terug  begin  prepost
[p. 35]

Oostelijk Limburgs Haspengouw woordgeografisch bekeken
[door J. Goossens]

Als oostelijk Limburgs Haspengouws, kortweg Oosthaspengouws, beschouw ik de dialecten die gesproken worden tussen de twee buitenste strengen van wat Stevens in 1952 de Genkerlijnenbundel heeft genoemd(1), behalve het dialect van Genk zelf, dat nog in de Kempen ligt. Aan de westkant behoren dan nog tot het Oosthaspengouws de dialecten van Beverst, Vliermaalroot, Vliermaal, Overrepen, Piringen, Widooie en Lauw, niet meer die van Diepenbeek, Kortessem, Guigoven, Gors-Opleeuw, Jesseren, Haren, Bommershoven en Vechmaal. Wintershoven en Zammelen zijn moeilijk te klasseren. Aan de oostkant behoren nog tot het Oosthaspengouws de dialecten van Eigenbilzen, Mopertingen, Hees, Vlijtingen, Heukelom en Zichen-Zussen-Bolder, niet meer die van Lanaken, Gellik, Veldwezelt, Kesselt, Vroenhoven en Kanne. Deze begrenzing betekent niet, dat de dialecttegenstellingen met de aangrenzende gebieden allemaal precies met de aangegeven lijnen zouden samenvallen; vooral aan de westkant hebben we eigenlijk meer met een overgangszone dan met een lijn te doen. Stevens verdeelt de Oosthaspengouwse dialecten dan nog eens in ten eerste een Tongerlandse groep, gesproken in een driehoek met als top Hoeselt en Romershoven(2) en als uiteinden van de basis Lauw en Millen, ten tweede in een Bilzerlandse groep, gesproken in het gebied ten oosten van het Tongerlands. Op verdere fijnheden in zijn indeling kan ik hier niet ingaan. Zij steunt op feiten uit de klankgeografie. In mijn overzicht gaat het om de woordgeografie, waarvan we ons kunnen afvragen of ze de klankgeografie weerspiegelt.

Alvorens ik probeer het Oosthaspengouws onder woordgeografisch aspect te karakteriseren, moet ik nog een paar dingen herhalen of variëren die ik in vroegere lezingen voor de Vereniging van Limburgse Dialect- en Naamkunde al heb uiteengezet(3). Het eerste punt betreft mijn materiaalbasis, die dezelfde is gebleven, d.w.z. de resultaten van mijn enquêtes over de landbouwwoordenschat in Belgisch-Limburg, nu ongeveer een kwart eeuw geleden. Ik heb daarin ongeveer 800 begrippen opgevraagd in 172 plaatsen in de hele provincie; ongeveer de helft van die begrippen leverde woordgeografische verschillen op. Ik heb de meeste Oosthaspengouwse gemeenten van vóór de fusies destijds bezocht en er mijn hele vragenlijst afgevraagd, maar aangezien de dorpen in dat gebied zeer dicht bij elkaar liggen, heb ik er ook een aantal over-

[p. 36]



illustratie



illustratie



illustratie



illustratie

[p. 37]

geslagen. Voor deze laatste plaatsen beschik ik slechts over zeer onvolledige schriftelijke gegevens. Het zijn: Genoels-Elderen, Eigenbilzen, Herstappe, Hoelbeek, Kleine-Spouwen, Mal, Neerrepen, Riksingen, Rosmeer, Schalkhoven, Vreren en Widooie. Het materiaal heeft voor het hier gestelde doel verder het tekort dat het om een vakwoordenschat gaat; deze is weliswaar geografisch veel scherper gedifferentieerd dan de algemene woordenschat en levert dus meer grenzen op, maar hij is uiteraard minder representatief voor een dialectgemeenschap als geheel.

Een tweede punt betreft de begrenzing van ons gebied naar het noorden. Is het gerechtvaardigd, hier aan de grens van de Kempen op te houden? Ik geloof dat de inhoudelijke beperking van mijn materiaal dat juist impliceert: het aantal woordgeografische tegenstellingen tussen de Kempen en Haspengouw is volgens mijn materiaal ten zuiden van Genk en Zutendaal bijzonder hoog; dit is voor een deel te verklaren door het feit dat woordgrenzen hier vaak tegelijk zaakgrenzen in de traditionele landbouwgebruiken zijn, voor een deel echter ook doordat de agrarische gemeenschappen van Noordoost-Haspengouw en het zuidoosten van de Kempen op vakniveau slechts betrekkelijk geringe contacten met elkaar hebben gehad.

Daarentegen lijkt het vanzelfsprekend, met het onderzoek in het zuiden aan de taalgrens op te houden. Toch zijn er bij gelegenheid verrassende parallellen tussen het oosten van Limburgs Haspengouw en het aangrenzende stuk van Luiks Haspengouw aan te treffen, zoals de vier kaartjes laten zien(4). Ze roepen voor een deel interessante vragen in verband met woordgeografische verschuivingen aan Waalse of Vlaamse kant op. Dat het Waalse clitchet als ontlening juist in het aangrenzende deel van Limburgs Haspengouw wordt aangetroffen, kunnen we goed begrijpen. Dat het Oosthaspengouwse woord van Germaanse oorsprong jaan (joeën, juuën)(5) van zijn ontleende tegenhanger djin door een bate- gebied wordt gescheiden, ligt al iets moeilijker. En wanneer de vertaling van overden, het Waalse d'zeû-l'dègn, aan oostelijk Limburgs Haspengouw grenst, dan zouden we dat overden toch niet juist ten oosten van ons gebied verwachten en in dat gebied zelf een ander woord, oversprong. Wanneer het juist is, dat het Waalse cristèl, crustale een ontleding aan het Oosthaspengouwse gestel, kerstel is, hoe komt het dan dat het oorsprongsgebied zo klein en de verspreiding in Wallonië zo ruim is? Vragen genoeg dus, waarvan het stellen alleen al duidelijk maakt

[p. 38]

dat de woordgeograaf over grenzen heen moet durven te kijken. Maar daarmee valt natuurlijk niet te loochenen, dat de taalgrens verreweg de belangrijkste dialectgrens van het Oosthaspengouwse gebied is dat ons hier bezighoudt.

Ik zal nu trachten, het Oosthaspengouws op het gebied van de woordenschat als een geheel te karakteriseren. Het is een open geheel als het aan de ene kant door de identiteit van zijn woordenschat samenhangt met een aangrenzend areaal, maar zich aan de andere kant door een woordgrens tegen het daar aangrenzende gebied afzet. Het is een gesloten geheel wanneer het zich aan alle kanten door een woordgrens tegen zijn omgeving afzet. In hoeverre het Oosthaspengouwse geheel open en in hoeverre het gesloten is, kan echter binnen het bestek van deze uiteenzetting niet worden aangetoond. Kijken we eerst naar woordgrenzen aan de oostkant. Bij volkomen parallellisme met de klankgeografie zouden we verwachten, dat er een aantal woordgrenzen te vinden zijn tussen enerzijds Eigenbilzen, Mopertingen, Hees, Vlijtingen, Heukelom en Zichen-Zussen-Bolder, anderzijds Lanaken, Veldwezelt, Kesselt, Vroenhoven en Kanne. Dit ideaal wordt in mijn materiaal slechts in vijf gevallen bereikt: bij de Oosthaspengouwse woorden ropen/repen ‘veevoeder uittrekken’, lopetig, ‘van honden gezegd,’ schelf ‘bergruimte onder een afdak’, stro ‘id.’ en het al genoemde oversprong ‘zolder boven de dorsvloer’. Ropen wordt langs de oostkant begrensd door kruiden, lopetig door loops, schelf door schop, stro door stru, oversprong door overden. Er blijken echter nogal wat gevallen te zijn met kleine afwijkingen in het middenstuk van de grens, zodat soms Gellik, Veldwezelt en eventueel ook Vroenhoven op Oosthaspengouws standpunt staan. In dat geval ligt Kanne geïsoleerd met een vorm die overeenstemt met die van Lanaken. Hebben we geluk, dan staat dat woord ook in de Diksjenaer van 't Mestreechs van Endepols (die echter een stadsdialect beschrijft) en kunnen we de woordgrens ten oosten van Veldwezelt en eventueel Vroenhoven met de rijksgrens laten samenvallen. De elf gevallen met zo een uitstulping ten oosten van de ideale grens van het Oosthaspengouws zijn: mest breien ‘mest uitspreiden’, kerb ‘mand’, achtermaad en tweede schaar ‘nagras’, tetveulen ‘veulen dat nog niet gespeend is’, zaps en daaps ‘vlieg die de koeien steekt’, bijtteugel ‘teugel’, mollep of molleshoop ‘mol’, vaam ‘vezelige rand van de huls van een peulvrucht’, kijnen ‘scheuten krijgen, van aardappelen’, vochelen ‘coire, van

[p. 39]

pluimvee’, hoofdbreed, hoofdsel of hoofd ‘voor- of achterplank van een kar’. De oostelijke tegenhanger van breien is spreien, van kerb: korf, van achtermaad en tweede schaar: groment, gromert, van tetveulen: zuikeling, van zaps en daaps: praam, van bijtteugel: bekriem, van mollep, molleshoop: moutheuvel, van vaam: rank, van kijnen: schieten, van vochelen: treden, van hoofdbreed, hoofdsel, hoofd: schutbreed. Ook het omgekeerde komt voor d.w.z. dat de grens van een Oosthaspengouws woord niet overal tot aan de ideale grens van het Oosthaspengouws reikt. Hier heb ik veertien gevallen geteld: werf ‘steel van een zicht’, vrulen ‘met de snuit wroeten, van een varken’, hoofdkaas ‘id.’, kruiwagen ‘id.’, zeis(e) ‘id., ruuster ‘zeef in een wanmolen’, zemelen ‘id.’, eenwinter ‘vrouwelijk rund van ongeveer een jaar’, ouwer ‘uier’, menneke ‘mannelijke hond’, bien ‘bij’, trekken ‘trekkettingen van een kar’, stek ‘steun onder een karboom’, stuik en bok ‘korenhok’. De oostelijke tegenhangers, die dus ook stukjes Oost-Haspengouw innemen, zijn: gewerf in plaats van werf, vrutelen voor vrulen, hoofdvlees voor hoofdkaas, kruikar voor kruiwagen, maai voor zeis, zeef voor ruuster, klijen voor zemelen, rind voor eenwinter, uier voor ouwer, rekel voor menneke, bij (te Hees en Vlijtingen bui) voor bien, klinken voor trekken, stelt voor stek, huist (te Hees en Vlijtingen huister) voor stuik of bok. Het vaakst staat in deze gevallen Hees op oostelijk standpunt (10 ×), gevolgd door Riemst (9 ×), Zichen-Zussen-Bolder (7 ×), Vlijtingen (6 ×), Mopertingen en Val-Meer (3 ×) en Grote-Spouwen en Herderen (2 ×). De getallen voor Eigenbilzen (2 ×) en Rosmeer (1 ×) zijn om de aangestipte reden niet representatief. In de besproken gevallen liggen er van één tot zes Oosthaspengouwse dorpen ten oosten van de woordgrens. Is het getal hoger, dan wordt het hoogst twijfelachtig, of we de grenslijn nog als element van de bundel mogen beschouwen die het Oosthaspengouws langs de oostkant afgrenst, aangezien dan het grootste stuk van het Bilzerlands erbuiten zou vallen. Nu zijn er wel zulke gevallen, maar ze zijn niet zeer talrijk, zodat we wel mogen besluiten, dat het Oosthaspengouws zich in woordgeografisch opzicht wel degelijk door een isoglossenbundel tegen de aangrenzende oostelijke dialecten afzet. Tegenstellingen waardoor het Oosthaspengouws aan de oostkant al eerder verdeeld dan begrensd wordt, zijn die tussen westelijk dom en oostelijk naaf ‘naaf’, westelijk nere en oostelijk den ‘dorsvloer’.

Om het beeld aan de oostkant af te ronden is het nodig,

[p. 40]

erop te wijzen dat er enkele woordgrenzen zijn die onze ideale grenslijn kruisen, zodat een deel van de Oosthaspengouwse dorpen ten oosten en een deel van de dorpen tegen de Nederlandse grens ten westen van de isoglosse liggen. Dat is het geval bij de scheiding van westelijk val en oostelijk slag voor ‘duivenslag’, westelijk mijt of hoop en oostelijk huist of huister voor ‘hooirook’, westelijk staarttoom en oostelijk staartleer voor ‘staartriem van een voor de wagen gespannen paard’, westelijk breken of breien en oostelijk spreien voor ‘hooi uitspreiden’, westelijk ex(tir)pateur en oostelijk expater voor ‘exstirpator’. Ook kan het voorkomen dat de grens niet uit één, maar uit twee lijnen bestaat, doordat er een smalle overgangszone is, waarin beide woorden gebruikt worden, zoals bij het al genoemde westelijke klitsji en zijn oostelijke concurrent slagkar.

De begrenzing van het Oosthaspengouws langs de westkant is onder één opzicht nog duidelijker dan die in het oosten, in een ander opzicht onduidelijker. Ze is duidelijker omdat het aantal isoglossen groter is, ze is onduidelijker omdat de bundel die door die isoglossen gevormd wordt, breder uiteenrafelt en bijna onmerkbaar overgaat in lijnen die het Oosthaspengouws zelf verdelen. Kennelijk is voor deze grotere onduidelijkheid de positie van Tongeren op de kaart belangrijk. Als deze stad voor een oostelijk of voor een westelijk woord heeft gekozen, kunnen omliggende dorpen zich naar dat voorbeeld richten, wat taalhistorisch gezien verschuivingen van woordgrenzen tot gevolg heeft. Aangezien het taallicht in het oude Land van Loon nu al meer dan 500 jaar van uit het westen schijnt, heeft Tongeren ongetwijfeld in talrijke gevallen een woord dat oorspronkelijk algemeen Oosthaspengouws was, ten voordele van een westelijke concurrent opgegeven, wat een diffusie van een aanvankelijk veel compactere bundel van woordgrenzen tussen Borgloon en Tongeren tot gevolg heeft gehad.

De woordgrenzen tussen het Oosthaspengouws en het aangrenzende Lonerlands met het in het noorden aansluitende Demerlands lopen in principe van noord naar zuid. In enkele gevallen kunnen daarbij in de buurt van de taalgrens uitstulpingen naar het westen worden vastgesteld, wat een sterke indicatie is voor een historische verschuiving van de isoglosse verder noordelijk, in de vierhoek Hasselt-Borgloon-Tongeren-Dilzen. Dat is het geval bij de westgrens van het Oosthaspengouwse maaiknobben voor

[p. 41]

‘larven van de runderhorzel’, dat bij Rukkelingen-Loon de taalgrens bereikt, terwijl het verder noordelijk wel teruggedrongen is door maaien en maaiknoken. Bij Heers en Rukkelingen bereiken nog de volgende grenzen van woorden die als Oosthaspengouws kunnen worden beschouwd, de taalgrens: die tussen westelijk harst en oostelijk rugstuk ‘rugstuk van een varken met de koteletten’, duivenkot en duives ‘duivenhok’, romblok en schemelblok ‘hout ter ondersteuning van de ladders op een oogstwagen’, gang en jaan ‘graanzwad’, plukken of kruiden en repen of ropen ‘veevoeder uittrekken’. Daar hier telkens een relatief groot stuk zuidoostelijk Lonerlands met het oosten meegaat, kan men twijfelen of we wel met specifiek Oosthaspengouwse woorden te maken hebben.

Hetzelfde geldt voor een aantal oostelijke woorden waarvan de grens niet van het noordoosten naar het zuidwesten langs Oost-Haspengouw afloopt, maar wel vanuit het noordelijke Lonerlands op ons gebied afkomt en dan in zuidoostelijke richting tot aan de taalgrens ergens ten zuiden van Tongeren doorloopt. Dat is het geval met de grenzen tussen zuidwestelijk draaien en noordelijk en oostelijk omzetten voor het keren van graan op de zolder, kurre en bag ‘big’, kuuën en krappen ‘kaantjes’, stert en zelen, trekken of strengen ‘trekkettingen van een voorgespan’, die van tussen Wellen en Kortessem op ons gebied afkomen, tussen briezen en ruchelen ‘hinniken’, die onder Wellen door, en tussen pens en worst of trip ‘weke worst’, die tussen Kortessem en Diepenbeek ons gebied bereikt.

In verreweg de meeste gevallen is het grensverloop echter duidelijk noordzuid. Dat geldt voor westelijk gieten en oostelijk schudden ‘gieten’, tas en winkel ‘bergruimte in de schuur’, tas en zet ‘stapel in die ruimte’, sinkel of bjolder, bulder en oversprong ‘zolder boven de dorsvloer’, warsschei en warshout ‘zwenghout voor twee paarden bij het akkerwerk’, rus of schulpeg en ex(tir)pateur of grondbreker ‘exstirpator’, stroppen en belken ‘stoppels ploegen’, stuiken en achterwaarts eggen ‘eggen met de eg achterste voor’, mo(e)rp of het dit woord verdringende mol en mollep ‘mol’, mest breken en breien ‘mest uitstrooien, klaver en klee, bieten en kroten ‘bieten’, zurkel resp. zulker en surel ‘zuring’, schieten en kijnen ‘uitlopers krijgen, van aardappelen’, kruid en loof ‘aardappelloof’, gritsel en reek ‘hark’, (gaze)moer en (gaze)mier ‘alsine media’, de differentiatie tussen twee soorwilde wikke: krukken en grij en globaaltoepasselijk grij of wilde liezen, klonk en klomp ‘id.’, inkappen en inhouwen of

[p. 42]

zichten ‘op de graanhalmen inhakken’, band en zeel ‘band om een graanschoof of een bos stro’, ruizelen of builen en rijzen ‘uit de aar vallen, van graan’, slat, neusdoek of snoefloek en plag ‘hoofddoek’, laag en rank of rink ‘laag schoven op de wagen of kar’, tassen of rozen en bermen of het zet leggen ‘een stapel graanschoven aanleggen’, tims en zeef ‘meelzeef’, braamberen en bramelen of wilde ebberen ‘braambessen’, malooi en gebekde ‘hoeveelheid graan die men in een keer laat malen’, uier en ouwer ‘uier’, loper en scheut ‘jong varken’, hesp/heps en schink of schouder ‘ham’, rijer of menneke en rammelaar of rijer ‘mannelijk konijn’, vooi en moer ‘vrouwelijk konijn’, broedkarige hin en broeihin, broeikont enz. voor ‘kip die altijd broedt’, schaal met â en schaal met ā ‘eierschaal’, schaalloos ei, ei zonder schaal of lijstei en liesei of liezenei ‘windei’, duivin of hin en zij ‘vrouwelijke duif’, bij en biech ‘bij’, snuitband en het vermoedelijk uit naafsband ontstane naasband ‘ring om de naaf van een karwiel’, leer en ledder ‘ladder’, helster en halster ‘id.’, hondsgetuig of gareel en borsthaam of borstgetuig ‘riem voor de borst van een paard die bij het trekken een haam vervangt’, spaan en speen ‘haamhout’, scherp zetten en scherp maken ‘een paard van een ijsbeslag voorzien’, schoof en bussel ‘bos stro’, aarbussel en kortbussel ‘bos van gebroken stro’, mandel en stuik of bok ‘korenhok’. Het aantal opgesomde tegenstellingen, inclusief die met in zuidwestelijke of in zuidoostelijke richting scheef lopende grenzen, bedraagt 59. Het is ondoenlijk, voor elke plaats in Oost-Haspengouw en het Lonerlands op te sommen, in hoeveel gevallen zij op oostelijk en in hoeveel zij op westelijk standpunt staan. Het beeld is zeer bont, maar het bevat toch wel een paar duidelijke constanten. In het noorden komen er van de 59 isoglossen 32, meer dan de helft dus, Haspengouw binnen tussen Diepenbeek en Beverst. Veel kleiner is het aantal grenzen tussen Hasselt en Diepenbeek, acht, tussen Beverst en Munsterbilzen, zes, en tussen Munsterbilzen en Bilzen, vier. De rest is al besproken of te verwaarlozen. In het zuiden is de samenval van de lijnen op de taalgrens niet zo massaal als tussen Diepenbeek en Beverst, maar toch is er een duidelijke concentratie tussen Vechmaal en Lauw: 24 gevallen; dan volgt het punt tussen Horpmaal en Vechmaal, 13 gevallen, dan tussen Rutten en Diets-Heur, 10, en tussen Lauw en Rutten, 5. De rest is weer al besproken of te verwaarlozen.

[p. 43]

Dat er in de genoemde grenzen nogal wat beweging zit en dat dit voornamelijk een westoostbeweging is, blijkt vooral uit de positie van Tongeren. In een aantal gevallen ligt deze stad op de grens, en dan in de regel juist aan de westkant, zo bij gieten, warsschei, mest breken, neusdoek ‘hoofddoek’, rozen ‘lagen schoven aanleggen’, draaien ‘graan keren’, malooi, loper ‘jong varken’, pens. De lijnen maken in deze gevallen meestal kleine boogjes om Tongeren; ook kan een relict achter de frontlijn blijven liggen, zoals breien ‘mest uitspreiden’ in Lauw. Gevallen waarin Tongeren nog juist aan de oostkant ligt, zijn stuiken ‘achterste voor eggen’, klee ‘klaver’ en inhouwen ‘met de zicht op de halmen inhakken’. Hier handhaven zich wel relicten. De termen tas en zet tekende ik in Tongeren naast elkaar op. Er zijn enkele interessante gevallen met Tongeren in een opvallende westelijke voorpostpositie, zo bij broedkarige hin, waar het eilandje in het broeihin-gebied vormt, bij maai ‘larve van de runderhorzel’, waar dat eveneens het geval is, maar waar het bovendien de vernieuwing heeft doorgegeven aan enkele meer oostelijk gelegen dorpen, bij rijer ‘mannelijk konijn’, een waard dat van Hasselt en Tongeren werd overgenomen en doorgegeven aan de aangrenzende dorpen, zodat een oorspronkelijk menneke-gebied, dat van de westgrens van het Lonerlands tot Val-Meer reikte, in twee stukken uit elkaar viel, en bij de benamingen voor de ‘zweep’ en ‘met de zweep klappen’. Hier blijkt een smal gebied met Tongeren en Bilzen, gaande van Lauw en Rutten tot Beverst en Munsterbilzen, klak en klakken te hebben gehad. Tongeren heeft zich echter, in tegenstelling tot Bilzen, twee keer op westelijk standpunt geplaatst: het heeft het substantief smet en het werkwoord kraken overgenomen. In het eerste geval is het door bijna alle dorpen uit de omgeving gevolgd, zodat alleen Lauw als relicteilandje met klak aan de taalgrens is blijven liggen, door Tongeren en zijn omgeving gescheiden van het klak-gebiedje rond Bilzen, waarvan de meest zuidelijke plaatsen Werm en Rijkhoven zijn. In het tweede geval heeft Tongeren de overname kraken slechts aan zijn buren van Diets-Heur tot Sluizen kunnen doorgeven, zodat dit woord slechts een corridor vormt tussen twee vleugels van het klakken-gebied, een noordelijke die ditmaal tot en met Henis en Berg-Ketsingen reikt, en een zuidelijke die buiten Lauw ditmaal ook nog Rutten en Koninksem omvat.

Om het beeld van de woordgeografische tegenstellingen aan de

[p. 44]

westkant van het Oosthaspengouws af te ronden is het ten eerste nodig nog even te wijzen op het feit dat in enkele gevallen een westelijk en een oostelijk woord elkaar in een mengzone overdekken. Dat is het geval met westelijk aanscheut en oostelijk rug ‘hoger gelegen middenstuk van een akker’, zeikstuk en zeikton of zeikvat ‘gierton’, uitdoen en steken ‘aardappelen rooien’, ziften en zeven ‘meel zeven’, (achter)knie en hak, achtergewricht van een paard’, jaarling en eenwinter ‘vrouwelijk rund van een jaar’, melkmachien en (af-, ont-)romer, reep en band of beslag ‘hoepel om een karwiel’. Ook het ophouden van westelijk vatsji ‘koeienhoeder’ als synoniem van koeheerd op de westrand van het Tongerlands kan hier aan toegevoegd worden. Ten tweede zijn er een paar woordgrenzen die het Oosthaspengouws al eerder in een smalle west- en een brede ooststrook verdelen dan dat ze het in het westen zouden afgrenzen: die tussen rank en rink ‘laag schoven op een kar’ en tussen nirken en neringen ‘herkauwen.

De vraag of het zo langs de oostkant en de westkant afgegrensde Oosthaspengouws voordgeografisch in een westelijke Tongerlandse en een oostelijke Bilzerlandse helft verdeeld kan worden, moet als volgt worden beantwoord: er heerst in Oost-Haspengouw een grote diversiteit, die hoofdzakelijk aan het voorkomen van talrijke exclusieve woorden is toe te schrijven; hierop kom ik in het laatste deel van mijn uiteenzetting terug. Verder lopen er door het gebied een aantal woordgrenzen in noord-zuidelijke richting, echter minder dan de lijnen die het Oosthaspengouws in het westen en het oosten afgrenzen. Het sterkst valt daarbij een lijnenbundel op die ten oosten van Munsterbilzen en Bilzen vertrekt en tussen Sluizen en Zichen-Zussen-Bolder op de taalgrens valt. Hier heb ik 18 gevallen geteld. Daar ik in het noorden de plaatsen Hoelbeek en Eigenbilzen niet systematisch heb afgevraagd, zie ik er van af, hier het begin van de bundel kwantitatief te beschrijven. Dat is wel mogelijk voor het einde, hoewel mij in een geval het gegeven voor Val-Meer ontbreekt, dat dan juist op de grens ligt. Van de 17 andere valt de lijn 12 keer op de taalgrens tussen Millen en Val-Meer, viermaal tussen Sluizen en Millen, eenmaal tussen Val-Meer en Zichen-Zussen-Bolder. Het gaat om de volgende woordgrenzen: westelijk warsschei en oostelijk warshout ‘trekknuppel voor twee paarden op de akker’, koppel en haamsel ‘trekknuppel voor één paard’, achterwaarts eggen en terugwaarts eggen, mestef en mestem ‘erf van de boerderij’, graan

[p. 45]

en vruchten ‘graan’, zaaikleed en zaadkleed, raapkuul en koolraben ‘raapkolen’, toet en slijpbus ‘koker voor een wetsteen’, hooi breken en breien ‘hooi openspreiden’, schoep en troffelschup ‘platte schop’, bors en buidel ‘scrotum’, toom en (bijt)teugel ‘teugel), klak, klats of smet en smik ‘zweep’, klakken of kraken en klatsen ‘met de zweep klappen’, mijt en huister of hoop ‘hooirook’, zet en berm ‘graanstapel in de schuur’, rapen en reuben ‘brassica rapa’, rugstuk en rugstrank ‘ruggegraat met koteletten’. Het is dus duidelijk dat van de Bilzerlandse plaatsen Munsterbilzen en Bilzen zelf zich eerder Tongerlands dan Bilzerlands gedragen, terwijl de rest van het Bilzerlands wel min of meer als een eigen identiteit zichtbaar wordt. Dat lijkt op een tendens te wijzen die we al bij Tongeren hebben vastgesteld, hoewel iets minder uitgesproken: Bilzen kijkt ook naar het westen. Bij het ongeveer half zo grote aantal gevallen, tien, waarin Bilzen ten oosten van het begin der lijn ligt, rafelt de bundel aan de taalgrens wat breder uiteen. Ook hier ontbreekt één keer een gegeven voor Val-Meer op de grens. Vier lijnen vallen op de taalgrens tussen Sluizen en Millen, slechts twee tussen Millen en Val-Meer en drie nog iets verder westelijk of oostelijk. Het gaat om de volgende gevallen: westelijk slooi en oostelijk slee(g) ‘slede’, poot en wortel ‘eetwortel’, mande of mandel en kerb ‘mand’, een mijt maken of zetten en mijten, pag of piegel en tuier of tuierpaal, beggelen en baggelen ‘biggen werpen’, vetten en masten ‘een varken mesten’, hesp of schouder en schink ‘ham’, (krui)riem en hulp ‘riem gebruikt bij het rijden met een kruiwagen’, alp en vleugel ‘schoep in een wanmolen’. Een schuin verloop door het Oosthaspengouws van noordoost naar zuidwest hebben de grenzen tussen westelijk kruk en oostelijk handhaaf of handvat ‘handvat van een zeis’ en lopen gaan en op loop gaan ‘op hol slaan’, van noordwest naar zuidoost die tussen westelijk zaan en oostelijk room ‘room van de melk’.

Tenslotte zijn er de exclusiviteiten, d.w.z. de woorden die in Limburgs verband uitsluitend in Oost-Haspengouw voorkomen en daar of het hele gebied vullen of een gedeelte ervan in beslag nemen. De lijst is onwaarschijnlijk lang. Een deel van deze woorden is in mijn poging tot begrenzing en indeling van het gebied al genoemd. Zonder op details in te gaan wat de afgrenzing betreft, kan over de exclusiviteiten het volgende worden gezegd. In 18 gevallen zijn ze min of meer voor Oost-Haspengouw in zijn

[p. 46]

geheel karakteristiek: oversprong ‘zolder boven de dorsvloer’, veer- of ressorteg ‘sleepcultivator’, mollep ‘mol’, strou, stro ‘id.’, kijnen ‘botten’, loof ‘aardappelloof’, zeel ‘band om een schoof of strobos’, tom ‘aardappelgroef’, (door)jagen ‘wannen’, bil ‘dikbil’, blaken ‘loeien, van koeien’, maaiknobben ‘larven van de runderhorzel’, duives ‘duivenhok’, bien ‘bij’, klitsji ‘stortkar’, disselboom ‘dissel’, halster ‘id.’, ropen/repen ‘veevoeder uittrekken’.

Bij de talrijke exclusiviteiten van gedeelten van Oost-Haspengouw vallen enkele ruimtelijke patronen op. Een heel vast patroon is het centraal Oosthaspengouwse, een rechthoek waarvan de lange zijden gevormd worden door een lijn Bilzen-Tongeren (- Lauw) en een lijn Eigenbilzen-Millen. Het komt niet in veel woorden voor, maar het is scherp. Hiertoe behoren warshout ‘dubbele trekknuppel’, zet ‘graanstapel in de schuur’, achterwaarts eggen, eenwinter, ‘rund van een jaar’, ouwer ‘uier’, naasband ‘dikke naafband’, giet of giets ‘paardelijn’, ook (met een uitlopertje naar de Maaskant) lopetig ‘bronstig van honden’. Klak ‘zweep’ en klakken ‘met de zweep klappen’ moeten hier eveneens toe hebben behoord. Deze woorden zijn dus gedeeltelijk Tongerlands, gedeeltelijk Bilzerlands. Het Tongerlands als geheel komt uit het materiaal niet door exclusiviteiten te voorschijn. Wel is er een goed vertegenwoordigd tweede patroon van woorden, waarvan de grenzen een ruimere of engere boog rond Tongeren beschrijven. Het is eerder breed dan hoog, in tegenstelling tot het klankgeografische Tongerlands. Hiertoe behoren: pele ‘voorschaar van een ploeg’, kabuis ‘koolplant’, mandel, male ‘mand’, gazemier ‘alsine media’, wilde liezen ‘wilde wikke’, toet ‘wetsteenkoker’, bok ‘korenhok’ en bokken ‘in hokken zetten’, kammen (met analoge a) in plaats van kemmen, kömmen, ries ‘grote graanzeef’, paardskont ‘dikbil’, zaps ‘daasvlieg’, schouder ‘ham’, gerolde kop ‘geperste zult’, rijer ‘mannelijk konijn’, geel ‘eierdooier’, band ‘wielhoepel’, loos ‘teugel’, stang ‘bit’, baardkettel ‘kinketting’, heukeling ‘hooiopper’. Het Bilzerlands heeft talrijke exclusiviteiten. Het mooist komt het als patroon te voorschijn op de kaart met de benamingen van het karhuis, met schelf, hoewel de grenzen van dit woord in het westen al iets verder reiken dan die van het klankgeografische Bilzerlands. Dat is nog iets meer het geval bij vaam ‘rand van een erwte- of bonepeul’, kerb ‘mand’, tweede schaar ‘nagras’, ook bij warmoes ‘moestuin’, dat echter in het oosten een geringere

[p. 47]

verbreiding heeft. Tot aan de grens bij Maastricht reiken de Bilzerlandse woorden vreemd mest ‘kunstmest’, zeikvat ‘gierton’, gestel, kerstel ‘lamoenbomen van een kar’, paardsmeester ‘veearts’; langs de westkant overschrijden zij ook nog de rand van het Tongerlands. Noordelijk Bilzerlands zijn gepenningde ‘schimmelpaard’, stuik ‘korenhok’, kompen ‘zijplanken van een kar’, noordoostelijk daaps ‘daasvlieg’. Oostelijk Bilzerlands, maar reikend tot aan de grens, zijn: een slok voor ‘een riek vol mest’, maai ‘zeis’, steel ‘steel van een zeis’, koning ‘top van een mijt’, schoefel ‘grote graanzeef’, troffelschup ‘platte schop’, koptoom ‘hoofdstel’, bijtteugel ‘teugel’, zuidoostelijk palen ‘tuieren’, hoop hooirook’, hoofd ‘voor- of achterplank van een kar of wagen’. Verder komen nog in delen van het Bilzerlands te volgende exclusiviteiten voor: varen ‘ploegen’, maaidorser ‘combine’, breien ‘hooi uitspreiden’, naar den duur gaan voor ‘een koe laten dekken’, kwint ‘interseksueel rund’. Op de grens van het Bilzeren Tongerlands strekken zich tussen beide centra gebieden uit met molpeste(r)t ‘fijne variëteit tuinwortelen’ en limiet ‘akkergrens’.

Een laatste duidelijk exclusiviteitenpatroon wordt gevormd door smalle stroken langs de taalgrens. Het gaat in de regel wel om teruggedrongen relicten, bij gelegenheid ook wel om een Waalse ontlening. Die stroken kunnen van ten zuidwesten van Tongeren tot een min of meer groot eind ten zuidoosten van die stad reiken. Dat is het geval met wilde ebberen ‘braambessen’, steenbok ‘interseksueel rund’, paggen ‘tuieren’, springen ‘coire van varkens en honden, trip “weke worst”, rugstrank’ ruggegraat met koteletten. Ten zuidwesten van Tongeren alleen komen voor: blaan ‘sleep-cultivator’, winnef ‘moestuin’, kabuis ‘gekookte kool’, bek ‘punt van een zeis’, snoefloek ‘hoofddoek’, vuile melk ‘biest’ evenals het al herhaaldelijk genoemde klak en klakken. Zuidoostelijk van Tongeren zijn te localiseren: molleshoop ‘mol’, boom ‘steel van een zeis’, uitdraaien ‘bij het zichten de halmen bijeentrekken’, bles ‘witte plek op het voorhoofd van een paard’, hof ‘weide’, dekken ‘coire van varkens’, vrutelen ‘met de snuit in de grond wroeten’, menneke ‘mannelijk konijn’, bassen ‘blaffen’ en (kar)hak ‘steun onder de kar’.

Als voorlaatste punt is nog even de aandacht te vestigen op enkele kleine woordgebiedjes met scherpe grenzen, verspreid in Oost-Haspengouw. Vliermaalroot, Vliermaal, Wintershoven, Romershoven en Schalkhoven, midden in het werf ‘steel van een zicht’-gebied, zeggen gewerf, Bommershoven, Piringen en Widooie zeggen

[p. 48]

winnen voor het dekken van varkens, Martenslinde en Kleine-Spouwen klats voor ‘zweep’ en 's-Herenelderen, Berg-Ketsingen, Membruggen en Genoelselderen piegel voor ‘tuierpaal’.

Het laatste punt heeft te maken met het op elkaar stoten van westelijke en oostelijke woordvormen in Oost-Haspengouw. Op de grens van zulke vormen ontstonden in enkele gevallen contaminaties, die op hun beurt als kleine Oosthaspengouwse exclusiviteiten te beschouwen zijn. Dat is het geval met raben (roeëben) te Waltwilder, Martenslinde, Kleine- en Grote-Spouwen, op de grens van westelijk rapen en oostelijk reuben voor ‘brassica rapa’, met rijwikken ‘wilde wikke’ ten westen van Maastricht tot en met Gellik en Vlijtingen, uit oostelijk rij en westelijk wikken, met buizelen ‘uit de aar vallen, van graan’, aan de taalgrens van Rutten tot Nerem, uit westelijk builen en oostelijk rijzen en ruizelen, met steltstek ‘steun onder de kar’, te Hees en Vlijtingen, uit oostelijk stelt en westelijk stek. Ook als contaminatie is te beschouwen het westelijke Tongerlandse nirken voor ‘herkauwen’. Dit gaat weliswaar evenals het Lonerlands irken en het Bilzerlands-Oosttongerlandse neringen op een ouder ederiken terug, maar met zijn n in het begin en zijn k in het midden is het duidelijk het resultaat van een versmelting der links en rechts aangrenzende vormen.

Het resultaat van deze uiteenzetting kan luiden: Woordgeografisch gezien bestaat er inderdaad een Oosthaspengouws geheel. Het zet zich door talrijke woordgrenzen zowel tegen het oosten als tegen het westen af. In het westen zijn de isoglossen die het begrenzen, talrijker dan in het oosten, maar ze vormen een lossere bundel. Het gebied vertoont ook voldoende interne homogeniteit om het als een geheel te beschouwen: anders uitgedrukt, de afgrenzing domineert - weliswaar niet zeer sterk - over de interne verdeling. Het Oosthaspengouwse geheel is in een ruimere woordgeografische samenhang eerder als Oost - dan als Westlimburgs te beschouwen. De interne verdeling is in mindere mate het resultaat van woordgrenzen die telkens wisselende stukken van het areaal bij het aansluitende westen en oosten voegen dan wel van een zeer groot aantal exclusiviteiten, waarvan een minderheid Oost-Haspengouw als geheel omvat, een meerderheid echter een aantal woordgeografische patronen binnen het Oosthaspengouws laat herkennen. Deze hebben met de traditionele indeling in Tongerlands en Bilzerlands op klankgeografische grondslag relatief

[p. 49]

weinig te maken. Ze zijn ook niet zozeer een hulp bij het indelen van het dialectlandschap als wel voorbeelden van taalgeografische modellen: de relictstrook langs een taalgrens, de boog rondom een provinciestad, de barrièrestrook en de contaminatiestrook tussen twee grotere woordgebieden.

 

Heverlee

 

J. Goossens

[p. 50]

Woordregister

aanscheut 44
aarbussel 42
achterknie 44
achtermaad 38, 39,
achterwaarts eggen 41, 44, 46
afromer 44
alp 45
baardkettel 46
bag 41
baggelen 45
band (hoepel) 44, 46
band (van stro) 42
bassen 47
bate 37
beggelen 45
bek 47
bekriem 39
belken 41
berm 45
bermen 42
beslag 44
biech 42
bien 39, 46
bij 39, 42
bijtteugel 38, 39, 45, 47
bil 46
bjolder 41
blaan 47
blaken 46
bles 47
bok 39, 42, 46
bokken (ww) 46
boom 47
bors 45
borstgetuig 42
borsthaam 42
braamberen 42
bramelen 42
breien (-hooi) 40, 45, 47
breien (-mest) 38, 41, 43
breken (-hooi) 40, 45
breken (-mest) 41, 43
briezen 41
broedkarige hin 42, 43
broeihin 42, 43
broeikont 42
bui 39
buidel 45
builen 42, 43
buizelen 48
bulder 41
bussel 42
clitchet 37
crustale 37
cristèl 37
daaps 38, 39, 47
dekken 47
den 39
disselboom
djin 37
dom 39
doorjagen 46
draaien 4l, 43
duivenkot 41
duives 41, 46
duivin 42
duur (naar den - gaan) 47
d'zeu-1'dègn 37
ebberen (wilde -) 42, 47
ederiken 43
eenwinter 39, 44, 46
eggen 41, 46
ei (schaalloos -) 42
ei zonder schaal 42
expater 40
ex(tir)pateur 40, 41
gang 41
gareel 42
gazemier 46,
gazemoer 41
gebekde 42
geel 46
gepenningde 47
gerolde kop 46
gestel 37, 47, 49
gewerf 39, 47
giet 46
gieten 41, 43
giets 46
graan 44
grij 41
gritsel 41
groment, gromert 39
grondbeker 41
haamsel 44
hak (achtergewicht) 44
hak (steun onder de kar) 47
halster 42, 46
handhaaf 45
handvat 45
harst 41
helster 42
hesp, heps 42, 45
hin 42
hof 47
hondsgetuig 42
hoofd 38, 39, 47
hoofdbreed 38, 39
hoofdkaas 39
[p. 51]
hoofdsel 38, 39
hoofdvlees 39
hoop 40, 45, 47
huist 39, 40
huister 39, 40, 45
hulp 45
inhouwen 41, 43
inkappen 41
irken 48
jaan 37, 41
jaarling 44
jagen 46
kabuis 46; 47
kammen 46
karhak 47
kastel 49
kemmen 46
kerb 38, 39, 45, 46
kerstel, kestel 37, 47, 48
kijnen 38, 39, 41, 46
klak 43, 45, 46, 47
klakken 43, 45, 46, 47
klats 45, 48
klatsen 45
klaver 41,
klee 41, 43
klijen 39
klinken (subst.) 39
klitsji 40, 46
klomp 41
klonk 41
knie 44
koeheerd 44
kömmen 46
kompen 47
koning 47
koolraben 45
kop 46
koppel 44
koptoom 47
korf 39
kortbussel 42
kraken 43, 45
krappen 41
krestel, kristel 49
kruid 41
kruiden 38, 41
kruikar 39
kruiriem 45
kruiwagen 39
kruk 45
krukken 41
kurre 41
kuuën 41
kwint 47
laag (subst.) 42
ledder 42
leer 42
leggen (het zet -) 42
liesei 42
liezen (wilde -) 41, 46
liezenei 42
lijstei 42
limiet 47
loof 41, 46
loop (op - gaan) 45
loops 38
loos 46
lopen gaan 45
loper 42, 43
lopetig 38, 46
maai 39, 43, 47
maaidorser 47
maaiknobben 40, 46
maaiknoken 41
maken (een mijt -) 45
male 46
malooi 42, 43
mand(e) 45
mandel (korenhok) 42
mandel (mand) 45, 46
masten 45
melk (vuile -) 47
melkmachien 44
menneke 39, 42, 43, 47
mest 47
mestef 44
mestem 44
mier 41
mijt 40, 45
mijten (ww.) 45
moer (alsine media) 41
moer (vrouwelijk konijn) 42
moerp 41
mol 41
mollep 38, 39, 41, 46
molleshoop 38, 39, 47
mol(le)peste(r)t 47
morp 41
naaf 39
naa(f)sband 42, 46
nere 39
neringen 44, 48
neusdoek 42, 43
nirken 44, 48
omzetten 41
ontromer 44
overden 37, 38
oversprong 37, 38, 41, 46
ouwer 39, 42, 46
[p. 52]
paardskont 46
paardsmeester 47
pag 45
paggen (ww.) 47
palen 47
pele 46
pens 41, 43
piegel 45, 48
plag 42
plukken 41
poot 45
praam 39
raapkul 45
raben 48
rammelaar 42
rank 39, 42, 44
rapen (subst.) 45, 48
reek 41
reep 44
rekel 39
repen 38, 41, 46
ressorteg 46
reuben 45, 48
riem 45
ries 46
rij 48
rijer 42, 43, 46
rijwikken 48
rijzen 42, 48
rind 39
rink 42, 44
roeëben 48
romblok 41
romer 44
room 4(
ropen 38, 41, 46
rozen (ww.) 42, 43
ruchelen 41
rug 44
rugstrank 45, 47
rugstuk 41, 45
ruizelen 42, 48
rus 41
ruuster 39
schaal 42
schaalloos ei 42
schaar (tweede -) 38, 39, 46
schelf 38, 46
schemelblok 41
scherp maken 42
scherp zetten 42
scheut 42
schieten 39, 41
schink 45
schoefel 47
schoep 45
schoof 42
schop 38
schouder 42, 45, 46
schudden 41
schulpeg 41
schutbreed 39
sinkel 41
slag 40
slagkar 40
slat 42
slee(g) 45
slijpbus 45
slok 47
slooi 45
smet 43, 45
smik 45
snoefloek 42, 47
snuitband 42
spaan 42
speen 42
spreien (hooi -) 39
spreien (mest -) 39
springen 47
staartleer 40
staarttoom 40
stang 46
steel 47
steenbok 47
stek 39, 48
steken 44
stelt 39, 48
stelstek 48
stert 41
strengen 41
stro 38, 42
stroppen 41
strou 46
stru 38
stuik 39, 42, 47
stuiken (ww.) 41, 43
surel 41
tas 41, 43
tassen (ww.) 42
terugwaarts eggen 44
tetveulen 38, 39
teugel 45
tims 42
toet 45, 46
tom 46
toom 45
treden 39
trekken (subst.) 39, 41
trip 41, 47
troffelschup 45, 47
tuier 45
tuierpaal 45
tweede schaar 38, 46
uier 39, 42
uitdoen 44
uitdraaien 47
[p. 53]
vaam 38, 39, 46
val 40
varen 47
vatsji 44
veereg 46
vetten 45
vleugel 45
vochelen 38, 39
vooi 42
vreemd mest 47
vruchten 45
vrulen 39
vrutelen 39, 47
vuile melk 47
warmoes 46
warshout 41, 44, 46
warsschei 41, 43, 44
werf 39, 47
wikken 48
wilde ebberen 42, 47
wilde liezen 41, 46
winkel 41
winnef 47
winnen 48
worst 41
wortel 45
zaadkleed 45
zaaikleed 45
zaan 45
zaps 38, 39, 46
zeef 39, 42
zeel 42, 46
zeikstuk 44
zeikton 44
zeikvat 44, 47
zeis(e) 39
zelen 41
zemelen 39
zet 41, 43, 45, 46
zetten (een mijt -) 45
zeven 44
zichten 42
ziften 44
zij 42
zuikeling 39
zulker, zurkel 41

(1)A. Stevens, Struktuur en historische ondergrond van het Haspengouws taallandschap. Het Oude Land van Loon 7 (1952), 4-20. Herdrukt als nr. 9 der Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde. Hasselt 1978.
(2)‘Beverst vormt de overgang naar het Bilzerlands’ (Stevens t.a.p. blz. 8).
(3)Zie vooral mijn artikel Dommellandse woorden. Limburg 57 (1978), 82-94. Ook als nr. 8 van de Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde. Hasselt 1978.
(4)De kaartjes zijn getekend vóór de aanpassing van de provinciegrenzen aan de taalgrens op 1.1.1963. De nummers van de in kaart gebrachte Limburgse plaatsen (op kaarten 1-3 zijn dat de grensplaatsen die het gebied van het Limburgse parallelwoord van een Waals woord aan de binnen- en buitenkant afbakenen, op kaart 4 alle plaatsen met een gegeven van het type gestel, kerstel) zijn o.a. te vinden in het Systematisch en alfabetisch register van plaatsnamen voor Nederland, de Nederlands-sprekende delen van België en Noord-Frankrijk en het Noordwesten der Duitse Bondsrepubliek, Amsterdam-Antwerpen 1962. De Luikse plaatsen en hun nummers staan o.a. in het door J.J.M.F. Kokkelmans uitgegeven Registre des noms de lieux du Sud de la Belgique, du Luxemburg et du Nord de la France, Mons 1982. Op kaart 4 hebben plaatsen zonder onderstreping het ondertype gestel, die met enkele onderstreping het ondertype kestel, kastel enz., die met dubbele onderstreping het ondertype kerstel resp. krestel, kristel. De Luikse gegevens zijn overgenomen uit het boek van L. Warnant, La Culture en Hesbaye liègeoise, Brussel-Luik 1949 en uit de Dictionnaire Liègeoise van J. Haust, Luik 1933.
(5)De Haspengouwse dialectwoorden worden in de regel in een vernederlandste vorm vermeld; daarbij is niet naar volstrekte systematisering gestreefd. Als de uitspraak voor de beoordeling van de woordgeografie van belang is, wordt die bij benadering weergegeven met gewone lettertekens.
prepostterug  begin