[p. 65]
De roep in de nacht
Wie heeft mij geroepen in de nacht
Het geluid kwam nauw hoorbaar van buiten
Het ontgaat mij wiens stem het is
Waarom kwam hij toch op mijn erf?
Was het de nāu
+
soms met de bekende boodschap
Wie weet ging hij onthutst terug
Vol schaamte bleef ik, de trage, achter.
Maar wie heeft mij toch in de nacht geroepen?
In het donker, de lamp in de hand
Riep hij op de dam tussen de dhān
+
Ik antwoordde met een vreugdevol hart
Hem, die mijn Bhagvān is.
+
nāu: barbier, traditioneel degene die het nieuws in een dorp of buurtgemeenschap rondbrengt
+
dhān: padi (rijst op het veld of in de aar)