terug  begin  verder
[p. 97]

Om de zon (1972)

[p. 98]

[Ik had het schip gekaapt zeg ik.]

Ik had het schip gekaapt zeg ik. In de Golf van Bengalen werd de wind in zijn vleugels gewond. De zeilen lagen ineengedoken. Mijmerend en terend op de herinnering. Wij hebben geroeid in de zee tot de blaren zwollen en braken binnen onze handen. Tegen de vingers. En onafgesproken zonder een teken vooraf stond de dood voor ons. Van voor of van achter gezien, het maakte niets uit. Wij kwamen angstzweet tekort en toch aanvaardden wij ook dit. Als iets onafwendbaars. Maar zoals de tijd met ons, zo geleek het, hoorden wij een kudde olifanten de hemel afdraven.

De wind kloofde de zeilen en de zeilen raakten gewoon aan zoveel vreugde. Wij wendden het roer dat de wilde bruutheid van het weer zich had aangemeten.

Door de zee sneden wij en het schuim vloog over boeg en reling.

Tegen de morgen dachten wij aan niets anders dan aan de zon. Maar haar licht schuwden wij, daar wij elkander niet durfden bezien.

Om het roer kleefde bloed. Als verliefde vissen hadden wij in de nachtelijke strijd onszelf de lippen stuk gebeten.

 

Om Kaap de ‘Goede Hoop’ ben ik je dankbaar. Daar viel zowaar de wind ons niet lastig. De zee had met zijn kop op zijn voorpoten geen zin ons naar de keel te springen. De gedachten liepen schoorvoetend op mij aan en nestelden zich in mij. Op mijn hoofd namen zij plaats. Het was zo'n vreemde en toch niet onaangename gewaarwording. Iets bijna onwezenlijks en toch ergens tastbaarder dan je zou zeggen. Ik dacht plots dat het je hand was. Alle zeilen hebben wij toen bijgezet om toch maar buitengaats te blijven. Telkens weigerden wij de laatste bladzij om te slaan. Nochtans hem te lezen.

Maar als ik omhoog keek, wist ik het weer dat de mast hard

[p. 99]

pijnde mijn hoofd, terwijl ik het kauwkiezen van de raas kon horen. En jij. Jij bleef wolken. Zacht neergestreken aan de hemel. Onbereikbaar. Of nauw bewegend, einders ver. Zelfs de zee reageerde ineens op alles verkeerd.

Dat was geloof ik omdat wij grond voelden onder onze voeten. Sinds lang zijn wij de logkaart kwijt. Zelfs in de sextant neem je geen plaats meer. Zandbanken! Klippen!

Wij gooiden het roer om. Het hielp niet meer. Het anker diende ook nergens meer toe. De zee herkreeg zijn kuren en sleepte ons heen en weer tot wij buiten adem waren en de masten naakt stonden te wenen. ‘Het roer hangt de huik naar de stroom,’ vloekten wij.

 

Ergens dient zich het geluk aan, dacht ik onder de Melkweg. En ik telde mijn ribben. Ik luisterde met mijn handen naar mijn hart en ik bad misschien nooit te voren met zo'n overtuiging als vandaag om de slaap van de man op de zesde dag. De slaap waarin de droom zo zonnig uitmondde.

Naakt en onbedekt mysterie. Mens een mens... als de zee was het. Als de zee zonder weerga. En ik telde mijn ribben weer. Van boven naar onder en omgekeerd. Ik was klaarwakker. Het getal was niet veranderd. Sinds is de slaap nimmer mij weggelegd. De tocht naar het eiland mij afgesneden. Want het heeft de territoriale wateren uitgebreid.

En er was geen gezag in de wereld dat er tegen in opstand kwam. Buiten de lijn zie je weinig meer dan contouren en ook dat ontneemt je nog de felle zon.

 

Viel ik je eiland binnen. Woei ik tussen de stenen. Ik wist geen regen. Ik wist de zon. Eindelijk begon de hemel hierom te wenen. Het water drong mij binnen. De zon ontbond met de aarde samen mij, zodat ik wortel schoot.

Als een klimplant in doodsnood klampte ik mij tussen de

[p. 100]

spleten der rotsen. Wies, groeide, kromp ineen bijwijlen dood hangend; dagen geen dauw zelfs proevend. De zoute adem van de zee veelal lag, wanneer de wind ophield te razen, rondom mij heen. Maar eindelijk werd ik meer dan zaad. Eindelijk was ik ook meer dan wortel. Eindelijk rankte ik in tenger groen en groeide sappig een hele morgen open.

Waren het jouw vingers die bloemen voorzichtig mijn hart uit vrijmoedig huiswaarts namen?

terug  begin  verder