terug  begin  verderprepost
[p. 121]

Hoofdstuk 6
Rechtsproblemen en oplossingspatronen

6.1De inventarisering van rechtsproblemen
6.2Welke mensen hebben welk soort rechtsproblemen?
6.3Wie is de tegenpartij?
6.4Naar welke instanties gaan mensen met hun problemen?
6.5Hoe wordt de geboden hulp beoordeeld door de hulpzoekenden?
6.6Welke mensen helpen zichzelf?
6.7De afloop van de rechtsproblemen
6.8Samenvatting
[p. 123]

6.1 De inventarisering van rechtsproblemen

Wanneer kan men spreken van een rechtsprobleem? Heeft men voor elk rechtsprobleem een advocaat nodig? Hoe onderscheidt men ernstige van niet-ernstige rechtsproblemen? Deze drie eenvoudige vragen duiden de methodologische moeilijkheden aan, waarmee een onderzoeker wordt geconfronteerd wanneer hij bij respondenten rechtsproblemen wil opsporen. Over dit probleem van de definiëring van rechtsproblemen maken wij drie inleidende opmerkingen.

a.Als mensen met een of andere kwestie zelf naar een rechtshulpverlener gaan, is het plausibel om die kwestie een rechtsprobleem te noemen. Men kan deze stelling echter niet omkeren. Als mensen niet naar een rechtshulpverlener gaan, is dit nog geen overtuigend bewijs dat ze dan ook geen rechtsproblemen hebben.
b.Als het waar is, zoals Carlin en Howard stellen, dat veel mensen er weinig of geen idee van hebben of iets wel of geen rechtsprobleem is, dan zal dit het nog moeilijker maken om er achter te komen of mensen op de een of andere manier met rechtsproblemen zijn geconfronteerd.
c.Er bestaat een traditionele opvatting over rechtsproblemen, als de problemen die de betrokkene zelf aanbrengt bij een advocaat. Deze opvatting leidt tot een in meerdere opzichten beperkte definitie van rechtsproblemen. De advocaat gaat immers (evenals bijna alle andere rechtshulpverleners) niet naar de mensen toe. Hij is lijdelijk en wordt niet geacht uit eigen beweging bekendheid te geven aan zijn werkzaamheden. Hierdoor wordt de traditionele opvatting over wat rechtsproblemen zijn, in sterke mate bepaald door de problemen waarbij de inschakeling van een advocaat bij wettelijk voorschrift verplicht is gesteld. Ook is er in die opvatting minder aandacht voor de typische problemen van die groepen mensen, die niet zelf het initiatief nemen op te treden tegen (vermeende) inbreuken op hun rechten. Dit is met name het geval bij de minder draagkrachtigen. Het heeft tot gevolg dat er minder aandacht is voor de manier waarop hun problemen met het recht in verband gebracht kunnen worden (Marks 1971: 3). De lijdelijkheid van de advocatuur en de sociaal-economisch bepaalde passiviteit van deze groepen vormen als het ware een cumulerende belemmering om hun problemen als rechtsproblemen te zien.

Marks, die door de American Bar Foundation en de OEO gesteund onderzoek deed naar de behoefte aan rechtshulp, ziet een te eenvoudige kijk op wat een probleem tot een rechtsprobleem maakt als een van de belangrijkste hinderpalen voor een goede en gelijke rechtsbedeling.

‘The failure to rest the debate about type of service and delivery on a more basic inquiry into the nature of the poor's need for legal services results, in part, from a simplistic view of what constitutes a legal response to a problem, and what role legal services play in conditioning identification of legal problems and responses. Legal need is assumed to be readily ascertainable. This simplistic view has historical antecedents in the traditional legal aid approach and in the assumptions inherent in the common law process which relate to equal and autonomous competence to state injury and to specify the relief sought.’ (1971: 1).
[p. 124]

Nieuwe vormen van rechtshulpverlening, met name de door het ‘OEO legal services program’ opgezette bureaus in de Verenigde Staten, de Neighbourhood Law Centres in Engeland en de wetswinkels in Nederland hebben de traditionele opvatting over rechtshulp opengebroken door nieuwe of andere problemen ook als rechtsproblemen aan te merken en in die gevallen hulp te gaan verlenen. De vaststelling, dat een probleem als een rechtsprobleem gezien moet worden, kan afhankelijk zijn van de organisatorische en sociale context, waarbinnen het probleem zich voordoet. Is een permanent lekkend dak een probleem voor de timmerman of voor de jurist? Is de ondertekening van een huurcontract een rechtsprobleem? Of wordt het pas een rechtsprobleem als het contract erg ingewikkeld is? Is een meningsverschil tussen burger en overheid over het al of niet toekennen van een uitkering een rechtsprobleem?

Als burgers in staat zijn in zulke probleem- of conflictsituaties zichzelf te redden en zelf een oplossing na te streven en te bereiken, kan men wel zeggen dat zich een rechtsprobleem voorgedaan heeft. Maar dat is dan een rechtsprobleem, dat niet geleid heeft tot een behoefte aan rechtshulp. Er is met andere woorden een relatie tussen het constateren van rechtsproblemen, het vermogen zichzelf te helpen en de behoefte aan rechtshulp. Dit vermogen zichzelf te helpen is in de verschillende sociale lagen en voor verschillende individuen verschillend. Is men in hoge mate in staat zichzelf te helpen (self-help), dan heeft men minder behoefte aan rechtshulp. Een gering vermogen zichzelf te helpen schept juist meer behoefte, ook al gaat het om dezelfde rechtsproblemen. Om nu deze onderlinge relaties tussen rechtsproblemen, self-help en behoefte aan rechtshulp in kaart te brengen, achten wij het nodig uit te gaan van een ruime definitie van rechtsprobleem: een definitie die meer bevat dan de problemen die met de hulp van zich daartoe aandienende instanties kunnen worden behandeld.

Een voor de hand liggende definitie van ‘rechtsprobleem’ is er een die verwijst naar de mogelijkheid om via rechtsregels een zich voordoend probleem op te lossen. Enkele onderzoekers, die met dit definitieprobleem geworsteld hebben, zochten hierin een uitweg. Zo vonden Abel-Smith e.a. de volgende oplossing:

‘We decided to concentrate on a range of problems that were legal in the sense that the law provides a solution or framework of rules for solving them. Some were matters which would be considered “legal” by any definition, such as the purchase of a house or having an accident giving rise to personal injuries. Others were problems in which lawyers have traditionally played little part such as disputes over entitlements to social security benefits.’ (Abel-Smith e.a. 1973: 110).

Een Amerikaans onderzoek gaf de volgende omschrijving:

‘A legal problem was defined as a situation which, by common agreement is capable of legal resolution, or a situation in which a lawyer's services could have a possible mitigating effect. An individual defined a situation or problems as legal if he saw either of these dimensions - legal resolution or the use of a lawyer's services for possible mitigating. The legal dimension of the problem does not have to be exclusive. A
[p. 125]
legal problem may be capable of alternative modes of resolution or mitigation. Further legal resolution of a problem does not depend on the use of a lawyer's services.’ (Marks 1971: 4-5).

Het feit dat in het Engelse onderzoek het kopen van een huis zonder meer een ‘rechtsprobleem’ wordt genoemd, houdt ongetwijfeld verband met de verplichte inschakeling van de solicitor, die behalve bij transacties in onroerend goed en het opmaken van testamenten ook bij echtscheidingen en in strafzaken rechtshulp verleent. In Nederland, waar bij het kopen van een huis een aparte functionaris, de notaris, wordt ingeschakeld, ziet men die rechtshandeling lang niet altijd als rechtsprobleem. Ook wij zijn bij de opzet van dit onderzoek stilzwijgend van deze veronderstelling uitgegaan.

Dit geeft iets aan van de moeilijkheid om het begrip rechtsprobleem adequaat te operationaliseren. Waar ligt het onderscheid tussen rechtshandelingen in het algemeen en rechtsproblemen? Eenvoudige rechtshandelingen zoals het kopen van een brood worden noch als probleem ervaren noch als juridisch gepercipieerd. Maar geldt dit ook voor rechtshandelingen van ingewikkelder aard of voor rechtshandelingen waar advocaten om advies worden gevraagd zoals voor het sluiten van een maatschapscontract? Er is een glijdende schaal van eenvoudige, probleemloze rechtshandelingen en juridische interacties via situaties die op een of andere manier iets problematisch hebben voor sommige of alle betrokken personen of partijen, probleem-geladen situaties, naar problemen en directe conflicten. Een probleem-geladen situatie hoeft nog niet per se uit te lopen op een probleem of een conflict. Veel hangt hierbij af van de manier waarop in zo'n situatie wordt gereageerd of gehandeld en van de mate van self-help. Wat voor de één een eenvoudige rechtshandeling is, kan voor een ander reeds een probleemgeladen situatie zijn. De een behelpt zich op eigen kracht bijvoorbeeld bij het reclameren als een gekocht voorwerp gebreken vertoont of bij het aanvragen van een sociale verzekeringsuitkering, een ander heeft voor precies dezelfde handelingen deskundige hulp nodig.

Het construeren van een dergelijke schaal van eenvoudige rechtshandeling tot direct conflict biedt het voordeel dat hiermee explicieter gemaakt kan worden welke problemen door ons als rechtsprobleem werden beoordeeld en welke situaties door ons niet als rechtsprobleem werden aangemerkt. Want een van de zwakke punten van de engelse definitie van rechtsproblemen ligt in de veelomvattendheid van de omschrijving ‘problems that were legal in the sense that the law provides a solution or framework of rules for solving them.’ Bij die omschrijving kunnen zeer veel situaties in principe onder het begrip rechtsprobleem vallen, alleen al omdat de afloop van vele situaties bereikt wordt via de toepassing van rechtsregels, waar dus het recht a.h.w. de oplossing aanreikt. Koop van een huis of het maken van een testament vallen inderdaad onder die omschrijving zelfs als de handeling soepel en bijna automatisch verloopt. In zekere zin beperkten de engelse onderzoekers toch weer hun reikwijdte van rechtsproblemen door bij hun omschrijving van ‘behoefte aan rechtshulp’ als criterium de mate van verlies of hinder, last of onlust aan te leggen.

‘We decided that there was a need for advice whenever its absence created a genuine danger that the citizen might suffer substantial loss or disadvantage. We decided moreover to count the probability
[p. 126]
of worry and nervous tension as part of loss or damage.’ (Abel-Smith e.a. 1973: 111).

Hier wordt impliciet een directe relatie gelegd tussen rechtsproblemen en de behoefte aan rechtshulp, terwijl wij zojuist gesteld hebben dat self-help een belangrijke tussenschakel vormt. Het lijkt ons derhalve adequater de gevallen, waarin men zelfstandig een oplossing heeft bereikt, toch als ‘rechtsprobleem’ te kwalificeren, ondanks het feit dat er geen hulpverleners aan te pas komen. Dit lijkt ons niet alleen theoretisch juister. Het biedt ook praktische mogelijkheden: het stimuleren van self-help als een van de middelen ter vermindering van de behoefte aan rechtshulp. Het geeft bovendien meer inzicht in de manieren waarop mensen probleemsituaties oplossen.

De operationele afbakening van rechtsproblemen: van klacht tot cassatie

Bij de omschrijving van situaties, die wij in ons onderzoek als ‘rechtsprobleem’ hebben aangemerkt, kunnen wij gebruik maken van het hieronder uitgewerkte begrippenschema.

Ten eerste wordt in dit schema gelet op kenmerken van de situatie. Vier typen situaties hebben wij onderscheiden:

1)het probleemloos verrichten van rechtshandelingen: verzoeken, die automatisch worden ingewilligd, soepel verlopende juridische interactie
2)probleemgeladen situaties: incidenten, voorvallen, botsingen, die echter vrijwel vanzelf weer worden opgelost; informatie-tekorten over een bepaalde rechtspositie
3)probleemsituaties: situaties, waarin incidenten, voorvallen, probleemgeladen situaties enige last bezorgen, hinder of irritatie geven; situaties waarin klachten worden geuit over de loop of de afloop van de situatie; een geuite behoefte aan informatie
4)conflictsituaties: situaties, waarin twee partijen niet met elkaar verenigbare doeleinden nastreven en elkaar met bepaalde middelen bestrijden

Deze vier situaties zijn als een oplopende schaal te beschouwen. Er kan escalatie optreden. Wanneer bijvoorbeeld in een probleemgeladen situatie niet adequaat wordt gereageerd kan de situatie zich verergeren. Men komt in problemen. Een probleemsituatie kan zich vervolgens tot een conflictsituatie transformeren. De oplossingsmogelijkheden verschillen in deze vier typen situaties. In een probleemgeladen situatie kan men nog alle kanten uit. Het zal vaak - niet altijd - een taak van de rechtshulpverlening zijn om in bepaalde situaties te de-escaleren en conflicten tot meer hanteerbare proporties terug te brengen.

Ten tweede wordt in ons schema gelet op de manier waarop in de verschillende situaties wordt opgetreden: wordt er geen of wordt wel rechtshulp ingeroepen? Als er geen rechtshulp wordt ingeroepen, lost men dan zelfstandig een bepaald probleem of conflict op? Treedt men zelfstandig op in probleemgeladen situaties? Als er rechtshulp wordt ingeroepen, welke vorm van rechtshulp ontvangt men dan: advies en informatie, bemiddeling, begeleiding en service, vertegenwoordiging in en buiten rechte? De hier gebruikte begrippen willen wij als volgt omschrijven:

a)geen self-help: er wordt geen enkele actie ondernomen; ook wordt geen rechtshulp ingeroepen
[p. 127]
b)self-help: hinderlijke situaties worden al of niet naar tevredenheid op eigen initiatief en op eigen kracht afgewikkeld
c)informatie: het verstrekken van eenvoudige gegevens aan een rechtshulpzoekende;
advies: het geven van raad bij een door een cliënt te nemen beslissing
d)service: het verlenen van eenvoudige diensten, zoals het invullen van een formulier of het opstellen van een brief, het opstellen van een verweerschrift;
begeleiding: een langdurige en permanente vorm van service;
bemiddeling: het tot stand brengen van een contact tussen een rechtshulpzoekende en het orgaan dat hem in zijn situatie van dienst kan zijn
e)vertegenwoordiging in en buiten rechte: het optreden namens een cliënt, het namens de cliënt contact opnemen met de tegenpartij, het voeren van procedures voor enigerlei instantie.

Bij het wel of niet inroepen van rechtshulp is in zekere zin ook sprake van escalatie. Het inroepen van rechtshulp duidt vaak op een iets zwaardere probleemsituatie. Daarnaast is service, begeleiding en bemiddeling een zwaardere vorm van hulpverlening dan informatieverschaffing. In de schaal van advies via begeleiding naar vertegenwoordiging komt het initiatief voor de afwikkeling van een bepaalde zaak in meerdere mate te liggen bij de hulpverlener. In sommige gevallen is wegens de complexiteit van de situatie of als gevolg van een wettelijk voorschrift vertegenwoordiging door een advocaat onontkoombaar. Er is een mogelijke samenhang tussen de escalatie langs de lijn van probleemgeladen, via probleem- naar conflictsituatie en de escalatie in type rechtshulp. De scherpste conflicten maken vaak procesvertegenwoordiging onvermijdelijk. Het bovenstaande kan in het volgende schema worden weergegeven:

illustratie

Enkele voorbeelden van situaties in de verschillende cellen van het schema:

1a:het kopen van een brood
1b:het insturen van een eenvoudig formulier
1e:het kopen van een huis, voorzover dit vrijwel vanzelf verloopt
2b:het zelf oplossen van schadevergoeding na een verkeersongeval
[p. 128]
2c:informatie vragen over een werkloosheidsuitkering of over de positie van een onderhuurder
2d:brief opstellen met een verzoek aan de gemeente
2e:echtscheiding, waarbij partijen het volledig met elkaar eens zijn
3a:behoefte aan informatie over een concrete juridische kwestie
3b:zelf gaan praten, brieven schrijven
3c:verzoek om inlichtingen
3d:met behulp van rechtshulpverlener een bepaalde uitkering aanvragen
3e:het voeren van schikkingsonderhandelingen
4a:zonder meer berusten in een duidelijk conflict
4b:zelf een proces voeren voor de kantonrechter
4c:vraag over rechtspositie van onderhuurder in een acuut huurconflict
4d:het indienen van een bezwaarschrift
4e:echtscheiding, waarbij partijen het niet eens zijn, een proces om schadevergoeding

In het schema hebben wij twee drempels aangegeven. De drempel van geen rechtshulp naar wel rechtshulp en de drempel van probleemgeladen situatie naar probleemsituatie. Met behulp van deze twee drempels zijn wij in staat aan te geven welke situaties wij in ons onderzoek als ‘rechtsprobleem’ hebben aangemerkt:

(1) alle probleem- en conflictsituaties en (2) alle probleemgeladen situaties, voorzover in die situaties - al of niet wettelijk verplicht - de hulp was ingeroepen van een rechtshulpverlener (het gebied beneden de zwarte balk). Als dus bijvoorbeeld bij een echtscheiding een advocaat was ingeschakeld, werd dit als rechtsprobleem geteld, ook als de partijen zelf de situatie niet echt als ‘probleem’ ervaarden. Deze situatie kan ons inziens wel als een probleemgeladen situatie worden beschouwd, omdat de juridische interactie op een bepaald moment toch weer kan escaleren. De rechtspraktijk geeft genoeg voorbeelden van escalaties van een ogenschijnlijk rustige interactie naar hevige conflicten.

Wij hebben situaties niet als rechtsprobleem geteld (1) als probleemgeladen situaties vrijwel vanzelf werden opgelost (bijvoorbeeld de automatische afhandeling van een verkeersschade door een verzekeringsagent, het per giro voldoen van een bekeuring) en (2) als bij het verrichten van een rechtshandeling een wettelijke verplichting bestond om een notaris in te schakelen zonder dat deze situatie voor de betrokkenen enige moeilijkheden opleverde, bijvoorbeeld de overdracht van een huis. De koop van een huis werd weer wel als ‘rechtsprobleem’ geteld als bijkomende moeilijkheden zich voordeden, bijvoorbeeld wanneer de aannemer failliet gegaan was en het huis nog niet was afgebouwd. In die situatie is het ‘probleemloze’ van een rechtshandeling verloren gegaan.

Het bovengenoemde schema kan bovendien nuttig zijn bij het formuleren van oplossingen van de leemte in de rechtshulp. Het schema vertoont een escalatie in twee richtingen. De oplossing van het vraagstuk van de rechtshulp kan men derhalve in tegenovergestelde richting zoeken: (1) door het zoveel mogelijk bevorderen van self-help, waardoor relatief dure rechtshulp wordt vervangen door de goedkopere vorm van zelfstandig af te wikkelen problemen en (2) door conflictsituaties zoveel mogelijk te de-escaleren. In dit verband wordt cel 2b van het schema van bijzonder belang. Naarmate men-

[p. 129]

sen zich in probleemgeladen situaties beter en zelfstandiger kunnen redden, wordt enerzijds voorkómen, dat deze situaties snel tot probleem- en conflictsituaties escaleren, en wordt anderzijds voorkómen, dat in alle situaties (professionele) rechtshulpverleners moeten worden ingeschakeld.

Het is van belang bij dit schema erop te wijzen dat het hierbij gaat om de subjectieve beoordeling door de burgers zelf. Zo is het invullen van een formulier om een bewijs van onvermogen aan te vragen voor velen een ‘eenvoudige’ (rechts)handeling, zeker in de ogen van advocaten. Al zullen veel advocaten dat formulier nog nooit gezien hebben. Toch bleek in ons onderzoek dat de S.O.S.-telefoondienst te Heerlen bij herhaling hielp om dit formulier in te vullen: hulpverlening bij het verzoek om (rechts)hulpverlening. Het blijven lekken van een aanrecht is voor velen ‘geen rechtsprobleem’, wel echter voor het bejaarde echtpaar uit ons onderzoek, dat er een bijna onoverkomelijke hinder van ondervond en bovendien niet wist hoe de woningbouwvereniging er toe gebracht kon worden om de toegezegde reparaties uit te voeren.

De operationele afbakening vond plaats bij de scheiding tussen incidenten en voorvallen die soepel en zonder verdere moeilijkheden verliepen en incidenten en voorvallen die op een of andere wijze last, hinder of onlust gaven. De ondervraagde personen uitten dit vaak via een klacht of een reeks van gegeneraliseerde klachten. Een veel voorkomend voorbeeld vormde hierbij de verkeersschade's. Wanneer na een aanrijding en de aangifte bij de verzekering een automatische afwikkeling van de schadevergoeding volgde, werd zo'n voorval of incident - soms letterlijk een botsing - niet als rechtsprobleem gekwalificeerd. Bleef de schadevergoeding echter uit, moest de persoon in kwestie nogmaals in de pen klimmen, enkele malen opbellen, dan werd dit voorval wel als ‘rechtsprobleem’ gekwalificeerd, ook als de uiteindelijke afloop tot tevredenheid stemde. Het geval werd dan in zijn verloop en afloop zo volledig mogelijk opgeschreven. Evenzo werd de koop van een huis of het maken van een testament, als daar in de beschrijving van de respondent verder geen enkele nasleep of probleem aan vast zat niet als rechtsprobleem gekwalificeerd. Zo ook bij het verzoeken en probleemloos verkrijgen van uitkeringen, voor zover daar geen hulp van derden bij te pas kwam. In zekere zin bestrijkt de verzameling rechtsproblemen in ons onderzoek als het ware het gehele terrein van klacht tot cassatie. Dit werd niet zozeer gedaan om het aantal geconstateerde ‘rechtsproblemen’ hoog uit te laten vallen, als wel om op deze manier via een analyse van verloop en afloop van een groot aantal van dergelijke problemen en probleempjes, incidenten en voorvallen, conflicten en rechterlijke procedures, meer inzicht te krijgen in gestandaardiseerde en geroutiniseerde manieren van probleemoplossing bij diverse personen en groepen. We gingen ervan uit dat het op het spoor komen van dergelijke processen van probleemoplossing nieuw licht zou kunnen werpen op de problematiek van de toegang tot de rechtshulp.

De verzameling rechtsproblemen werd verkregen op de in hoofdstuk 4 beschreven wijze: 1) via de vraag of de respondent de afgelopen jaren rechtsproblemen had ondervonden; 2) via de checklist van rechtsbetrekkingen, en 3) via een tiental hypothetische juridische conflict- en probleemsituaties. De operationele afbakening, welke van de tijdens het interview gememoreer-

[p. 130]

de gevallen wel en welke niet door ons als rechtsprobleem werden gekwalificeerd, geschiedde na afloop van elke interviewperiode. Elk van de interviewers schreef de in zijn interviews ter sprake gekomen rechtsproblemen op speciale kaarten (protocollen). Op elk van deze kaarten werden zo veel mogelijk de volgende aspecten van het probleem vermeld:

-tijdstip waarop het probleem zich voordeed en tijdstip van afloop
-van wie was het rechtsprobleem?
-wat was de aard van het rechtsprobleem: op welke rechtsgebied lag het?
-wie was de tegenpartij?
-naar welke personen (kennissen, vrienden, familie) of naar welke instantie is men gegaan ter oplossing van het probleem?
-volgorde waarin deze hulpverleners werden ingeschakeld
-wat voor hulp werd geboden door elk van de ingeschakelde instanties?
-oordeel over de geboden hulp
-hielp men zichzelf en zo ja, op welke manier?
-afloop of de stand van zaken
-oordeel over de afloop.

Soms bestond de beschrijving van het probleem uit slechts enkele zinnen. Niet altijd waren alle hiergenoemde aspecten aanwezig. Als voorbeelden van dergelijke beschrijvingen geven we hier de tekst van enkele protocollen.

010/1964

Ik had een wasmachine gekocht van iemand aan de deur: handtekening gezet en 10 gulden aanbetaald. Toen die man weg was had ik meteen al een geweldige spijt. De wasmachine werd bezorgd. Er volgde een stroom van dreigbrieven van de kant van de verkoper maar ook van een incassobureau.

Advies gevraagd aan een neef die bij de politie is. Die zei nooit betalen. Uiteindelijk na een half jaar werd de machine weer weggehaald.

060-1/1965

De aannemer van de bouw van mijn huis dreigde failliet te gaan.

In onderling overleg met de aannemer, een advocaat, die de aannemer kende, een contractje laten opstellen dat alle materialen op de bouw bij faillissement niet in beslag genomen konden worden. Weet niet meer wat het me gekost heeft, maar veel was het in ieder geval niet. Ik werd in ieder geval goed geholpen.

111-1/1961

Ontslagmoeilijkheden van zoontje. Had als 15-jarige een baantje. Kreeg ontslag. Toen advies gevraagd aan chef van het bedrijf waar ik (vader) werkte. Daarna politie ingeschakeld. Ben zelf bij de reservepolitie.

161-4/1974

Mijn broer is kort geleden dodelijk verongelukt. We wilden weten of mijn schoonzuster recht op smartegeld had.

Vier weken na het ongeval hadden we besloten een advocaat om raad te vragen. Ik ben rechtstreeks naar Mr. X toe gegaan. Er wordt veel over hem gesproken. Het zou een goede zijn. De advocaat had na een gesprek van 20 minuten toegezegd de nodige gegevens te zullen opvragen. Enkele dagen later kwam de rekening van ƒ 870, -.

(Interviewer: het ging hier waarschijnlijk om een voorschot).

Daar had die advocaat, niet Mr. X, maar zijn assistent niet over gesproken. Ik heb toen meteen gezegd: stoppen. Maar mijn schoonzuster had van de zenuwen dat geld al be-

[p. 131]

taald, voordat ik het kon voorkomen. Ik vond dat zeer onredelijk van die advocaat. Vanwege de kosten zou ik voor zo'n zaak niet meer naar een advocaat gaan.

210-2/1975

De dienstwoning, die ik bewoon wordt zeer slecht onderhouden, ondanks herhaaldelijk verzoek van mijn kant om de boel op te knappen.

Ik durf de huurcommissie niet in te schakelen. Want ik wil geen conflict met mijn werkgever riskeren.

260-4/1973

Op een tentoonstelling had ik informatie gevraagd over een verwarmingsketel. Een week later kreeg ik een orderbevestiging thuis. Kort daarna werd per aangetekende brief de levertijd opgegeven. Ik had echter helemaal niet gekocht. Ik kon dat ding dat een paar duizend gulden kostte ook helemaal niet betalen.

Eerst dacht ik, dat ik niets hoefde te doen, omdat ik niet had getekend. Maar toen er maar aangetekende brieven bleven komen, heb ik aan mijn Bond (ABTB) het adres gevraagd van hun advocaat. Die heeft me gezegd, wat ik terug moest schrijven. Daarna heb ik er nooit meer wat van gehoord. Die advocaat was kosteloos. Inbegrepen in contributie voor ABTB. Ik heb er echt wat aan gehad.

310-3/1974

Ik wilde weten, of ons kamerverhuurbedrijf onder de huurbeschermingswet viel.

Gevraagd aan de toegevoegde advocaat, die ons huurproces behandelt. Die kon niet direct antwoord geven. Ik ben toen even naar de sociaal raadsman gegaan. Achteraf bleek, dat onze advocaat het beter wist dan de sociaal raadsman.

360-2/1973

Burengerucht. Bovenbuurman in flat speelde piano; overlast. Volgens de regels van de bouwvereniging is overlast met muziekinstrumenten verboden.

Klacht bij de bouwvereniging; via deze briefwisseling met de bovenbuurman. Met hem viel niet te praten.

Toen naar de wetswinkel van de ASVA om rechtshulp. Dit verliep onbevredigend; aan het advies had ik niets.

Probleem niet opgelost.

410/1956

(Rotte) VW-bus gehuurd om in Duitsland op vakantie te gaan. Panne bij Frankfurt; bus daar naar VW garage gebracht. De ADAC (Duitse ANWB) werd ingeschakeld: die stuurde een expert. Deze maakte zowel vóór als ná de reparatie een rapport op en bovendien bevestigde hij dat het onverantwoord was om met een ongerepareerde bus verder te rijden.

Kosten reparatie DM 1600,-.

Terug in Nederland wilde de verhuurder dit niet vergoeden.

Huurder van de auto was mijn broer.

Mijn vader had positieve ervaring met een advocaat: deze werd dan ook in de arm genomen.

Hij heeft alles voor elkaar gemaakt. Tijdsduur: 1 jaar.

Kosten: weet ik niet: mijn broer was in feite de huurder.

460-3/1963

Omdat ik ziek was en in het ziekenhuis lag, wilde mijn man me 's avonds bezoeken. Toen mijn man aan zijn baas vrij vroeg voor een avond kreeg hij als antwoord: met uw privé problemen heb ik niets te maken. Toen ontstond er een strubbeling en werd hij wegens werkweigering ontslagen.

Naar de rechtskundig adviseur van de C.P.N. Deze zorgde ervoor dat mijn man zijn loon doorbetaald kreeg tot hij een andere baan had.

[p. 132]

Het voordeel van de door ons gevolgde werkwijze ligt ons inziens vooral in het feit dat nu via een grote hoeveelheid rechtsproblemen en daarbij behorende door individuele personen ondernomen oplossingspogingen relaties konden worden gelegd tussen rechtsproblemen, individuele eigenschappen of kenmerken van die personen en kenmerken van hulpinstanties. Hieruit kunnen profielen van oplossingsstrategieën, vaste en geroutiniseerde oplossingspatronen worden gedestilleerd. Tevens wordt de plaats, die de diverse hulpinstanties in deze oplossingspatronen innemen, in kaart gebracht.

Volledigheidshalve mogen ook de nadelen, gevaren en bezwaren, die aan deze methode verbonden zijn niet ongenoemd blijven. Op vijf gevaren gaan wij nader in: (1) onderrapportering (2) toerekening van het rechtsprobleem aan een bepaald individu (3) selectieve werking van het geheugen van de diverse ondervraagden (4) overrapportering (5) interviewerseffect.

(1) onderrapportering

Stolz (1968: 3) wees in zijn kritiek op een aantal rechtshulponderzoeken op het feit dat in deze surveys in vergelijking met officiële statistieken weinig problemen gerapporteerd werden op het gebied van strafzaken, echtscheidingen of onwettige kinderen. Men kan de kans berekenen, dat in een representatieve steekproef een bepaald aantal echtscheidingen, strafzaken e.d. zal voorkomen. Valt dit aantal in de onderzochte steekproef lager uit, dan heeft de gevolgde methode geen beschrijving opgeleverd van de rechtsproblemen die zich werkelijk hebben voorgedaan. De verklaring voor dat verschil is dat sommige mensen liever niet over een aantal zaken of ervaringen willen spreken. In één interview kwam een duidelijk voorbeeld hiervan voor. Op de vraag van de interviewer of de ondervraagde wel eens contact had gehad met een rechtbank werd ja geantwoord. Toen de interviewer vervolgde met ‘Mag ik u vragen om wat voor een zaak het ging?’, antwoordde de ondervraagde met ‘nee, daar wil ik niet over spreken’. In dergelijke gevallen werd de wil van de ondervraagden gerespecteerd en werd niet verder aangedrongen. Het wel of niet ter sprake komen van dergelijke vaak emotioneel geladen onderwerpen hangt ook af van de interviewsituatie en van het feit of de interviewer enig vertrouwen weet te verkrijgen. In een ander interview, waarin de ondervraagde aanvankelijk niet wilde vertellen waarvoor hij een advocaat had ingeschakeld, werd na ongeveer anderhalf uur die zaak door de ondervraagde zelf weer in het gesprek gebracht. Het betrof hier een vaderschapsactie. Soms werden pas nádat de interviewer papier en potlood had opgeborgen door de ondervraagde zijn ernstige problemen ter sprake gebracht. Onderrapportering van rechtsproblemen wordt ook veroorzaakt door weigeringen om aan het onderzoek mee te doen, voorzover de reden van de weigering samenhing met het onderwerp van het onderzoek. Dit is verschillende malen in ons onderzoek voorgevallen. Vooral wanneer mensen ‘recht’ associëren met iets waar je vandaan moet blijven, waar je niet mee te maken moet krijgen, als iets wat op je afkomt. Dat het recht ook faciliterende functies heeft - de rechtshulp is daarvan een goed voorbeeld - bleek vaak pas in de loop van het interview aan vele ondervraagden duidelijk te worden. Recht wordt door velen geassocieerd met strafrecht en in veel mindere mate met huur, bescherming, studie-

[p. 133]

beurzen, uitkering e.d. In deze publieke voorstelling van wat recht is, ligt tevens één van de cultureel verankerde hindernissen om de toegang tot het recht te verbeteren. Een verandering van de beeldvorming over het recht in onze moderne samenleving is een voorwaarde voor een blijvende verbetering van de toegang tot het recht. Dit beeld van het recht varieert naar sociale laag in die zin, dat lagere sociale lagen vaker dwangmatig dan faciliterend in contact met het recht komen. De uitdrukking ‘in aanraking komen met’ illustreert dit, Niettemin wordt dit beeld ook in de lagere sociale lagen gecorrigeerd naarmate men meer faciliterende ervaringen heeft gehad. In ons onderzoek hebben wij onderrapportering niet kunnen vermijden, hoewel dit bij strafzaken groter was dan bij echtscheidingen (op zich een interessant gegeven).

Bij 456 personen tussen 16 en 80 jaar werden 58 echtscheidingen gerapporteerd (13%). Laten we de ongehuwden buiten beschouwing (n=104) dan werden 58 echtscheidingen aangetroffen op 352 personen die gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn. De Hoog constateert een verhoging van de echtscheidingsfrequentie van 1965 tot 1974: van 2,2 naar 5,9 echtscheidingen per 1000 bestaande huwelijken per jaar (De Hoog 1976). Onze gegevens bestrijken echter levensperioden van ongeveer vijftig jaar. Over deze periode gerekend is het aantal echtscheidingen of problemen bij echtscheidingen niet aan de te lage kant.

Bij 456 personen werd 29 keer een veroordeling wegens een gewoon misdrijf gerapporteerd en 8 keer wegens een verkeersdelict. 14 personen rapporteerden andere strafrechtelijke problemen (aanhouding, vragen over strafblad, sepot). Het lage aantal verkeersdelicten vloeit voort uit het door ons gehanteerde criterium voor ‘rechtsprobleem’: bekeuringen werden meestentijds automatisch afgehandeld. Slechts wanneer in dit proces van afdoening tegenspraak, onvrede of onenigheid bleek, werd het voorval als rechtsprobleem gekwalificeerd. Niettemin zijn de 51 delicten duidelijk onder het at random te verwachten aantal. 30 van de 241 mannen (12,5%) en 14 van de 215 vrouwen (= 6%) rapporteert zelf een strafrechtelijke ‘kwestie’ aan de hand te hebben gehad. Vijf van die dertig mannen rapporteerde meer dan eenmaal een strafrechtelijke kwestie aan de hand gehad te hebben.

Het is moeilijk een landelijk cijfer te geven voor de kans, dat mannen en vrouwen gedurende hun leven een strafrechtelijke veroordeling krijgen. Een poging om deze kans rekenkundig weer te geven werd gedaan in de Maandstatistiek voor Justitie en Politie (april 1972: 86). Hierin wordt vermeld dat van een groep mannen en vrouwen, overleden in de maanden september-november en op dat moment in de leeftijd van 12-79 jaar, 30% van de mannen en 6% van de vrouwen tijdens hun leven één of meer keer wegens een misdrijf door de rechtbank waren veroordeeld (inclusief transacties). Als wij de veroordeling wegens misdrijf of een transactie als vergelijkingsmaatstaf nemen, dan zijn de percentages uit ons onderzoek (12,5% van de mannen en 6% van de vrouwen) voor de mannen dus aan de te lage kant. Van de groep in september-november 1969 overledenen (n = 16.342) was 10% van de mannen en 1% van de vrouwen één of meermalen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld.

Omdat ons onderzoek voornamelijk gericht was op de rechtshulp op andere gebieden dan het strafrecht, is de onderrapportering in strafzaken geen beletsel voor ons verdere betoog.

[p. 134]

(2) toerekening van het rechtsprobleem: om wiens rechtsprobleem gaat het?

Bij de inventarisering van rechtsproblemen onder de bevolking stuit men op de moeilijkheid uit te maken wiens probleem het is. We ontdekten dat het hebben van rechtsproblemen niet zozeer een kenmerk is van een geisoleerd individu, maar eerder van een sociale eenheid (bijvoorbeeld een gezin). Als een inwonende zoon in de auto van zijn moeder een aanrijding veroorzaakt, is dit zowel zíjn probleem als dat van zijn moeder. Als men bij toeval de moeder interviewt krijgt men een verhaal te horen over de aanrijding van de zoon (of zoals de zoon het verteld heeft aan zijn moeder), terwijl de moeder zich beklaagt over het feit dat de verzekeringsmaatschappij moeilijkheden maakt. Maar soms gaat de sociale eenheid zelfs verder dan inwonende kinderen. Bij een interview van een zestigjarige weduwe kwamen de problemen van een gehuwde elders wonende dochter uitvoerig aan de orde. De moeder beleefde deze problemen intens en hielp mee ze op te lossen. In zulk soort situaties besloten we de rechtsproblemen op te nemen met vermelding van de relatie met de geïnterviewden. Van alle gerapporteerde problemen bleek 87% een probleem van de respondent zelf te zijn, 5% van de echtgenoot of echtgenote, 4% van de kinderen van de respondent, 2% van de ouders van de respondent en de laatste 2% waren andere familieleden en buren. Het overgrote deel van de geïnventariseerde problemen blijkt dus van de respondent zelf te zijn. Niettemin geeft dit resultaat een aanwijzing dat de ervaring en oplossing van rechtsproblemen niet louter per individu bezien moet worden. Wordt goede informatie gegeven aan één persoon, dan is de kans groot dat meerdere personen daarvan zullen profiteren. De overdracht van kennis en ervaring binnen bepaalde sociale eenheden is naar onze mening een belangrijk mechanisme bij de toegang tot het recht.

(3) de selectieve werking van het geheugen

Wij menen, dat weinig respondenten contacten die ze gehad hebben met een advocaat, hebben nagelaten te vermelden, (afgezien van het onder (1) vermelde probleem van onderrapportering in strafzaken). Het inschakelen van een advocaat is zelf vaak een ingrijpende gebeurtenis. Als men daartoe is overgegaan en een advocaat soms langdurig ten dienste stond, zal men niet snel vergeten. Anders is het gesteld met de inventarisering van problemen, waar géén advocaat aan te pas is gekomen en ook geen andere hulpverlenende instantie werd geraadpleegd. Naarmate de zaken meer in het verleden liggen, zullen bepaalde ervaringen naar de achtergrond verdwijnen. Als deze ervaringen onaangenaam zijn geweest, kan er een proces van verdringing optreden. Niettemin bleek een aantal onaangename zaken zoals een ontslag dat een tiental jaren geleden plaats had gevonden, wel degelijk nog bij een groot aantal mensen te leven. De minder ingrijpende kwesties (verkeersschade's bijvoorbeeld) vertonen een grotere kans op willekeur in de rapportering. Om enig inzicht te verkrijgen hebben we tijdens de interviews zo veel mogelijk geïnventariseerd op welke tijdstippen de problemen zich afspeelden.

Tabel 10 geeft een overzicht van het resultaat.

[p. 135]

TABEL 10 Tijdstip waarop het rechtsprobleem zich voordeed.

vóór 1955 41 3,8%
1956 - 1965 83 7,7%
1966 - 1970 88 8,1%
1971 - 1973 324 29,8%
1974 - 16 april 1975 402 37,0%
niet opgegeven 149 13,7%
  ____ ____
  1087 100,1%

Twee derde van alle geanalyseerde problemen vond plaats in de laatste vijf jaar. We hebben niet de illusie dat hiermee een volledige beschrijving van de werkelijkheid van ervaringen met rechtsproblemen door de tijd heen is gegeven. Immers het is niet aannemelijk dat in een periode 1966-1970 in doorsnee zich zoveel minder problemen hebben voorgedaan dan in de periode van 1971-1975. Men noemt van de problemen die men ervaren heeft de meest recente. Alleen de meer indringende problemen (bijv. echtscheiding, ontslag, hooglopende ruzie e.d.) blijven in de herinnering bestaan. Men zou aan de selectieve werking van het geheugen een aparte studie kunnen wijden.

Sommige theorieën over beïnvloeding door het recht (bijv. speciale preventie en social engineering door recht) veronderstellen zo'n werking.

Wij hebben in ons onderzoek echter volstaan met het toetsen van een samenhang tussen het tijdstip en de soort van het rechtsprobleem om zo de eventuele invloed van het selectieve geheugen te onderkennen. Er werden echter geen significante relaties op dit punt geconstateerd. Het sterkste verband bestond tussen de meest recente problemen (1974-1975) en de behoefte aan informatie, hetgeen beduidt dat de in ons onderzoek aangetroffen nog levende problemen voor een groot deel bestonden uit een behoefte aan informatie.

(4) overrapportering

Zoals Stolz gewezen heeft op de gevaren van onderrapportering, wees hij ook op het tegenovergestelde. In onderzoek naar behoeften aan rechtshulp zouden zijns inziens onbeduidende problemen als rechtsproblemen gerapporteerd worden. Hierdoor zou een vertekening van de hoeveelheid benodigde rechtshulp kunnen ontstaan. Als kritiek op met name het onderzoek van Koos (1950) schrijft hij:

‘This ambiguity is involved in many of the questions in Koos' survey. His questions about problems are so broad that they can be interpreted to include matters of little significance. To some extent these can be sorted out by considering only the situations in which the respondents consulted a lawyer. If they did consult a lawyer it seems safe to assume that it was a problem of some importance’ (1968: 3).

De oplossing die Stolz aan de hand doet voor de onderscheiding tussen belangrijke en onbelangrijke problemen, laat een typische pre-occupatie met de advocatuur zien en ontkomt ons inziens niet aan het gevaar van een cirkelredenering. De opgave bij elk rechtshulponderzoek luidt na te gaan in hoe-

[p. 136]

verre er problemen zijn die niet bij een advocaat of een andere instantie terecht komen, terwijl die problemen daarvoor volgens bepaalde criteria ter dege in aanmerking zouden komen. Is het aantal van dit soort problemen groot, dan is er sprake van een leemte in de rechtshulp.

Als men onder rechtsprobleem slechts dat soort probleem verstaat, dat door een advocaat behandeld is of moet worden, dan laat men buiten beschouwing hetgeen juist onderzocht moet worden: de hoeveelheid rechtsproblemen buiten het gezichtsveld van de advocaat of andere gevestigde hulpverleners. De traditionele opvatting van een rechtsprobleem, waarnaar aan het begin van dit hoofdstuk verwezen werd, moest doorbroken worden om aan de hoofdopgave voor het onderzoek te voldoen. Alleen een (zeer) ruime omschrijving van een rechtsprobleem geeft de mogelijkheid tot nieuw inzicht in de afwikkeling en afhandeling van problemen door het recht.

Het moeilijkste probleem is echter: wie maakt uit of een probleem ‘onbeduidend’ of ‘van geringe betekenis’ is? Het wegen van problemen is één van de moeilijkste opgaven bij de behandeling van de rechtshulpproblematiek. Die weging kan niet ondernomen worden zonder normatieve assumpties. Wij losten het probleem op door niet te wegen: alle problemen, die gerapporteerd werden door de respondenten op hun initiatief of na onze checklist hebben wij in beschouwing genomen. We deden dit omdat het nauwelijks mogelijk is eenzelfde probleem, dat voorkomt bij twee respondenten in zeer verschillende sociale posities, te taxeren. Wat voor de één een onbeduidende kwestie is, kan voor de ander een emotioneel of financieel belangrijke zaak zijn. We zijn ons ervan bewust dat we, door alle gerapporteerde problemen zonder eigen weging in beschouwing te nemen, een normatieve keuze gedaan hebben: de beslissing dat de particuliere problemen van de een evenzeer de aandacht verdienen als de particuliere problemen van een ander. In plaats van het construeren (en valideren) van een ‘belangrijkheids’- of ‘ergte’-schaal van rechtsproblemen, hebben we onze onderzoekaandacht gericht op de case-stories van elk probleem, om op deze wijze bepaalde oplossingspatronen te achterhalen.

Toch kan de lezer zich wel enig beeld van de ernst en het belang van de onderzochte problemen vormen, door bijvoorbeeld het aantal ingeschakelde hulpverleners, de aard van de verleende hulp of het soort rechtsprobleem als indicator te gebruiken.

(5) het interviewerseffect

Een vraaggesprek, waarin de problemen die men met het recht heeft ervaren aan de orde komen, moet noodzakelijkerwijs flexibel zijn gestructureerd. Dit betekent een grotere vrijheid voor de individuele interviewer. Maar het vergroot tegelijkertijd de kans op onderlinge verschillen tussen interviewers. Hierdoor kunnen ook verschillen optreden in het aantal geïnventariseerde problemen per interviewer. Aan deze moeilijkheden van het kwalitatieve interview kon enigszins het hoofd worden geboden door te werken met een zeer klein aantal interviewers die onderling een zeer frequente communicatie hadden tijdens de interviewperiode. Informatie over elkaars interviews en richtlijnen voor de behandeling van een aantal problemen konden hierdoor worden bereikt. Ten aanzien van het aantal per interview geïnventariseerde

[p. 137]

problemen bleek het interviewerseffect in geringe mate aanwezig te zijn. In 456 vraaggesprekken werden 1203 rechtsproblemen geïnventariseerd, 2,6 problemen per interview. Tabel 11 laat het gemiddeld aantal problemen per interview voor de verschillende interviewers zien:

TABEL 11 Gemiddeld aantal geïnventariseerde rechtsproblemen per interview en per interviewer.

aantal problemen aantal interviews gemiddeld aantal problemen
interviewer A 457 178 2,6
interviewer B 190 79 2,4
interviewer C 292 96 3,0
interviewer D 85 34 2,5
interviewer E 78 35 2,2
interviewer F 51 19 2,7
interviewer G 50 15 3,3
  ____ ____ ____
Totaal 1203 456 X= 2,6
       
standaardafwijking 2,24    
standaardfout 0,105    

De auteurs (interviewers A, B en C) namen 77% van de interviews voor hun rekening.

De t-toets voor de verschillen tussen gemiddelden toont aan, dat er een significant verschil bestaat tussen het gemiddeld aantal geïnventariseerde problemen en het gemiddelde van interviewer C. De verschillen zijn overigens niet zo groot.

Hoeveel rechtsproblemen werden geïnventariseerd?

Via de hierboven omschreven procedure werden bij 456 respondenten 1203 rechtsproblemen geïnventariseerd, die alsvolgt waren verdeeld:

TABEL 12 Aantal geïnventariseerde rechtsproblemen per respondent.

aantal problemen aantal respondenten % van respondenten cumulatief %
0 66 15% 15%
1 95 21 36
2 102 22 58
3 64 14 72
4 47 10 82
5 32 7 89
6 26 6 95
7 9 2 97
8 5 1 98
9 4 0,8 98,8
10 2 0,4 99,2
11 2 0,4 99,6
12 1 0,2 99,8
15 1 0,2 100
  ____ ____ ____
  456 100% 100%

[p. 138]

Het gemiddelde aantal problemen per respondent is 2,6 met een standaardafwijking van 2,24 en een standaardfout van 0,105.

Van de ondervraagden heeft 15% geen enkel probleem gerapporteerd.Drie kwart van de ondervraagden heeft niet meer dan drie problemen (gehad). Onderzoeken uit het buitenland rapporteerden soortgelijke resultaten. In het onderzoek van Eskeland en Finne (1973) in Oslo werd gemiddeld 2,5 probleem per respondent aangetroffen (N = 91). Het grootscheepse recente rechtshulponderzoek van de American Bar Foundation onder 2064 respondenten vermeldt een gemiddelde van 3,3 (Curran en Spalding 1974). Uiteraard is hier de definitie-kwestie van belang. In het amerikaanse onderzoek werden eigendomsoverdracht en het maken van een testament wèl, in ons onderzoek lang niet altijd als rechtsprobleem geteld. Ook hier houdt dat verschil in definitie verband met het verschil in beroepspraktijk (en monopolie) tussen de advocaten in de V.S. en in Nederland. Vast staat echter wel dat slechts een zeer klein percentage van de bevolking zowel in Nederland als in de Verenigde Staten in hun leven met zeer véél rechtsproblemen geconfronteerd worden. In ons onderzoek heeft slechts 5% meer dan 6 problemen. In het amerikaanse is dat 7,8% gerekend over een gehele levensperiode en 0.6% voor de laatste vijf jaar. Natuurlijk dringt zich hier de vraag op welke personen of groepen méér dan een gemiddeld aantal problemen hebben. In de literatuur wordt immers gesteld dat de groepen die meer gebruik maken van advocaten dit doen omdat ze ook meer problemen hebben. Uit ons onderzoek blijken twee groepen duidelijk boven het gemiddelde te scoren, de uitkeringsgerechtigden en de zelfstandigen.

Twee andere groepen, de jongeren in de leeftijdscategorie van 16-25 jaar en de groep scholieren/studenten, scoren significant minder dan het statistisch te verwachten gemiddelde. Tabel 13 laat het gemiddeld aantal problemen per beroepsgroep en per leeftijdsgroep zien.

TABEL 13 Gemiddeld aantal problemen per beroeps- en leeftijdsgroep.(1)

uitkeringsgerechtigden 3,4 (n=47)      
zelfstandigen 3,0 (n=42)      
huisvrouwen 2,8 (n=84)      
blue collar ondergeschikten 2,5 (n=77) 16-25 jaar: 1,4 (n=74)
leidinggevenden 2,3 (n=44) 26-35 jaar: 2,52 (n=96)
gepensioneerden/AOW-ers 2,09 (n=53) 36-45 jaar: 2,28 (n=79)
white collar ondergeschikten 2,07 (n=65) 46-55 jaar: 2,78 (n=84)
scholieren/studenten 1,4 (n=41) 56-65 jaar: 2,97 (n=75)
ontbrekende gegevens - (n= 3) 65 en ouder: 2,35 (n=48)
    ____     ____
    (n=456)     (n=456)

Er zijn geen opvallende verschillen geconstateerd tussen de verschillende opleidingsniveaus of inkomensgroepen. Het gemiddelde aantal problemen voor mannen en vrouwen was gelijk.

[p. 139]

Het feit dat scholieren en studenten het minste met problemen te maken hebben, laat zich gemakkelijk verklaren uit hun sociale positie en geringere sociale participatie. De vraag rijst of de leeftijd of de relatief beschermde positie van de scholier/student als oorzaak van deze geringe kans op rechtsproblemen aangewezen kan worden.

Met andere woorden: hebben leeftijdgenoten, die al in het arbeidsproces zijn opgenomen, zoals werkende jongeren een grotere kans op problemen?

Hiertoe hebben we de groep van 16-25 jaar nader geanalyseerd (mannen en vrouwen tesamen genomen). Deze groep blijkt te bestaan uit:

35 scholieren/studenten met een gemiddeld aantal problemen van 1,4
22 white collar ondergeschikten met een gemiddeld aantal problemen van 1,68
20 blue collar ondergeschikten met een gemiddeld aantal problemen van 2,05
4 sociale uitkeringsgerechtigden
2 zelfstandigen
1 huisvrouw
1 leidinggevende
____  
85 totaal

De drie belangrijkste jongerengroepen scoren alle drie beneden het gemiddelde aantal problemen. Het blijkt dus vooral leeftijd of in het algemeen het ouder worden te zijn, die de kans op conflicten en problemen met het recht groter maken. Er is een lichte tendens dat werkende jongeren door hun sociale positie iets meer met problemen geconfronteerd worden dan hun niet-werkende leeftijdgenoten. Bij toetsing blijkt dit verschil echter niet significant (t=0,75; df=53).

Nadere analyse van 1087 rechtsproblemen

Tot dusver hebben we de geïnventariseerde rechtsproblemen uitsluitend geanalyseerd naar het aantal. Om nu andere aspecten in beschouwing te nemen, hebben we om practische redenen de beslissing genomen om per respondent ten hoogste vijf problemen nader te analyseren. Deze vijf problemen werden naar de op blz. 130 genoemde tien kenmerken per probleem gecodeerd en op ponskaart gebracht. Aldus kon per respondent een grote verzameling gegevens over die problemen per computer worden verwerkt. Deze verzameling gegevens per respondent kon variëren. Een respondent met 1 probleem kreeg 10 scores voor dit ene rechtsprobleem en 40 nulscores. Een respondent met twee problemen 20 scores voor 2 rechtsproblemen en 30 nul-scores. Personen met 0 problemen kregen derhalve 50 nulscores en personen met 5 problemen kregen de volledig ingevulde verzameling van 5 × 10 gecodeerde scores. Theoretisch was het aldus mogelijk om alle 1203 problemen in kwantitatieve symbolen te vertalen, waarbij bijvoorbeeld alle respondenten op het theoretisch maximale aantal van 15 problemen zouden kunnen worden gescoord (voor het merendeel echter nul-scores). Deze werkwijze zou echter onevenredig veel computer- en

[p. 140]

programmeertijd hebben gevraagd met geringe winst aan informatie. Omdat echter bij een keuze van 5 problemen per respondent reeds 90% van alle problemen opgenomen werd en van 89% van de respondenten alle gerapporteerde problemen aan de orde kwamen, kozen we voor een practische werkwijze. Van de resterende 11% respondenten bij wie méér dan vijf problemen geïnventariseerd waren, werden slechts vijf problemen in de analyse opgenomen. Hierbij werd een weging toegepast in die zin dat in ieder geval problemen, waarbij rechtshulpinstanties betrokken waren geweest, in de analyse werden genomen ten koste van andere - meestal iets kleinere - problemen. Deze procedure veroorzaakte derhalve een vertekening in de richting van de iets zwaardere problemen bij 11% van de respondenten. 116 rechtsproblemen bleven zodoende uit de verdere analyse m.b.v. de computer. De overige 1087 rechtsproblemen vormden de verzameling rechtsproblemen, waar de verdere analyse van dit hoofdstuk op berust. Vergelijken we echter de twee verzamelingen rechtsproblemen, de eerste van 1087 die middels de computer geanalyseerd werd en de tweede van 116 die met de hand werd geanalyseerd, dan blijken er geen grote verschillen. De gevolgde werkwijze om slechts 1087 problemen te analyseren heeft derhalve geen afwijkende invloed gehad.

6.2 Welke mensen hebben welk soort rechtsproblemen?

6.2.1 Inleiding

Mayhew en Reiss stelden dat de lagere inkomensgroepen minder rechtsproblemen hebben uitsluitend in de beperkte betekenis van minder rechtsproblemen die de advocaten gewoonlijk gewend zijn te behandelen. Deze groepen hebben niet minder, maar andere problemen (1969). Ons onderzoek geeft een bevestiging van deze stelling van de twee amerikaanse schrijvers. Om dit te laten zien is het nodig de geïnventariseerde rechtsproblemen te klassificeren naar bepaalde onderscheidende kenmerken. Deze onderscheidingen kunnen zuiver juridisch van aard zijn. Alle rechtsproblemen worden dan bijvoorbeeld gegroepeerd volgens de hoofdlijnen van de voornaamste rechtsgebieden: personen- en familierecht, huurrecht, arbeidsrecht, overig civielrecht, sociaal-verzekeringsrecht, strafrecht, administratiefrecht etc. Dit onderscheid is de juristen vertrouwd en geeft inzicht in de juridische aard van de problemen waar mensen mee te maken hebben. De problemen kunnen echter ook naar andere dan specifiek juridische onderscheidingen geklassificeerd worden. Men kan bijvoorbeeld alle problemen typeren naar de verschillende tegenpartijen in het conflict of naar de tijdsduur en de aard van de relatie waarin het conflict optreedt. Deze meer sociologisch dan juridisch georiënteerde onderscheidingen kunnen soms een verrassend licht werpen op het onderwerp dat in studie genomen is. Nieuw inzicht is vaak het gevolg van zo'n nieuw gezichtspunt of combinatie van gezichtspunten, waaronder een vertrouwd object wordt bekeken. Wij beginnen echter met het meest voor de hand liggende en meest vertrouwde onderscheid naar rechtsgebied. In § 6.3 komen andere onderscheidingen aan bod. Tabel 14 geeft een overzicht van 1087 rechtsproblemen, eerst onderver-

[p. 141]

TABEL 14 1087 rechtsproblemen naar rechtsgebied.

Problemen met:
1. Sociale verzekering algemeen 12    
  Kinderbijslag 4    
  Ziektewet 10    
  W.A.O. 22    
  Ziekenfonds 2    
  WW - WWV 20 Subtotaal Sociale Verzekering  
  A.B.W. 40   110 - 10%
         
2. Arbeidsrecht algemeen 13    
  Ontslag, schorsing 18    
  Vakantie, vakantiegeld 18    
  Loonvordering 24    
  Pensioen 8    
  Moeilijkheden binnen bedrijf 14    
  Arbeidsrecht plus soc. verzekering 5    
  Ontslag nemen 3 Subtotaal Arbeidsrecht 103 - 9,5%
         
3. Huurrecht algemeen 14    
  Huurprijs 38    
  Huuropzegging 26    
  Reparaties, onderhoud 61    
  Onderhuur 7    
  Huisvesting 28 Subtotaal Huren en Wonen  
  Huursubsidie 10   184 - 17%
         
4. Echtscheiding 58    
  Overig personen-familierecht 25    
  Erfrecht als erfgenaam 9 Subtotaal Personenfamilie en erfrecht  
  Erfrecht als erflater 7   99 - 9%
         
5. Incasso's 22    
  Huur bedrijfsruimte, pacht 6    
  Verhuurproblemen 17    
  Vergunningen 7    
  Faillissement 8    
  Vennootschapsrecht 10 Subtotaal Incasso's, Handel en Bedrijf  
  Schulden, schuldsanering 10   80 - 7%
         
6. Koop, garanties 92    
  Reparaties 10    
  Koop op afbetaling 10    
  Colportage 41    
  Lenen 4    
  Bouw of koop van een huis 8    
  Klachten over artsen 6    
  Klachten over rechtshulpverleners 6    
  Verzekeringen 43    
  Verkeersschade 49    
  Burenrecht 11 Subtotaal Consumentenrecht en BW-overig  
  Onrechtmatige daad 31   311 - 29%
         
7. Inkomstenbelasting 25    
  Invullen belastingformulier 36    
  Overige belastingzaken 5 Subtotaal Belastingen 66 - 6%

[p. 142]

8. Bouwvergunning 11    
  Klachten over overheidsinstanties 11    
  Militaire zaken, vreemdelingenzaken 10    
  Subsidies 17    
  School 5 Subtotaal Administratief Recht  
  Studiebeurzen 7   61 - 5,5%
         
9. Strafrecht (misdrijven) 29    
  Verkeersdelicten 8    
  Verdacht van delict, vragen over strafblad, sepot 14 Subtotaal Strafrecht 51 - 5%
         
10. Slachtoffers van delicten 22 Subtotaal Slachtoffers 22 - 2%
    ____ ____ ____
  Totaal 1087   1087 - 100%

deeld in 58 rechtsgebieden, vervolgens gegroepeerd naar 10 hoofdgebieden. Deze indeling valt niet steeds samen met de juridisch-dogmatische onderscheidingen. Deze 10 hoofdgebieden vormen het voornaamste onderscheid waarmee in de verdere analyse van de problemen wordt gewerkt. Bij deze analyse gaan we telkens eerst kwantitatief te werk en vervolgens geven we een kwalitatief inzicht in de problemen. Beide benaderingen vullen elkaar aan.

Verreweg het grootste gedeelte van de problemen werd aangetroffen op het gebied, dat ‘consumentenrecht’ genoemd zou kunnen worden (29%). Problemen op het gebied van huren en wonen (17%) en arbeidsrecht en sociaalverzekeringsrecht (samen 19,5%) vormen de twee andere gebieden, waarop verhoudingsgewijs vaak problemen werden aangetroffen. Binnen deze gebieden kunnen specifieke gebieden onderscheiden worden: ABW en WAO vormen meer dan de helft van de sociaal-verzekeringsrechtproblemen; koop, colportage en problemen rond verkeersschade zorgen elk voor een groot deel van de consumentenproblemen.

6.2.2 Kwantitatieve analyse: inkomen, vermogen en de frequentie van rechtsproblemen naar soort rechtsgebied

In het voorgaande werd geconstateerd dat er geen grote verschillen optreden in het gemiddelde aantal problemen per inkomens- en vermogensgroep. De sociale betekenis van dit cijfermatige gegeven kan echter pas duidelijk worden wanneer we weten om welke problemen het gaat. Zijn er groepsspecifieke problemen te constateren of komen dezelfde problemen ongeveer in gelijke frequentie bij de hoge, midden en lage inkomensgroepen voor? Deze vraag kunnen we op verschillende kwantitatieve manieren beantwoorden.

We kunnen allereerst een optelsom maken van alle problemen op een bepaald rechtsgebied, die in een bevolkingsgroep in ons onderzoek geïnventariseerd werden. Het aantal problemen vormt hierbij dan de analyse-eenheid.

Ten tweede kunnen we ook nagaan, niet hoeveel problemen er in een be-

[p. 143]

paalde groep voorkomen, maar hoeveel personen uit die groep geconfronteerd werden met één of meer problemen. Hierdoor krijgen we inzicht om hoeveel mensen het gaat die op een of andere manier wel eens met dit type problemen te maken hebben gehad, los van het feit of dit nu een, twee, drie of zelfs meer keren achter elkaar geschiedde.

Ten derde kunnen we het patroon van de verschillende rechtsproblemen in hun onderlinge verhouding analyseren. Het gaat dan niet zo zeer om de absolute frequentie van bepaalde typen rechtsproblemen maar om de relatieve frequentie van die typen rechtsproblemen ten opzichte van elkaar.

Ten vierde is het mogelijk om via correlatieberekening de sterkte van bepaalde samenhangen tussen inkomens-groep en de frequentie van bepaalde typen rechtsproblemen vast te stellen.

Bij alle vier methoden van kwantitatieve analyse wijzen de resultaten van ons onderzoek in dezelfde richting: er bestaat een duidelijke samenhang tussen het soort problemen en de inkomens- en vermogenspositie van de respondenten in het onderzoek. De laagste inkomens/vermogensgroep ondervindt problemen op het gebied van consumentenrecht, huurrecht, sociaalverzekeringsrecht en arbeidsrecht, - de hoogste inkomens- en vermogensgroep ondervindt problemen op het gebied van consumentenrecht en op het gebied van handel en bedrijf (incasso's). Hoewel bij beide groepen de consumentenrechtsproblemen de grootste groep problemen vormen, spelen deze problemen verhoudingsgewijs bij de hogere inkomensgroep het sterkste: 38% van alle ondervonden problemen van de hoogste inkomens/vermogensgroep lag op het gebied van consumentenrecht, tegenover 22% van de laagste inkomensgroep. De middengroepen vertonen hier een duidelijke middenpositie.

Eerste methode

Tabel 15 geeft een overzicht van de verdeling van het absolute aantal problemen bij vier inkomens/vermogensgroepen, gemeten naar de geldende normen voor het verkrijgen van kosteloze rechtsbijstand. Voor een beschrijving van deze financiële maatstaf zie de tekst boven tabel 2.

TABEL 15 Aantal geïnventariseerde rechtsproblemen naar rechtsgebied en naar toevoegingsgrens

gratis rechts-
hulp
eigen bijdrage net boven toevoe-
gings-
grens
sociale verzekering 46 16% 41 11% 16 9%
arbeidsrecht 41 14% 39 10% 13 7%
huurrecht, wonen 51 18% 74 20% 34 18%
consumenten-
recht, BW-overig
65 22% 101 27% 61 33%
personen, familie, erfrecht 26 9% 41 11% 10 5%
belastingen 19 7% 22 6% 6 3%
strafrecht 16 5% 17 4% 8 4%
incasso, handel 15 5% 16 4% 19 10%
administratief-
recht
10 4% 20 6% 16 9%
slachtoffers van delicten 2 0,6% 7 1,8% 4 2%
____ ____ ____ ____ ____ ____ ____
totaal 291 100% 378 100% 187 100%
Aantal respondenten, N = 111   159   82  
Gemiddeld aantal problemen, X̅ = 2,6   2,4   2,3  

ver boven toe-
voegings-
grens
subtotaal ontbre-
kende gegevens
totaal
sociale verzekering 6 3% 109 10% 1  
arbeidsrecht 8 4% 101 9,5% 2  
huurrecht, wonen 23 11% 182 17% 2  
consumenten-
recht, BW-overig
80 38% 307 29% 4  
personen, familie, erfrecht 21 10% 98 9% 1  
belastingen 17 8% 64 6% 2  
strafrecht 6 3% 47 4,5% 4  
incasso, handel 30 14% 80 7% 0  
administratief-
recht
12 6% 58 6% 3  
slachtoffers van delicten 9 4% 22 2% 0  
____ ____ ____ ____ ____ ____ ____
totaal 212 100% 1068 100% 19 1087
Aantal respondenten, N = 94   446   10 456
Gemiddeld aantal problemen, X̅ = 2,3   2,4     2,4

[p. 144]

Uit deze tabel blijkt dat de rechtsproblemen op het gebied van sociaal verzekeringsrecht en arbeidsrecht typische problemen zijn voor de lagere inkomensgroepen, consumentenproblemen typisch voor de hogere. Hoewel het misschien niet zoveel verwondering wekt, dat arbeidsrecht en sociaal-verzekeringsrecht groepsgebonden probleemgebieden zijn - dit stuk recht is vooral ten behoeve van de lagere inkomensgroepen ontwikkeld - bedenke men dat tegenwoordig ook vele mensen met hogere inkomens onder de werkingsfeer van het arbeidsrecht en sociaal verzekeringsrecht vallen, al blijkt dit zich in de praktijk minder vaak voor te doen. De verschillen tussen de percentages problemen op het gebied van sociaal-verzekeringsrecht, arbeidsrecht en consumentenrecht zijn significant. Op het gebied van huurrecht en wonen is slechts het verschil tussen de hoogste inkomens/vermogensgroep en de overige groepen significant. Dit zou er op kunnen wijzen dat huurproblemen zich ook voordoen bij de middengroepen. Ook al wonen deze meestal in iets betere woningen en vaker in een eigen woning.

Berekenen wij voor de vier bovenste rechtsgebieden van tabel 15 de statistische toets voor samenhang tussen type probleem en inkomenspositie dan blijkt de samenhang significant te zijn. (X2 = 53,71; df = 9; p ≤.001).

Tweede methode

Tabel 15 gaat uit van het totaal aantal geïnventariseerde problemen. Nu kunnen meerdere problemen per persoon voorkomen, waardoor het totaal aantal problemen toeneemt, maar nog niets gezegd wordt over het aantal respondenten dat op een of andere manier met een probleem geconfronteerd werd. Nemen we het percentage respondenten dat tenminste één keer een probleem gerapporteerd heeft als uitgangspunt dan blijkt dat 48% van alle respondenten een probleem op het consumentenrechtsgebied rapporteerde, dus ongeveer 1 op de 2 personen. Voor huurrecht en wonen was dit percentage 34%, (1 op 3), voor sociaal-verzekeringsrecht 20% (1 op 5)

TABEL 16 Respondenten die één of meer rechtsproblemen rapporteerden op een bepaald rechtsgebied naar toevoegingsgrens in percentages

gratis rechts-
hulp
eigen bijdrage net boven toevoe-
gings-
grens
ver boven toevoe-
gings-
grens
totaal aantal proble-
men N =
sociale verzekering 32% 23% 16% 4% 20% 89
arbeidsrecht 25% 21% 13% 8% 18% 81
huurrecht en wonen 36% 38% 36% 22% 34% 151
consumen-
tenrecht, BW-overig
40% 47% 49% 61% 48% 216
personen-, familie-, erfrecht 20% 19% 10% 16% 17% 75
belastingen 14% 13% 7% 17% 13% 58
strafrecht 13% 9% 10% 5% 9% 42
incasso, handel 12% 8% 13% 19% 12% 55
admini-
stratief-
recht
9% 13% 18% 12% 13% 57
slachtoffers van delicten 2% 4% 4% 8% 4% 20

[p. 145]

en arbeidsrecht 18% (1 op 5). Voor de overige rechtsgebieden was dit percentage 13% of minder.

Ook bij deze berekeningswijze blijken de verschillen tussen de inkomensen vermogensklassen het grootst voor sociaal-verzekeringsrecht en arbeidsrecht: tabel 16 geeft de percentages van de respondenten per inkomensvermogensgroep.

Nu kunnen we ons een beeld vormen van het aantal personen dat bepaalde rechtsproblemen ervaren heeft. Van de groep, die in aanmerking komt voor gratis rechtshulp heeft 1 op de 3 wel eens een probleem gehad met sociale verzekeringen tegenover 1 op 20 (!) van de groep, ver boven de toevoegingsgrens. Voor arbeidsrecht was dit 1 op de 4, respectievelijk 1 op de 10. Van de middengroepen heeft 1 op de 5 ervaring met een consumentenprobleem.

Ongeveer 1 op de 5 heeft problemen gehad met personen- en familierecht, met uitzondering van de groep net boven de toevoegingsgrens die minder vaak met dit soort problemen te maken heeft. Voor de overige rechtsgebieden heeft ruwweg 1 op de 10 personen ooit wel eens een probleem ondervonden.

Derde methode

Ondanks de verschillen tussen de vier inkomens/vermogensgroepen, blijkt zowel uit tabel 15 als uit tabel 16 één sterke overeenkomst: het feit dat voor alle groepen de consumentenproblemen het meest frequent bleken voor te komen. Is deze overeenkomst niet meer doorslaggevend dan de overige verschillen? Met andere woorden, zou het niet kunnen zijn dat - hoewel verhoudingsgewijs bepaalde problemen bij bepaalde groepen meer voorkomen - het patroon van problemen toch sterk op elkaar lijkt?

Overeenkomsten in het patroon van problemen kan men berekenen met behulp van de rangcorrelatie-coëfficiënt (rho), waarbij de volgorde in frequentie van de verschillende rechtsproblemen als uitgangspunt genomen worden. Vervolgens kunnen we paarsgewijs tussen de vier inkomensgroepen de graad van overeenkomst weergeven met behulp van de rang-

TABEL 17 Volgorde in frequentie van type rechtsprobleem naar toevoegingsgrens.

gratis rechtshulp (groep 1) eigen bijdrage (groep 2) net boven toevoegingsgrens (groep 3) ver boven toevoegingsgrens (groep 4)
consumentenrecht, BW-overig 1 1 1 1
huurrecht, wonen 2 2 2 3
sociale verzekering 3 3 5 10
arbeidsrecht 4 4 6 8
personen-, familie- en erfrecht 5 5 7 4
belastingen 6 6 9 5
strafrecht 7 8 8 9
incasso, handel 8 9 3 2
administratiefrecht 9 7 4 6
slachtoffers van delicten 10 10 10 7

[p. 146]

correlatiecoëfficiënt. Heeft die coëfficiënt de waarde + 1 dan geeft dat een perfecte overeenkomst in volgorde aan. Beneden de waarde .495 is er geen sprake van een significante overeenkomst. Er kan dan worden geconcludeerd, dat er een verschillend patroon van rechtsproblemen bestaat bij de twee vergeleken groepen. Tabel 17 geeft de rangorde in frequentie van type rechtsproblemen per inkomensgroep.

rho groep 1-groep 2 = .997 significante overeenkomst.1
rho 1-3 = .564 significante overeenkomst.
rho 1-4 = .237 geen overeenkomst.
rho 2-3 = .600 significante overeenkomst.
rho 2-4 = .225 geen overeenkomst.
rho 3-4 = .576 significante overeenkomst.

Het patroon van problemen is bij de twee lagere inkomens- en vermogensgroepen nagenoeg identiek. Beide groepen verschillen ieder apart van het probleempatroon van de hoogste inkomens/vermogensgroep. De verschillen tussen de overige groepen zijn minder groot. Concluderend kunnen wij stellen dat, hoewel de groepen met een verschillende sociaal-economische positie gemiddeld bijna evenveel rechtsproblemen rapporteerden, het aantal problemen per rechtsgebied aanmerkelijk verschilt. Dit verschil bestaat zowel in absolute zin als vergelijkenderwijs.

Vierde methode

Tenslotte is er nog een vierde berekeningswijze om samenhang tussen frequentie van rechtsproblemen en economische positie vast te stellen. Per persoon werden maximaal 5 rechtsproblemen geanalyseerd, die werden onderverdeeld naar 10 rechtsgebieden. Per rechtsgebied kon zo het aantal rechtsproblemen per respondent variëren van 0 tot en met 5. Elke respondent kreeg derhalve per rechtsgebied (G1, G2, enz.) de score van het aantal geïnventariseerde problemen op dat gebied. Een voorbeeld wordt gegeven in het hier volgende schema:

Score per rechtsgebied G1-10

respondent G1 G2 G3 G4 G5 G6 G7 G8 G9 G10 totaal aantal problemen
R 1 0 0 1 1 2 0 0 0 1 0 5
R 2 1 3 0 0 0 1 0 0 0 0 5
R 3 0 0 0 1 0 0 0 0 1 0 2
R 4 0 2 0 0 2 0 0 0 0 0 4
R 5 1 0 1 0 1 0 1 0 1 0 5

[p. 147]

Per respondent worden op deze wijze 10 scores toegekend (variërend van 0-5). De scores vormen een intervalschaal. Op deze wijze was het mogelijk de samenhang te berekenen tussen de frequentie van een type rechtsprobleem en enkele overige op ordinaal- of intervalschaal gemeten kenmerken van de respondenten. De samenhangen worden uitgedrukt in een correlatiecoëfficiënt, die loopt van + 1.00 tot - 1.00. Hoe hoger deze coëfficiënt hoe sterker de samenhang. Ons basisgegeven, de economische positie, zoals uitgedrukt in het in aanmerking komen voor kosteloze rechtsbijstand, kan ook als een ordinale schaal worden opgevat met de volgende waarden: gratis rechtshulp (=1), eigen bijdrage (=2), net boven toevoegingsgrens (=3), ver boven de toevoegingsgrens (=4). Berekening van de samenhangen tussen deze economische positie en het aantal problemen per rechtsgebied, levert dan het volgende resultaat op (zie tabel 18).

TABEL 18 Correlatiecoëfficiënten tussen toevoegingsgrens en het aantal problemen per rechtsgebied.

Kendall Tau
Sociaal verzekeringsrecht -.21
Arbeidsrecht -.15
Huurrecht, wonen -.09
BW-overig, consumentenrecht .11
Personen, familie, erfrecht  
Belastingen  
Strafrecht -.07
Incasso, handel .08
Administratief recht  
Slachtoffers van delicten .09
  (coëfficiënten < .07 zijn weggelaten)

De coëfficiënten kunnen alsvolgt geïnterpreteerd worden: -.21 betekent dat bij een lagere economische positie, een groter aantal problemen per respondent werd aangetroffen. Deze samenhang is zelfs zéér significant (p ≤ .001). Andere negatieve coëfficiënten moeten eveneens zo geïnterpreteerd worden. Dit betekent dat de lagere economische positie gekenmerkt wordt door een groter aantal problemen op het gebied van sociaal verzekeringsrecht, arbeidsrecht (p ≤ .001); met iets mindere mate van waarschijnlijkheid eveneens door een groter aantal problemen op het gebied van huurrecht en strafrecht. De positieve correlaties betekenen dat bij een hogere economische positie, een groter aantal problemen werd aangetroffen. Dit is het geval bij de consumentenproblemen (tau = .11), bij problemen op het gebied van handel en bedrijf en bij de gerapporteerde victimisatie (slachtoffers van delicten). Hieruit mag geconcludeerd worden dat de verschillende economische groepen inderdaad hun eigen problemen hebben. De hogere inkomens/vermogensgroepen hebben niet meer, maar andere problemen. Zij hebben een grotere kans om slachtoffer van een delict te worden, terwijl de lagere groepen een grotere kans hebben als dader moeilijkheden te krijgen. Of misschien moet deze samenhang precieser geïnterpreteerd worden, als de kans dat de hogere inkomens/vermogensgroepen hun problemen als slachtoffer éérder rapporteren aan interviewers dan de lagere inkomens- en vermogensgroepen. Ons onder-

[p. 148]

zoek laat niet toe de samenhang tussen gerapporteerde victimisatie en werkelijke victimisatie volledig op te sporen. Vooralsnog gaan we ervan uit dat de gerapporteerde problemen een redelijk betrouwbare weergave vormen van de werkelijk ondervonden problemen. Een ander gegeven, dat de victimisatie het sterkst was in Amsterdam, geeft een verdere ondersteuning voor de geldigheid van de gevonden resultaten. Deze zijn immers in overeenstemming met andere statistische gegevens en alledaagse ervaringen.

Het ontbreken van significante samenhang betekent dat problemen op een bepaald gebied bij de verschillende groepen ongeveer in evengrote frequentie voorkomen. Problemen op het gebied van personen- en familierecht, administratief recht en belastingen zijn dus niet typisch problemen voor een bepaalde inkomens/vermogensgroep. Voor het personen- en familierecht (echtscheidingen) was dit ook wel te verwachten.

6.2.3 Andere kenmerken die met de frequentie van verschillende typen rechtsproblemen samenhangen

We hebben in de vorige paragraaf uitvoerig de verschillende manieren om samenhangen te berekenen tussen één kenmerk van een respondent (zijn positie ten opzichte van de toevoegingsgrens) en de frequentie van rechtsproblemen aan de orde gesteld om te laten zien dat een samenhang uiteindelijk kan worden uitgedrukt in één correlatiecoëfficiënt. Zo'n coëfficiënt is in feite een zeer abstracte manier om vele gegevens tegelijk te ordenen. Ook zagen we dat de samenhang die in tabel 15 naar voren komt eveneens wordt uitgedrukt in de correlatiecoëfficiënten van tabel 18. De vier manieren om samenhangen te berekenen zouden telkens herhaald kunnen worden voor andere kenmerken van de respondenten, zoals leeftijd, beroep, inkomen, geslacht e.d. Om practische redenen volstaan we nu echter met de weergave van de correlatiecoëfficiënten, wanneer die berekend konden worden. Ook op andere onderdelen van onze analyse hebben we aan deze berekeningswijze de voorkeur gegeven. Wij zijn ons ervan bewust dat deze abstracte wijze van weergeven van verbanden meer inspanning vraagt van de niet sociaal-wetenschappelijk geschoolde lezers. Het voordeel - het snel verkrijgen van een overzicht over verschillende samenhangen in één tabel - rechtvaardigt ons inziens deze werkwijze. Bovendien wordt deze kwantitatieve analyse gevolgd door een kwalitatieve, meer alledaagse weergave van soorten problemen.

Tabel 19 geeft een overzicht van de significante samenhangen tussen verschillende kenmerken van de respondenten en de frequentie van hun rechtsproblemen op de tien rechtsgebieden. De laatste kolom van tabel 19 is identiek met tabel 18. De tabel kan horizontaal en verticaal gelezen worden. Bij horizontale inspectie zien we dat problemen op het gebied van sociaal-verzekeringsrecht het meest voorkomen bij groepen die een lage plaats bekleden in het arbeidsproces of daarbuiten staan (met name de uitkeringstrekkers, gepensioneerden en blue collar werknemers), bij de lagere opleidings- en inkomensgroepen, bij ouderen (met name in de groep van 55-65 jaar), bij vrouwen verhoudingsgewijs méér dan bij man-

[p. 149]

nen en tenslotte bij de groep die in aanmerking komt voor gratis rechtshulp.

Problemen op het gebied van arbeidsrecht komen het meest voor bij personen woonachtig in de periferie van de stad, bij lagere inkomens, bij jongeren (met name beneden 25 jaar), en bij de groep die voor kosteloze rechtsbijstand in aanmerking komt.

Huurrecht- en woonproblemen doen zich het meest voor in Amsterdam en meer in het centrum van de stad. Die problemen nemen toe naarmate de leeftijd toeneemt (vooral in de groep van 55-65 jaar en boven de 65 jaar) en zijn vaker aangetroffen bij alleenstaanden dan bij degenen, die in gezinsverband leven. Consumentenproblemen doen zich het meest voor bij de hogere inkomens, degenen die in gezinsverband leven en personen boven de toevoegingsgrens. Personen- en familierechtsproblemen werden meer aangetroffen bij de groep met lagere opleiding, bij ouderen en alleenstaanden (echtscheidingen en de gevolgen van echtscheiding). Belastingproblemen doen zich vaker voor in de grote stad, bij alleenstaanden en bij ouderen (met name boven 65 jaar). Problemen op het gebied van strafrecht vinden we vaker in de stad dan op het platteland, bij groepen met lage opleiding, beneden de toevoegingsgrens en bij mannen meer dan bij vrouwen. Incasso's en problemen bij handel en bedrijf vinden we bij de groep die een hogere

illustratie

[p. 150]

plaats inneemt in het arbeidsproces (zelfstandigen) en ook bij de groep met lagere opleiding (bijvoorbeeld zelfstandigen met een groot geworden bedrijf en toch slechts weinig opleiding) bij ouderen en bij degenen, die niet voor kosteloze rechtsbijstand in aanmerking komen. Problemen op het gebied van administratief recht werden vaker aangetroffen in de kleine gemeente op het platteland. Zij die een grote kans lopen slachtoffer te worden van een delict kunnen eerder gevonden worden in Amsterdam, in de hogere beroepsgroepen en in de hogere inkomenscategorieëen.

Op eenzelfde wijze kan men door tabel 19 verticaal te lezen een opsomming geven van de specifieke problemen voor de groep met lagere opleiding, voor de ouderen, voor de groep beneden of boven de toevoegingsgrens, etc.

Een aantal samenhangen is niet erg verrassend. Sommige zijn zelfs zeer vanzelfsprekend. Niettemin kan op basis van de gevonden samenhangen reeds gesteld worden:

1.dat de groepen beneden de toevoegingsgrens opvallend meer geconfronteerd worden met problemen op die rechtsgebieden, waar door wetswinkels een leemte in rechtshulp werd gesignaleerd;
2.dat ook de hogere inkomensgroepen hun eigen problemen kennen;
3.dat er geen verschillen tussen sociaal-economische klassen geconstateerd werden in aantal problemen op het gebied van personen- en familierecht en belastingrecht en administratief recht;
4.dat op een aantal rechtsgebieden zeer duidelijk groepsspecifieke problemen kunnen worden geconstateerd bijv. voor alleenstaanden, voor vrouwen, voor bewoners van het platteland, voor personen met lage opleiding.

De relevantie van de vaststelling van deze en dergelijke samenhangen komt pas ten volle naar voren, als we deze constateringen in verband gaan brengen met andere schakels in de problematiek van de leemte, met name de rechtshulpverleners. Alvorens hiertoe over te gaan is een kwalitatief inzicht in de aard van de rechtsproblemen wenselijk.

6.2.4 Kwalitatieve weergave van rechtsproblemen: casuïstiek

De hieronder afgedrukte voorbeelden van rechtsproblemen en hun oplossingen zijn opgetekend tijdens de interviews. Soms werd telegramstijl gebruikt, soms werd uitvoeriger beschreven wat er aan de hand was. Het hele relaas of het hele verhaal van de respondenten per probleem kon niet steeds volledig worden opgetekend. Er heeft dus nog een selectie plaatsgevonden door de interviewers, op het moment dat het gesprek werd gehouden en genoteerd ongeveer zoals journalisten aantekeningen maken tijdens hun interviews. Wel werden zoveel mogelijk de eigen bewoordingen van de respondenten weergegeven. Dit geeft soms een onduidelijkheid over wat er nu precies gebeurd is. Hierover willen we het volgende opmerken:

Ook de respondenten zelf wisten soms niet precies te vertellen hoe een bepaalde zaak nu verlopen was of in elkaar zat. Niet alleen, omdat sommige zaken een of meer jaren geleden hadden gespeeld. Ook als zaken op het moment van het interview speelden, konden verschillende respondenten niet duidelijk maken wat er precies gaande was. Zulke gevallen wijzen op

[p. 151]

een veel voorkomend onvermogen om de eigen ervaringen weer te geven in een niet aan die ervaring gekoppelde taal, bijvoorbeeld de juridische taal of de voor intellectuelen overzichtelijke taal van intellectuelen. Juristen zullen derhalve onjuistheden en onduidelijkheden kunnen aantreffen in de beschrijving van rechtsproblemen. Wij hebben deze onjuistheden niet weggelaten. Hierdoor juist ontstaat een mogelijkheid voor juristen te proeven hoeveel misverstanden en onzekerheid er bestaan over de hen zo gemakkelijk en vertrouwd voorkomende materie.

De problemen geven vaak subjectieve vertekeningen te zien, soms een overdreven voorstelling van zaken. Het was ons onmogelijk om bepaalde beweringen van respondenten op juistheid te controleren. Als respondenten derhalve beweren ergens per se ‘recht’ op te hebben, werd dát door ons als relevant gegeven genoteerd. Het subjectieve gelijk en het juridische gelijk kunnen nogal van elkaar verschillen. Dit door ons gepresenteerde materiaal geeft inzicht hoe het ‘juridisch gelijk’ of ‘ongelijk’ wordt ervaren. Het gaat ons er vooral om te wijzen op discrepanties tussen de ervaring van burgers en de ervaring van juristen.

De hieronder afgedrukte voorbeelden zijn niet op hun demonstratiewaarde geselecteerd. Juist om te voorkomen dat aan enkele sprekende voorbeelden vergaande conclusies worden verbonden, geven we een willekeurige verzameling (om de twintig respondenten één probleem), grote of kleine, ernstige of minder ernstige problemen. Dit geeft bovendien een inzicht in de doorsnee van het door ons gebruikte analyse-materiaal, waardoor onze werkwijze te controleren valt. Het eerste getal van elk probleem is het respondentnummer. Het tweede getal is het volgnummer van het probleem. Zo is 161-4 het vierde probleem van respondent nummer 161. Vervolgens geeft het jaartal aan wanneer het probleem speelde. Sommige respondenten hadden geen enkel probleem. Bovendien loopt de nummering van de respondenten niet aaneengesloten door.

006 / 1967

Echtscheiding.

Naar advocaat toegestapt. Kostte 800 gulden. Dat vond ik een redelijk bedrag, vooral omdat het zo niet ging. Het duurde 3/4 jaar.

022 / 1973

Respondente wilde echtscheiden.

Na contacten met het huwelijksbureau en na lang overleg met het maatschappelijk werk, werd ik verwezen naar de gemeente voor een advoaat voor onvermogen. De advocaat die ik toegewezen kreeg heeft me goed geholpen. De procedure kostte me financieel niets en ik heb maar twee keer contact met hem gehad. Veel tijd was ik dus ook niet kwijt.

026-5 / 1973

De huistelefoon is al bijna anderhalf jaar stuk. Dat is voor ons, die boven de 70 zijn erg hinderlijk omdat we, als de buitendeur van de trappenhal van de flat dicht is, van twee hoog moeten komen om te kijken wie er gebeld heeft. We hebben al vaak geklaagd bij de woningbouwvereniging.

Ik kwam erachter dat de penningmeester van de woningbouwvereniging een oude bekende van me was uit het organisatieleven waar ik vroeger in heb gezeten. Toen ik die eenmaal had gesproken was het één-twee-drie gerepareerd.

[p. 152]

033-1 / 1965

Nadat we verhuisd waren kregen we een rekening van 900 gulden van onze ex-huisbaas (particulier) vanwege de schade die wij aan zijn huis veroorzaakt zouden hebben. Waren het daar helemaal niet mee eens.

Eerst hebben we het zelf uitgezocht en daarmee zijn we naar de jurist van de vakbond gestapt. Die heeft het voor ons opgelost. We hoefden daarvoor niets te betalen.

043-2 / 1962

Over de verkoop van broedduiven kreeg ik een verschil van mening. In een café had ik onderhandeld over de verkoop. Ik had gezegd: ‘voor 300 gulden kun je ze krijgen, maar als je ze wilt hebben moet je maar naar mijn huis komen, want in een café doe ik geen zaken.’ Thuis konden we het niet eens worden en de koop ging dus niet door. Een paar weken later gaf ik de duiven weg aan een vriend. Kort daarop ontving ik een dagvaarding waaruit bleek dat degene met wie ik over de verkoop van de duiven gesproken had schadevergoeding eiste omdat ik de duiven niet geleverd had.

Advocaat in de arm genomen, van wie ik via een kennis gehoord had dat die niet zo duur was. Ik vond dat de advocaat op de kantongerechtszitting er voor had moeten zorgen dat de rechter niet was afgedwaald. ‘Toen jonge duiven werden vergeleken met jonge paarden door de advocaat van de tegenpartij, luisterde de rechter wel vol aandacht’. We verloren de zaak en werden veroordeeld tot het betalen van 100 gulden schadevergoeding. De kosten werden gecompenseerd. Kosten van mijn advocaat: 175 gulden; 3-4 gesprekken met de advocaat gevoerd. Of die 175 gulden een redelijk bedrag vormen voor die bewezen diensten kan ik niet zeggen omdat je niet weet wat zo'n advocaat doet.

Respondent had verwacht zelf ook nog verhoord te worden door de rechter.

046-1 / 1973

Volgens mij had ik recht op nog een vakantiedag. Dat werd bestreden. Respondente was verkoopster.

Ik heb de CAO er op nagelezen en ik zag dat ik ongelijk had.

055-2 / 1969

Ik liep al een jaar in de overbruggingsregeling van de mijn, toen ik naar een specialist ging i.v.m. klachten over silicose-longen. Specialist zei: U heeft recht op zoveel % uitkering op grond van de W.A.O. Toen ik daarnaar informeerde hoorde ik dat ik geen WAO meer kon krijgen omdat ik al meer dan een jaar niet gewerkt had, terwijl dat maximaal een half jaar mag zijn. Ik wilde met deze uitspraak geen genoegen nemen. Naar de vakbond. Die schreef voor mij naar Maastricht. Daarna heb ik nooit meer iets gehoord. Ik heb nooit een definitieve afwijzing gehad. Op de mijn hadden ze bij de keuring nooit iets over silicose in mijn longen gezegd.

Bij de mijn werden aanvankelijk heel gemakkelijk mensen afgekeurd. Toen zagen ze dat er teveel W.A.O.-ers kwamen, gingen ze weer andere normen hanteren. Dat is geen gelijkheid!

066-3 / 1968

We hadden mijnschade aan onze woning. Brief gestuurd naar het mijnschadebureau. Enkele mensen van dat bureau hebben de schade opgenomen en wilden op grond van hun bevindingen maar ƒ 2000 betalen. Dat bedrag leek nergens op.

De (locale) ombudsman, waar we door een broer attent op gemaakt waren, wees ons op de noodzakelijkheid om een advocaat te nemen. Tegen een bakoven kun je alleen zeker niet gapen. De advocaat die ons geholpen heeft, deed erg veel. We waren overeengekomen dat hij 10% van de uitgekeerde schade zou ontvangen als salaris. Na veel touwtrekken kregen we in 1972 uiteindelijk ƒ 16.000 schadevergoeding.

Respondent hoorde verwijt van de afd. mijnschade: ‘ja, als jullie maar geen advocaat hadden genomen was het wel sneller gegaan’.

075-1 / 1973

Ik had te veel vakantiedagen op mijn lijst. Vroeg of dat wel klopte: zeer stellige bevestiging ondanks mijn twijfels.

[p. 153]

Naderhand werden ze toch op mijn snipperdagen in korting gebracht. Dat vond ik niet eerlijk.

Naar het hoofd van de afdeling. Die zou het in orde maken. Maar dat had geen zin. Je kunt hier praten als brugman.

Op mijn afdeling worden de ‘snipperdagen’ altijd (verplicht) gezet op feestdagen. Heb je toevallig al vrij, dan moet je toch je snipperdag nemen op die dag!

085-4 / 1956

Ontslag geval. Onrechtmatig ontslagen, met 1 maand schadeloos gesteld via Arbeidsbureau. Iedereen trok zijn handen terug, ook de vakbond. Toen heb ik gedreigd bij die firma, al moest ik de laatste cent er voor tellen, tot de hoogste rechter toe.

Heb me bij de bond aangemeld na schadeloosstelling. De bond is erg bang. De kans dat ik zou winnen was toch erg groot. Wel 99% voor mij zeker. ‘Je moet het zo kunnen formuleren, dat de bond het begrijpt. Als de bond nou een keer hier zou komen, maar de bond gaat naar de werkgever, die praat in zijn straatje.’

098-4 / 1964

Raad van Beroep. Bij het kantongerecht een arbeidszaak. Een beroep aangetekend tegen gezondverklaring. Was 80-100% invalide en werd voor 50% gezond verklaard. Moest telkens weer een formulier invullen. Heb het beroep verloren wegens niet invullen van formulieren.

‘Toen het er op aan kwam, toen ik voor het gerecht stond, kwam de bond niet opdagen. Ik had gehoopt dat ze rechtsbijstand zouden geven’. (Daarna dubbele longontsteking en vervolgens 100% afgekeurd).

104-1 / 1967

Probleem van moeder van respondente, die in huis woonde bij respondente. Ontruimingsprocedure. Zelf verhuurder. Lukraak naar advocaat gegaan uit het telefoonboek. Het heeft 8 maanden geduurd. Moeder heeft ƒ 1500,- moeten betalen (plus deurwaarder). Het zou op de verliezer verhaald worden, maar mijn moeder heeft moeten betalen.

Als mijn moeder een gratis advocaat had gehad, dan was het niet zo hard gegaan, lijkt me zo. ‘Het ging echt niet meer, het was een vieze boel met die huurder’.

124-3 / 1973

Subsidie aangevraagd bij gemeente voor woningverbetering. Duurde te lang. Was eerst door een soort welstandscommissie niet goedgekeurd. Ik kende echter de opzichter van Bouw en Woningtoezicht. Toen is het toch goedgekeurd.

134-1 / 1942

Ik kreeg een dagvaarding wegens belediging van een ambtenaar in functie. Ik ging bijna huilend naar de zitting. In het gerechtsgebouw kwam ik toevallig een advocaat tegen, die wij kenden (mijn man was gemeentedeurwaarder). Die advocaat is toen met me meegegaan en heeft voor me gepleit. Dat heeft geholpen. Ik kreeg maar ƒ 10,- boete. En het heeft me niets gekost.

138-1 / 1935

Ik was werkeloos en wilde me bij het Arbeidsbureau in de groep ‘kantoorpersoneel’ laten inschrijven. Ik had voor ik werkeloos werd op kantoor gewerkt. Het arbeidsbureau schreef me in onder de groep ‘overige beroepen’.

Ik heb geprotesteerd. Ze zeiden, ‘We schrijven niemand in onder kantoorpersoneel, daar is toch geen werk voor’. Toen ik bleef protesteren is de zaak in een commissie behandeld, maar dat hielp me niet. Sindsdien ben ik als ‘arbeider’ ingedeeld en werkzaam. Het laatst als mijnwerker, ik voel dit nog steeds duidelijk als een onrechtvaardige vermindering van mijn stand.

144-2 / 1973

Ik kreeg een dagvaarding van één van mijn leveranciers voor een bedrag van ƒ 100,-, dat ik hem al betaald had, maar ik kon dat niet bewijzen.

Ik besloot direct een advocaat in te schakelen. Mijn vaste accountant kent die advocaat.

[p. 154]

Die advocaat heeft betrekkelijk veel tijd aan de zaak besteed en practisch niets gerekend. Ik was ook tevreden over de regeling, die bij de kantonrechter is getroffen. Voor mij is het recht een soort sport. Als je in je recht staat, probeer je het ook te krijgen.

154-2 / 1972

Er was een lek in de schoorsteen. Het huis dat ik huur van een bouwvereniging stond vol rook.

Ik ben toen direct naar de voorzitter van de Bouwvereniging gegaan. Aan de opzichter heb je niets. Later is de opzichter gekomen. Hij zei, dat het mijnschade was en dat ik daarom de reparatie niet behoefde te bet