terug  begin  verder
[p. 48]

Nabij het lichtschip

 
Nogmaals
 
voor uw deur
 
proef ik de zachte morgen
 
zo dicht voor mij
 
zo dicht aan mijn hart
 
was dit niet altijd
 
natuurgetrouw in mij gebleven
 
was ik u vreemd
 
ontrouw of
 
schender van uw grenzen?
 
 
 
Of lagen die niet
 
juist verder en toch
 
omtrent mijn hart?
 
 
 
En was mijn heengaan niet
 
als altoos
 
schijn?
 
 
 
Die staan buiten hun land
 
maar dagelijks erin dwalen
 
zoeken onvermoeid
 
de gouden eenzaamheid
 
de stilte
 
het niet ontwijde beeld
 
van het Geluk.
 
 
 
Ik sta voor uw deur
 
laat mij niet
 
zonder loods
 
een hopeloze strijd voeren
[p. 49]
 
nabij het lichtschip
 
maar binnenzeilen
 
met de morgenster
 
in mijn vlag.
 
 
 
Met opengevouwen handen
 
vraag ik
 
laat mij het offervuur ontsteken
 
en bloemen offeren
 
zo dun gezaaid in mij.
 
 
 
Wanneer ik u
 
dit zoenoffer aanbied
 
in de jongontgonnen dag
 
zullen de slagbomen van
 
uw wantrouwen
 
open handen worden.
 
 
 
De mist zal optrekken
 
voor uw gezicht
 
en zie mijn groet
 
zal dan beantwoord worden.
 
 
 
En ik zal
 
met een bevrijd gemoed
 
schrijven
 
ongerepter
 
mijn hart vertalen
 
en leggen in uw grond
 
wanneer het morgenrood geluk
 
beeft op uw lippen
 
en horizonnen openbloeien
 
in een ranke symfonie.
[p. 50]
 
Als een nieuw akkoord
 
een nieuw verworven recht
 
om in mijn verzen
 
onder u
 
nog eens
 
voor anker te gaan.
terug  begin  verder