[p. 74]
Afro-Aziatisch
De neger heeft zijn eigen lot
in eigen hand genomen.
Hij legt zijn droom uit
tegen het weklicht van de morgen
hij tooit zich met een feestgewaad
en hij vergeet zijn zorgen
hij lacht de dag in
en de vreugd aarzelend gekomen.
Hij werpt zijn net uit
en hij wacht
zullen de anderen komen
hij loopt hij neuriet
hij vindt een lied uit
dat welft tegen de kruinen
dat wentelt in het licht
dat spoelt zich in de stroom
de wind laat het zich drogen
als het lijnwaad
van de Heer.
Eindelijk wordt het juk
dat zoet was en toch sneed
bitter nabij zijn nek
even hem afgenomen
eindelijk ook dragen andere schouders
zijn last
eindelijk treden anderen
hem tegemoet
eindelijk begint hij
meer en meer te wonen
in hun dromen.
[p. 75]
Zo wordt herinnering
van het oude lijf verast
zo wordt uit pijn
het nieuwe koren
zo groeit hij met hen
als nieuw gewas.
Dan liggen bij de een
van de ander
de armen als een warme groet
en zij aan zij
beluisteren zij de overwinning
die opspringt in hun bloed.
Zijn hart breekt uit
laaiende zon
hij vraagt de regen
om haar zoete schaduw
de tegenwind wordt nú
wind in zijn zeilen
hij buigt zich naar de aarde
met de anderen
plant samen
eenzamer niet meer
het goede zaad
in de gezonde grond.
Nu wordt zijn waken
om beurten waken
hij kijkt niet om
er is geen muur
en zie ik lees in elke stond
zijn ogenvuur
[p. 76]
waarin de zachte aandrift
van een jonge morgen.
Duizenden vogels
snellen de hemel in
hun lied zwermt neer
als milde regen;
ik kijk naar hem
als vriend
en vol vertrouwen
zeg ik wat van hem afgewend:
‘Wanneer eens zó
zo zuiver
en zo zonder
en wellicht met feller pijn
de Surinamers van elkander houden
dan moet ons land
een weinig van het Andere zijn.’