[p. 33]
Pravās ka prayās
Dag en nacht
op de wanden van het hart de harde slagen;
de benauwenis wurgt mij
aan alle zijden is het hart
door donkere wolken belegerd.
Hoe zal ik mijn dorst lessen?
Van de honger sterf ik;
waar zal ik leniging vinden,
wanneer zal de grote vreugde
in mij verwoordbaar worden?
De ogen zijn van het licht beroofd
in elk tijdsdeel verkeert de dood;
de mond is afgegrendeld,
het trommelvlies acuut ontstoken.
Pravās ka prayās manastāp hai
die mijn horizon heeft weggevaagd.
Wanneer zal de oversteek plaats vinden
wanneer de lotus in bloei staan
de wanhoop voor goed vernietigd,
wanneer zal ik uw bescherming genieten?
Wanneer zal de melkwitte dageraad
vol gratie voor mij uitgaan?
Verward ben ik.
Waarheen zal ik mij wenden?
Hoe zal ik dit hart vermaken?
Bezorgd ben ik.
Mij kwelt het sterke verlangen.
Mezelf ben ik niet meer.
[p. 35]
Met smekende handen sta ik
op de brandende bergen.
Laat mij uw schone spraak toch horen;
stuur mij een enkel woord
een stil verborgen glimlach
opdat in het hart
een nieuwe dageraad en
een morgenteder lied zal opgaan;
openbaar wordt onze taal
de donkerte verdreven
door de levende Ontmoeting!