[p. 27]
Sankrānti
Op de horizon van dit tijdsgewricht
schrijf ik
de verborgen woorden
op het gelaat van de zon
op het maangebergte
in de hemelvensters.
Verheugd en
met een energiek hart
ben ik de bebouwer van
de vruchtbare grond.
De regens zal ik binden,
beploegen het land van het hart
en met zorg bevloeien.
Elke dag weer zal ik
woord voor woord,
al de verzamelde woorden
met de rijkdom aan zelfkennis
levendig en met volharding planten
als het zaad der vreugde
in de grond van de geest, het gehoor
en het geheugen.
In de regentijd en op zonnige dagen
zal het zich vastwortelen
en opgroeien
vol jonge spruiten staan.
Het woord zal tot spraak
de spraak tot een mond worden
een open geluid zal zij voortbrengen
[p. 29]
mijn schone taal,
die gelijk de onvergelijkelijke bliksem
woont in het paleis des harten.
Vandaag ben ik uw slaaf
en uw volledig ondergeschikte.
Maar waarom die angstbezwangerde ogen?
Voor de huichelaars?
In de duistere nacht
voor het dievengilde?
Te allen tijde gereed, ben ik
een leeuw gesterkt door mijn cultuur
op post in het gedicht.
Mijn zwaard is de emotie.
Mijn wapen is de stijl,
het beeld en de expressie.
Een nieuwe mātra zal ik samenstellen
een nieuwe maat en poëzie
zonder wraakgevoelens en
met zorg.
Ik ben de bebouwer van de grond
ik ben de slaaf
maar niet begeesterd door wellust en trots
geen gek en
geen ontheemde.
Uw dichter is een der uwen.
Op de horizon van dit tijdsgewricht
schrijf ik zonder vijandigheid
[p. 31]
in het gerijpt seizoen
ofschoon rode woorden
staan gegrift
in de pupillen van
mijn Land.