terug  begin  verder
[p. 107]

[Bloedbeul.]

 
Bloedbeul.
 
Achter de heuvels
 
rijpt de zon
 
nu mijn huid
 
zwarter gebrand
 
en mijn tong klam
 
om dat ene woord.
 
In tweestrijd
 
worstel ik tevergeefs
 
ik heb geen keus.
 
 
 
Ik voel de greep
 
scherp om mijn nek
 
barbaarser dan de rauwe slavendrijvers
 
alleen wat lucht nu op rantsoen
 
in een haperende adem
 
voor een vergeefs waarom.
 
 
 
Achter mij de jaren
 
de oogsten
 
de bruingestoofde mais
 
op de geronde heupen
 
der heuvels
 
hoofdschuddend in de wind
 
die vraagt
 
die dwingt
 
die pijnigt.
 
 
 
En ik heb schuren woorden
 
ik heb goud
 
voor de zon van de zuiverste
 
zinnen onaangeroerd.
[p. 108]
 
Ik heb nieuw zaaizaad
 
handen vol
 
achter mijn lippen verborgen
 
voor de dag waarop de hemel
 
rust op deze aarde
 
en kiemkracht schenkt
 
met open handen.
terug  begin  verder