Sociolinguïstiek en dialectologie


auteur: Jan Segers, , en Ton Vallen


bron: Jan Segers, P. Stijnen, Ton Vallen en Jef van den Broeck, Sociolinguïstiek en dialectologie (Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde, Nr. 18). Hasselt 1980


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 1]

Dialect en onderwijs in het Kerkrade project
[door Sjef Stijnen en Ton Vallen].

0. Vooraf.

Dit artikel is tot stand gekomen naar aanleiding van een inleiding ten behoeve van een symposium ‘Sociolinguistiek en Dialectologie’ (vgl. symposium). Vandaar dat eerst enkele opmerkingen worden gemaakt aangaande dit thema. Vervolgens wordt ingegaan op het Kerkrade Project. Na een korte schets van het ontstaan, komen uitgangspunten, uitvoering en resultaten van het project aan de orde. Het artikel eindigt met een beknopte aanduiding van het perspectief van het project. Dit perspectief betreft met name de zgn. derde fase welke begin 1979 van start zal gaan.

1. Inleiding.

Indien de titel voor een symposium ‘Sociolinguistiek en Dialectologie’ zou zijn dan is deze titel enigszins ambigu. Enerzijds word en daarmee de sociolinguistiek en de dialectologie als twee afzonderlijke, naast elkaar functionerende wetenschapsdisciplines gepresenteerd, anderzijds wordt met deze titel impliciet ook gesuggereerd dat de sociolinguistiek en de dialectologie iets met elkaar te maken hebben, of op zijn minst iets met elkaar te maken zouden kunnen hebben. Wat beide disciplines in ieder geval met elkaar en met andere wetenschappelijke disciplines binnen en buiten de linguistiek gemeen hebben is het feit dat ervan tot nu toe geen bevredigende definities of omschrijvingen zijn gegeven, welke door alle professionele of niet-professionele beoefenaars worden onderschreven. Op zichzelf genomen is dat natuurlijk een merkwaardige zaak, maar voor wetenschappelijk onderzoek zijn zaken als twijfel, verwondering en nieuwsgierigheid noodzakelijke levensvoorwaarden en als het daardoor veroorzaakte gehakketak en gekissebis zou verstommen zou de wetenschappelijke vooruitgang waarschijnlijk op vrij korte termijn doodbloeden.

Ondanks het gegeven dat er voor de meeste of misschien wel alle wetenschapsdisciplines algemeen aanvaarde omschrijvingen ontbreken, heerst er meestal onder de beoefenaars ervan een op common-sense en begrijpend knikken gebaseerd gevoel van bij elkaar te horen en dat is al heel wat. Dit gevoel heerst er uiteraard onder sociolinguisten en dialectologen afzonderlijk, maar ook onder bepaalde typen dialectologen en sociolinguisten gezamenlijk, wat in een aantal gevallen waarschijnlijk zijn

[p. 2]

oorzaak hierin vindt, dat een niet onaanzienlijk aantal van de wetenschappers dat zich op dit moment sociolinguist noemt als dialectoloog hun eerste stappen op het wetenschappelijke vlak heeft gezet. Als dit echter de enige bindende faktor zou zijn, dan zullen de contacten tussen dialectologen en sociolinguisten geen lang leven beschoren zijn. De zaak krijgt al wat meer reliëf met de constatering dat zowel sociolinguisten als dialectologen in sterke mate geobsedeerd zijn door de fenomenen taalvariatie en taalverandering en dat tengevolge daarvan bij een groot aantal sociolinguisten de niet-standaardtaal, de verhouding niet-standaardtaal versus standaardtaal of de onderlinge verhouding van niet-standaardtalen als objecten van studie functioneren. Ook de variabiliteit van het taalgebruik dat ligt tussen niet-standaardtaal en standaardtaal krijgt binnen socio-linguistisch onderzoek de aandacht. Dit type sociolinguist wordt vooral binnen de richting van de correlatieve sociolinguistiek gevonden.

De meer bij de taalfilosofie, de pragmatiek en de etnomethodologie aansluitende richting van de interactionele sociolinguistiek, die met name geïnteresseerd is in het analyseren en het ontdekken van de beregeling van gesprekken, wordt hier voor de duidelijkheid maar buiten beschouwing gelaten. Als de dialectologie omschreven zou mogen worden als die tak van de linguistiek, die zich vooral in taalsystematisch/taalstructureel opzicht bezig houdt met de fenomenen taalvariatie en taalverandering en daarbinnen met name met de geografische spreiding daarvan en de sociolinguistiek als de tak van de linguistiek die dezelfde fenomenen bestudeert, maar dan niet alleen in taalsystematisch/taalstructureel opzicht maar ook vanuit de taalgebruikssystematiek / taalgebruiksstructuur in relatie tot de sociale en culturele context en in termen van preferenties, attitudes e.d., dan zouden daarmee de raakvlakken van beide disciplines enigszins verduidelijkt kunnen worden. Maar zo eenvoudig ligt de zaak niet: zowel door dialectologen als door sociolinguisten zullen deze globale en voorzichtig geformuleerde omschrijvingen op zijn minst gedeeltelijk worden bestreden. Over de vraag wat dialectologie en wat sociolinguistiek nu eigenlijk is en over hun onderlinge relatie zijn de laatste tijd nogal wat artikelen (deels van polemische aard) verschenen, welke in ingewikkeldheid en geleerdheid niet voor elkaar onderdoen, maar die naar

[p. 3]

onze mening nog niet veel duidelijkheid hebben gebracht. Een voor de hand liggende oplossing zou kunnen zijn, om de dialectologie te omschrijven als de wetenschap die zich met de studie van de dialecten bezighoudt en om daarbinnen onderverdelingen aan te brengen alnaargelang de wijze waarop dat geschiedt.

Zo zouden dan binnen de dialectologie niet alleen de onderverdelingen kunnen ontstaan die nu algemeen zijn aanvaard door dialectologen, maar er zou een nieuwe tak bijkomen, nl. de sociodialectologie. Dit voorstel zal meer nog dan het voorafgaande op allerlei gronden vooral vanuit de dialectologie worden bestreden, voor sociolinguisten zal het minder problemen opleveren. Belangrijke argumenten die in de discussies tussen dialectologen en sociolinguisten steeds naar voren komen, hangen samen met het feit dat de dialectologie en de sociolinguistiek zich bedienen van onderzoeksmethodieken en werkinstrumenten die nogal sterk ten opzichte van elkaar verschillen. Beide disciplines werken empirisch en de dialectologie komt de eer toe dat ze vanaf haar ontstaan heeft begrepen dat verantwoord linguistisch onderzoek een empirische basis behoeft.

Zoals echter vroeg geïndustrialiseerde landen nog steeds, met alle daarmee gepaard gaande problemen, bezig zijn met de vernieuwing van hun machinepark, zo zou het ook binnen de dialectologie misschien nodig zijn om zich te bezinnen op de vraag of het niet noodzakelijk is om eens na te gaan of er intussen geen betere instrumenten op de markt zijn om op een meer adequate, betrouwbare en valide wijze datgene wat men wil achterhalen aan de weet te komen. Sociodialectologen/sociolinguisten zijn daar mede tengevolge van hun contacten en samenwerkingsverbanden met sociale wetenschappers stellig van overtuigd, maar ook Goossens heeft onlangs geschreven dat men voor het diatopisch onderzoek van verticale differentiaties in de dialecten en van de verhouding van dialect-standaardtaal zich methodes zal moeten eigen maken, waarvoor niet alleen bij andere linguistische disciplines maar ook bij de sociologie en de psychologie in de leer moet worden gegaan. Voor de derde taak van de dialectologie vindt hij dat niet noodzakelijk, omdat de dialectologie daarvoor een eigen methodiek heeft ontwikkeld waarmee belangrijke resultaten zijn bereikt. Als sociodialectologische onderzoekers willen wij dit niet bestrijden, maar ten aanzien van het diatopisch onderzoek van dialectische taalstructuren wel opmerken dat ook op

[p. 4]

dat terrein ter verbetering van het onderzoek van andere disciplines het een en ander te leren valt. Vooral kan hierbij gedacht worden aan de methode van informantenselectie, materiaalverzameling en technieken voor een efficiëntere en snellere verwerking en analyse van het verzamelde materiaal. Maar goed, dit artikel is niet bedoeld om het laatste woord hierover te zeggen of om een ingewikkelde theoretische discussie aan te zwengelen maar in de eerste plaats om een indruk te geven van een onderwijskundig-sociodialectologisch onderzoek dat wordt uitgevoerd naar de specifieke problemen die kinderen in het basisonderwijs in Kerkrade ondervinden op grond van het feit dat zij van huis uit een andere taalvariëteit hanteren dan die waarin zij in de school moeten communiceren en onderwijs ontvangen.

2. Het Kerkrade-project: het ontstaan.

Het Kerkrade-project zou omschreven kunnen worden als een op het onderwijs gericht toegepast sociolinguistisch onderzoek. De aanleiding voor dit project was een in 1971 in de gemeente Kerkrade in opdracht van de Vereniging Katholieke Schoolraad uitgevoerd onderwijskundig onderzoek. Een van de bevindingen van dat onderzoek was dat hoofden van scholen aldaar van mening waren dat het feit dat door de meeste leerlingen van huis uit dialect wordt gesproken een nadelige invloed heeft op het behalen van de gewenste onderwijsresultaten. Dit leidde tot de dringende aanbeveling dat het zogenoemde taalprobleem nader gelocaliseerd en onderzocht moest worden. Daartoe nam de opdrachtgever van het in 1971 uitgevoerde onderzoek, tezamen met het Schoolpedagogisch Centrum Oostelijke Mijnstreek (S.P.C.) contact op met de Nijmeegse Centrale voor Dialect- en Naamkunde (NC.D.N.) en via dit instituut met het Nijmeegs Instituut voor Onderwijsresearch (NIVOR). Door Schoolraad, S.P.C., N.C.D.N., en NIVOR werd na intensief onderling overleg besloten een subsidie-aanvraag ter voorbereiding van een nader onderzoek van de Kerkraadse taalsituatie ten behoeve van het onderwijs in deze gemeente in te dienen bij de Stichting voor Onderzoek van het Onderwijs (SVO) in Den Haag (vgl. Subsidie-aanvraag 1972). De aanvraag werd begin 1973 goedgekeurd, zodat het project vanaf die tijd van start kon gaan.

[p. 5]

3. Het Kerkrade-project: uitgangspunten en uitvoering.

Als theoretisch uitgangspunt wordt er binnen het project van uitgegaan dat er in vrijwel alle taalgemeenschappen sprake is van een gestandaardiseerde, veel prestige bezittende, regelmatig door de sociale middenklasse en hoger gebruikte taalvariant en van een aantal andere varianten, die niet gestandaardiseerd zijn, minder prestige bezitten of repressief getolereerd worden en waarvan het gebruik zich steeds meer lijkt te gaan concentreren in de zgn. lagere sociale milieus. De variant met het hogere prestige wordt in de meeste ons omringende landen aangeduid als standaardtaal. (Zoals bekend zal zijn is in Nederland daarvoor echter vanuit Holland, waar sinds de 17e eeuw de grootste economische en dus politieke macht geconcentreerd is, ten behoeve van een soort grootste gemene deler van de Hollandse varianten de uiterst discriminerende term Algemeen Beschaafd Nederlands bedacht, welke aanduiding min of meer impliceert dat de beschaving bij de Moerdijk en op de Veluwe ophoudt, een wel erg provinciale opvatting. Wij zijn daarom dan ook van mening dat de term ABN ten snelste vervangen dient te worden door de meer neutrale en internationaal duidelijker aanduiding ‘standaard Nederlands’.)

De minder prestige bezittende varianten zijn en worden met name door standaardtaalsprekers nog vaak ten onrechte beschouwd als verbasteringen van de standaardtaal, waarbij nog steeds etiketten als provincialismen, barbarismen, vulgarismen etc. opgeplakt worden. In feite zijn het natuurlijk hooggestructureerde zelfstandige taalsystemen, die zich van de standaardtaal alleen maar onderscheiden doordat ze geen of nauwelijks een schrijftaalfunctie vervullen en binnen de door willekeurige landsgrenzen bepaalde taalgemeenschap een geringer, mondeling communicatief bereik hebben. Deze varianten worden ook wel niet-standaardtalen of dialecten genoemd.

Op grond nu van het voorafgaande kan zonder meer worden gesteld dat de Nederlandse taalgemeenschap een heterogeen beeld vertoont, en niet homogeen is zoals dikwijls ten onrechte is beweerd. Binnen de Neerlandistiek is de homogeniteitsopvatting vaak aangeduid als streng, de heterogeniteitsopvatting als rekkelijk. Binnen de strenge, homogene opvatting vindt men dan uitspraken als dat je niet aan iemand mag horen uit welke regio hij afkomstig

[p. 6]

is, welke uitspraak inmiddels wel in een curiosa-winkel thuishoort. Bij een heterogene, rekkelijke opvatting stelt men zich ten aanzien van taalvariatie positiever op en is men van mening dat variatie geaccepteerd moet worden zolang de communicatie daardoor niet wordt verstoord.

De homogene opvatting ligt zeer dicht bij de - met name onder Amerikaanse onderwijspsychologen ontstane - deficiet opvatting. Deze opvatting gaat er van uit dat de taal van niet-standaardtaalsprekende kinderen (waartoe ook dialectsprekende behoren) een tekort vertoont ten opzichte van die van de standaardtaalsprekende en dat ze tengevolge daarvan minder logisch kunnen denken en daardoor minder goede schoolprestaties leveren. In het verlengde van de deficiet-opvatting liggen de (taal)- compensatie programma's die een aantal jaren geleden ook binnen ons basisonderwijs opgeld deden.

De rekkelijke opvatting zou men min of meer kunnen kenschetsen als een voorloper van de sociolinguistische differentie-opvatting, die van een gelijkwaardigheid tussen taalsystemen uitgaat, de koppeling aan het logisch denken niet maakt, en die oorzaken van problemen zoekt in de discrepantie tussen taalsystemen en in prestige verschillen. Daarmee wordt voor wat het onderwijs betreft de problematiek niet op de ruggen van de leerlingen geschoven, maar gezocht in het onderwijssysteem zelf en in het maatschappelijk bestel.

Het Kerkrade-project is binnen Nederland het eerste project waarbinnen expliciet van de differentie-opvatting wordt uitgegaan. Zoals gezegd is het uiteindelijk doel ervan de benadelingen die dialectsprekers in het onderwijs op grond van hun taalachtergrond ten opzichte van standaardtaalsprekers ondervinden op te heffen.

Binnen het project wordt van de opvatting uitgegaan dat onderwijsresultaten van leerlingen globaal beschouwd beïnvloed worden door drie groepen van variabelen, nl.: leerlingenkenmerken, school- of klaskenmerken (ook wel onderwijskenmerken genoemd) en buitenschoolse factoren.

Wat leerlingenkenmerken betreft kan daarbij gedacht worden aan b.v. het taalgebruik dat leerlingen van huis uit ‘meebrengen’, hun sociaal milieu, hun intelligentie, het geslacht, de leeftijd. School- of klaskenmerken zijn o.a.: kenmerken van het onderwijsleerproces, het taalgebruik van de leerkracht, de school- en klasgrootte, de onderwijsdoelen, leerinhouden en didactische

[p. 7]

werkvormen.

Tot de buitenschoolse factoren zouden ondermeer gerekend kunnen worden: de mate van dialectgebruik binnen een bepaalde streek, de sociale gelaagdheid van de bevolking, de urbanisatiegraad, het verschijnsel pendel.

In het Kerkrade-project worden de buitenschoolse factoren als gegeven beschouwd. Ze zijn derhalve geen object van onderzoek. Daarbij geldt de overweging dat buitenschoolse factoren op zo'n korte termijn via het onderwijs niet in gunstige zin te beïnvloeden zijn en verder dat deze factoren in een aantal gevallen via de leerlingen in het onderwijs binnenkomen, waardoor ze dan in feite als leerlingkenmerken functioneren.

Binnen de gegevenheid van de buitenschoolse factoren kan de relatie tussen de overblijvende drie groepen (clusters) van variabelen worden weergegeven als in het onderstaande schema.



illustratie

In sociaal-wetenschappelijke termen vertaald betekent dit dat de onderwijsresultaten beschouwd worden als afhankelijk variabele ten opzichte van de onafhankelijke variabelen leerlingkenmerken en onderwijskenmerken. De leerlingkenmerken zijn in bepaalde opzichten van invloed op onderwijskenmerken en via deze op onderwijsresultaten van leerlingen. In traditioneel-schoolse termen wordt hier niets anders mee gezegd dan dat bv. een slimme leerling (= leerlingkenmerk) weinig uitleg nodig heeft (= onderwijskenmerk) om een moeilijke rekensom goed te maken (= onderwijsresultaat). In bepaalde gevallen kunnen, zoals uit het schema blijkt, leerlingkenmerken ook een meer directe invloed op onderwijsresultaten uitoefenen, wat sterker geldt naarmate op bepaalde leerlingenkenmerken in het onderwijs minder wordt ingespeeld (ten aanzien van dit laatste geldt bv. de overweging dat in een tweetalige taalgemeenschap zeker niet alle talige leerlingkenmerken binnen het ééntalige onderwijs aan bod komen).

In het Kerkrade-project werden aangaande de drie in het schema genoemde clusters van variabelen gegevens verzameld. Met behulp van een analyse van onderwijsresultaten (zowel betrekking hebbend op cognitieve als op niet-cognitieve aspekten) die werden ver-

[p. 8]

zameld bij een geselecteerde groep van dialectsprekende en standaardtaalsprekende leerlingen kon worden nagegaan of en in welke opzichten de dialectsprekers minder goede schoolresultaten behalen dan de standaardtaalsprekers. Waar van nadelen voor dialectsprekers gesproken kon worden werd getracht om in de centrale onafhankelijke variabele ‘de taalachtergrond van de leerling van huis uit’ en in de onderwijskenmerken indicaties te vinden voor een mogelijke verklaring van deze nadelen. Ofschoon de betekenis voor het onderwijs van de taalachtergrond van de leerlingen als centrale onderzoeksvariabele fungeert spreekt het vanzelf dat ook gegevens over de leerlingkenmerken sociaal milieu, geslacht, leeftijd, intelligentie e.d. verzameld moesten worden. Deze kenmerken fungeerden als controle-variabelen, d.w.z. in de analyses werd getracht deze zoveel mogelijk uit te schakelen als verklarende factoren voor de gevonden verschillen in onderwijsresultaten tussen dialectsprekers en standaardtaalsprekers. In de volgende paragraaf wordt kort ingegaan op de opzet van het Kerkrade-project en op enkele resultaten.

4. Het Kerkrade-project: opzet en resultaten.

Binnen de opzet van het totale Kerkrade-project worden drie fasen onderscheiden:

1.een voorbereidingsfase, die eind 1975 is afgesloten (zie Hagen, Stijnen, Vallen (1975)).
2.een uitvoeringsfase, die op dit moment wordt afgerond.
3.een innovatiefase, die - hopelijk - begin 1979 zal starten.

In de voorbereidingsfase, die een sterk verkennend en probleemsignalerend karakter had, is de problematiek dialect-standaardtaal-onderwijs vrij globaal onderzocht. Als algemene conclusie van de eerste fase kwam naar voren dat er inderdaad van een benadeling van dialectsprekers t.o.v. standaardtaalsprekers in het Kerkraads onderwijs sprake is. Dit bleek onder meer uit het volgende:

1)dialectsprekers behalen op gestandaardiseerde en zelfontwikkelde toetsen lagere scores dan standaardtaalsprekers (bv. op de schooltoetsen basisonderwijs van het CITO). (zie Stijnen (1975), Hagen, Vallen (1975 b)
2)dialectsprekers worden onafhankelijk van hun schoolresultaten ongunstiger beoordeeld dan standaardtaalsprekers (bv. bij adviezen voor vervolgonderwijs; dialectsprekers tenderen boven-
[p. 9]
dien ernaar vaker te doubleren dan standaardtaalsprekende leerlingen). (zie Stijnen (1975 a en c), Hagen, Vallen (1975 a)).
3)dialectsprekers hebben meer problemen met het productieve gebruik van het standaard-Nederlands dan standaardtaalsprekers (bv. - naar het oordeel van de leerkrachten - bij het mondeling gebruik van de standaardtaal). (zie Hagen, Vallen (1975 a), Stijnen (1975 b)).
4)leerkrachten onderkennen de specifieke problemen van dialectsprekers maar ze zien geen duidelijke didactische wegen om daaraan het hoofd te bieden. (zie Stijnen (1975 b)).

In de tweede fase (het eigenlijke hoofdonderzoek dus) werd bij kleuters, eerste, derde en zesde klassers (in totaal ongeveer 300 leerlingen) meer specifiek onderzocht waar de problemen voor dialectsprekers nu precies liggen. (zie subsidie-aanvraag (1975) en herziene subsidie-aanvraag (1975)).

Tevens werd getracht om indicaties te verkrijgen voor de derde fase: de innovatie-fase (waarin de verworven inzichten en gegevens in de onderwijspraktijk zullen worden ingebracht). Omdat de rapportage van de tweede fase nog niet is afgerond zullen de conclusies vrij globaal worden weergegeven. Tevens zijn deze eerste conclusies vertrouwelijk van aard, omdat uiteraard de betrokken scholen en ouders het eerste recht hebben op een volledige presentatie van de resultaten.

Enkele voorlopige conclusies van de tweede fase zijn:

1.De belangrijkste problemen voor dialectsprekers concentreren zich op het gebied van de mondeling- en schriftelijk productieve beheersing van de Nederlandse standaardtaal (bv. een aanzienlijk percentage (van 20-60%) van de fouten die dialectsprekers in de standaardtaal maken vindt zijn oorzaak in het feit dat ze van huis uit dialect spreken). Dit neemt niet weg dat in het begin van het lager onderwijs ook nadelen gevonden werden op taaltoetsen met een voornamelijk receptief karakter.
2.Invloeden van het dialect op het schriftelijk gebruik van de Nederlandse standaardtaal door dialectsprekers lijken met het stijgen van het leerjaar relatief eerder toe dan af te nemen (bv. het percentage interferentiefouten van dialectsprekers op het totale aantal gemaakte fouten bij schriftelijk productief standaardtaalgebruik neemt van het derde naar het zesde leerjaar vaak toe).
[p. 10]
3.Attitudes/houdingen ten opzichte van dialect en standaardtaal lijken een belangrijke invloed te hebben (zowel bij leerkrachten als bij leerlingen) op schoolprestaties en de beoordeling daarvan (bv. wanneer leerkrachten die geen weet hebben van de taalachtergrond van de leerlingen taalproducten beoordelen, dan blijken er geen verschillen in beoordeling op te treden; als leerkrachten de taalachtergrond wel weten, treden er verschillen op ten nadele van dialectsprekers).
In verband met attitudes speelt ook spreek- en faalangst alsmede de grotere linguistische onzekerheid van dialectsprekende leerlingen een rol. Zo verklaart bv. een groot gedeelte van de dialectsprekers uit het derde en zesde leerjaar dat ze in een standaardtalige omgeving stiller zijn dan normaal en dat ze in de klassesituatie een geringere spreekangst zouden hebben, wanneer ze van huis uit standaardtaalsprekers zouden zijn of wanneer ze dialect zouden mogen spreken. Verder blijkt dit uit een aantal afgenomen linguistische onzekerheidstests.
4.In de verbale communicatie in de klas wordt verrassend weinig aangesloten bij de thuistaal van dialectsprekende leerlingen.

De resultaten van de eerste en tweede fase overziend kunnen op dit moment als belangrijkste, door middel van empirisch onderzoek gesignaleerde, problemen worden gezien:

a)benadelingen van dialectsprekers met name bij mondeling en schriftelijk productief gebruik van de standaardtaal.
b)problemen in de attitudinele sfeer bij leerkrachten en leerlingen ten opzichte van taalvariatie in het algemeen en ten opzichte van dialect en standaardtaal in het bijzonder. Dit feit zou mede veroorzaakt kunnen worden door een (te) strenge normopvatting en normhantering ten aanzien van de standaardtaal als schooltaal.

5. Perspectief van het Kerkrade-project.

In de derde fase, de innovatiefase, zal, naast het geven van uitvoerige informatie binnen de regio Kerkrade en daarbuiten, eraan gewerkt gaan worden om op basis van de verkregen gegevens door middel van werkgroepen bestaande uit leerkrachten, ouders, begeleiders, ontwikkelaars en onderzoekers te komen tot een didactisch verantwoorde benadering van de overgang vanuit het dialect naar de standaardtaal in het Kerkraadse onderwijs (zie subsidie-aanvraag (1975)).

[p. 11]

Dit geschiedt met het oog op het mondig maken van de dialectspreker als tweetalige spreker die zowel taalvaardig is in de domeinen waar de thuistaal relevant is, als ook in de domeinen waar de standaardtaal noodzakelijk is. Het gaat daarbij uiteraard niet om de uitroeiing of de afschaffing van dialect ten gunste van de standaardtaal, maar om het slaan van een brug in het onderwijs van dialect naar standaardtaal, waarbij het dialect als een positief gegeven wordt gehanteerd dat in bepaalde onderwijssituaties als hulptaal of als voertaal een didactische functie kan vervullen.

In verband met de derde fase is het tenslotte te betreuren dat de doorgang van de volledige derde fase op dit moment (november 1978) twijfelachtig is geworden, omdat de huidige regering van plan is binnen de sector onderwijsonderzoek exorbitant grote bezuinigingen door te voeren, waardoor het beschikbare budget tot nauwelijks tweederde wordt gereduceerd.

 

Sjef Stijnen
Ton Vallen
p/a Bijleveldsingel 70
Nijmegen.

[p. 12]

6. Literatuuropgave.

Aanvrage voor het verkrijgen van subsidie van de Stichting voor Onderzoek van het Onderwijs voor het verrichten van een studie ter voorbereiding van Onderzoek van de taalsituatie in Kerkrade e.o., speciaal ten behoeve van het onderwijs op de basisscholen. NIVOR/NCDN, Nijmegen 1972.
Aanvraag voor het verkrijgen van subsidie van de Stichting voor Onderzoek van het Onderwijs voor het uitvoeren van het Onderzoek van de taalsituatie in Kerkrade e.o., speciaal ten behoeve van het onderwijs op de basisscholen. NIVOR/NCDN, Nijmegen 1975.
Aanvraag voor het verkrijgen van subsidie van de Stichting voor Onderzoek van het Onderwijs voor het uitvoeren van het eerste gedeelte van de derde fase van project 0241: Onderzoek van de taalsituatie in Kerkrade E.O., speciaal ten behoeve van het onderwijs op de basisscholen. NIVOR/NCDN 1978
Hagen, A., Stijnen, P., Vallen, A. (1975), Dialekt en onderwijs in Kerkrade. NCDN/NIVOR, Nijmegen.
Hagen, A., Vallen, A., (1975 a), De sociolinguistische studie van dialect-standaardtaalsituaties. Een literatuuronderzoek. NCDN, Nijmegen.
Hagen, A., Vallen, A., (1975 b), Empirische benaderingen van de taalvaardigheid van een groep van huis uit dialectsprekende kleuters en eerste klassers.
NCDN/ Nijmegen
Herziene subsidie-aanvraag voor het uitvoeren van het ‘Onderzoek van de taalsituatie in Kerkrade e.o., speciaal ten behoeve van het onderwijs op de basisscholen.’
NIVOR/NCDN, Nijmegen 1975.
Stijnen, P.J.J., (1975 a), Het van huis uit spreken van dialekt en onderwijs. Een literatuurstudie.
NIVOR, Nijmegen.
[p. 13]
Stijnen, P.J.J., (1975 b), Leerkrachten over het spreken van dialekt i.v.m. onderwijs in Kerkrade.
NIVOR (m.m.v. NCDN) Nijmegen.
Stijnen, P.J.J., (1975 c), Taalgebruik, sociaal milieu en schoolresultaten. NIVOR, Nijmegen.
Symposium ‘sociolinguistiek en dialectologie’ in het kader van het vierde congres van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde. Elsloo (L), 30 september 1978.