|
|
|
| |
| | | |
Recent sociolinguistisch onderzoek in Vlaanderen [door Jef van
den Broeck].
| |
0.
In oktober 1972 schreef de Nederlandse linguist Seuren dat het ‘welhaast onverantwoord is dat er in België niets aan
sociolinguistiek wordt gedaan’ (1972, 134).
Sindsdien is er gelukkig al heel wat veranderd. Toch moet bij het begin van
dit overzichtsartikel duidelijk gesteld worden dat er nog heel wat vragen
open blijven en dat een aantal inzichten en bevindingen van
sociolinguistisch onderzoek in Vlaanderen onduidelijk blijven omdat het
gedane onderzoek voor een stuk fragmentair en partieel is. België is
natuurlijk rijk aan sociolinguistische vragen. We zitten nog altijd met onze
‘communautaire problemen’ en ondanks Egmont, Stuyvenberg en andere
kasteelakkoorden zal de zgn. ‘pacificatie tussen de gemeenschappen’ nog wel
een hele tijd op zich laten wachten. Met name Brussel en het hele gebied errond blijft een erg groot probleem. Het
was echter niet mijn bedoeling om hier op de tegenstellingen tussen Frans-
en Nederlandstaligen in te gaan. Tot voor kort was er hieromtrent trouwens
nauwelijks wetenschappelijk onderzoek (bgl. Verdoodt 1973, 1). Dit is nu aan
het veranderen maar in het bestek van deze bijdrage moge het volstaan enkele
zeer recente publicaties aan te stippen (Verdoodt 1978, met name de bijdrage
van Louckx daarin (blz. 53-60); Witte (1978). Andere Belgische
sociolinguistische (of ‘taalsociologische’) vragen die niet aan bod zullen
komen, zijn deze die te maken hebben met de aanwezigheid van een Duitstalige
minderheid (± 100.000 mensen) in het oosten van ons land (zie hierover o.m.
Verdoodt 1968) en van een groot aantal gastarbeiders (zie hierover o.m.
Segers en van den Broeck in Verdoodt 1978, 77-84). Ik zal mij uitsluitend
beperken tot de specifiek Vlaamse situatie waarin tamelijk sterk gevestigde
dialecten co-existeren met een standaardtaal waarvan het belang steeds
toeneemt.
Tot nog toe hebben vooral twee soorten sociolinguistische vragen de aandacht
van de Vlaamse onderzoekers gaande gehouden. Beide lagen nu eenmaal het
meest voor de hand in de Vlaamse taalpolitieke context van de verspreiding
van het ‘ABN’.
De eerste vraag luidt: ‘Wie spreekt in Vlaanderen wat (dialect of
standaardtaal) met wie en wanneer?’ (Fishman's (1965) bekende hamvraag als
leidraad voor de taalsociologie in twee- of meertalige contexten). De tweede
betreft het typisch Vlaams pro- | | | | bleem van wat men onder die
standaardtaal verstaat. Hoe zit het precies met die standaardtaal? Het is
algemeen bekend dat die taal in het noorden van België officieel wel
‘Nederlands’ heet maar het is evenzeer bekend dat er over de inhoud van die
term niet zo'n grote eensgezindheid bestaat. Er zijn in dit verband twee
tegenstrijdige tendensen gesignaleerd: een particularistische en een
algemeen Nederlandse. Volgens de eerste is de standaardtaal in Vlaanderen
niet helemaal dezelfde als in Nederland; volgens de tweede heeft het hele
Nederlandse taalgebied één en dezelfde standaardtaal: het Nederlands.
Terwijl de tweede het standaardiseringsproces van de cultuurtaal in
Vlaanderen duidelijk als een beweging naar en een integratie met het
‘Nederlands van het Noorden’, ziet en stimuleert, mag volgens de eerste onze
Vlaams-Nederlandse standaardtaal wel ‘een aantal’ afwijkingen vertonen met
dat Nederlands. Deze probleemstelling heeft dus concreet betrekking op de
houding van de Vlamingen tegenover het Nederlands van de Nederlanders.
Na bespreking van de antwoorden op deze 2 vragen zal ik tenslotte in een
laatste paragraaf nog kort een ietwat andersoortig probleem belichten, nl.
de verhouding tussen de dimensie ‘standaardtaal-dialect’ en Bernstein's
bekende dichotomie van ‘restricted code’ (een beperkte manier van spreken
die typisch zou zijn voor de arbeidersklasse) tegenover ‘elaborated code’
(een ‘uitgebreide’, meer gesophisticeerde manier van spreken die typisch zou
zijn voor de middenklasse). Dit onderzoek waarop mijn doctorale dissertatie
gebaseerd was, is bij mijn weten de eerste Vlaamse sociolinguistische studie
op basis van op band opgenomen gesproken taalmateriaal. Omwille van de
relevantie van de andere problemen, ook en vooral voor het
moedertaalonderwijs in Vlaanderen, is het klassieke sociolinguistisch
onderzoek van het feitelijk taalgedrag (à la Labov) pas zeer recent aan bod
gekomen. Het grootste gedeelte van dit artikel zal dan ook aan de antwoorden
op de 2 hoger genoemde vragen gewijd zijn.
| |
1. ‘Wie spreekt in Vlaanderen wat (dialect of standaardtaal) met
wie en wanneer?’
De socioloog Meeus was de eerste die geprobeerd
heeft deze vraag te beantwoorden (Meeus 1971, 1972 en 1974). Omdat zijn
cijfers vooral gebaseerd zijn op een onderzoek in slechts 4 plaatsen aan | | | | de oostrand van Brussel en er verder nog wel wat op
Meeus'manier van werken aan te merken valt, hebben wij beslist om een meer
representatief onderzoek op te zetten. De resultaten hiervan zijn onlangs in
een paar artikels bekend gemaakt (Geerts, Nootens en Van den Broeck 1977 en
1978).
Een eerste reeks bevindingen van dit onderzoek is samengevat in tabel I. De
vraag die we gesteld hebben was: ‘In welke mate vindt U het dialect van de
streek hier een geschikte taal voor elk van de 7 volgende situaties?’ De
respondenten moesten hun antwoord telkens op een 6-punt schaal uitdrukken.
Er werd dus naar de attitude gevraagd, niet naar het feitelijk gebruik. Het
is immers al vaak gebleken dat als je mensen vraagt wat ze feitelijk
spreken, ze niet zozeer antwoorden welke taalvariëteit ze echt gebruiken als
wel welke ze vinden dat ze zouden moeten gebruiken.
Tabel I, die gebaseerd is op de antwoorden van een representatief aantal
Vlamingen (1116 in totaal (Brussel werd in het onderzoek niet betrokken)),
toont duidelijk aan dat de Vlamingen vrij geprononceerde opvattingen hebben
over de geschiktheid van het dialect voor verschillende ‘domeinen!’ (of
situaties). Voor bijna elke situatie zijn de 2 middenscores (++ + en -- -)
samen kleiner dan de maximale aanvaarding of afwijzing van het dialect (***
en ---). De Vlamingen zijn zich m.a.w. duidelijk bewust van hun
socio-linguistische situatie.
| | | |
| |
Tabel 1: de totale resultaten m.b.t. de attitude van de Vlamingen
tegenover het dialect
| Dialekt is voor: |
D1 man-vrouw |
D2 vrienden |
D3 werk |
D4 kind-ouder |
D5 kind-volw. |
D6 school |
D7 radio-TV |
| De minst geschikte taal(*) - - - |
13.0 |
14.0 |
22.7 |
22.5 |
31.0 |
71.4 |
73.8 |
| - - |
4.9 |
5.5 |
7.0 |
8.8 |
12.4 |
11.5 |
8.5 |
| - |
6.1 |
10.5 |
8.4 |
9.2 |
12.1 |
3.0 |
3.9 |
| in % (subtotaal) |
24.0 |
30.0 |
38.1 |
40.5 |
55.5 |
85.9 |
86.2 |
| - |
14.8 |
21.0 |
17.7 |
15.6 |
15.4 |
2.7 |
3.4 |
| - - |
15.4 |
15.2 |
12.5 |
12.6 |
7.5 |
1.0 |
1.0 |
| De meest geschikte taal - - - |
43.9 |
32.5 |
30.5 |
29.9 |
20.2 |
8.6 |
8.1 |
| (subtotaal) |
74.1 |
68.7 |
60.7 |
58.1 |
43.1 |
12.3 |
12.5 |
| geen antwoord |
1.7 |
1.2 |
1.1 |
1.4 |
1.4 |
1.9 |
1.2 |
| |
|
|
|
|
|
|
|
| Totaal (N = 1116) |
100 |
100 |
100 |
100 |
100 |
100 |
100 |
| |
|
|
|
|
|
|
|
| gemiddelde score op de zespuntenschaal |
4.5 |
4.2 |
3.8 |
3.8 |
3.2 |
1.7 |
1.7 |
Bron: Geerts, Nootens en Van den Broeck, 1977, tabel
| | | |
Hun attitudes tegenover dialect en standaardtaal in verschillende
domeinen wijzen op een functionele kijk op de bruikbaarheid van die twee
taalvariëteiten: men ‘kiest’ die taalvorm die in een bepaalde situatie
het best functioneert. In de formele domeinen (D6 en D7, ‘op school’ en
‘voor radio en TV’) is dat duidelijk de standaardtaal en in de informele
(D1 en D2, ‘tussen man en vrouw’ en ‘met vrienden en kennissen’) is dat
even duidelijk het dialect. Vlaanderen vertoont dus een diglossisch
patroon (vgl. Ferguson 1959 en Meeus 1973). De cijfers m.b.t. de 3
overige domeinen ondersteunen o.i. de opvatting dat Vlaanderen zich in
een overgangsfase bevindt, tussen ééntalig dialect en ééntalig
Nederlands.
Voor D3 (‘op het werk’) komt men weliswaar op het eerste gezicht tot een
hoog aantal pro-dialect-stemmen (60%), maar uit meer gedifferentieerde
cijfers (zie Geerts et al. 1977, tabel 8) blijkt dat in de hogere
sociale klassen een meerderheid (al) voor de standaardtaal kiest. Ook
bij de jongste bevolkingsgroepen is er een duidelijke tendens naar een
voorkeur voor de standaardtaal m.b.t. D3 (zie Geerts et al. 1977, tabel
5).
De meest sprekende aanwijzingen voor de overgangsfase-hypothese vinden we
evenwel in de resultaten voor de domeinen die betrekking hebben op de
omgang met kinderen (D4 en D5). Bovendien scoren ook hier weer de
jongeren en vooral de hogere sociale klassen aanmerkelijk hoger. (Uit de
cijfers van tabel 1 kan men verder ook aflezen dat in 26% (74-58) van de
Vlaamse gezinnen de ouders onder mekaar dialect spreken maar met de
kinderen standaardtaal of alleszins vinden dat het zo zou moeten zijn).
De voor de hand liggende vraag is nu wat men precies verstaat onder die
‘standaardtaal’, die dus als complementair alternatief voor het dialect
moet fungeren. Dit brengt ons tot onze tweede grote
probleemstelling.
| |
2. Hoe staan de Vlamingen tegenover het Nederlands van de
Nederlanders?
Hoger is al gesteld dat er in Vlaanderen zeker geen consensus is over wat die
standaardtaal precies inhoudt. In het onderzoek van Geerts et al. (1977) is deze toestand van onenigheid m.b.t. de
standaardtaal geconcretiseerd in de | | | | vraag naar de attitude van
de Vlamingen tegenover het Nederlands van de Nederlanders vs. het Nederlands
van de Vlamingen. En omdat we die vraag in een concrete context wilden
stellen hebben we ons onderzoek indertijd gekoppeld aan een bepaalde
uitzending van de Berend Boudewijn-kwis, een TV-programma dat ook in
Vlaanderen zeer hoge kijkdichtheidscijfers had en waarin Vlaamse en
Nederlandse getrouwde paren het tegen elkaar opnamen. Dit gaf ons impliciet
de mogelijkheid het Algemeen Nederlands taalgebruik van de deelnemers
onderling te vergelijken en naar aanleiding daarvan de houding van de
doorsnee Vlaming tegenover beide soorten taalgebruik te bepalen.
De door ons gebruikte techniek is natuurlijk niet perfect. Het is immers niet
uitgesloten dat sympathie en antipathie voor een of ander koppel de
antwoorden op onze taalvragen beïnvloed hebben. Toch leek ons deze omweg via
een TV-programma veel beter dan bijvoorbeeld de direkte vraag: wie spreekt
volgens u het beste Nederlands, de Vlamingen of de Nederlanders?
Hoe zijn we dan precies te werk gegaan? Onze enquête, uitgevoerd door een
opinie- en onderzoeksbureau, had plaats na de Berend Boudewijn-kwis van 19
april 1975. De eerste vraag was: ‘Hebt u die uitzending gezien?’ 56% had ze
gezien. Aan diegenen die niet naar die bepaalde uitzending gekeken hadden
vroegen we of ze dan wel eens een andere uitzending gezien waaraan zowel
Vlamingen als Nederlanders deelnamen. Voor de grote meerderheid bleek dat -
gelukkig voor ons - het geval te zijn zodat we in totaal slechts een 100-tal
informanten voor de rest van de enquête moesten uitsluiten.
De volgende vraag was: ‘Wie sprak er volgens u in die uit- zending(en) het
beste Nederlands, de Vlaamse paren of de andere paren?’ In de daaropvolgende
laatste vraag hadden we een zgn. ‘commitment item’ (vgl. Agheyisi en Fishman
1970) ingebouwd: ‘als u zelf op TV zou komen, zou u dan willen kunnen
spreken zoals de Nederlanders, die aan de kwis deelnamen?’
De antwoorden op deze laatste twee vragen zijn weergegeven in tabel 2. In het
bestek van dit artikel beperken we ons tot de globale resultaten (de
onderste rij van tabel 2).
| | | |
Tabel 2: Antwoorden op V4 en V5 naar provincie, leeftijd,
geslacht, sociale klasse en gemeentegrootte1, (in procenten) Bron: Geerts, Nootens en Van den
Broeck 1977, tabel 12.
| |
V4 |
|
V5 |
|
| Stratificatie-criteria |
‘De andere paren’ |
‘De Vlaamse paren’ |
‘Neen’ |
‘Ja’ |
| PROVINCIE |
|
|
|
|
| West-Vlaanderen |
38.0 |
58.2
|
68.0
|
32.0 |
| Oost-Vlaanderen |
41.6 |
56.8
|
54.7
|
44.8 |
| Antwerpen |
51.0 |
44.8
|
57.2
|
42.5 |
| Limburg |
43.3 |
51.8
|
70.9
|
29.1 |
| Vlaams-Brabant |
27.7 |
68.7
|
78.1
|
19.9 |
| |
|
|
|
|
| LEEFTIJD |
|
|
|
|
| 15-24 jaar |
48.0 |
46.7
|
62.7
|
37.3 |
| 25-34 jaar |
46.9 |
50.2
|
69.9
|
29.6 |
| 35-44 jaar |
40.2 |
56.0
|
64.5
|
34.6 |
| 45-54 jaar |
38.4 |
60.0
|
59.3
|
39.6 |
| 55-64 jaar |
32.4 |
63.7
|
64.7
|
35.3 |
| |
|
|
|
|
| GESLACHT |
|
|
|
|
| mannen |
42.2 |
53.4
|
63.0
|
36.2 |
| vrouwen |
41.2 |
56.0
|
65.3
|
34.5 |
| |
|
|
|
|
| SOCIALE KLASSE |
|
|
|
|
| HH |
50.0 |
47.3
|
54.6
|
42.7 |
| H |
41.5 |
54.4
|
64.4
|
35.3 |
| L |
42.9 |
54.4
|
64.9
|
34.7 |
| LL |
34.1 |
60.1
|
66.2
|
33.8 |
| |
|
|
|
|
| GEMEENTEGROOTTE |
|
|
|
|
| Agglomeraties |
45.0 |
53.7
|
54.3
|
45.7 |
| A-steden |
43.1 |
49.4
|
65.5
|
33.8 |
| B: 5000 |
40.2 |
56.6
|
64.5
|
34.9 |
| B: 5000 |
41.4 |
54.9
|
69.3
|
30.3 |
| |
|
|
|
|
| Totaal |
41.7 |
54.7
|
64.2
|
35.3 |
| | | |
Uit deze cijfers blijkt wat Geerts (1974, 657) genoemd heeft de
‘schizoglossie’ van de Vlamingen: 54% van de Vlamingen kiest voor het
Nederlands van de Vlaamse paren maar 64%, dus 10% meer, zou niet willen
kunnen spreken zoals de Nederlanders. Een verklaring hiervoor is wellicht
gelegen in het feit dat er een aantal Vlamingen zijn die ‘wel’ vinden dat de
Nederlanders beter spreken, maar die absoluut niet willen ‘klinken als’,
d.w.z. geïdentificeerd worden met de ‘Ollanders’. Deze reactie heb ik
bijvoorbeeld wel eens bemerkt bij Leuvense germanisten die in een café of in
een winkel onder mekaar goed Nederlands spraken, waarop de kastelein of
winkelier vroeg: ‘De heren komen van Holland zeker?’ De studenten deden
daarna hun uiterste best om ‘zo Vlaams mogelijk’ te spreken (met veel ‘ge's’
en ‘stylo's’ en ‘camions’ en dgl.) om de omstaanders te overtuigen dat ze
geen ‘Ollanders’ waren. In elk geval is hierover verder onderzoek nodig.
(Dit geldt ook m.b.t. de volgens sociologische variabele uitgesplitste
resultaten (zie tabel 2). Waarom lijden bijv. vooral de jongeren en de
inwoners van kleinere plaatsen aan schizoglossie?).
Waar de Vlamingen het dus grotendeels eens waren over de geschiktheid van
dialect of ABN in de verschillende domeinen (vgl. tabel 1), zijn ze het veel
minder eens over het antwoord op de vraag wat dat ABN precies moet zijn,
welke kenmerken die standaardtaal moet vertonen. De ‘Nederlandse paren’
wordt door 41 resp. 35% zonder omwegen aanvaard (zie tabel 2) maar de zgn.
‘derde weg’, het ‘beschaafd Vlaams’ als standaardtaal naast de dialecten,
wordt door een ruime helft van de bevolking als norm beschouwd. Anderzijds
blijkt het anti-Nederlandse ressentiment - wat dat ook precies moge zijn -
niet zo ongenuanceerd als de indruk die de sprekende minderheid uit die hoek
voortdurend probeert te wekken. 41%, resp. 35% is beslist geen kleine
minderheid.
Een interessante vraag die blijft is natuurlijk wat die meerderheid van
Vlamingen precies afwijst in het Nederlands van de Nederlanders: hun accent,
de harde g, te veel vreemde woorden (étage, visite, portable TV ...), de
sjibboleth ‘nou’,....?
| | | |
Een klein onderzoek, onlangs uitgevoerd bij een 100-tal mensen uit het
Leuvense, heeft aangetoond dat het gebruik van vreemde woorden inderdaad als
storend ervaren wordt maar zo belangrijk was het effect daarvan nu ook weer
niet. Slechts een minderheid had de nochtans kwistig uitgestrooide vreemde
woorden in een aantal bandopnames van Nederlanders gehoord. Ook hier is
verder onderzoek vereist.
De standaardisatie van het Nederlands in Vlaanderen is dus nog lang geen
feit. Er bestaat nog veel onzekerheid m.b.t. de te hanteren norm. Dit is ten
overvloede geïllustreerd in een studie van Deprez
en Geerts (1976 en 1977) over lexicale
pronominale varianten in West-Vlaanderen. Dit onderzoek bestond uit drie
delen. In het eerste moesten de 120 (mannelijke) informanten een aantal
korte zinnen uit hun dialect in het Nederlands vertalen. Iedere zin bevatte
een dialectwoord waarvoor in Vlaanderen 2 standaardtaalvarianten bestaan
zoals bijv. deze morgen - vanmorgen, regenscherm-paraplu, schuif-la,
stekjes-lucifers, meid-(dienst)meisje en ook gij-jij.
In het tweede deel werden telkens de twee alternatieven aangeboden en moesten
de informanten een keuze maken. Hier moesten ze dus zeggen wat voor hen de
norm was.
Het derde deel vergeleek de beide vorige, d.i. gebruik en norm. Ieder subject
moest zijn keuze verantwoorden: waarom hij eerst een ander woord gebruikt
had dan hij later als norm opgaf of waarom hij aan een bepaald woord de
voorkeur was blijven geven. De resultaten van deze studie wijzen op grote
verschillen tussen gebruik en norm in Vlaanderen, m.a.w. op een gebrek aan
‘taalzekerheid’ (vgl. Labov 1972, 117 en 133 over ‘Linguistic insecurity’).
In hun zoeken naar een verklaring voor het gedrag van de Westvlaamse
informanten zijn Deprez en Geerts tot de volgende interessante bevinding
gekomen. Een vraag blijkt centraal te staan bij de keuze tussen 2 varianten:
‘Welk element komt niet voor in mijn moedertaal (i.c. het Westvlaams
dialect)?’ Deze variant maakt de meeste kans om tot de standaardtaal te
behoren. Nemen we bijv. ‘dicht’ tegenover ‘toe’. ‘Dicht’ wordt door bijna
100% als norm beschouwd. ‘Toe’ is verkeerd, zo redeneert men, ‘want het is
Westvlaams’ of wellicht niet verkeerd maar in elk geval minder beschaafd | | | | dan ‘dicht’. Interessant is nu dat Deprez en Geerts ook aan een
aantal Hollanders gevraagd hebben wat volgens hen de norm is, ‘dicht’ of
‘toe’. Dezen spraken zich ongenuanceerd voor ‘dicht’ uit. Dat is nu eenmaal
de enige variant die zij kennen. De Hollanders, zo redeneren Deprez en
Geerts (1976, 294) terecht, ‘zijn zich bewust van hun machtspositie in het
Nederlands taalgebied en verkiezen bijgevolg resoluut hun eigen woorden: ‘we
kennen toedoen niet; het zal dus wel geen gewoon
Nederlands zijn’. ‘Voor de Westvlamingen geldt precies het omgekeerde: ‘Wij
zeggen “toe” en dat zal dus wel geen of slecht of minder beschaafd
Nederlands zijn’. Dergelijke uitspraken illustreren zeer goed de
verschillende houdingen tegenover het algemeen Nederlands evenals de grote
normonzekerheid in Vlaanderen.
| |
3. Welk is de verhouding tussen ‘resp.’ dialect en standaardtaal
enerzijds en een ‘restricted’ en een ‘elaborated’ manier van spreken
anderzijds?
Deze vraag is één van de voornaamste probleemstellingen van mijn doctoraal
proefschrift (Van den Broeck 1977a, samengevat in Van den Broeck 1977b). Het
onderzoek waarop mijn dissertatie gebaseerd is, steunt voornamelijk op drie
pijlers die je met de volgende trefwoorden zou kunnen samenvatten:
Bernstein, Labov en Vlaanderen.
De oorspronkelijke stimulans kwam van de ideeën en bevin - dingen van de
Britse socioloog Basil Bernstein (zie bijv. Bernstein 1973 en 1974).
Specifiek van belang voor zijn studie is Bernstein's bekende dichotomie van
twee verschillende stijlen - hij zelf spreekt van codes -, nl. restricted en
elaborated, die - grof geschetst - elk gebonden zijn aan een bepaalde
sociale klasse of toch alleszins veel meer voorkomen in de ene dan in de
andere klasse. De ‘restricted’ stijl zou typisch zijn voor het taalgebruik
van de arbeidersklasse en de ‘elaborated’ voor dat van de hogere sociale
klassen. Een erg belangrijk element in de linguistische fundering van
Bernsteins theorie is dat arbeiders over het algemeen veel minder of minder
vaak complexe syntactische constructies gebruiken dan leden van de hogere
klassen. De verificatie van deze hypothese in Vlaanderen was het
belangrijkste deel van mijn onderzoek.
Bernsteins benadering van de taalfeiten werd echter op een | | | |
aantal punten grondig gewijzigd. Een eerste erg belangrijke correctie of
aanvulling op zijn werkwijze betreft het betrekken van een tweede sociale
variabele, naast sociale rang of status, nl. situatie. Waar het empirisch
onderzoek van Bernstein en zijn talrijke volgers zich - bewust of onbewust -
geconcentreerd heeft op één bepaalde soort sociale situaties, nl. formele,
binnen dewelke dan arbeiders- en hogere-klassen-taalgebruik gecontrasteerd
worden, heb ik geprobeerd om naast het effect van sociale status op meer of
minder complexe manieren van spreken, ook de invloed van veranderingen in de
situatie te meten.
Het incorporeren van deze situationele differentiatie is in sterke mate
beïnvloed door Willem Labov. Via zorgvuldig empirisch onderzoek, in New York
City en elders (zie o.a. Labov 1966 en 1972), heeft hij duidelijk aangetoond
dat er geen ‘single style’-sprekers zijn. Dit was natuurlijk ook vroeger al
wel vooropgesteld1 maar Labov is de eerste
geweest die het effect van de beide soorten sociale factoren
(demografisch-sociologische (dus sociale klasse, maar ook leeftijd, geslacht
en dgl.) zowel als contextueel - situationele) op taalvariatie becijferd
heeft en uitgedrukt in een index in het kader van zijn ‘linguistic
variable’. Hierop zal ik nog even ingaan als de operationalisering van de
‘linguistic variable’ in mijn eigen onderzoek aan de orde zal komen. Eerst
zal ik even de derde pijler, Vlaanderen, toelichten. In een typisch Vlaams
provinciestadje als mijn geboorteplaats Maaseik2 wordt het lokale dialect nog zeer veel gebruikt
in informele situaties en dit door mensen van allerlei sociale lagen.
Intra-dialectale, klasse-gebonden (‘Bernsteiniaanse’) verschillen in dgl.
situaties zijn dus mogelijk en vormen een interessante onderzoekshypothese.
Er is echter in Maaseik zoals in de rest van Vlaanderen ook een
onomstootbare tendens waar te nemen naar een meer frequent gebruik van de
standaardtaal, zeker in meer formele contexten. Een tweede interessante
onderzoekshypothese ligt daarom in klasse-gebonden taalgebruiksverschillen
in | | | | een formele, standaardtaalsituatie en -contrastief - ook in
een wat je zou kunnen noemen semi-formele, dialectsituatie. Dit alles is in
tabel 3 samengevat.
TABEL 3: schema van het Maaseikse onderzoek.
Cel 2 is met een * gemarkeerd omdat deze situatie, waarin dus de
standaardtaal voor informele contacten gebruikt wordt, (nog) niet of toch
onvoldoende voorkomt in Maaseik, zeker niet in arbeidersmiddens.
Elk van de 3 andere cellen heb ik in mijn onderzoek betrokken in die zin dat
ik van mijn beide groepen informanten (arbeiders en leden van de hogere
klassen) bandopnames heb uit 3 verschillende situaties. En in elk van deze
contexten is nagegaan in welke mate het taalgebruik van de ene groep
verschilt van dat van de andere qua syntactische complexiteit. Hoe ben ik nu
concreet tewerk gegaan?
Over de selectie van de informanten kan ik erg kort zijn. Het Maaseikse
onderzoek verschilt daarin weinig van de meeste andere sociolinguistische
studies, op één uitzondering na, nl. dat alle acht informanten (4 arbeiders
en 4 leden van de hogere sociale klassen) vrienden of kennissen van mij
waren. Dat leek mij nodig om echt informeel taalgebruik op de band te
krijgen. Het waren bovendien allemaal mannen, tussen 25 en 30 jaar oud en
geboren Maaseikenaars. Voor de specifieke verdeling in sociale rangen heb ik
de polarisatietechniek toegepast: alle arbeiders zijn ongeschoold, verdienen
hun brood met hun handen, zijn tot maximum 16 jaar | | | | naar school
geweest ... en alle leden van de hogere klassen zijn tot minimum 21 jaar
naar school geweest en oefenen een zgn. ‘hoger’ beroep uit (advokaat,
leraar....)
Bij het operationaliseren van de situationele variabele heb ik wel nieuwe
technieken gebruikt. Anders dan Labov et al. heb ik al mijn informanten
daadwerkelijk in verschillende situaties geplaatst, die door hen zelf ook
als verschillend ervaren worden. Concreet heb ik zelf de 2
dialect-interviews afgenomen (cellen 3 en 4 in tabel 3).
De informele situatie was vergelijkbaar met een gesprek bij pot en pint,
waarbij ik mijn informanten zelfs enigszins in de waan had gebracht dat de
cassette-recorder niet meer werkte.
Voor de semi-formele situatie heb ik gebruik gemaakt van een onderzoek van
mijn broer over de interesse in voetbal en andere sporten. Ik heb gedaan
alsof ik mijn broer hielp, heb ook enkele van zijn vragen overgenomen maar
er ook een aantal andere bijgemaakt, bijv. i.v.m. de in Maaseik voorhanden zijnde sportieve, culturele en recreatieve
accommodatie. Ik gaf daarbij telkens de indruk dat het om een belangrijk
wetenschappelijk onderzoek ging.
Voor de formele situatie (cel1) tenslotte heb ik een collega van de
universiteit van Leuven ingeschakeld. Deze was zogezegd bezig met een
belangrijk onderzoek over vrije-tijdsbesteding en ging daarover in heel
Vlaanderen mensen interviewen. Hij was formeel gekleed en sprak uiteraard
enkel ABN. Dit deden ook mijn informanten. Achteraf heb ik iedereen
natuurlijk wel op de hoogte gebracht van de ware toedracht van die 3
gesprekken en heb ik hun toestemming gevraagd om al die bandopnames - 24 in
totaal: 8 (informanten) × 3 (situaties), dit was ongeveer 12 uur band - voor
mijn onderzoek te gebruiken. De bedoeling van mijn studie heb ik tegenover
hen ook in grote lijnen geschetst.
Al dat taalmateriaal is dan onderzocht op de mate van syntactische
complexiteit. Het is vooral in dit linguistisch onderzoeksgedeelte dat de
ideeën van Labov richtinggevend geweest zijn.
Specifiek heb ik geprobeerd om Labovs bevindingen i.v.m. de ‘linguistic
variable’ uit te breiden tot syntactische fenomenen. Theorievorming rond de
‘linguistic variable’ is immers vooral gebeurd aan de hand van fonologische
elementen. | | | | Dat is logisch als men bedenkt dat het essentiële
kenmerk van een ‘linguistic variable’ erin bestaat dat de verschillende
alternerende vormen dezelfde referentiële functie, d.i. dezelfde betekenis
hebben. Of je nu ‘eers’ of ‘eerst’ zegt, of ‘gaan’ of ‘chaan’, of in het
Engels ‘poo child’ of ‘poor child’, de betekenis blijft gelijk.
Op het vlak van de syntaxis liggen de zaken natuurlijk een stuk moeilijker.
Met de hulp van Labov heb ik dan geprobeerd om een aantal concrete
syntactische variabelen uit te werken maar wel binnen het kader van
syntactische complexiteit. Het lag daarbij voor de hand om te gaan zoeken
naar syntactische vormen met dezelfde referentiële functie, waarvan men mag
aannemen dat de ene vorm complexer is dan de andere. De meest in het oog
springende voorbeelden hiervan waren parataxis vs. hypotaxis en actief vs.
passief, vooral omwille van het grote belang dat aan hypotaxis en passief
wordt toegekend in de hele, zeer omvangrijke literatuur over syntactische
complexiteit (ook bij Bernstein et al.).
Ik ben dan concreet alle items gaan tellen van nevenschikking en
onderschikking en actief en passief waar de alternatieve vorm even goed had
kunnen voorkomen, heb daarna het percentage van de meer complexe vorm
berekend en als maat van complexiteit gebruikt.
Een paar voorbeelden zullen dit verduidelijken, eerst voor parataxis vs.
hypotaxis:
| - Causaliteit |
: |
(1a) Ik ben ziek en dus blijf ik thuis. |
| |
|
(1b) Omdat ik ziek ben blijf ik thuis. |
| - Toegeving |
: |
(2a) Een club is er niet. Er wordt wel gevoetbald. |
| |
|
(2b) Hoewel er geen club is wordt er toch gevoetbald. |
| - Voorwaarde |
: |
(3a) Nu heb ik de tijd niet om TV te kijken. Anders zou ik het
wel doen. |
| |
|
(3b) Als ik tijd had om TV te kijken, zou ik het wel
doen. |
Zowel de (a) als de (b) zinnen zijn dus geteld.1
| | | |
Voor het passief bleek al zeer snel dat het weinig zin had om gewoon actief
en passief te gaan vergelijken omdat 95% van de passief-constructies in het
Maaseikse materiaal geen door-bepaling hadden (en dus ook
geen expliciet logisch onderwerp). Het zijn merendeels passiva zoals
| (4a) |
Die wordt goed betaald. |
| of (5a) |
Die gronden zijn onteigend (geworden). |
De actieve tegenhanger hiervan heeft een zgn. ‘dummy’ onderwerp, meestal ze, soms ook je (of ge).
| (4b) |
Ze betalen die goed. |
| (5b) |
Ze hebben die gronden onteigend.2 |
Naast deze paren of opposities van telkens een meer en een minder
gecompliceerde constructie, heb ik ook heel wat andere criteria van
syntactische complexiteit toegepast zoals die voorkomen in de uitgebreide
literatuur terzake m.b.t. kindertaal, leesbaarheid, psycholinguistiek .....:
gemiddelde zinslengte, meervoudige embedding, nesting, modaliteit, allerlei
transformaties... Meer hierover vindt men in Van den Broeck (1977a,
hoofdstuk IV). In het kader van deze lezing kunnen we nu beter overgaan tot
een (noodzakelijk korte) bespreking van de resultaten van al dat telwerk. De
bevindingen van het Maaseikse onderzoek kunnen best met behulp van een
grafiek uitgedrukt worden.3
| | | |
Fig. 1: Algemene abstracte voorstelling van het effect van
sociale klasse en situatie op de mate van syntactische complexiteit in het
taalgebruik van 8 Maaseikenaars.
De overgrote meerderheid van de ± 20 onderzochte maten van syntactische
complexiteit1
levert dit beeld op, dat in de volgende 4 punten samengevat kan worden:
| - | in de formele situatie (standaardtaal) is het taalgebruik van de
hogere sociale klassen veel complexer dan dat van de arbeiders; |
| - | in de informele situatie (dialect) is er echter geen significant
verschil tussen de beide Maaseikse groepen; |
| - | het taalgebruik van de hogere klassen is veel complexer in de formele
dan in de informele context; |
| - | voor de arbeiders geldt met het omgekeerde: zij scoren significant
lager in de formele dan in de informele context. |
Deze globale resultaten gelden ook voor ieder van de 8 informanten
afzonderlijk: op de meeste maten (en zeker op de belangrijke
complexiteitsindices) scoort elk lid van de hogere klassen hoger in zijn
formeel dan in zijn informeel | | | | taalgebruik en voor elke
arbeiderinformant geldt het tegenovergestelde.
Vooraleer over te gaan tot de interpretatie hiervan zou ik deze belangrijkste
conclusie van mijn onderzoek eerst anders willen voorstellen, zoals in
figuur 2, waar de twee situaties van plaats verwisseld zijn.
Deze figuur toont volgens mij duidelijker dat de arbeiders en hogere klassen
informanten in Maaseik van ongeveer dezelfde mate
van complexiteit vertrekken in de informele situatie en dat de formele
situatie voor de breuk zorgt. Deze grafiek illustreert beter de cruciale
bevinding die moet geïnterpreteerd worden. Je kunt niet zomaar stellen
Fig. 2: idem als figuur 1.
zoals Bernstein et al. dat arbeiders en leden van de hogere sociale rangen
verschillen want dat blijkt slechts zo te zijn in de formele situatie.
Hoe komt dat nu? Voordat ik die vraag probeer te beantwoorden, moet wel
gesteld worden dat omwille van het exploratief karakter van het
piloot-onderzoek in Maaseik (slechts 8 informanten), deze interpretatie als
speculatief en voorlopig moet beschouwd worden.
Wat wel duidelijk is, is dat één factor niet zo belangrijk is, nl. de
klassieke deficiet-hypothese die stelt dat het gebruik van meer of minder
ingewikkelde manieren van spreken gerelateerd dient te worden aan cognitieve
vaardigheden of | | | | een gebrek aan cognitieve vaardigheden. Zoals
hoger geïllustreerd is met bijvoorbeeld hypotaxis vs. parataxis kan de
logisch-semantische relatie die als causaliteit bekend staat, even goed
uitgedrukt worden via nevenschikkend als onderschikkend zinsverband. Als
iemand minder subordinatie of passief of wat dan ook gebruikt, betekent dat
helemaal niet dat hij minder intelligent zou zijn. Het gaat trouwens steeds
om quantitieve verschillen: ook de complexe structuren komen voor in het
formele taalgebruik van de arbeiders, alleen in veel mindere mate.
In tegenstelling tot Bernstein ga ik er vanuit dat eenzelfde referentieel set
van onderliggende betekenissen via verschillende stijlen tot verschillende
oppervlaktestructuren leidt. Verklaringen voor de grote quantitatieve
verschillen in het gebruik van complexe constructies hoeven dus niet gezocht
te worden in een gebrek aan cognitieve vaardigheden, niet in de mogelijkheid
of onmogelijkheid om complexe inhouden uit te drukken maar wel in
sociaal-stylistische factoren. Drie factoren van die aard lijken mij
bijzonder relevant. De eerste zou je het socialisatie-argument kunnen
noemen. Arbeiders gebruiken veel minder complexe syntactische structuren in
formele situaties omdat ze zich zelden in zo'n situaties bevinden en als ze
er toch eens mee geconfronteerd worden, worden ze sowieso niet verondersteld
veel te zeggen. In hoe meer situaties dat je komt, hoe groter je
stilistische range, hoe groter je verbaal repertoire. Deze factor is voor
een groot stuk verantwoordelijk voor het grote verschil in de formele
situatie. Hij verklaart m.i. echter onvoldoende hoe het komt dat alle
arbeiders in de formele situatie significant lager scoren dan in de
informele.
Voor dit verschil zou ik twee verklaringen naar voren willen schuiven. Ruwweg
zou je de eerste zo kunnen parafraseren dat de Maaseikse arbeiders in de
formele context niet complexer ‘willen’ spreken en de tweede dat ze het niet
‘kunnen.’
Het niet willen complexer spreken komt hierop neer dat deze arbeiders
eigenlijk een afkeer hebben van alle situaties waarin de standaardtaal
gebruikt wordt, niet omwille van dat Nederlands maar omdat zij meestal aan
het kortste eind trek- | | | | ken in zo'n situaties. Wanneer moet een
Maaseikse arbeider Nederlands spreken? Vroeger op school, wellicht in het
leger, met de dokter, werkgever.... Nuytens heeft
enkele jaren geleden in het Twentse dorp Borne ook
al vastgesteld dat de standaardtaal een duidelijk negatief sociaal symbool
is, dat geassocieerd wordt met ‘uitbuiten, onrechtvaardigheid, mooi weer
spelen van hun geld enz.’ (Nuytens 1962, 250). Kortom, de arbeiders in
Maaseik, zo luidt deze verklaring, weigeren ergens het spelletje mee te
spelen volgens hetwelk je in formele situaties ingewikkelder moet gaan
praten. Zij doen net het tegenovergestelde.
Voor de leden van de hogere sociale rangen gaat dit uiteraard niet op.
Integendeel, zij hebben juist aan mijn collega willen duidelijk maken dat
ook zij de prestigieuse hogere klassen-stijl spreken. Zij zijn ook (lang)
naar school geweest en ze willen dat duidelijk tonen. En in hun streven om
goed te klinken, om te accomoderen (vgl. Giles en Powesland 1975, 156ff.),
zetten ze zich meteen af tegen diegenen die een dergelijk niveau van
gecompliceerd taalgebruik blijkbaar niet bereiken.
Ik geef toe dat deze interpretatie helemaal niet bewezen is door mijn
bevindingen in Maaseik maar het is wel een interessante hypothese die in een
één-dimensionaal Bernsteiniaans kader (zonder rekening te houden met de
invloed van situationele differentiatie) onmogelijk naar voren kan komen. En
ik vond het wel interessant om ze aan te stippen.
Een erg belangrijke veronderstelling bij de hele voorgaande redenering is
natuurlijk dat die arbeiders minstens even complex kunnen spreken als in de
informele situatie als ze dat maar zouden willen. Deze verklaring steunt
m.a.w. op de automatische overdracht (of transfer) tussen die 2 situaties en
de daarmee in dit geval samenhangende twee taalvariëteiten. Men gaat er van
uit dat als je complexe constructies als passief, nominalisatie, hypotaxis,
dubbele embedding, nesting, lange zinnen en dergelijke kan gebruiken in het
Maaseikse dialect, je dat even goed kan in de standaardtaal.
Op het eerste gezicht zou je dat verwachten want er zijn geen of vrijwel geen
syntactische verschillen tussen onze dialecten en het Nederlands (vooral
fonologische). Passief, su- | | | | bordinatie, normalisatie en dgl.
worden op dezelfde manier gevormd. Van de andere kant is het natuurlijk wel
zo dat de actieve kennis van het Nederlands in Vlaanderen relatief nieuw is
en het is dus mogelijk dat bij diegenen die slechts zelden de standaardtaal
gebruiken zoals mijn arbeiders-informanten, er een soort spreekangst
bestaat. Men voelt zich onwennig in dat Nederlands en dus beperkt men zich
tot eenvoudige zinnen. Gebrek aan voldoende vertrouwdheid met een actieve
beheersing van die standaardtaal zou kunnen leiden tot een soort
creolizering. Deze niet-kunnen factor lijkt mij aannemelijker dan de
niet-willen factor maar hij sluit deze laatste m.i. niet uit. Beide zijn
interessante hypothesen voor verder onderzoek in Vlaanderen naar de
attitudes bij arbeiders t.o.v. de standaardtaal alsook meer algemeen m.b.t.
de relatie tussen dialect-standaardtaal enerzijds en ‘restricted’ en
‘elaborated’ stijlen anderzijds. Het dialect is zeker niet zomaar gelijk te
stellen met een ‘restricted’ code. Het ziet er eerder naar uit dat beide
dimensies los van mekaar staan.
Uiteraard is dit overzicht over de sociolinguistiek in Vlaanderen niet
volledig geweest. In de praktijk heb ik mij vooral beperkt tot die
onderzoeken waar ik zelf bij betrokken ben geweest (Geerts et al. 1977 en
1978, Van den Broeck 1977a). Toch hoop ik wat een idee gegeven te hebben
over dit boeiend onderzoek in Vlaanderen dat eigenlijk voor sociolinguisten
een waar paradijs is.
JEF VAN DEN BROECK K.U. LEUVEN
| |
| | | |
Bibliografie
| AGHEYISI, R. en FISHMAN, J.A. (1970): Language attitude studies: a
brief survey of methodological approaches. Anthropological
Linguistics 12 (5), 1970, 137-157. |
| BERNSTEIN, B. (1973): Class, codes and control, II: Applied studies
towards a sociology of language, London: Routledge en Kegan Paul. |
| BERNSTEIN, B. (1974): Class, codes and control, I: Theoretical studies
towards a sociology of language, 2nd rev. ed. New York: Schocken Books. |
| DEPREZ, K. en GEERTS, G. (1976): De verspreiding van het algemeen
Nederlands in West-Vlaanderen. De Nieuwe taalgids 69,
1976, 283-305. |
| DEPREZ, K. en GEERTS, G. (1977): Lexicale en pronominale
standaardisatie. Een onderzoek van de ontwikkeling van het algemeen
Nederlands in West-Vlaanderen. Antwerp Papers in
Linguistics (U.I.A) 13, 1977. |
| FERGUSON, C.A. (1959): Diglossia, Word 15, 1959,
325-340. |
| FISHMAN, J.A. (1965): Who speaks what language to whom and when.
Linguistique 2, 1965, 67-88 |
| GEERTS, G. (1974): Tweetaligheid binnen het Nederlands.
Sociolinguistische facetten van het Nederlands in Vlaanderen. Ons Erfdeel 17 (5), 1974, 645-660. |
| GEERTS, G. en NOOTENS, J. en VAN DEN BROECK, J. (1977): Opinies van
Vlamingen over dialect en standaardtaal. Taal en
tongval 29 (3-4), 1977, 97-140. |
| GEERTS, G. en NOOTENS, J. en VAN DEN BROECK, J. (1978): Flemish
attitudes towards dialect and standard language. A public opinion poll.
International Journal of the Sociology of language
15 (Belgian issue), 1978, 33-46. |
| GILES, H. en POWESLAND, P.F. (1975): Speech style and social
evaluation. London-New York: Academic Press. (European
Monographs in Social Psychology 7). |
| HYMES, D. (ed.) (l964): Language in culture and society: A reader in
linguistics and anthropology. New York: Harper & Row. |
| LABOV, W. (1966): The social stratification of English in New York
City. Washington: Center for Apllied Linguistics. |
| | | |
| LABOV, W. (1972): Sociolinguistic patterns. Philadelphia: University
of Pennsylvania Press. |
| MEEUS, B. (1971): Sociologische analyse van het taalgebruik. Het
gebruik van het ABN en het dialect in België. Politica
21, 1971, 228-245. |
| MEEUS, B. (1972): Het gebruik van het ABN en het dialect in het
Vlaamse land. Brochure van Mens en Ruimte en het Ministerie van de
Nederlandse Cultuur, Brussel. |
| MEEUS, B. (1973): Societal bilingualism. ITL 20,
1973, 1-9. |
| MEEUS, B. (1974): Het gebruik van het ABN en het dialect in het
Vlaamse land. Gids op Maatschappelijk gebied 65 (5),
1974, 391-414. |
| NUYTENS, E.T.G. (1962): De tweetalige mens. Een taalsociologisch
onderzoek naar het gebruik van dialect en cultuurtaal in Borne. Assen:
Van Gorcum. (Studia Theodisca 1) |
| SEUREN, P.A.M. (1972): Sociolinguistische overpeinzingen bij een
penguin. Spektator 2, 1972-73, 125-146. |
| VAN DEN BROECK, J. (1976): Extra- and intra-linguistic constraints on
the use of passives in the Flemish town of Maaseik. Paper read at the
10th Annual Meeting of the European Linguistic Society (SLE) held at
Salzburg, August 28-30, 1976. |
| VAN DEN BROECK, J. (1977a): Social conditioning of syntactic
variation. A sociolinguistic study of the effect of social class and
situation on dialect and standard surface forms in Maaseik, Ph.D.
dissertation K.U. Leuven. London: University Mic films International. |
| VAN DEN BROECK, J. (1977b): Class differences in syntactic complexity
in the Flemish town of Maaseik. Language in Society 6,
1977, 149-181. |
| VERDOODT, A. (1968): Zweisprachige Nachbarn. Die deutsche Hochsprach-
und Mundartgruppen in Ost-Belgien, dem Elsass, Ost-Lothringen und
Luxemburg. Wenen: Braumüller. |
| VERDOODT, A. (1973): Les problèmes des groupes linguistiques en
Belgique. Cours et Documents de l'Institut de Linguistique
de Louvain 1. |
| | | |
| VERDOODT, A. (ed.) (1978): Belgium; issue no. 15 of the International Journal of the Sociology of Language. The Hague:
Mouton. |
| WITTE, E. (ed.) (1978): Taal en sociale integratie, I. Brussel:
Centrum voor inter-disciplinair onderzoek naar de Brusselse
taaltoestanden (V.U.B.) |
|
(*)zie 1.2:
de zespuntenschaal van Vl de meest geschikte taal:
6 = - - - 5 = - - 4 = - 3 = - 2 = -
- de minst geschikte taal: 1 = - - -
1tabel 2
is zo opgezet dat het ‘schizoglossische konflikt’ binnen het vette kader
gesitueerd is.
1met name door antropologen, zie in
dit verband bijv. Hymes' (1964) reader.
2Maaseik is gelegen in het noordoosten van de provincie Limburg en telt
± 8500 inwoners.
1Voor
meer informatie hierover, zie Van den Broeck 1977a, 191 vlgg.
2Bij
deze variabele heb ik Labovs werkwijze met fonologische
variabelen (zie bijv. Labov 1972) helemaal gecopieëerd in
die zin dat ik ook naar intern-talige factoren gezocht heb
die de realisatie van één van de twee varianten bevorderen.
Het effect van 5 zulke ‘constraints’ is onderzocht. (zie Van
den Broeck 1977a, 226-240 en 1976).
3De semi-formele situatie
zal in dit artikel buiten beschouwing gelaten worden.
1Ik heb ook het effect nagegaan van
enkele criteria van lexicale diversiteit (type token ratio en dgl.) en
het resultaat was hetzelfde, d.w.z. ongeveer zoals in fig. 1
|
|