe helliger zij binnen’; - hoe meer werk, hoe meer verdienste, luidt: ‘hoe meer werk, hoe meer honig’; - wie wil verdienen, moet vaak het zure voor lief nemen: ‘die honig wil likken, moet lijden, dat de bijen hem steken’.

Bij de Groninger spreekwoorden en zegswijzen ontwaren wij vooral een gezond en typeerend realisme. ‘As-te Grönnegers 't lief vol (h)ebb'n, goan ze vot’, klinkt wel wat erg prozaisch. Maar ook ethisch-hoogerstaande spreekwijzen zijn niet zeldzaam, als: ‘'t is nou oart, moar 't zal wel voart wor'n’, gezegd van iemand, die in overmoed, uit overvloed geboren, versmaadt wat hij later zal moeten missen. Kerngezond van geest en taal, en gehard van lijf en leden, zóo zijn de echte Grönnegers: ‘frisch weer zegg'n ze nog, al klappertann'n ze van koalle’. Vgl. Driem. Bladen VI, bl. 118.

Het besliste, vastberadene, stugge Friesche karakter uit zich in den stelligen, gedrongen vorm der Friesche spreekwoorden. Ook vindt het zeemanswezen zijn weerklank.

Der iz modder oonne kloet (als de kloet veel gebruikt wordt, valt heel wat schoon te maken, dus: hier valt heel wat zuiver te maken. Ook wel gebruikt, als een jongen een meisje met geld trouwt).

Teecken je dij kaets (aan het kaatsspel ontleend: onthoud dit wel).

It is better te sparjen mei brea (brood), as sonder brea.

Hij makket schien fjild (hij maakt het veld schoon, verkoopt ontijdig, is een verkwister).

It giet oer koarren in klampen (het gaat alle maten te buiten,

[p. 125]

eigenlijk gezegd van het water, dat bij storm langs vele wegen het schip binnendringt).

Hâd je mar dom, den ben je frij fen pompen.

Dij het ien swiere boppelest (hij zeilt met een te zwaren bovenlast; wordt ook gezegd van iemand, die beschonken, die ‘topzwaar’ is).

Az de schippers sijllen, schoftjen se neat.

Al tijden isser op sijn afterschip (hij komt altijd te laat).

Aade tiercken (kerken) habbe tioestre glesfinsteren. -

Typisch om hun gedrongen kortheid zijn nog:

Quaelck won, quaelck spon (kwalijk gewonnen, kwalijk gesponnen).

Aad jold, aad hea, aad brae stiet ien wol to stae (oud goud, hooi, brood komt iemand wel te stade).

It hea op, in de kou dea (het hooi op en de koe dood, d.i. als de man sterft, is zijn goed opgeteerd).

Hij kin doeke noch swimme (hij kan duiken noch zwemmen, weet zich niet aan te passen, is maatschappelijk onbruikbaar).

Sa scheper, sa hoen (zoo schaapherder, zoo hond).

 

Hoe meer wij nu de zee naderen, westwaarts, in de richting van onze Hollandsche en Zeeuwsche laaglanden, waar het Friesch element zoo duidelijk valt waar te nemen, hoe meer de taal het afgepaste en stugge karakter verliest, hoe soepeler en smijdiger zij wordt in klank en uitdrukking. En toch waait ons krachtiger de frissche zeewind tegen en vindt het zeewezen een ruimer vertegenwoordiging. De volkstaal krijgt hier veeleer den stempel van eenigszins ruwe hartelijkheid, als van zeelieden, die den voet aan wal zetten; maar zij blijft frank en vrij, zonder slinkschheid en kronkelwegen, lijnrecht als de slooten en kanalen, die de polders talloos doorsnijden. De spreekwoorden der kultuurtaal zijn doorgaans van Hollandsche afkomst en het loont de moeite zich te overtuigen van den invloed, dien water en scheepvaart op onze spreekwoorden en zegswijzen hebben uitgeoefend. Moge een ander oordeelen, dat men het ijzer moet smeden, als het heet is, de Hollander beweert, dat ‘men moet

[p. 126]

zeilen, terwijl de wind dient.’ Maakt iemand veel verteringen, dan ‘haalt hij zijn zeil in top’; versukkelt hij zijn tijd, dan ‘gaat hij met de laatste schepen onder zeil’; inslapen is ‘onder zeil gaan’; toornig opstuiven ‘met opgestoken zeilen komen aanzetten’; bedaren is ‘het zeil inbinden’; en verder: ‘stijf onder zeil zijn’; - ‘achteruit zeilen’; - ‘klein zeil voeren’; - ‘zeil op iets maken’; - ‘een oog in 't zeil houden’; - ‘alle zeilen bijzetten’; - ‘iemand in de zijde zeilen’; - ‘met een nat zeil loopen’; - ‘langs den wal zeilen’; - ‘met zeilen voor den mast liggen’; - ‘bakzeil halen’; - ‘in iemands zeilen waaien.’ Ook bij huwelijksbeschouwingen speelt het zeil een voorname rol. ‘Een vrouwenhaar trekt meer dan een marszeil’, meent men; en wil het geval, dat een vrouw voor een man niet past, dan luidt de uitspraak: ‘dat is geen zeil voor dat schip.’

Laat ik nog enkele scheepstermen en zegswijzen in herinnering brengen. ‘Iemand aanklampen’; - ‘iemand afschepen, aftakelen, van bakboord naar stuurboord zenden’; - ‘iemand aan boord klampen, op sleeptouw nemen, in 't vaarwater zitten, een steek onder water geven’; - ‘het anker lichten, laten vallen’; - ‘roeien met de riemen, die men heeft’; - ‘tegen den stroom oproeien met de riemen die men heeft’; - ‘tegen den stroom oproeien’; - ‘in het riet sturen’; - ‘met de nachschuit komen’; - ‘leelijke streken op zijn kompas hebben’; - ‘aan het roer zitten’; - ‘de vlag strijken’; - ‘bijdraaien’; - ‘de huik naar den wind hangen’; - ‘voor de haaien zijn’; - ‘naar wal sturen’; - ‘kant noch wal raken’; - ‘aan lager wal zijn’; - ‘de beste stuurlui staan aan wal’; - ‘oude schepen blijven aan land’; - ‘uit-kaaien’; - ‘iemand aan den dijk zetten’; - ‘op 't droge zitten.’

Luide spreekt ook het visschersbedrijf. ‘Visschen, terwijl het water blond is’; - ‘een schelvisch uitwerpen, om een kabeljauw te vangen’; - ‘een visch (snoek) vangen’; - ‘visch moet zwemmen’; - ‘geen vin verroeren’; - ‘in troebel water is het goed visschen’; - ‘glad als een aal’; - ‘iemand aan zijn angel krij-

[p. 127]

gen’; - ‘geld (boter) bij de visch’; - ‘aan den haak slaan’; - ‘achter het net visschen’ - ‘het neusje van den zalm.’

Maar wie het Hollandsche landschap kent met zijn eindelooze, malsche weidevlakten, zijn slooten, zijn knotwilgen, zijn windmolens, zijn prachtig vee, begrijpt, dat nog andere tonen in de spreekwoorden der bevolking tot uiting moeten komen.

Op den heerlijken wintertijd met zijn nationaal ijsvermaak wijzen uitdrukkingen als: ‘het ijs breken’; - ‘zich op glad ijs wagen’; - ‘op oud ijs vriest het licht’; - ‘over ijs van éen nacht gaan’; - ‘beslagen ten ijs komen’; - ‘een scheeve (rare) schaats rijden’. Betrekking op den veestapel hebben: ‘de koe bij de horens vatten’; - ‘de koetjes loopen in mijn weiden’; - ‘zijn koetjes op het droge hebben’; - ‘over koetjes en kalfjes praten’; - ‘als de kalveren op het ijs dansen’; - ‘oude koeien uit den sloot halen’. Belangrijk is vooral de zegswijze ‘veel koeien, veel moeien’, niet slechts, omdat hier moeien bewaard is gebleven, het meervoud van moeie ‘moeite’, vergelijk het Hoogduitsche Mühe, maar meer nog, dewijl het vermogen in rijkdom aan vee berekend wordt.

Holland is ook het land van de windmolens: ‘dat is wind op zijn molen’; - ‘de molen is door den vang’ (de zaken loopen verkeerd); - ‘hij heeft een slag van den molen weg (beet); - ‘hij loopt met molentjes’. Maar Holland is vooral het waterland, ‘door den mensch ontwoekerd aan de zee,’ schrijft bewonderend Edmondo de Amicis, ‘een kunstland, door de Hollanders gewrocht, in stand blijvend, omdat de Hollanders het behoeden, verdwijnend, wanneer de Hollanders het prijs gaven.’ Bevat het spreekwoord ‘die 't water deert, die 't water keert’ niet heel wat volkswijsheid en historíe? Hier wordt het Hollandsche volk geteekend in zijn strijd met het vochtige element. Oudtijds moest, luidens dit spreekwoord, zich ieder tegen het water verdedigen, zoo goed hij kon. Het water te keeren, was aan ieders initiatief overgelaten, en niet zelden liepen de afzonderlijke belangen uiteen: het was de periode van het partikularisme. Maar de kracht van den enkeling bleek aldra

[p. 128]

onvoldoende tegen het geweld van storm en vloed. De noodzakelijkheid, bij gemeenschappelijk gevaar het water terug te dringen of af te leiden, eischte onverbiddelijk vele handen, ja eischte gemeenschappelijk handelen en deed de persoonlijke belangen terugwijken. Aldus leerden onze voorouders met kracht, uit eendracht geboren, te handhaven het erfdeel hunner vaderen. - Wat zal nu in verband met deze ontwikkelingsgeschiedenis de beteekenis zijn van dat andere spreekwoord ‘Gods water over Gods land (akker) laten loopen’? De oorspronkelijke zin kan m.i. niet zijn een laf en lijdelijk toezien, maar, na volbrachten plicht, kalme berusting in Gods wil. En vooraleer het Nederlandsche volk die vrome, niet loome berusting verliest, kan er nog heel wat water door den Rijn, de Waal, de Maas, de Schelde loopen.

Het water leerde ons volk arbeidzaamheid en zindelijkheid tevens; immers het steeds en aldoor weer schuren van huisraad en ander koper- en ijzerwerk vindt zijn oorzaak in de vochtigheid van het klimaat. Arbeidzaamheid en zindelijkheid zijn een tweeling-karakter-trek onzer natie, een trek, die zijn oorzaak vindt in het vochtige element en zoo voortreffelijk, kort en krachtig, belichaamd wordt in het spreekwoord, dat wij het Hollandsche zouden willen noemen bij uitstek: Rust Roest. - En mag ik voor Zeeland in het bijzonder nog eens herinneren aan het welverdiende: ‘goed rond, goed Zeeuwsch.’

Bij de zuidelijke Franken, in Brabant, Limburg, de Lijmers, de Overbetuwe, het Land van Maas en Waal en het grootste deel van België, wordt de spreekwijze losser en levendiger, vertoont zij meer sprankelend vernuft en humor, meer kleur en poëzie. Wij trekken ons nu van de zee terug en gaan door het wuivende graan en de geurende boekweitvelden, langs de blonde oevers van Maas en Schelde, of door het zonnige, lachende heuvelland langs moeizame kronkel-paadjes, of over de eindelooze, golvende Brabantsche wegen. Wellicht ontmoeten wij op onze wandeling een vroolijke verhuispartij, of een bruiloftsstoet met vedel en trom, of zijn wij getuigen van den fieren uittocht eener zelfbewuste schuttersgilde naar het feestterrein, of

[p. 129]

mogen wij aanzitten aan een welvoorzienen kermisdisch. Want gulle gastvrijheid viert hier hoogtij, en evenzeer gulle vroolijkheid, ja uitgelatenheid, terwijl jolige scherts de overvloedige gerechten rijkelijk kruidt.

Hoe spiegelt zich dit drukke, landelijke, feestelijke leven in spreekwoorden en zegswijzen:

Alles op tiêd en bookeskook (boekweitkoek) in den herfs.1)

Hê it, dette zweit, en hê werk, dette kald wuurd.