terug  begin  verder
[p. 105]

[Wat ik schrijf op het strand]

 
Wat ik schrijf op het strand
 
sponst speels de zee weer uit
 
maar ik herschrijf mijn lei
 
met woorden groen en vers
 
de zee zoent ze zacht weg.
 
 
 
Heb ik enig bezwaar
 
tegen haar milde dwang?
 
 
 
Ik zeg: ‘Wat doe je weer?’
 
‘Wat ik nadrukkelijk schrijf
 
ontneem je het gezicht.’
 
 
 
Zij zegt beweeglijk, zacht
 
speels, wijs en ook vermanend
 
‘Wie schrijft eeuwige woorden
 
ruimtelijk nabij mijn hart?’
 
‘Wie geeft zijn diepste wezen
 
prijs aan dit rulle zand?’
 
 
 
Mijn woorden fluisteren schuchter:
 
‘Zee wie is als jij oneindig
 
diepzinnig, eender, goed
 
ik schrijf tussen twee levens
 
wat omgaat in mijn bloed.’
 
 
 
Buiten zovele anderen
 
schrijf ik met open vizier;
 
mijn wonderlijk dualisme
 
verwoordt hier mens èn dier.
 
 
 
Ik brand de woordenvuren
 
in het zandige natte strand
[p. 106]
 
en jij, jij blust ze telkens
 
met je zachte, wrede hand.
 
 
 
Waak ik niet over je geheimen
 
gebaarde moederlijk de zee
 
ik die niet alleen zout wil zijn
 
maar ook het zuivere, behulpzame water
 
en de sākshin+ buiten de schijn.
 
 
 
Zee, berg zeediep onze geheimen
 
mijn ondertrouw met dit verheven land
 
en offer ruikers, witte ruikers bloemen
 
zijn rotsige kusten
 
en zijn gelaten strand.
+sākshin: getuige
terug  begin  verder