|
|
|
| |
| | | |
Waternamen in de Oetervallei, met name te Neeroeteren
| | | |
0.1.
Veldnamen, bosnamen en waternamen zijn de drie hoofdgroepen, die de
grondslag vormen van een zeer groot deel van ons plaatsnamenbestand. De
veldnamen zijn een onoverzienbare massa van homogene, in wezen
laatmiddeleeuwse namen, die in de tweede helft van onze eeuw langzaam
uitsterven. De waternamen daarentegen zijn levenskrachtig en strekken
zich in een serie van over elkaar liggende lagen uit over een paar
duizend jaren.
Ofschoon de studie van de waternamen of hydroniemen rijke vruchten kan
dragen bv. voor de vestigingsgeschiedenis en de taalgeschiedenis, toch
bestaan er heel wat minder studies over hydroniemen dan over veldnamen.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat er weinig overzichtstudies
bestaan.
Voor Nederland bestaat er de uit 1955 daterende studie van M. Schönfeld (Schönfeld
1955), die echter op zeer onvolledige materiaalgegevens berust en juist
verscheen op het ogenblik dat het onderzoek van de waternamen in het
buitenland op gang kwam (cfr. de publikaties van Kuhn en Krahe in
Duitsland).
Voor Vlaanderen bestaat er geen overzichtstudie, wel zijn er een aantal
studies over kleinere gebieden. Onder leiding van Prof. O. Leys werden te Leuven een aantal
hydronymische verhandelingen gemaakt. Op die manier werd heel
West-Vlaanderen en een gedeelte van Antwerpen bestudeerd (cfr. de
regelmatige overzichten in HCTD). Voor Brabant en Limburg bestaat de
doctorale dissertatie van Dr. Paul Kempeneers
(Kempeneers 1982 en 1983). Deze behandelt in Limburg alleen het bekken
van de Demer. Het hele Maasbekken is dus nog te ontginnen. Wat opvalt is
dat voor te veel Limburgse gemeenten een dorpsmonografie ontbreekt,
waardoor voor veel namen oudere attestaties totaal ontbreken.
Deze studie is een aanzet om dit gebrek aan detailstudies uit de wereld
te helpen voor Neeroeteren. Een enkele maal verwijs ik ook naar het
namenbestand uit omringende dorpen, als daarover naamkundige
verhandelingen bestaan (cfr. de studies van J.
Molemans over As, Neerglabbeek, Niel, Opglabbeek, Bocholt,
Reppel en de licentiaatsverhandeling van
T. Jaenen over Meeuwen).
| |
0.2.
In een studie van 1938 stelde Steinhauser (Steinhauser 1938) vast dat de
waternamen in het door hem bestudeerde gebied, de Duitse Oostmark, de
volgende opbouw vertoonden. De grootste rivieren kregen hun namen van de
oudste bevolking, de Illyriers. De zijtakken van deze rivieren hebben
hun namen te danken aan hun opvolgers in het gebied, de Kelten. De
zijtakken van de zijtakken kregen Slavische namen en de kleinste beekjes
kregen Duitse namen.
| | | |
Hans Krahe citeert in zijn studie over Alteuropaïsche namen
(Krahe 1949 en vv) Steinhauser en zegt dat diens grondgedachte juist is
en door duidelijke voorbeelden van elders in Europa kan bewezen worden.
Hij illustreert dit dan zelf aan het stroomgebied van de Main. De
kleinste beekjes dragen een Duitse naam: het zijn samenstellingen met
-graben. Grotere beken dragen oudere namen: de jongere met -bach, de
oudere met -aha. Nog grotere rivieren dragen niet-samengestelde namen
die echter nog altijd Duits zijn. Na een Slavische laag komen wij dan
tot de grootste rivieren, die de oudste namen dragen: dit zijn
vóórduitse namen. Later zal Krahe ze Oudeuropese
riviernamen noemen. M. Gysseling noemde ze
aanvankelijk ‘Belgische’ namen. Dit werkte nogal
verwarrend en daarom spreekt hij de jongste jaren over namen uit de
prehistorische substraattaal.
| |
0.3.
Vinden wij deze opbouw ook in het Nederlandse taalgebied terug? D.P. Blok heeft er enkele keren (Blok 1959 en
Blok 1966) op gewezen dat deze opbouw alleszins niet geldt voor de Rijn,
Maas en Waal in West- en Midden-Nederland.
P.L.M. Tummers stelde in zijn lezing over
‘Limburgse waternamen’ (P.L.M. Tummers en D.P. Blok
1968: 22-33) echter vast dat de situatie in Nederlands Limburg gunstiger
was voor het opstellen van een schema zoals Steinhauser en Krahe dat
gedaan hebben en hij stelt dan het volgende schema op:
| - | De Maas en de grootste zijtakken hebben niet-samengestelde
namen: Voer, Geul, Geleen, Roer, Zwalm, Niers, Jeker, Itter, Neer,
Aa. |
| - | De zijtakken van deze zijtakken hebben eveneens
niet-samengestelde namen: Worm (zijrivier van de Roer), Suestra
(zijtak van de Geleen; vandaar de nederzettingsnaam Susteren.). |
| - | Verdere zijtakkken hebben samengestelde namen, waarvan het
tweede deel dan is: -beek, -loop, -gracht/graaf/grub, -water,
-ziep/zijp. |
Voor de niet-samengestelde namen kan men zich dan de vraag stellen tot
welke taallaag zij behoren. Zijn zij Germaans of voorgermaans? En als
zij voorgermaans zijn, zijn zij dan Keltisch of zijn zij nog ouder?
M. Schönfeld 1955 is geneigd de meeste van deze namen eerder
uit het Germaans te verklaren. Hij waarschuwt uitdrukkelijk tegen een
zekere ‘keltomanie’.
P.L.M. Tummers stelt dat Jeker, Worm, Neer, Geleen, Niers en Suestra niet
Keltisch zijn en dat Roer niet Germaans is, maar dat ze alle behoren tot
de vóórgermaanse waternamen, en dat de Itter niet
Keltisch is, maar prehistorisch Germaans. Ook Voer, Geul en Zwalm
verklaart hij uit het Germaans. Voor de Limburgse en Vlaamse waternamen
verwijzen wij naar studies door P. Kempeneers (1982 en 1983) en
Gysseling (Gysseling 1983) en naar de Mededelingen van onze vereniging
nr 27 (1984)
| |
| | | |
0.4.
Wij stellen vast dat voor de Maasvallei detailstudies ontbreken. Wij
zullen dan ook pogen deze leemte voor Neeroeteren gedeeltelijk op te vullen.
Wij zullen daarbij enerzijds nagaan of het indelingsschema van
Steinhauser/Krahe/Tummers klopt en anderzijds pogen een aantal van de
jongere grondwoorden historisch te situeren en na te gaan wanneer zij in
de naamgeving produktief zijn geweest.
| | | |
1. De Maas.
De Oeter, de Itter en de Witbeek behoren tot het bekken van de Maas. Het
is dan ook logisch dat wij met deze naam beginnen.
Voor de oudste attestaties verwijzen wij naar Gysseling
(1960: 695)s.v. Meuse. Voor Carnoy (1948-49:
461), Mansion (1935: 103), Moerman(1956: 153) is de naam Keltisch of
pre-Keltisch. De Vries (1962: 109),
Schönfeld (1955: 72-73) en Bach (1953: 427) rangschikken de
Maas bij de Keltische namen. Gysseling meende aanvankelijk (Gysseling
1960: 695) dat het een naam was met een Germaanse en Keltische vorm.
Later (Gysseling 1983: 20) verklaarde hij de naam uit de prehistorische
substraattaal. Holder (1904: 638) en Bahlow (1985: 314) noemen hem
ligurisch of liguro-Keltisch.
Wij mogen dus wel aannemen dat de naam voorgermaans is. Achteraf werd de
naam door de Germanen overgenomen, uit het Keltisch of via het Latijn.
Meestal vinden wij geen etymologie of noemt men ze duister. Holder en
Carnoy verbinden de naam met een wortel* mus
‘vochtig’. Gysseling noemde de etymologie
aanvankelijk duister, maar in 1982 te Heerlen verbond hij de naam met
een stam uit de prehistorische substraattaal *mas- die
‘energiek’ betekent (Gysseling 1983: 20).
| |
2. De Oeter(beek)
De Oeter ontspringt op het Kempens plateau tussen Waterschei en As. Hij
stroomt door de (vroegere) gemeenten As, Opglabbeek, Opoeteren, Neeroeteren en stort zich te Aldeneik in de Maas. De naam van de waterloop is overgegaan
op twee nederzettingen: Opoeteren en Neeroeteren.
Voor de oudste attestaties verwijzen wij weer naar Gysseling (1960: 758).
Maas (1905: 79 vv) verklaart de naam uit
otter en verwijst daarvoor naar | | | | Förstemann. Dit
is een verklaring die Duitse en Engelse toponymisten voor vergelijkbare
namen regelmatig geven (Bach 1953 en Ekwall 1928: 312-313). Mansion
(1935: 123) noemt Otra eenvoudig een waternaam met wgm. Ō en
J. De Vries (1962: 121) zegt dat
Neeroeteren als 2de lid de waternaam Otre heeft. Carnoy verbond de naam
aanvankelijk (Carnoy 1939-40: 412) met de wortel *wed
‘être humide’, die men ook in Ndl water
en Engels wet vindt. Hij veronderstelde een verlengde IE vorm
*wêd, wôd met toevoeging van -ara De evolutie zou
dan zijn IE *wôdara> Germ. *wôt-(a)ra ‘le cours d'eau’. Hij
voegt er aan toe dat de W in het Ndl voor oe<ô
wegvalt. Achteraf leidt Carnoy (1948-49: 492-493) de naam Oeter af van
een prototype *vôt-ara of *ôt-ara. Hij noemt de
stam ‘d'origine fort obscure’. Als ze Germaans is,
zou het een verlengde vorm van de wortel *ewed
‘humide’ zijn. Hij voegt er aan toe dat Oeter en
Itter vlak bij mekaar liggen. Men zou dus geneigd kunnen zijn om de twee
namen af te leiden van twee Keltische termen *ouptra-
‘supérieur’ en *iptro-
‘inférieur’. Dit zou inspelen op een
verklaring die de Vleeschouwer geeft voor alle Itters, verklaring die
Carnoy afwijst. M. Gysseling heeft zich over
deze naam lang niet uitgesproken. In Gysseling (1960) geeft hij geen
verklaring. Pas in een lezing voor de Commissie voor Toponymie en
Dialectologie geeft hij een verklaring (HCTD 1982: 41-42). Oeter is een
afleiding van idg. *at-/adh-‘schitterend,
uitbuigend’. Met ablaut Atara Oetere (952 kopie 13e uotra),
vrij rechtlijnige bijrivier van de Maas, waaraan Op- en Neeroeteren.
Volgens Gysseling behoort Atara tot de prehistorische substraattaal.
J. Molemans (1974: 4) noemt de waternaam
Oeter vrij duister. Hij noemt de verklaring van Schönfeld uit
de diernaam otter weinig aannemelijk. Hij vraagt zich af of Itter en
Oeter niet in een expressieve ablautsverhouding staan en verwijst naar
K. Roelandts (1970: 77-94 en vooral
92-93) voor de wisseling î¨ en
û¨.
Wij menen dat de naam Oeter tot nu toe niet afdoende verklaard is. Bij de
verklaring van Carnoy stuit men op de moeilijkheid dat de w moet
verdwijnen. De verklaring van Molemans - Oeter als expressieve ablaut
van Itter - steunt op een artikel van K. Roelandts dat echter over
jongere persoonsnamen handelt. Mag men dat zomaar op zeer oude
plaatsnamen overdragen? Bij de verklaring van Gysseling kan men zich
afvragen hoe men tot het Modern Nederlandse en dialectische
consonantisme komt.
| |
| | | |
3. De Itter(beek)
De Itter ontspringt op het Kempens plateau bij Gruitrode. Hij stroomt door Neerglabbeek en Opitter, vormt over
enige afstand de grens tussen Neeroeteren en
Tongerlo en stroomt dan verder via Neeritter, Ittervoort en
Thorn om bij Wessem, nadat hij onderweg nog is samengevloeid met de Witbeek,
onder de naam Thornderbeek, in de Maas uit te monden.
Voor de oudste attestaties verwijzen wij weer naar Gysseling (1960: 768).
Carnoy heeft meerdere verklaringen voor de Itter gegeven (Carnoy 1939-40
172 en 437, Carnoy 1948-49: 199). Een van zijn verklaringen, overgenomen
door Schönfeld (1955: 77), gaat uit van Keltisch *it-ara
‘snelstromend water’. Duitse toponymisten verwerpen
deze Keltische etymologie. Böhmer vermoedt dat eiter het witte, melkkleurige is (A. Bach 1953: 279),
Jellinghaus zoekt in de richting van ichter, een
boomsoort, misschien de Taxus, Seelmann denkt aan oudsaksisch ettar,
vergif (ZONF 1935: 12).
Volgens H. Krahe (1956: 105-106) gaan de Itter-/Eiter hydroniemen, die
alleen in Germaanse streken voorkomen, naar alle waarschijnlijkheid
terug op germ. *aitra-/*aitrō en dus idg. *oid-/id-
‘zwellen’ met het bekende r- suffix. Het zou een
prehistorische naam zijn, maar Germaans wegens d>t.
J. Molemans (1974: 4) lijkt in te stemmen met de etymologie van Krahe en
vraagt zich daarna af of Itter en Oeter mogelijk in een expressieve
ablautsverhouding staan.
M. Gysseling heeft zich over deze waternaam jarenlang niet uitgesproken.
In 1982 (Gysseling 1983: 20) ziet hij in Itter een oude vorm uit de
prehistorische substraattaal Iturnā en hij vraagt zich af of
de naam misschien is afgeleid van een stam ajet-
‘glanzend’. Tijdens een lezing voor de Koninklijke
Commissie voor Toponymie en Dialectologie (HCTD 1982: 52-53) verklaart
hij Itter als een afleiding van ej-, aj- ‘schitterend, inz.
roodbruin’: ajadh-, ajat->aidh-, ait- (cfr. Gr.
aithra ‘heldere hemel’, itharos
‘helder’).
Naar onze mening moeten wij uitgaan van idg *oid-/id-
‘zwellen’ met r- suffix. Itter, dial.
[e:tər] is dan de nultrap, terwijl etter, dial.
[ẹ:tər] de voltrap vertegenwoordigt.
De verklaringen van Molemans en Gysseling over Itter en Oeter zijn beide
zeer attractief, maar wanneer een verklaring mogelijk is uit het
Germaans, die zowel voor de Algemeen Nederlandse als voor de
dialect-vormen van de naam uitgaat van de normale klankwettige
ontwikkelingen, verdient die naar ons oordeel de voorkeur.
| |
| | | |
4. De As(beek)
Dit is een andere naam voor de Oeter.
Voor de oudste attestaties verwijzen wij naar Gysseling (1960: 72).
Toponymisten verwijzen voor de verklaring van de naam As nogal eens naar
de es, maar in navolging van J. Lindemans
(1952: 72-78) ziet men er een waternaam in. J. Molemans (J. Molemans en
E. Paulissen 1976: 87) noemt As een prehistorische waternaam
(askā), die op de nederzetting werd overgedragen. Volgens hem
is de etymologie van askā onduidelijk.
| |
5. Conclusie i.v.m. de oudste, niet-samengestelde namen.
| - | Datering: het zijn prehistorische namen waarvan de oudste kunnen
ontstaan zijn vanaf ca. 1500 vóór Christus. |
| - | Vorm: formeel zijn deze namen afleidingen van
adjektivische/verbale stammen. |
| - | Semantisch: als criterium kan men hanteren dat deze namen, voor
zover zij verklaarbaar zijn, concrete begrippen aanduiden (kleur,
uitzicht van de streek, ondergrond, geluid, beweging. Men mag dus
gerust stellen dat de naamgeving gebeurd is op grond van
zintuiglijke waarneming: de mens benoemde naar hetgeen hem trof in
de natuur. |
| - | Taallaag: voor sommige namen bestaat er naast een Germaanse
etymologie eveneens een Keltische of een oudeuropese. Alle
etymologieën blijven echter erg hypotetisch. |
| |
II. Jongere namen+
Wanneer wij over jongere namen spreken bedoelen wij Germaanse namen gegeven
vanaf ca. 300 na Christus.
| |
1.
Bij de oudere namen van deze groep kunnen wij een zekere periodisering
onderscheiden:
| 1.1. | Frankische namen met -apa: ca. 300. |
| 1.2. | Namen met *ahwō>ā: deze
naamgeving kende haar hoogtepunt tijdens de volksverhuizingstijd. |
| 1.3. | Nederzettingsnamen afgeleid van composita met -baki (+
suffix -ja?): Merovingische tijd |
| 1.4. | Namen met Romaanse assibilatie van k vóór
palatale vokaal (e,i): baki > bais
vóór 700. |
| | | |
| 1.5. | Namen met i-Umlaut: baki > beki, waaruit Romaans -
becque: tussen 700 en 800. |
De meeste van deze waternamen vinden wij vooral in nederzettingsnamen. In
het Oeterdal zijn er geen apa-namen. Ook namen met als grondwoord A, Aa
<Germ. *ahwō - f ‘natuurlijke
waterloop, inz. in het zee- en rivier-kleigebied’ (Gysseling
1960: 31) komen in het Oeterdal niet voor. Wel komt A te Meeuwen en Reppel voor
als eerste bestanddeel bij het grondwoord -beek. Maar het is
twijfelachtig of die naam teruggaat tot de tijd van de
volksverhuizingen.
| |
2.
De jongere waternamen van deze groep zijn het talrijkst. Zij bestaan uit
een grondwoord dat een nog bestaand zelfstandig naamwoord is en een
eerste bestanddeel dat op alle mogelijke dingen kan wijzen.
| |
2.1. Namen voor stromend water.
Wij ordenen deze namen volgens de grondwoorden. Wij behandelen eerst
de namen samengesteld met -beek, -graaf, -vlut en -zijp. Wij doen
dat omdat zij de oudste namen zijn en omdat zij min of meer kunnen
gedateerd worden. Wegens de schaarste van de naamkundige gegevens
vóór 1400 kunnen wij niet stellen dat bepaalde
namen te Neeroeteren uitzonderlijk oud zouden zijn. Wij weten
echter, of kunnen duidelijk vermoeden, dat bepaalde namen ouder zijn
dan de oudste attestaties, of tenminste vroeger gegraven waterlopen
aanduiden.
Daarna behandelen wij ook namen samengesteld met andere grondwoorden:
-goot, -kanaal, -loop, -lossing/losbeek, -rigole, -sloot, -vaart,
watering/-weterzijp.
| |
2.1.1. Samenstellingen met -Beek
Hierbij onderscheiden wij:
| a) | andere benamingen voor de Oeter: Oeterbeek, Asbeek, Bosbeek,
Gemene beek, Grote beek, Molenbeek, Neeroeterse beek. In de
volksmond heet hij gewoon de Beek, dial. [də
bī. ə k] of Grote
Beek. De laatste jaren wordt, onder invloed van de ambtenarij,
meer en meer de naam Bosbeek gebruikt. Als bepalende
bestanddelen krijgen wij de oorspronkelijke waternamen (Oeter,
As), of een benaming naar de vorm (Grote beek), of de bestemming
of het gebruik (Gemene beek, Molenbeek), of de omgeving
(Neeroeterse). |
| b) | andere benamingen voor de Itter: Itterbeek, Tongerlose beek,
Smalbroekbeek. Het eerste bestanddeel is weer de oorspronkelijke
waternaam (Itter), of een benaming naar de plaats waarlangs de
beek stroomt (Tongerlo, Smalbroek). |
| | | |
| c) | benamingen voor de derde beek, die na samenvloeiing met de
Itter, onder de naam Thornderbeek in de Maas uitmondt: Witbeek,
Kleine beek, Oude Kleinebeek. Het eerste element in Witbeek
wijst vermoedelijk op wide: ‘teenwilg’,
dial. [wī:jə], terwijl de andere namen een
tegenstelling aanduiden (klein/groot, oud/nieuw). |
| d) | enkele negentiende-eeuwse namen: Leesbeek, Losbeek,
Tapzijpbeek. Het zijn eigenlijk oorspronkelijk slechts
administratieve benamingen. Lees-/los-, evenals de naam
Lossing (cfr. infra) wijzen op een waterloop die gegraven wordt
om een moerassig gebied te ontwateren. Tapzijpbeek is
eigenlijk tautologisch: het is een beek of zijp, waarvoor het
water wordt afgetapt van een bestaande waterloop (in dit geval:
vroeger de Oeter, nu het Kanaal). |
Het woord beek is in Neeroeteren, samen met
zijp, het gewone woord voor stromend water. Meestal wordt het zelfs
zonder verdere bepaling gebruikt: [də bī. ək] is voor iedereen duidelijk. Het
is de voornaamste aanduiding voor natuurlijke en niet te brede
waterlopen. Een beek is breder dan een zijp, die dikwijls ook
gegraven is. Zij kronkelt door het landschap met de nodige
begroeiing en is normaal waterhoudend.
Het woord is afgeleid van het Germaans *baki - m. Thans is het echter
vrouwelijk. Met behulp van het suffix -ja worden van beeknamen
nederzettingsnamen afgeleid: Beek (bij
Bree), Opglabbeek, Neerglabbeek.
| |
2.1.2. Samenstellingen met -Graaf.
Het woord komt te Neeroeteren voor in de volgende combinaties:
Weergraven (1561, met verwijzing naar 60 jaar vroeger, toen zij
reeds bestonden), (Maas 1905: 166 voetnoot 3, 206 en 325), Oude
graaf (1560 der alde graeue), Nieuwe graaf (1446 den nuwen graue).
Graaf, gracht en varianten komen elders vanaf de 13de eeuw voor. Zij
danken dikwijls hun ontstaan aan machtige heren (vandaar elders
namen zoals Heergracht, 's Hertogengracht, Stadsgraaf). Zij
veronderstellen de nabijheid van grotere waterlopen. Het woord graaf
is een afleiding van het werkwoord graven en duidt een gegraven of
vergraven water aan. De Latijnse vertaling is fossa, fossatum.
De bepalende bestanddelen wijzen enerzijds op een tegenstelling
(oud/nieuw), anderzijds op verdedigingswerken (Weergraven).
| |
2.1.3. Samenstelling met -Vlut(ten)
Vlut(ten) is een naam die te Neeroeteren gegeven wordt aan waterzieke
gronden: de Vlutten (1573 op die vlut), Sogenvlut (1657 sooghen
vlut), Cops vlut (1720), Canten vlut (1720). Het woord komt
daarnaast ook voor | | | | als eerste element in: Vlutbeemd
(1537, copie 1586 den vlot bampt), Vlutsteeg (1536, copie 1586 aen
die vlotstege), Vluthoek (1846), Vluthoeksteegje (1846
vleethoeksteegje), Vluthoekstraatje (1844).
Sogen, Cops, en Canten zijn oude persoonsnamen te Neeroeteren.
Het grondwoord is klaarblijkelijk vlot, maar dan in het meervoud
gebruikt: zoals pot, meervout [pe:t], zo ook vlot, meervoud [vle:t]
(met daarbij een verbuigingsuitgang of met een later toegevoegde
tautologische meervoudsuitgang). Het is verwant met de woorden vliet
en vloedgracht en het werkwoord vlotten ‘vloeien,
stromen’.
Het woord werd te Neeroeteren in mijn jeugd nog gebruikt als gewoon
zelfstandig naamwoord in de betekenis: ‘kleine, smalle
slootjes van ± 10 cm breedte’. Het werd meestal
als verkleinwoord gebruikt [vle:t' ə]. Men had deze
‘vlotjes’, bij mijn weten, minstens op twee
plaatsen: in de Vlutten (waar onze familie beemden bezat die door
‘vletjes’ doorsneden werden) en op het goed van
Pijpers, aan de Langerenmolen, op de rand van de Oeterbeek.
Men kan de vraag stellen of de oudere benamingen verband houden met
de ontginningsactiviteiten die vanaf de 13de eeuw te Neeroeteren
plaats hadden (Maas 1905: 171-175). Enerzijds denken wij dan aan de
Kloosterzijp (die in de Oeterbeek uitmondt op de tegenoverliggende
oever) en de Geisterse zijp. Anderzijds werden, op het ogenblik dat
de Neermolen banmolen werd, de dijken van de Oeter tussen de
Neermolen en Maaseik verhoogd, waardoor talrijke moerasgronden in
hooilanden veranderden: Beemden, Vlutten, Waagteren. Dat in de 14de
eeuw, evenals in de voorgaande, gronden ontgonnen werden, blijkt ook
uit een overeenkomst die de pastoor van Neeroeteren, Hendrik van
Pitersen, op 18 mei 1299 sloot met de abdis van Thorn, Guda van
Rennenberg, over het heffen van de oude en de novale tienden. Het
feit dat van novale tienden gesproken werd, wijst er op dat nieuwe
gronden ontgonnen werden. Uit een oorkonde van 6 april 1590 (Maas
1905: 175) blijkt trouwens dat de inwoners van Neeroeteren van
‘voer menschen memorie’ het recht hebben hun
weilanden met het water van de beek te besproeien. Op het
jaargedinge van 18 januari 1521 werd de uitoefening van dit recht
gereglementeerd en werden vier ‘waterluyden’
aangesteld. Dit recht werd door de molenaar en de inwoners van
Maaseik herhaaldelijk betwist (Maas 1905: 166-167).
In een oorkonde van 12 juni 1561 kan men lezen hoe 50-60 jaren
vroeger, dus rond 1500, achter het Waagteren op de grens van
Neeroeteren en Maaseik, de Oeterbeek werd ingedijkt en hoe in de
nieuwe dijk een grote buis of waterleiding werd aangebracht op de
nieuwe dijk, die via grachten het water naar de Itter voerde, via
o.a. de Schoorbrug en de Weergraven tot het Tongerlobroek. Op deze
grachten stonden een vijftal bruggen, waarvan de Schoorbrug | | | | er een was en waarop sluitbomen stonden waarvan de
sleutels in het dorp bewaard werden.
Maar de indijking gebeurde vermoedelijk vroeger. Immers de Schoorbrug
bestond reeds vroeger. In 1479 kocht Hendrik Moerskens het weggeld
op het Schoor en verplichtte zich de brug op de Schoordijk en de
dijk zelf te onderhouden (Maas 1905: 208-209). Ook de namen Moosdijk
en Waagteren wijzen op moerasgronden.
Toch moeten wij vaststellen dat de naam Vlutten slechts vanaf 1537
geattesteerd is.
| |
2.1.4. Samenstellingen met -Zijp
Zijp komt in Neeroeteren met het ī-vocalisme voor. Dit is
zo in heel het Maasland en de Kempen. Men zegt [zī.əp], in tegenstelling tot Haspengouw
waar men het e-vocalisme gebruikt.
Het duidt een ‘kleine, kunstmatige gracht’ aan
Lindemans 1930: 164). Voor de etymologie laat men de vormen met
i-vocalisme meestal aansluiten bij Mnl. sipen, Ned. sijpelen. Deze
werkwoorden horen bij IE * seip-, *sei b, en de vormen met
e-vocalisme bij de ablautsvorm IE *soip-, ogm. *saip-.
Zijpnamen kunnen tot vóór 1000 opklimmen. In
Neeroeteren is dit echter niet het geval. Daar kan men de oudste
zijp-namen tamelijk nauwkeurig dateren, ondanks het feit dat de
oudste attestaties niet zo oud zijn: de Kloosterzijp (1240-1274) en
de Geisterse zijp (± 1300).
| a) | Kloosterzijp Het eerste bestanddeel wijst niet op het
moderne klooster in de Spilstraat (gesticht in de 19de eeuw),
maar op het klooster van de Godsberg of Mons Dei. In 1238 of
1239 besloten de cistercienzerinnen van Boutershoven bij
Sint-Truiden naar Neeroeteren te komen. De graaf van Loon liet
voor hen te Neeroeteren een klooster bouwen. Maar de afwerking
duurde jaren: pas in 1245 verlieten zij voorgoed Boutershoven.
In 1274 verdween het klooster alweer. De goederen werden
overgedragen aan het klooster van Orienten (onder Rummen), dat
ook goederen bezat onder Dilsen. De oudste attestatie is
pas van 1530 (copie 1586 ouer dije cloesters sijep), maar
vroeger komen wel de namen Kloosterhof (1446 cloest(er)hoeff) en
Kloosterkamp (1467 van den cloest(er) campe) voor. |
| b) | Geisterse zijp In de atlas van de waterwegen heet deze
zijp Tapzijp, en in de volksmond wordt zij Kloosterzijp genoemd,
omdat zij langs het huidige klooster stroomt.
|
| | | |
| De naam wordt eigenlijk pas laat geattesteerd: 1477
die syp van Ghysteren, 1570 op dij geijsseren zyp. Wanneer
deze beek gegraven werd is niet bekend. Maar uit een getuigenis
van 30 juli 1477 (Maas 1905: 170-171) blijkt dat de vergunning
voor het graven ervan jaren geleden werd gegeven. De getuige is
94 jaar oud en heeft van zijn voorouders gehoord dat de
vergunning werd gegeven door een graaf van Loon (de laatste
graaf van Loon stierf in 1361). Men mag dus aannemen dat de zijp
in de eerste helft van de 14de eeuw gegraven werd om de inwoners
van Geisteren het nodige water voor hun vee te bezorgen, maar
ook om in tijden van droogte hen toe te laten hun weilanden te
bevloeien. Op 24 november 1834 verzocht het gemeentebestuur
van Neeroeteren de regering om middelen te voorzien om de
Geisterse zijp, die sedert 1830 niet meer gelopen had, meer
water te geven. Dit was zeer nadelig voor de mensen van
Geisteren. Er was gebrek aan water voor mensen en beesten, omdat
er sedert 1830 niet genoeg water was in de Zuid-Willemsvaart
(Maas 1905: 465). |
| c) | andere zijpen: Bergbeemdenzijp (1880), Bergerzijp (1880),
Broekzijpen (volksmond), Brug(voort)steegzijp (1880), Gemene
zijp (± 1620: Geisterse zijp), Gemene weterzijp
(1569), Heikanterzijp (1880), Hortzijp (1548, copie 1586 aen
ghen hort sijp), Kloterzijp (1880 = Kloosterzijp), Langerzijp
(1880, achterste -, voorste -), Lieterbroekzijp (1880),
Nieuwbroekzijp (1880 bovenste -, onderste -), Ramenzijp (1880),
Schaagterzijp (1844), Schanszijp (1844), Startzijp (1650),
Tapzijp (1880), Waagterzijp (1880). Het eerste element is
zelf een plaatsnaam of een bijvoeglijk naamwoord van een
plaatsnaam afgeleid (Berg, Bergbeemden, Broek, Brugvoortsteeg,
Geisteren, Heikant, Hort, Langvoort, Lieterbroek, Nieuwbroek,
Ramen, Schaagt, Schans, Waagteren). Het wijst er dus op dat het
water doorheen of omheen een bepaalde plaats stroomt. Alleen de
moderne, administratieve benaming Tapzijp wijst erop dat het
water ergens wordt afgetapt. Daarnaast wordt met achterste/
voorste en bovenste/onderste de onderlinge ligging
aangegeven. Veel van deze zijpen werden eigenlijk pas in de
19de eeuw gegraven. De regering verplichtte de gemeenten in de
Kempen om de gemeentelijke heiden te verkopen. Het
gemeentebestuur trachtte herhaaldelijk die verplichting te
omzeilen door te proberen zelf of via een lokale vereniging te
ontginnen. Om te bewijzen dat het ernst was en dat de gemeente
een dergelijke onderneming aankon, werden heel wat werken
uitgevoerd. De beken werden gedeeltelijk rechtgetrokken, nieuwe
zijpen werden gegraven, enz.
|
| | | |
| Een bijkomende stimulans was een zware overstroming
die in de 60er jaren van vorige eeuw het marktplein en de huizen
errond onder water zette. |
| |
2.1.5. Andere namen voor stromend water.
| a) | Samenstellingen met -GOOT Goot komt te Neeroeteren alleen voor in de samenstelling
Schansgoot (1846). Het woord verwijst naar een
‘overdekte gracht bij de kruising van een
straat’ of een ‘afvoerbuis’. Het
woord bestaat ook nog als gewoon appellatief in de betekenis
‘afvoergoot op de rand van een weg’. Het is
dus een bovengrondse afvoerbuis voor de riolering. Het
woord komt elders voor vanaf de 15de eeuw, maar de meeste namen
stammen uit de 19de eeuw. In Haspengouw vinden wij een
concentratie van goot-namen in de streek van Wellen-Kortessem. |
| b) | het KANAAL, dial [də knā.l] Het
woord kanaal is te Neeroeteren de normale aanduiding voor de
Zuid-Willemsvaart. Het is te Neeroeteren, zoals elders in
Limburg, een de- woord, in tegenstelling met het AN, waar het
een het- woord is. De a van de eerste lettergreep is in het
dialect volledig verdwenen. Het woord is een moderne ontlening
aan het Latijnse canalis. Daarnaast bestaat er te Neeroeteren,
zoals elders in Limburg, een oudere ontlening kandel, kanjel,
dial. [kā.n'əl. De oudere ontlening heeft
echter niet de betekenis van ‘bevaarbaar
water’, maar duidt een kleiner gegraven water of ook
een ‘afvoerbuis’ aan en is dus synoniem met
goot. |
| c) | samenstellingen met -LOOP Samenstellingen met -loop komen
te Neeroeteren, in tegenstelling met de omgeving (o.a. Maaseik)
zeer weinig voor: Waterloop (1880: Rigole),
Donkersteeg/Donkersteegloop/Donkerloop (1880). De namen zijn van
zeer recente datum. Het woord -loop is te Neeroeteren
eigenlijk geen levend toponiem. Het zijn papieren,
administratieve benamingen. Elders komt het woord meer voor, ook
als appellatief, o.a. in Haspengouw, maar ook in het Maasland.
In Haspengouw komen loop-namen niet vóór
1400 voor, en zij blijven betrekkelijk schaars tot 1600. Vanaf
dan nemen zij geleidelijk toe om in de 19de eeuw een explosie te
kennen. Het bepalend element is enerzijds water-,
anderzijds Donkersteeg (= de naam van een pad waarlangs deze
waterloop stroomt). |
| d) | LOSSING, LOSBEEK De naam duidt een afwateringssloot aan,
behorend bij het werkwoord lossen. daarnaast staat het werkwoord
lozen, dat wij in Leesbeek vinden (Leesbeek: Loosbeek). Het is
een gegraven sloot, een zijarm van de Itter, |
| | | |
| ter
ontwatering van een drassig terrein. De gehuchtnaam
Waterloos, dial [wā.tələrs]
heeft met dit los/loos niets te maken. Hiervoor moeten wij
uitgaan van het suffix -loos = zonder. Het gehucht ligt immers
op de helling tussen het Kempisch plateau en de Maasvallei. Nog
tijdens de vorige eeuw was er in het gehucht slechts
één, zeer diepe put. In 1857 werd die
uitgediept en werd in het midden van het gehucht een
gemeenschappelijke pomp geïnstalleerd omdat de
inwoners 3 km van elke waterloop verwijderd waren. |
| e) | RIGOLE, dial. [rəγɔ:l],
f. Het woord wordt te Neeroeteren gebruikt voor de gegraven
grachten in de Wateringen. Het is een Frans woord en betekent
volgens de Van Dale F/N 1983: 1202
‘greppel, geul, voor’. Het komt er voor als
rigole d'évacuation (ontwateringssloot), rigole
d'écoulement (afvoergoot,-kanaal), rigole
d'irrigation (bevloeiingskanaal). Volgens Gamillscheg
(1928: 766) betekent het ‘Wasserkanal’ en is
het een afleiding van het werkwoord rigoler ‘mit
Rinnen, Furchen, Gräben durchziehen’. Het
werkwoord komt aanvankelijk alleen in Waalse teksten voor en is
een ontlening aan het Nederlandse rijgelen, bij rijgen
‘eine Reihe machen’, bij het zelfstandig
naamwoord rige ‘Reihe’. Van Dale F/N
1983: 1202 kent het zelfstandig naamwoord rigolage: het greppels
slaan. Het woord is te Neeroeteren recent en verwijst naar de
ontginning van de heide. Vanaf 1845 ijverde de Belgische
regering voor de ontginning van de Kempen (het is de tijd van de
aardappelplaag!). Zij verplichtte enerzijds de gemeenten hun
heidegronden te verkopen. Dit gebeurde, maar op de meeste
plaatsen onder protest van de bevolking. Anderzijds gaf de
regering de kopers van deze heide de toelating om, waar nodig,
het water van de Zuid-Willemsvaart af te tappen, wat ook
gebeurde. In Neeroeteren gebeurde dat door drie
ondernemingen:
| - | een Luikse NV gesticht door drukker Dessain,
Terwagne, de Bellefroid,, Schaetzen en twee Hermansen.
Zij kochten een blok van ± 125 ha. in de
Schootsheide: de huidige Watering. De bevloeiingswerken
werden aangelegd door een Waalse ingenieur en Waalse
werkbazen. Vandaar een aantal Franse benamingen, zoals
rigole en prise d'eau, die nu nog voortleven. |
| - | Later kocht de heer Nagant, eveneens een Luikenaar,
60 ha. heide dichterbij het dorp gelegen: de Watering
van Nagant. |
| - | De Luikse heren Claes en Flechet kochten in 1865 een
grote uitgestrektheid in de Geisterse heide, die zij
eveneens trachtten vruchtbaar te maken o.a. met stads-
en straatmest. |
|
| | | |
| Het woord komt te Neeroeteren voor in: de Rigole
[də rəγɔ:l],
Rame-rigole, Waterloze-rigole, waarbij de Ramen en Waterloos
twee bestaande plaatsnamen zijn. |
| f) | SLOOT De Sloot werd in 1865 gegraven om het water van de
Kleine beek naar een Vlasroot te brengen die de gemeente in de
Koevoort gepland had (Maas 1905: 480). Het woord sloot is te
Neeroeteren geen levend appellatief. Het is een puur ambtelijk
woord. In het AN betekent het woord volgens het WNT
‘gegraven lang en smal water dat tot afscheiding of
voor afwatering dient’. |
| g) | WATERING/WETERZIJP Van het substantief water vormt men
het werkwoord wateren, dial. [wī.ə tərə]. Van dit
werkwoord vormt men dan samenstellingen zoals weterzijp (1569
die gemeijn weterzijep) ‘een zijp om af te
wateren’ en een vrouwelijk nomen agentis op -ing, dat
ook concreta kan aanduiden. Het zijn dus waterlopen gegraven ter
verbetering van de afwatering. In deze betekenis komt het elders
minstens sedert de 13de eeuw voor. In de 19de eeuw werden de
Wateringen vooral gegraven om de droge heidegronden te
irrigeren. In Neeroeteren geldt deze betekenis zowel voor de
oudere Weterzijp, een andere naam voor de Geisterse zijp, als
voor de 19de eeuwse Wateringen. |
| h) | ZUID-WILLEMSVAART Dit is te Neeroeteren geen levend
toponiem. Het is een ambtelijke benaming. Vaart is een afleiding
van het werkwoord varen met dentaalsuffix en duidt een
bevaarbaar water aan. In Nederland is het in deze betekenis alom
in gebruik, bij ons is het echter een papieren woord. Het
eerste bestanddeel wijst er op dat het kanaal in de Hollandse
tijd begonnen werd en verwijst dus naar de Nederlandse
koning. |
| |
2.2. Namen voor stilstaande waters.
Ook deze namen ordenen wij volgens de grondwoorden.
| |
2.2.1. Born
Born komt te Neeroeteren voor in twee namen, Bornen en Boekborn.
Bornen (1446 tot borne(n) inden korspel van nederoete(re)n; 1467
houe tot borne(n)) was een Middeleeuws gehucht van Neeroeteren
en tegelijk de naam van een Laathof. De kern van het Bornen lag
tussen de Oeterbeek en de Witbeek vanaf het Marktplein tot
ongeveer aan Leverenmolen.
Boekborn (1446 aen ghene(n) boeckborne) heeft als eerste element
boek = beuk, de boomnaam.
Het woord born/bron heeft twee betekenissen: enerzijds waterplas
of put, anderzijds uit de grond opwellend water, bron in de
huidige betekenis van | | | | het woord. Nu is er in het
Bornen geen bron meer maar in 1771 nog wel, zoals kan afgeleid
worden uit een attestatie die men vindt in Maas: ‘die
waterloop uyt den bergh van den Venbosch springhende ende door
des comparants bampt loopende’ (Maas 1905: 55)
| |
2.2.2. Kuil
Het element kuil komt te Neeroeteren voor in de volgende
benamingen:
Karpenkuil (± 1650 de karpen kouhl), een wijer in de
Tus.
Kuil (1572 in dij kuijll).
Kuilen (1467 op gheen kulen)
Leemkuilen (1467 op gheen leymculen)
Turfkuil (± 1650 die torf koul), een wijer aan de
Schoorbrug
Zandkuil (alleen volksmond)
Kuileusel (1637 die koull eussel)
Kuilbroek (± 1650 tkulbroek)
Kuil is volgens Schönfeld (1955: 238) een synoniem van
(veen)put, (drinkers)dobbe, en leent zich uiteraard ook om
gebruikt te worden voor kleine waterplassen, meertjes. Hij wijst
erop dat namen met kuil nogal eens wijzen op littekens van oude
doorbraken of op sporen van kunstmatige vergravingen.
Het bepalend element bij -kuil wijst op de vis die in de wijer
gekweekt wordt (karper-), een contrast met een nieuwe kuil
(oude) of wat er in de kuil gegraven werd (leem, turf, zand).
Eussel is een afleiding van het werkwoord ‘eeuwen =
voederen’ en broek wijst op ‘moeras of
waterzieke gronden’.
| |
2.2.3. Meer
Het woord meer komt te Neeroeteren voor in:
Het Meerke (1569 inghen meerken), De Meerkens, dial.
[də mī. ə
rkəs] (1840 Meerkens), de Meerkensweg (1844
Meerkensweg), Meerdonk (1560 meerdonck).
Meer is afgeleid van het Germaanse *mari-, dat
‘waterplas’ betekent. In Neeroeteren is de
benaming overgegaan op het waterrijke land op de oever van de
Witbeek en op de moerassige gronden op de grens met Maaseik,
waar wij ook nog andere namen aantreffen zoals Schootsheide, Schoordijk, Moosdijk, Plas, Waagteren, Meerdonk.
| |
2.2.4. Plas/Waterplas.
De naam komt voor als:
Plas (+ 1650 de plas), Waterplas (1660 omtrent die
leeghte ende waterplas).
De beide woorden zijn nagenoeg synoniem met
‘meer’.
| |
| | | |
2.2.5. Poel
Het element poel hebben wij te Neeroeteren niet in
samenstellingen gevonden, wel als afzonderlijk toponiem: 1467
van syne(n) guede en(de) houe tgene(n) poel. Hieruit ontstond
wel de familienaam Poelmans, die wij terug vinden in de
toponiemen: Poelmansbeemd (1573 poelmans bampt), Poelmansgoed
(1467 poelma(n)s guet) en Poelmanshof (± 1620
poelmans hoff).
De poel lag in Waterloos. Wordt hiermee dan de enige waterput
bedoeld die er tot 1865 in Waterloos was?
Poel is normaal een ‘kleine vijver, rond van
vorm’. Volgens M. Gysseling (Naamkunde 1978: 24) is
het een Belgisch substraatwoord verwant met het Latijnse
palus.
| |
2.2.5. Put
In Neeroeteren bestond er volgens de overlevering een
Willebrordusput (Wulleput of Willeput). Bij de bouw van de
vroegere gemeenteschool is hij verdwenen.
Daarnaast was er:
De Dorpsput (1569 teg(en) den put int dorp).
Een put is een ‘kuil, groeve, met of zonder water, ook
diepte’ (Mnl. Wb. s.v. put).
| |
2.2.6. Root/Roten
Het woord root, mv. roten komt te Neeroeteren in de betekenis
‘vlasroot, waterkuil voor het roten van
vlas’ voor in de volgende namen:
Geisterse roten (1546, copie 1586 op gheijn gheijsser roeten),
Groot root/Klein root (1569 int groet roet, 1569 inghen cleyn
roet), Hoge root (1467 1 boenre lants gelege(n) voer gheen
huge(n) roet), Kloterkensroten/Klotersroten (1467 cloeterkens
roeten, ± 1620 Cloeters roeten), Ophovenroten (1570
opdij ophouenre roeten), Puiskensroten (1467 puijskens roeten),
het Root/De Roten (1467 int roet, op gheen roete(n)).
Rond 1865 werden door de gemeente nog drie vlasroten aangelegd en
werden daarvoor de nodige sloten gegraven of aangepast (in Berg
de Lieterbroekzijp, op de Heikant de Tapzijp en aan de Koevoort
de Kleine beek en Sloot). Vlas wordt geroot door ‘de
stengels (van het vlas) aan aanhoudende invloed van vochtigheid
bloot (te) stellen om de kleverige zelfstandigheid van de bast
grotendeels te doen verdwijnen, en zodoende de samenhang tussen
de vezels onderling in hoge mate te verminderen, of bijna geheel
op te heffen’. (Van Dale 1984: 2451.).
Het woord moet onderscheiden worden van root/rode
‘bosrooiing’, dat wij te Neeroeteren vinden
in Gruitroderbos/Roderbos, Hongelroot, Kaggenrooi, Rooierheide,
Roren (of is dit roor = riet?).
| |
| | | |
2.2.7. Schans
Het woord komt te Neeroeteren voor als
grondwoord in:
Dorpsschans of Oeterse Schans (1660 aen den dorpschancs 1661 op
de oetersche schans), Schans (1658 de schans), Voorshoventer
schans (1655 op de voorschouener schants) en als bepalend woord
in:
Schansbrug (1846 schansbrug), Schans eusselen, dial.
[ī.ə
rsələ] (1840 de schans esselen),
Schanseusselweg (1846 schans eesel weg), Schansgoot (1846
schansgoot), Schansweg (1846 schansweg), Schanszijp (1844 schans
zeyp).
In Neeroeteren (en trouwens elders in Limburg) duidt schans een
landelijke versterking aan. het is een terrein met een grootte
van één tot twee ha. met een gracht en wal
omringd en van een ophaalbrug voorzien. Al wie had meegeholpen
aan het graven van de schans, had het recht er een houten huisje
te bouwen en mocht in tijden van gevaar er een min of meer
veilige toevlucht zoeken voor zichzelf, zijn huisgezin, zijn vee
en eventuele waardevolle voorwerpen. Om een schans te graven had
de bevolking de toestemming van de heer nodig en zo weten wij
dat de eerste schansen dateren uit de zestiende, doch de meeste
uit de zeventiende eeuw (Bussels 1946 vraagbaak nr 16-17).
| |
2.2.8. Sol
Het element komt voor in de gehuchtnamen Solt, Opsolt en
Neersolt:
Solt (1297 Solre 1467 Solt), Neersolt (1560 neersolt), Opsolt
(+ 1600 opsolt). Deze drie namen komen daarnaast ook
voor als eerste bestanddeel in een aantal samenstellingen met
-dijk, -heide, -straat, -veld, -weg, enz.
De naam Solt bestaat uit sol + collectiefsuffix. Sol-
duidt een ‘poel, met water en modder gevulde kuil,
gracht, modder’ (Mnl. Wb. VII 1499: 1504).
Schönfeld noemt het een ‘natuurlijk gat in
de bodem, waarin water staat voor vee en wild’
(Schönfeld 1955: 242). Op de oever van de Itterbeek
is dit natuurlijk zeer aannemelijk, te meer daar verderop de
namen Schorcht, Smalbroek en Nieuwbroek voorkomen.
Voor de naam Solveld kan deze verklaring vermoedelijk niet
dienen. Het Solveld was inderdaad het oefenterrein van de
schutterijen. Soms vermelden de documenten dat de schutterijen
oefenden ‘op den solre’. Is dit een
afleiding van het Lat. solarium met de betekenis ‘open
plaats in de zon’ (Mansion 1935: 149) of is het een
‘open onbebouwd land waar men met de solbal kan
spelen? (Lindeman ESB 1945: 49-57 en 156-157). Of moet men toch
aan de betekenis ‘poel, ...’ denken?
Het Solveld lag inderdaad naast de Geisterse zijp en achteraf
ontstond er de erfnaam Loeren (verband met leerlooierij? Het
Looieinde lag iets hoger aan de Geisterse zijp).
| |
| | | |
2.2.9. Ven
Het woord komt voor in de volgende namen:
Bergerven (1544 copie 1586 achter dat borgervenne), Brandven
(1846 brandvin), Diepven (1757 het diepen venne), Keekven (Vm),
Kraanven (1560 t' crane venne), Langven (Vm), Platven (1561 het
platt venne), Staakven (± 1620 eenen wijer geheyten
dat staeckenvenne), Witven (1624 het wit ven) en in de volgende
samenstellingen als eerste element:
Venbos (1573 op den vennebos), Vennendijk (1844 vennen dijk), Ven
(onz) is de naam voor een natuurmeer dan wel een uitgeveende
plas in hei of bos ...; in oorsprong hetzelfde woord als veen,
is het daarvan in betekenis meestal gedifferentieerd
(Schönfeld 1955: 241).
Heel wat namen herinneren aan de turf, die bij vennen wordt
gestoken of aan vogels (o.a. Kraanven) met hun
pleisterplaatsen.
| |
2.2.10 Vlaas/Vlies/Blaas
Het woord komt voor in de volgende namen:
Bomvlaas/Bomblaas (± 1620 eenen wijer geheyten die
boemvlaes in de geijsterse hey), misschien in Vogelblaas (1547
der wijer geheijten den voegelblaess), Vlies (1537 copie 1586 op
ghen vlys).
Vlaas is volgens Schönfeld (1955: 242) een ontlening
aan fra - flache ‘poel’. Het wordt gebruikt
in de betekenis van ‘plas in bos of hei’.
Het komt op verschillende plaatsen voor als
fles/vlies/vlaas/vloos, meestal in composita.
Als eerste element hebben wij enerzijds Bom-, dat volgens
Schönfeld (1955: 195) zelf een waternaam is, en
vogel-, dat bij een wijer/vijver wijst op een pleisterplaats
voor vogels, te vergelijken met Kraanven.
Bomvlaas evolueerde later tot Bomblaas, een normale aanpassing
van de v aan de voorafgaande m. Dit gaf dan weer aanleiding tot
de samenstelling Bomblaasweg (1844 Bomblaasweg), een oudere
benaming voor de Heikantweg.
| |
2.2.11. Vornen
Voor deze naam hebben wij slechts een attestatie: 1533, copie
1586 in ghen vorne(n). Schönfeld (1955: 125 en 191-192) ziet een
verband met het werkwoord ‘voeren’.
| |
2.2.12. Waagteren.
Het Waagteren is een waterziek gebied op de grens met Maaseik
tussen de Diestersteenweg en de Oeterbeek (1467 int
twaecht(er)).
Het is niet duidelijk of dit inderdaad een waternaam is. In dat
geval moet men vermoedelijk aansluiting zoeken bij Dittmaier
(1963: 329) s.v. Wag: Tiefe Stelle im Wasser, gestautes Wasser
...; stehende sumpfige Binnengewässer, aansluitend
bij Mhd. wâc (g) = wogendes Wasser,
Strömung, Flut, | | | | Woge, Strom, Fluss,
Meer, See, Weiher, Wasser überhaupt.
Daarmee is echter de uitgang -ter/ -teren niet verklaard.
Of moeten wij eerder aansluiting zoeken bij wach - ter, waarbij
wach - = jeneverbes, Juniperus communis, Duits Wacholder en -ter
= boom, Engels tree? Aansluiting bij het werkwoord wachten,
dial. [wa:χtə] is klankwettig moeilijk. De
plaatsnaam luidt dial.
[wọ̄.χtərə].
Neeroeterse [ọ̄] kan alleen komen van Wgm.
ŏ in open lettergreep bij stoottoon, Wgm.
ŏ voor r + dentaal bij stoottoon, wgm.
ŭ in vroegere of huidige open lettergreep bij
stoottoon of WGM â bij sleep- of stoottoon. Toch zou
men zich ter plaatse gemakkelijk wachthuisjes kunnen
voorstellen. In de M.E. lagen daar op de verbindingssloot tussen
Oeter- en Itterbeek vijf bruggen, waarvan de slagbomen 's avonds
gesloten werden en de sleutels te Neeroeteren bewaard werden.
In samenstellingen komt de naam voor in:
Waagterzijp (1880 Waagterziep), Walen waagter (+ 1650
dat wahlen waghter).
| |
2.2.13 Wijer
Het woord is een afleiding van het Lat.
vīvārium ‘visvijver’.
Het kan echter ook een drinkplaats voor het vee aanduiden. Het
wordt meestal nader bepaald door de naam van de eigenaar, de
ligging bij een gebouw of constructie, de begroeiing of een
bijvoeglijk naamwoord.
Te Neeroeteren komt het voor:
| - | zonder bepaling: de Wijer(s): 1573 in den wijer. |
| - | met de naam van de eigenaar: Daniels wijer (1527 copie
1586 daenels wijer), Hemerswijer (+ 1650 hemers
wijer), Kellen wijerke (1639 aen kellen wijer), Kolen wijer
(1639 aent coelen weÿerken), Vrouw van Thorn
wijer (1550 copie mijn g(enadiger) vrouwe van thor e(n)
wijer). |
| - | met de naam van een gebouw: Molenwijer
(+ 1650 de muhlen weijer). |
| - | als eerste element: Wijers eusselen (1840 de weyers
esselen). |
Andere namen voor wijers te Neeroeteren zijn: Aarheuvel,
Bomblaas, Goede donk, Karpenkuil, Staakven, Vogelblaas.
| |
3. Stratificatie van de Neeroeterse waternamen.
Hierna volgt een lijst van waternamen gerangschikt volgens de datum van
de oudste vindplaats van elk hydroniem. Voor de verdere gegevens
verwijzen wij naar het Corpus Molemans-Thiry, dat berust in het
Instituut van Naamkunde te Leuven.
| - vóór 1000 |
: -52 Mosa, 952 Votra, 877 Iturnam |
| - 12e eeuw |
: 1143 Iteram, 1140 Asch |
| - 13e eeuw |
: 1240 cloestersyp, 1240 tuanteren, 1297 solre |
| | | |
| - 14e eeuw |
: 1300-1350 geysterse syp, |
| - 15e eeuw |
: 1407 die groote beeck, 1446 tot Bornen, aen ghene(n)
boeckborne, 1467 die beeck, 1466 den nuwen graue, 1467 het
twaechter, solt, op gheen kulen, op gheen leymculen, tgenen
poel, voer gheen huge(n) roet, cloeterkens roeten, puyskens
roeten, int roet, op gheen roeten, 1477 die syp van
geysteren, 1527 daenels wijer, 1533 inghen vorn(en) |
| - 16e eeuw |
: 1544 borgervenne, 1546 op gheen geysser roeten, 1547 den
voegelblaes, 1560 t' crane venne, neersolt, der alde graue,
1561 het platt venne, weergrauen, 1568 die ophoeuenre roeten
1569 gemene wetersyp, in ghen cleyn roet, in ghen meerken,
den put int dorp, 1570 op dij geyssers zyp, 1571 die
tongerlo beek, 1572 in dij kuijll, 1573 op den vennebos, in
den wijer, die vlutt, 1574 aent zolvelt, 1586 hortsyp, 1596
int groet roet, |
| - 17e eeuw |
: 1609 moelen beeck, 1620 die boemvlaes, dat
staeckenvenne, groete beeck, gemeyn beeck, cleyn beeck,
cloeters roeten, 1624 het witven 1630 de muhlen weyer, 1637
koulleussel, 1639 kellen wijerke, aent coelen wijerken, 1650
hemers wijer, den raier wijer, de biesebusch wiersz, die
buschbeek, smalbroiken beek, neerotersche beek, tongerloise
beek, stardt siep, tkulbroek, de karpenkouhl, die torfkoul,
de plas, waterplas, 1655 de voorschoeuer schants, 1658 de
schans, 1661 de oetersche schans, |
| - 18e eeuw |
: 1757 het diepen venne, lang ven, |
| - 19e eeuw |
: de asbeek, witbeek, oude kleine beek, Leesbeek, Losbeek,
Tapziep ....., Rigole, Rame-rigole, Waterloze rigole, sloot,
watering, schans goot, Zuid-Willemsvaart, waterloop,
Donkerloop, Vennendijk, weyers esselen, de Meerkens,
Brandven |
| - 20e eeuw |
: Keekven, Lang ven, Tapziepbeek, Broekziepen,
Kanaal. |
| |
4.0. Enkele conclusies
Wanneer wij de voorafgaande lijst onderzoeken, merken wij:
| |
4.1.
De namen Maas, Oeter, Itter, As zijn inderdaad de oudste namen. De
oudste vindplaatsen zijn soms weliswaar relatief jong, maar uit de
formele en semantische kenmerken van deze namen kunnen wij afleiden
dat zij veel ouder moeten zijn. Uit vergelijking met andere
waternamen blijkt dat sommige kunnen teruggaan tot ca. 1500
vóór Christus.
Later werden Oeter, Itter en As gecombineerd met -beek of vervangen
door andere namen met als grondwoord -beek.
| |
4.2.
Van de natuurlijke waterlopen draagt alleen de Witbeek geen
prehistorische naam.
| |
| | | |
4.3.
Enkele waternamen zijn alleen nog bewaard als erf- of
nederzettingsnaam: Solt, Waagteren, Bornen/Boekborn. Ook deze zijn
relatief oud.
| |
4.4.
De volgende groep wordt gevormd door zijp/beek/graaf/vlut.
Deze gaan terug tot de (laat)-Middeleeuwse ontginningsperiode. De
vindplaatsen van sommige namen zijn soms relatief jong, maar wij
kunnen duidelijk aantonen dat bepaalde van deze namen minstens 100
jaar ouder moeten zijn cfr. Geisterse zijp. Deze elementen zijn
vanaf de Middeleeuwen tot nu eigenlijk produktief gebleven, mede
omdat zij ook als appellatief bleven bestaan. Zij duiden op gegraven
waterlopen voor ofwel het ontwateren van waterzieke gronden ofwel
het bevloeien van te droge gronden.
| |
4.5.
De Middeleeuwse ontginningsperiode ging gepaard met de aanleg van een
aantal verdedigingswerken: Oude graaf, Nieuwe graaf, Weergraven. Dit
zal uiteindelijk zoals elders in Limburg leiden tot het graven van
een aantal schansen; Voorshoventer schans, Dorperschans.
| |
4.6.
Ook anderemenselijke activiteiten geven vanaf de 15de eeuw aanleiding
tot naamgeving:
| a) | vlasbewerking: Klein/Groot Root, Puiskens/Kloter(ken)s Roten,
Hoge Root. |
| b) | het steken van leem voor de vakwerkbouw of voor het bouwen van
bakovens: Kuil, Leemkuil. |
| c) | het steken van turf: Turfkuil |
| |
4.7.
Het spreekt van zelf dat ook de natuurlijke, stilstaande wateren van
in de Middeleeuwen benoemd werden: ven, wijer, vlaas, meer. Wanneer
deze namen gecombineerd worden met een persoonsnaam verwijzen zij
soms naar gegraven vijvers voor de viskweek.
| |
4.8.
Tijdens de tweede helft van de 17e en de 18e eeuw kwamen er weinig
nieuwe namen bij. Voordien had men eigenlijk voldoende gehad aan een
beperkt aantal woorden. Dit veranderde tijdens de 19e eeuw. Dan
moesten ook de kleinste waterlopen en stilstaande waters een naam
krijgen. Die werden echter heel dikwijls geen levende toponiemen
meer, maar papieren benamingen die alleen om administratieve redenen
gegeven werden. Daarenboven werden heel wat levende toponiemen door
een -franstalige- administratie onherkenbaar verhaspeld.
Voor deze nieuwe benamingen gebruikt men een aantal nieuwe woorden,
die deelsvan Franse oorsprong zijn (cfr. rigole, dat wijst op de
Luikse invloed bij de 19e eeuwse ontginningen), deels nieuwe
Nederlandse appellatieven (cfr. goot, loop, lossing, kanaal, sloot,
watering, vaart: namen die vroeger ter plaatse niet produktief zijn
geweest).
| |
4.9.
De ambtelijke naamgeving in de 20ste eeuw heeft geleid tot het
verdwijnen van heelwat namen. Bij het uitvoeren van openbare werken
worden waterlopen verlegd, verlengd en soms zelfs vernietigd. Soms
worden twee of meer | | | | kortere waterlopen met elkaar
verbonden tot een enkele. Weer andere waterlopen verdwijnen ten
gevolge van uitdroging. Telkens is het gevolg dat een of meer
waternamen verdwijnen. Ook verdwijnen er namen omdat de diensten van
de waterwegen op de nieuwe atlas van de waterwegen waterlopen die
geen 100 ha. afwateren niet meer opnemen. Speciaal in de provincie
Limburg vertonen deze diensten de neiging om het waternamenbestand
te vereenvoudigen: als een waterloop meerdere namen heeft tracht men
een bekende naam voor het geheel te doen gebruiken bv. Bosbeek voor
de Asbeek-Oeterbeek-Brede Beek-Grote Beek. Toch gebeurt ook soms het
omgekeerde. Door vergravingen ontstaan nieuwe waterlopen of worden
bestaande waterlopen zonder naam lang genoeg om 100 ha. te
ontwateren en krijgen zij een naam.
| |
4.10.
Wanneer wij de Neeroeterse waternamen vergelijken met het schema van
H. Krahe dan stellen wij vast:
| 1) | De oudste namen (De Maas en zijn bijrivieren Oeter, Itter, As)
zijn inderdaad afleidingen van adjektivische /verbale stammen.
Zij kunnen meestal uit het Germaans verklaard worden maar zij
kunnen ook Oudeuropees zijn. |
| 2) | De -apa en Aa- namen ontbreken te Neeroeteren. |
| 3) | Van de natuurlijke waterlopen die in de Maas uitmonden heeft
alleen de Witbeek geen naam die tot de oudste laag behoort. De
oudste namen kregen later naast de oorspronkelijke naam, die
bleef voortbestaan tot in onze tijd als waternaam of als
nederzettingsnaam, ook een naam die bestond uit de
oorspronklijke naam gevolgd door -beek. Later kwamen ook andere
elementen als eerste lid van de samenstelling voor. |
| 4) | Waterlopen die in een van deze zijrivieren van de Maas
uitmonden of er van afgetapt werden kregen samengestelde namen
met -zijp, -beek, -vlut, -graaf. Deze elementen bleven meestal
tot in de 20ste eeuw produktief. Het zijn echter gegraven
waterlopen, waarvan de oudste blijkbaar dateren uit de 13e eeuw. |
| 5) | Later werden nog een aantal andere elementen produktief: goot,
kanaal, loop, lossing, rigole, sloot, watering, vaart. De meeste
van deze benamingen zijn echter louter administratieve
scheppingen uit de 19e en 20ste eeuw. |
| |
4.11.
Een korte vergelijking met Haspengouwse en Kempische namen toont snel
aan dat bepaalde waternamen te Neeroeteren ontbreken o.a.
gracht/vloedgracht, laak, rijt, ruwaal, rak/raak, val/afval,
winterbeek, zouw.
Andere elementen komen te Neeroeteren wel
voor, maar zijn in feite weinig produktief geweest, terwijl zij
nochtans in omringende gemeenten zeer produktief zijn geweest. Wij
denken hier o.a. aan goot en loop.
| |
| | | |
Geraadpleegde werken
| Bach, A. (1953): Deutsche Namenkunde, II, 1-2: Die deutschen Ortsnamen
Heidelberg. |
| Bahlow, H. (1985): Deutschlands geographische Namenwelt.
Etymologisches Lexicon der Fluss- und Ortsnamen
alteuropäischer Herkunft. Suhrkamp. |
| Blok, D.P. (1959): Doel, methode en nut van de toponymie. In: De
Maasgouw, 1959, kol. 147-153. |
| Blok, D.P. (1966): Ontwikkeling en toekomst van het toponymisch
onderzoek in Nederland. In: Brabants Heem, 1966, 26-42. |
| Carnoy, A; (1939-1940): Dictionnaire étymologique du nom
des communes de Belgique Louvain. |
| Carnoy, A. (1948-1949): Origines des noms des communes de Belgique.
Louvain. |
| De Vries, J. (1962): Woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandse
plaatsnamen. Aula 85. Utrecht. |
| Dittmaier, H. (1955): Das Apa- Problem. Leuven. |
| Dittmaier, H. (1963): Rheinische Flurnamen. Bonn. |
| Ekwall, E. (1928): English river names. Oxford. |
| Ekwall, E. (1947): The concise Oxford dictionary of English
place-names. Oxford. |
| Förstemann, E. (1913-1916): Altdeutsches Namenbuch II:
Orts- und sonstige geographische Namen. Herausgegeben von H.
Jellinghaus. Bonn. |
| Gamillscheg, E. (1928): Etymologisches Wörterbuch der
Französischen Sprache. Heidelberg. |
| Gysseling, M. (1960): Toponymisch woordenboek van België,
Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland
(vóór 1226). Tongeren. |
| Gysseling, M. (1983): Taalwisseling in de Zuidlimburgse toponymie van
de late prehistorie tot in de Karolingische tijd. In: Mededelingen van
de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde nr 26, 19-25.
Lezingen van het VLDN-congres te Heerlen op 13 november 1982. |
| Holder, A. (1896): Altceltischer Sprachschatz I. Leipzig. |
| Holder, A. (1904): Altceltischer Sprachschatz II. Leipzig. |
| Jaenen, T. (1978): Bijdrage tot de toponymievan Meeuwen. Onuitgegeven
licentiaatsverhandeling K.U. Leuven. |
Kempeneers, P. (1982): Hydronymie van het Dijle- en Netebekken.
Doctorale dissertatie K.U.Leuven. Een samenvatting verscheen in:
Naamkunde XV (1983), 5-95. |
| Krahe, H. (1949 vv): Alteuropäische Flussnamen. In:
Beiträge zur Namenforschung I (1949) e.v. |
| Krahe, H. (1956): Eiter- und Zugehöriges in
Gewässernamen. In: Beiträge zur Namenforschung VII
(1956), 105-116. |
| Krahe, H. (1960-61): Germanische Sprachwissenschaft I. Einleitung und
Lautlehre. Berlin 1960. II Formenlehre. Berlin 1961. |
| | | |
| Krahe, H. (1964): Unsere ältesten Flussnamen. Wiesbaden. |
| Krahe, H. (1965): Vorgermanische und frühgermanische
Flussnamenschichten. In: Namenforschung. Festschrift für A.
Bach. Heidelberg, 192-198. |
| Kuhn, H. (1959): Vor- und Frühgermanische Ortsnamen in
Norddeutschland und den Niederlanden. In: Westfälische
Forschungen, 1959, 5-44. |
| Lindemans, J. (1930): Toponymie van Opwijk. Nomina Geographica
Flandrica. Monografieën I. Brussel |
| Lindemans, J. (1952): Toponymie van Asse. Nomina Geographica
Flandrica. Monografieën V. Brussel. |
| Maas, P.J. (1905-1906): Geschiedenis van Neeroeteren. I. Roeselare
1905. II. Roeselare 1906. |
| Mansion, J. (1935): De voornaamste bestanddelen der Vlaamsche
plaatsnamen. Nomina Geographica Flandrica. Studien III. Brussel. |
| Mnl: Wb:: Verwijs, E. en Verdam, J. (1882 vv): Middelnederlandsch
Woordenboek. 's Gravenhage. |
| Moerman, H.J. (1956): Nederlandse plaatsnamen. Een overzicht. Nomina
Geographica Flancrica. Studiën VII. Brussel. |
| Molemans, J. (1974): De plaatsnamen van Neerglabbeek. In: Naamkunde VI
(1974), 4 vv. |
| Molemans, J. (1975): Toponymie van Bocholt. Leuven-Brussel. |
| Molemans, J. (1981): Toponymie van Reppel. Toponymica XXII, 7. Leuven. |
| Molemans, J. (1984): Opglabbeek. Een rijk verleden. Opglabbeek. |
| Molemans, J. en Paulissen, E. (1975): De plaatsnamen van Niel-bij-As.
Toponymica XXII, 5. Leuven-Brussel. |
| Molemans, J. en Paulissen, E. (1976): Toponymie van As.
Brussel-Leuven. |
| Roelandts, K. (1970): Vokaalvariatie in hypokoristika. In: Naamkunde
1970, 77-94. |
| Schönfeld, M. (1955): Nederlandse waternamen. Nomina
Geographica Flandrica. Studiën VI. Brussel. |
| Steinhauser, W. (1938): Flussnamen und Volkstum in der deutschen
Ostmark. Premier Congrès international de Toponymie et
d'Anthroponymie. Paris. |
| Tummers, P.L.M. en Blok, D.P. (1968): Waternamen in Limburg en Drente.
Toponymica XXI. Leuven. |
| Van Dale (1984): Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. 198411. |
| Van Dale (1983): Van Dale Groot Woordenboek Frans-Nederlands. Utrecht.
Antwerpen. |
| |
Tijdschriften
| Beiträge zur Namenforschung. Heidelberg I (1949)... |
| Brabants Heem. Bergen op Zoom I (1949)... |
| Eigen Schoon en De Brabander. Orgaan van de Geschied- en
Oudheidkundige kringen van Vlaamsch-Brabant. Merchtem I (1926)... |
| | | |
| Handelingen van de koninklijke Commissie voor toponymie en
Dialectoogie. Brussel, I (1927)... (HCTD) |
| Land van Loon: Het Oude Land van Loon. Hasselt I (1946)... |
| De Maasgouw. Weekblad voor Limburgsche Geschiedenis, Taal- en
Letterkunde. Maastricht I (1879)... |
| Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde I
(1976)... |
| Mededelingen van de vereniging voor Naamkunde te Leuven en de
commissie voor Naamkunde te Amsterdam I (1925) - XXXXIV (1968). Vanaf
1969 heet het tijdschrift gewoon: Naamkunde. |
| Naamkunde: zie Mededelingen van de vereniging voor Naamkunde te Leuven
... |
| Zeitschrift für Ortsnamenforschung. München.
Berlin I (1925) ... (ZONF). |
Jan Segers
| |
| | | |
[Kaart]
|
+De
fonetische transcriptie gebeurt volgens het systeem van T. Frings. Een
klinker gevolgd door een punt duidt een klinker met sleeptoon aan, een
klinker gevolgd door een dubbelpunt een klinker met stoottoon.
+Voor de
jongere namen geven wij tussen haakjes de oudste attestaties. Voor de
vindplaatsen van deze attestaties verwijzen wij naar onze
licentiaatsverhandeling of naar het Corpus Molemans-Thiry, waarin de
gegevens van onze licentiaatsverhandeling mee verwerkt zijn. Beide zijn
te raadplegen in het Instituut voor Naamkunde, Blijde Inkomststraat 20
te Leuven.
|
|